2022-028 03 Toelichting - Bestemmingsplan Laagheide 1 Panningen.pdf
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN “Laagheide 1 Panningen” Vastgesteld
Document:
Bestemmingsplan “Laagheide 1 Panningen”
IDN:
NL.IMRO.1894.BPL0261-VG01
Status:
Vastgesteld
Datum:
19-04-2022
Aanvrager:
Maatschap Vissers-Gommans
Auteur:
ing. L.M. Heesen en ing. M.A.A. Thomassen
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE ................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING........................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 4 1.2 Plangebied en begrenzingen ......................................................................................................... 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................... 5 2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE ......................................................................................... 7 2.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 7 2.2 Ruimtelijke structuur ...................................................................................................................... 7 2.3 Functionele structuur ..................................................................................................................... 8 3.
BELEIDSKADER ................................................................................................................................ 9 3.1 Rijksbeleid ...................................................................................................................................... 9 3.2 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 11 3.3 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 14 4. PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................... 17 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ........................................................................... 18 4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten ................................................................................. 18 4.3 Landschappelijke inpassing ......................................................................................................... 19 5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN .......................................................... 20 5.1 Milieu ............................................................................................................................................
21 5.1.1 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 21 5.1.2 Milieueffectrapportage ........................................................................................................... 23 5.1.3 Geluid .................................................................................................................................... 23 5.1.4 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 24 5.1.5 Bodem en grondwaterkwaliteit .............................................................................................. 25 5.1.6 Externe veiligheid .................................................................................................................. 25 5.1.7 Geurhinder en veehouderijen ................................................................................................ 26 5.2 Kabels, leidingen en straalpaden ................................................................................................. 27 5.3 Natuur ..........................................................................................................................................
27 5.3.1 Flora en fauna ....................................................................................................................... 27 5.3.2 Natura2000 ............................................................................................................................ 28 5.4 Waterhuishouding ........................................................................................................................ 28 5.4.1 Beleidskader .......................................................................................................................... 28 5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) ............................................................ 29 5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) ............................................................ 29 5.5 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 30
2
5.6 Verkeer en parkeren .................................................................................................................... 31 6. JURIDISCHE ASPECTEN ................................................................................................................ 32 6.1 Toelichting op de verbeelding ...................................................................................................... 32 6.2 Toelichting op de planregels ........................................................................................................ 32 7. UITVOERBAARHEID, INSPRAAK EN PROCEDURE .................................................................... 33 7.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 33 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................... 33 7.3 Procedure .................................................................................................................................... 33 BIJLAGEN 1. Overzicht te slopen bebouwing 2. Berekening bedrijfsomvang 3. Landschappelijk inpassingsplan
3
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Maatschap Vissers-Gommans, hierna initiatiefnemer, exploiteert op de locatie Laagheide 1 te Panningen een varkenshouderij. Daarnaast is er een akkerbouwtak aanwezig op het bedrijf en worden er paarden gehouden. Initiatiefnemer heeft zich aangemeld voor de Subsidieregeling Warme Sanering Varkenshouderij, hierna SRV. Onderdeel van deze regeling is dat het bestemmingsplan ter plaatse dusdanig gewijzigd wordt dat het exploiteren van een intensieve veehouderij ter plaatse niet meer mogelijk is. Derhalve is initiatiefnemer gaan nadenken over een alternatieve bedrijfsvoering en bestemming voor de locatie. Daarbij is de wens ontstaan om een omschakeling te maken naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij het mogelijk is om de akkerbouwactiviteiten voort te zetten en bedrijfsmatig paarden te kunnen houden. Deze wijzigingen zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk. Derhalve is bij de gemeente Peel en Maas een principeverzoek ingediend om het bestemmingsplan te wijzigen. De gemeente heeft, middels een brief, op 22 maart 2021 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het omzetten van de bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ naar ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Medewerking is mogelijk op basis van een zogenaamd postzegelplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening.
Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (rood omcirkeld)
4
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ De bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ wordt omgezet in de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’ ter plaatse van het te behouden bouwvlak, overige gronden worden bestemd als ‘Agrarisch’. ▪ Overige gebiedsaanduidingen en maatvoeringen binnen het plangebied blijven conform het vigerende bestemmingsplan in stand.
1.2 Plangebied en begrenzingen De locatie ligt aan de Laagheide 1, in het buitengebied van Panningen, op de percelen kadastraal bekend als Helden V 95 (gedeeltelijk) en V 100 (gedeeltelijk). Het bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 16.800 m2 en is thans volledig bestemd als ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’. De Laagheide betreft een buitenweg, gelegen ten noordoosten van de kern Panningen, gelegen halverwege de kernen Panningen en Koningslust. De omgeving kenmerkt zich door de afwisseling van agrarische bedrijven en burgerwoningen. Ten noordoosten bevinden zich enkele burgerwoningen. Direct ten noorden van het plangebied is een voormalige varkenshouderij gelegen, welke eerder al gesaneerd is. Op wat grotere afstand ligt richting Koningslust een melkrundveehouderij. In zuidelijke richting is het bedrijventerrein van Panningen gelegen. Tussen het bedrijventerrein en het plangebied is in de vorm van de straten Loo en Vosberg een bebouwingslint gelegen waar ondertussen de woonfunctie overheerst. Het plangebied is thans bebouwd met in totaal één bedrijfswoning en zeven bedrijfsgebouwen. Daarnaast zijn er verschillende verhardingen en bijbehorende voorzieningen zoals voersilo’s en sleufsilo’s aanwezig.
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” (vastgesteld d.d. 24 december 2014) en is bestemd als ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’. Verder gelden de volgende dubbelbestemmingen en aanduidingen: − − − − − − −
Dubbelbestemming “Waarde – Archeologie - 5” (geldt voor een klein deel van het plangebied) Dubbelbestemming “Waarde – Archeologie - 7” (geldt voor het merendeel deel van het plangebied) Functieaanduiding: “Bedrijfswoning uitgesloten” (geldt voor een klein deel van het plangebied) Functieaanduiding: “specifieke vorm van agrarisch - mestbassin” (geldt voor een klein deel van het plangebied) Gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone – verwevingsgebied (geldt voor het hele plangebied) Gebiedsaanduiding: wro-zone – wijzigingsgebied 4 go (geldt voor het merendeel van het plangebied) Gebiedsaanduiding: wro-zone – wijzigingsgebied 2 ko (geldt voor een klein deel van het plangebied)
Initiatiefnemer heeft zich aangemeld voor de SRV. Onderdeel van deze regeling is dat het bestemmingsplan ter plaatse dusdanig gewijzigd wordt dat het exploiteren van een intensieve veehouderij ter plaatse niet meer mogelijk is. Dat betekent dat de enkelbestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ van de locaties omgezet moet worden in een andere bestemming.
5
Initiatiefnemer wenst nu om de bestemming om te vormen in de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Hieraan kan invulling gegeven worden middels een zogenaamd postzegelplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening.
Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas”, plangebied rood omlijnd.
6
2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE 2.1 Algemeen De locatie ligt aan de Laagheide 1, in het buitengebied van Panningen, op de percelen kadastraal bekend als Helden V 95 (gedeeltelijk) en V 100 (gedeeltelijk). Op de locatie is een varkensbedrijf gevestigd waarbinnen zowel fokzeugen als vleesvarkens gehouden worden. Naast varkens is er binnen het bedrijf een akkerbouwtak aanwezig en worden er enkele paarden gehouden. Het bouwvlak heeft een oppervlak van ca. 16.800 m2 en is volledig bestemd als ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’.
Afbeelding 3. Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en omgeving
2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen op de grens van een kleinschalig halfopen (zuidelijke zijde richting Loo) en grootschalig open ontginningslandschap (noordelijke zijde). De kleinschalige halfopen ontginningslandschappen zijn ontstaan op gronden die van oudsher natter en minder gunstig waren dan de hogere akkers. Doordat deze gebieden minder grootschalig ontgonnen zijn, zijn als gevolg daarvan nog veel onverharde wegen en bospaden aanwezig in deze gebieden. Het patroon van de wegen is afwisselend recht en gebogen en weilanden en akkers wisselen elkaar af. De grootschalige ontginningslandschappen zijn ontstaan nadat het aan het einde van de 19 e eeuw mogelijk werd grootschalig veen af te graven en af te voeren via de Noordervaart. Dit heeft geleid tot open landschappen met een rationele ontsluitingsstructuur en verspreide boerderijnederzettingen. Beplantingen moesten grotendeels wijken.
7
Rondom het plangebied bevindt zich bebouwing van derden. Direct ten noorden van het bedrijf ligt een woning van derden, waar voorheen eveneens een varkenshouderij gevestigd was. Deze varkenshouderij is al eerder gesaneerd. Overige bebouwing van derden is op ruime afstand gelegen. Het gaat daarbij vooral om woningen van derden. Op grotere afstand, richting noorden ligt een melkrundveehouderij. Richting zuiden ligt het bedrijventerrein van Panningen. Tussen het bedrijventerrein en het plangebied ligt aan de Vosberg en de Loo, deze zijn te beschouwen als “woonlinten”.
2.3 Functionele structuur De omgeving kenmerkt zich door het agrarische karakter. Het plangebied is aan de west-, oost- en noordzijde te typeren als een redelijk open gebied met ook grotere verkaveling van percelen. Daaraan is te zien dat dit gebied later tot ontwikkeling is gekomen dan de zuidzijde. De zuidzijde is namelijk te typeren als een veel kleinschaliger besloten gebied is de vorm van de bebouwing aan de Loo en de Vosberg. Dit zijn oude bebouwingslinten die in de loop der tijd van een agrarisch lint zich omvormen tot een in hoofdzaak woonlint. De kern van Panningen ligt richting het zuiden, op een afstand van ruim 1,5 kilometer. De kern van Koningslust ligt op een afstand van circa 1300 meter in vogelvlucht.
8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de rijksoverheid vastgesteld. In de SVIR staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Het rijk stelt dat er een aanpak dient te ontstaan dat Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeente) en komt de gebruiker centraal te staan. Het rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: ▪ een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; ▪ over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; ▪ een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.
Het rijk heeft drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2020): ▪ het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur; ▪ het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; ▪ het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten. Het rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere nationale belangen. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water, lucht en externe veiligheid zijn afgewogen in het licht van de ontwikkeling (zie hoofdstuk 5).
Uit deze beoordeling blijkt dat onderhavig planvoornemen geen nadelige effecten heeft op/of ondervindt van bodem, water, lucht of externe veiligheid. Vanuit de SVIR bestaan dan ook geen beperkingen voor onderhavig initiatief.
9
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (thans Nationaal Natuurnetwerk), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.
Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Op dit plan zijn geen van deze belangen van toepassing. Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Bij onderhavig planvoornemen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet aan de orde.
10
3.2 Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend plan-MER, de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. De provinciale ruimtelijke ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg; om er naar toe te gaan en vooral ook om er te blijven. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderende opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.
Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. En uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop de provincie samen met haar partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat wil realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. In het POL wordt geconcretiseerd hoe de ambitie dat elk land- en tuinbouwbedrijf in 2025 een lust voor zijn omgeving is, wordt gerealiseerd. Zo krijgt de aanpak ‘schone stallen’, een combinatie van stimuleren en reguleren, in het POL de nodige aandacht. De Verordening veehouderijen en Natura2000 is daarvoor opgenomen in de Omgevingsverordening. De opgaven voor de Limburgse land- en tuinbouw zijn als volgt: ▪ Als onderdeel van duurzame productie worden de emissies naar lucht, water en bodem, in het bijzonder ammoniak, geur, fijn stof, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen, teruggedrongen. ▪ Ruimte bieden aan doorgroei van bestaande land- en tuinbouwbedrijven, in een goede balans met omgevingswaarden.
▪ Ruimte bieden voor de vestiging van nieuwe bedrijven; bij intensieve veehouderij- en glastuinbouwbedrijven wordt gefocust op (een beperkt aantal) daarvoor geschikte locaties in het landelijk gebied. ▪ Een perspectief bieden voor de ontwikkeling van agglomeratielandbouw op daarvoor geschikte locaties. ▪ Kwaliteitsslag in het landelijk gebied voor verduurzaming van bestaande agrarische bedrijven, hergebruik van leegkomende (beeldbepalende) gebouwen en sloop van leegkomende bebouwing waar geen passend alternatief voor aanwezig is. In het POL2014 is het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
11
Bebouwd gebied
Zone Stedelijk centrum
Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Landelijk gebied
Goudgroene natuurzone
Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone
Buitengebied
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Afbeelding 7. Uitsnede POL-kaart ‘Zonering’
12
Volgens de POL-kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied binnen het landelijk gebied – buitengebied. Ten westen van het bedrijf is nog net een stukje van ene uitloper van de bronsgroene landschapszone te zien. De zone ‘landelijk gebied - buitengebied’ omvat een breed scala aan gebieden, variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ kwaliteit en functioneren ondergrond. Onderhavig planvoornemen sluit goed aan bij de voornoemde accenten. De milieubelasting zal door het saneren van de varkensstallen en het omvormen van het bedrijf van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf fors afnemen. Het saneren van de varkensstallen biedt tevens nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor het starten / doorontwikkelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Wat dat betreft past onderhavig planvoornemen binnen de uitgangspunten zoals gesteld in het POL 2014. Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden. In de Omgevingsverordening is het hoofdstuk Ruimte opgenomen.
Het hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. In artikel 2.2 van het hoofdstuk Ruimte is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, maar van een agrarische ontwikkeling. De ladder voor duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing. De Omgevingsverordening bevat -naast de regels in het hoofdstuk Ruimte- regels over diverse andere onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden, waaronder de boringsvrije zones Roerdalslenk en Venloschol. Het plangebied is niet gelegen binnen een milieubeschermingsgebied zoals een van de voornoemde boringsvrije zones. Vanuit de omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Ontwerp Omgevingsvisie Limburg Per 25 augustus 2020 is de ontwerp ‘Omgevingsvisie Limburg’ ter inzage gelegd. In de omgevingsvisie is de langetermijnvisie van de Provincie Limburg uiteengezet. Daarbij worden drie hoofdopgaven onderscheiden.
Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: ▪
▪ ▪
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; o In stedelijk c.q. bebouwd gebied; o In landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
13
Ook in de omgevingsvisie is Limburg onderverdeeld in een algemene zonering. De drie hoofdtypen zijn landelijke gebieden, bebouwde gebieden en infrastructuren. Deze drie hoofdtypen zijn elk weer onderverdeeld in meerdere categorieën. Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is de planlocatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied’ behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noorden Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Wat dat betreft sluit de zonering in de nieuwe omgevingsvisie aan bij de zonering in het POL2014. Vanuit de omgevingsvisie bestaan dus geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie buitengebied (2011) In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. Verschillende gebiedstypen zijn gedefinieerd in de structuurvisie die een bepaalde ontwikkelingsrichting (ruimtelijk, functioneel en landschappelijk) typeren. Het plangebied staat aangeduid als ‘grootschalig open ontginningslandschap’ en tevens deels als ‘kleinschalig halfopen ontginningslandschap’. Aangezien het grootste gedeelte van het plangebied gelegen is binnen een ‘grootschalig open ontginningslandschap’ zal hierna hoofdzakelijk op dat gebiedstype ingegaan worden.
Wat betreft de ruimtelijke, functionele en landschappelijke aspecten zijn voor dit gebiedstype de volgende beleidsuitspraken relevant: ▪ versterking van de landschappelijke karakteristiek bestaande uit relatief grootschalige, open ruimten met lange rechte wegen, weilanden en akkers; ▪ speciale aandacht is hierbij vereist voor het behoud van de landschappelijke openheid en de kwaliteit van rust en ruimte; ▪ versterking van de open structuur van weilanden en akkers doorsneden door lange rechte wegen met wegbeplantingen; ▪ realisatie van een verdere landschappelijke aankleding door weg- en erfbeplantingen in een grootschalige structuur; ▪ realisatie van een grofmazig landschappelijk raamwerk voor verschillende vormen van landbouw (intensieve veehouderij en glastuinbouw) met behoud van voldoende zichtlijnen in de vorm van open doorzichten.
14
Qua ontwikkelingen in dit gebied wordt ingezet op de volgende aspecten: ▪ versterking van verschillende grondgebonden agrarische functies en verbrede landbouw op bestaande locaties; ▪ versterking van de intensieve veehouderij en glastuinbouw in daarvoor aangeduide gebieden; ▪ versterking van (kleinschalige) bedrijvigheid in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen; ▪ binnen de landbouw een ruime toelating van lage, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; ▪ hoge, permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn goed mogelijk als de openheid maar zoveel mogelijk behouden blijft. Onderhavig initiatief behelst de omschakeling van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf. Hierdoor wordt de grondgebonden agrarische functie ter plaatse van het plangebied in ieder geval versterkt. Daarmee wordt tevens direct een alternatieve invulling gegeven aan de vrijkomende agrarische bedrijfskavels. De meeste bedrijfsgebouwen moeten namelijk op basis van de regeling behorende bij de SRV gesloopt worden. Dat voorkomt verloedering van het buitengebied. Wat dat betreft past onderhavig initiatief binnen de uitgangspunten zoals gesteld in de structuurvisie.
Kaderstelling Ruimte en Economie In het coalitieakkoord 2014 is vastgelegd dat het college met de omgeving in gesprek gaat over de gewenste koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing als richtsnoer heeft. De omzetting van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden bedrijf is passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie. Op basis van programmadoel 3, bedrijvigheid in balans met de omgeving, is er oog voor de transitie van het landelijke gebied. Oude stallen worden gesaneerd, waarbij de emissies van geur, fijnstof en ammoniak flink afnemen. Nieuwe gebouwen voldoen aan de huidige regelgeving en krijgen een moderne uitstraling. De nu voorliggende ontwikkeling is daarmee passend binnen de kaderstelling Ruimte en Economie. Kwaliteitskader Buitengebied Het kwaliteitskader bevat geen nieuw beleid. Het is een uitwerking van vaststaand beleid uit het structuurplan buitengebied Peel en Maas. Net als in het provinciaal beleid wordt er bij kwaliteitsverbeteringen onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen: 1. Basiskwaliteit (B): B is van toepassing bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding daarvan tot de referentiemaat in een agrarisch gebied. B wil zeggen dat nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast moet worden.
Als basis voor de omvang geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en het erf komt. 2. Basiskwaliteit Plus (B+): B+ is van toepassing bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding boven de referentiemaat. Als basis voor de omvang van de landschappelijke inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak. 3. Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK): AK dient te bestaan uit fysieke maatregelen die bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het landschap waarbinnen de maatregelen genomen worden. Per gebiedstype zijn er andere landschapskwaliteiten typerend en van belang. Onderhavig initiatief behelst het herbestemmen van de locatie Laagheide 1 van ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ naar ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Daarbij wordt het bestaande bouwvlak niet uitgebreid, maar zelfs verkleind. Er is dan ook geen sprake van uitbreiding boven de referentiemaat. Dat betekent dat zowel B+ als AK niet van toepassing zijn. Voor onderhavig initiatief geldt dus enkel dat voldaan moet worden aan B. In paragraaf 4.3 wordt dit onderdeel nader uitgewerkt,
15
Wat dat betreft wordt voldaan aan de uitgangspunten zoals genoemd in het Kwaliteitskader. Bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” (vastgesteld d.d. 24 december 2014) en is bestemd als ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’. Verder gelden de volgende dubbelbestemmingen, gebiedsaanduidingen en maatvoeringen:
− − − − − − −
Dubbelbestemming “Waarde – Archeologie - 5” (geldt voor een klein deel van het plangebied) Dubbelbestemming “Waarde – Archeologie - 7” (geldt voor het merendeel deel van het plangebied) Functieaanduiding: “Bedrijfswoning uitgesloten” (geldt voor een klein deel van het plangebied) Functieaanduiding: “specifieke vorm van agrarisch - mestbassin” (geldt voor een klein deel van het plangebied) Gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone – verwevingsgebied (hele plangebied) Gebiedsaanduiding: wro-zone – wijzigingsgebied 4 go (geldt voor het merendeel van het plangebied) Gebiedsaanduiding: wro-zone – wijzigingsgebied 2 ko (voor een klein deel van het plangebied)
Initiatiefnemer heeft zich aangemeld voor de SRV. Onderdeel van deze regeling is dat het bestemmingsplan ter plaatse dusdanig gewijzigd wordt dat het exploiteren van een intensieve veehouderij ter plaatse niet meer mogelijk is. Dat betekent dat de enkelbestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ van de locaties omgezet moet worden in een andere bestemming. Initiatiefnemer wenst nu om de bestemming om te vormen in de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Hieraan kan invulling gegeven worden middels een zogenaamd postzegelplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening.
16
4. PLANBESCHRIJVING Initiatiefnemer exploiteert op de locatie Laagheide 1 te Panningen een varkenshouderijbedrijf met akkerbouwactiviteiten en een aantal paarden. Initiatiefnemer heeft zich aangemeld voor de SRV. Onderdeel van deze regeling is dat het bestemmingsplan ter plaatse dusdanig gewijzigd wordt dat het exploiteren van een intensieve veehouderij ter plaatse niet meer mogelijk is. Derhalve is initiatiefnemer gaan nadenken over een alternatieve bedrijfsvoering en bestemming voor de locatie. Daarbij is de wens ontstaan om een omschakeling te maken naar een grondgebonden agrarisch bedrijf. Hierdoor wordt het mogelijk om de akkerbouwactiviteiten voort te zetten en binnen de locatie op een bedrijfsmatige wijze paarden te kunnen houden. Binnen de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’ zijn beide activiteiten toegestaan. Dit is daarom de best passende bestemming.
Afbeelding 4. Planvoornemen voor locatie Laagheide1: de groene vlakken zijn de bebouwing welke direct na sloop van de stallen wordt gerealiseerd. Het blauwe vlak zijn de toekomstige paardenstallen met binnenrijkbak. Daarnaast liggen de stapmolen en longeercirkel. Ten oosten daarvan ligt een buitenrijbak.
Na de sloop van de varkensstallen (bijlage 1: overzicht te slopen bebouwing) zullen er direct twee nieuwe stallen/loodsen worden teruggebouwd van circa 24.5 x 17.3 meter per stuk. Eén gebouw wordt ten noorden van de bestaande boerderij gebouwd en één gebouw ten zuiden van de bestaande boerderij. Op termijn is het, op basis van de gewenste doorontwikkeling tot een bedrijfsmatige
17
paardenhouderij, wenselijk om meer bedrijfsruimtes te kunnen bouwen in de vorm van paardenstallen, binnenrijbak, stapmolen, longeercirkel, etc. Daarvoor wil initiatiefnemer het bestaande bouwvlak grotendeels behouden. Aan de oost- en westzijde zal het bouwvlak met circa 1.800 m2 verkleind worden. Deze perceelsdelen krijgen de bestemming ‘Agrarisch’ conform de omliggende gronden. Om een en ander milieutechnisch mogelijk te maken zal initiatiefnemer een melding indienen in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer, hieronder valt de toekomstige bedrijfsvoering namelijk. In het verzoek tot intrekking van de Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) is opgenomen dat er na intrekking van de vergunning voor het houden van varkens maximaal 50 opfokpaarden en maximaal 50 volwassen paarden gehouden zullen worden binnen de inrichting. Op de OBM is reeds een besluit genomen. Het bestaande akkerbouwbedrijf heeft een omvang van 10 ha. Op de percelen worden mais, aardappelen, asperges en gras geteeld. Zoals hierboven reeds aangegeven is het mogelijk om binnen de inrichting 50 volwassen paarden en 50 paarden in opfok te gaan houden. Dit is reeds in de intrekking van de OBM vastgelegd.
De combinatie van het akkerbouwbedrijf en het houden van paarden levert een bedrijfsomvang op die op basis van normen van Wageningen University te beschouwen is als een klein agrarisch bedrijf (bijlage 2). Daarmee is er sprake van een bedrijfsomvang dat vraagt om een arbeidsinzet van 0.75 tot 1.5 arbeidsjaareenheden.
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij de opstelling van onderhavig bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate, duidelijke en flexibele regeling te bevatten voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, gebaseerd op het plan “Buitengebied Peel en Maas”. ▪ De bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ wordt omgezet in de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’ ter plaatse van het te behouden bouwvlak, overige gronden worden bestemd als ‘Agrarisch’. ▪ Overige gebiedsaanduidingen en maatvoeringen binnen het plangebied blijven conform het vigerende bestemmingsplan in stand. ▪ Het bestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling te bevatten dat de nieuwe activiteiten pas zijn toegestaan wanneer de compenserende landschappelijke maatregelen worden aangelegd en in stand worden gehouden. De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op de herbestemming van het bedrijf aan de Laagheide 1. Het plan biedt het juridisch kader waar het bedrijf zich aan dient te conformeren. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied is voorzien van de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’ en een bouwvlak. Het deel waar het huidige bestemmingsen bouwvlak wordt verwijderd krijgt de bestemming ‘Agrarisch’.
Ter plaatse van de toekomstige buitenrijbak is een aanduiding aangebracht waardoor de nieuwe bebouwing geconcentreerd dient gebouwd te worden in de nabijheid van de bestaande boerderij. Een voorwaardelijke bepaling legt de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing planologisch-juridisch vast.
4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten De sanering van de varkensstallen zal leiden tot een ruimtelijke kwaliteitswinst. Een gedeelte van de stallen is nog relatief nieuw, maar een aantal stallen betreffen deels verouderde stallen. Sloop van met
18
name deze verouderde gebouwen zal de kwaliteit van de omgeving goed doen. Bij de bouw van de nieuw beoogde bebouwing zal door initiatiefnemer rekening gehouden worden met de aanwezige waarden in de omgeving van het plangebied. Tevens zal voor zover mogelijk qua uitstraling van de gebouwen aansluiting gezocht worden bij de thans aanwezige bebouwing binnen, en in de omgeving van, het plangebied. Ruimtelijk gezien wordt bij de situering van de beoogde nieuwe bebouwing getracht een zo compact mogelijk cluster van bebouwing te realiseren om zo tot een zo efficiënt mogelijk ruimtegebruik te komen. De milieubelasting vanuit het agrarisch grondgebonden bedrijf op omliggende bebouwing zal fors afnemen ten opzichte van de huidige bedrijfsvoering als zijnde een intensieve veehouderij. Door de ligging en door de landschappelijke inpassing van de locatie leidt het plan niet tot negatieve ruimtelijke, stedenbouwkundige of landschappelijke effecten op de omgeving.
4.3 Landschappelijke inpassing Het beleid ten aanzien van de landschappelijke inpassing heeft de gemeente Peel en Maas vastgelegd in het ‘Kwaliteitskader buitengebied Peel & Maas’. Het kwaliteitskader bevat geen nieuw beleid. Het is een uitwerking van vaststaand beleid uit het structuurplan buitengebied Peel en Maas. Net als in het provinciaal beleid wordt er bij kwaliteitsverbeteringen onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen: 1. Basiskwaliteit (B): B is van toepassing bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding daarvan tot de referentiemaat in een agrarisch gebied. B wil zeggen dat nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en het erf komt. 2. Basiskwaliteit Plus (B+): B+ is van toepassing bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding boven de referentiemaat. Als basis voor de omvang van de landschappelijke inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak. 3.
Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK): AK dient te bestaan uit fysieke maatregelen die bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het landschap waarbinnen de maatregelen genomen worden. Per gebiedstype zijn er andere landschapskwaliteiten typerend en van belang. Onderhavig initiatief behelst het herbestemmen van de locaties Laagheide 1 van ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ naar ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Daarbij wordt het bestaande bouwvlak niet uitgebreid, maar zelfs verkleind. Er is dan ook geen sprake van uitbreiding boven de referentiemaat. Dat betekent dat zowel B+ als AK niet van toepassing zijn. Voor onderhavig initiatief geldt dus enkel dat voldaan moet worden aan B. Het omzetten van de bestemming van “Agrarisch - Intensieve veehouderij” naar “Agrarisch Grondgebonden” wordt niet specifiek genoemd in het gemeentelijke kwaliteitskader. Door de gemeente Peel en Maas wordt dit beschouwd als een vorm van functiewijziging. Middels het toepassen van maatwerk is overeengekomen dat 10% van het oppervlak van de resterende bebouwing (na sloop) aan inpassingsmaatregelen genomen dient te worden. Onderhavig bestemmingsplan omvat de mogelijkheid om in de toekomst meer nieuwe bebouwing op te richten, bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, stapmolen, longeercirkel, etc. Op dit moment is nog niet
19
exact duidelijk wanneer deze gerealiseerd worden en wat de exacte maatvoering wordt. Op dit moment is duidelijk dat er een tweetal nieuwe bedrijfsgebouwen gebouwd worden en dat de boerderij gehandhaafd blijft. Deze hebben een oppervlak van 1.375 m2. Er geldt daarmee een inpassingseis van 138 m2. Voor de locatie is er derhalve gekeken naar de wijze van inpassing in de omgeving (bijlage 3). Hierbij wordt voldaan aan de gemaakte maatwerkafspraak. Hieronder is een impressie weergegeven van de inpassingsmaatregelen.
Afbeelding 5: impressie landschappelijke inpassing
Bij het oprichten van meer bebouwing in de toekomst zal er te zijner tijd ook aan het Kwaliteitskader getoetst moeten worden en zal er derhalve een extra landschappelijke inpassing gerealiseerd moeten worden. Deze extra inpassing zal dan onderdeel uitmaken van een nog aan te vragen omgevingsvergunning. Met de landschappelijke inpassing van de locatie op basis van maatwerk wordt voldaan aan het gemeentelijke kwaliteitskader.
20
5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Bij de herbestemming van het bestemmings- en bouwvlak van een intensieve veehouderij dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en met (milieu-)aspecten op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1 Milieu 5.1.1 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Op basis van de bestemming “Agrarisch - Grondgebonden” kan zich op het terrein zowel een akker- en/of tuinbouwbedrijf vestigen, als een paardenhouderij, als een rundveehouderij. Van deze bedrijfsmatige activiteiten leidt het exploiteren van een rundsveehouderij tot de grootste aan te houden richtafstanden. Deze richtafstanden zijn als volgt: 100 meter voor geur, 30 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar.
In de beoordeling zal uitgegaan worden van een worst-case scenario (dat is de theoretische mogelijkheid tot het vestigen van een rundveehouderij ter plaatse) en uitgegaan worden van de volgende richtafstanden: • 100 meter voor geur (richtafstand rundveehouderij); • 30 meter voor stof (richtafstand rundveehouderij); • 30 meter voor geluid (richtafstand rundveehouderij); • 10 meter voor gevaar (richtafstand grondgebonden bedrijf): In de bestaande situatie is er sprake van een intensieve veehouderij waarbinnen varkens worden gehouden. Voor een varkenshouderij gelden richtafstanden van 200 meter voor geur, 30 meter voor stof, 50 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen aan de Laagheide 2A en heeft de bestemming “Agrarisch grondgebonden”. De afstand tussen de bouwvlakken van beide bedrijven bedraagt ca. 23 meter. De afstand tussen het bouwvlak van Laagheide 1 en de woning aan Laagheide 2A bedraagt ca. 92 meter. Concreet houdt dit in dat voor wat betreft de Laagheide 2A er niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geur, stof en geluid. Elk van deze drie categorieën zal hieronder uitgewerkt worden. Bij alle andere gevoelige objecten in de omgeving wordt er wel aan allee richtafstanden voldaan.
21
Geur t.o.v. Laagheide 2A: Door het saneren van de varkenshouderij zal de geursituatie aanzienlijk verbeteren door het wegvallen van de geuremissie van de varkens. Ondanks dat er niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geur zal er ter plaatse van de woning Laagheide van een verbetering van het woon- en leefklimaat optreden voor wat betreft geur. Bij de beoordeling van geur uit veehouderij is de Wet geurhinder en veehouderij het exclusieve toetsingskader. De woning aan de Laagheide 2A maakte op 19 maart 2000 onderdeel uit van een veehouderij. De Wet geurhinder en veehouderij geeft aan dat er in het buitengebied dan een vaste afstand tussen dierenverblijven en gevel woning van 25 meter aangehouden dient te worden en een afstand van 50 meter tussen emissiepunt dierenverblijf en gevel. Woning. Aan deze afstand wordt voldaan. Qua geur is de omschakeling daarmee aanvaardbaar.
Stof t.o.v. Laagheide 2A: De richtafstand voor stof bedraagt 30 meter. De afstand tussen de bouwvlakken van Laagheide 1 en Laagheide 2A bedraagt ca. 23 meter. Aan de richtafstand wordt niet voldaan. In de bestaande situatie is er sprake van een richtafstand 30 meter. Bij de vaststelling van eerdere bestemmingsplannen is de kleinere afstand dan 30 meter als aanvaardbaar beschouwd. Daarnaast kan gesteld worden dat er sprake is van een afname van de fijnstof emissie waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse zal verbeteren. Tevens is het omvormen te beschouwen als een NIBM project. In paragraaf 5.1.4 wordt hierop nader ingegaan. Qua luchtkwaliteit is het plan aanvaardbaar.
Geluid t.o.v. Laagheide 2A: De richtafstand voor geluid bedraagt 30 meter. De afstand tussen de bouwvlakken van Laagheide 1 en Laagheide 2A bedraagt ca. 23 meter. Aan de richtafstand wordt niet voldaan. In de bestaande situatie is er sprake van een intensieve veehouderij. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter voor geluid. Door de wijziging van de bedrijfsvoering wordt de richtafstand kleiner. Bij de vaststelling van eerdere bestemmingsplannen is de kleinere afstand dan 50 meter reeds als aanvaardbaar beschouwd. Qua geluid is de omschakeling daarmee aanvaardbaar.
Op basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat er ter plaatse van de Laagheide 2A weliswaar niet voldaan wordt aan de richtafstanden voor geur, stof en geluid, maar er toch sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat waardoor het wijzigen van het bestemmingsplan mogelijk is. Verder geldt dat door onderhavig initiatief omliggende bedrijven niet in haar ontwikkeling beperkt mogen worden. In onderstaande tabel is de kortst gemeten afstand, van het bouwvlak, ten opzichte van omliggende bedrijven weergegeven.
22
Bedrijf
Agrarisch, Grondgebonden Agrarisch grondgebonden Agrarisch grondgebonden
Adres
Richtafstand woonwijk’ Geur Stof
VNG
‘rustige
Geluid
Gevaar
Laagheide 2A
0143
50
30
30
0
Werkelijke afstand in nieuwe situatie 23
Laagheide 7
0141, 0142 0141, 0142
100
30
30
0
450
100
30
30
0
129
Loosteeg 26
SBI-2008
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ten aanzien van de bedrijven aan de Laagheide 7 en Loosteeg 26 voldaan wordt aan alle richtafstanden. Ten opzichte van Laagheide 2A wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor geur, stof en geluid. Deze afstand wijzigt in de beoogde situatie niet ten opzichte van de reeds bestaande situatie. Dat betekend dan ook dat het Laagheide 2A niet in haar ontwikkelingen beperkt wordt. Het onderdeel milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
5.1.2 Milieueffectrapportage Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. Het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf is niet opgenomen op de C-lijst of D-lijst van het Besluit. Op de locatie Laagheide 1 is initiatiefnemer voornemens om paarden te gaan houden. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is benodigd indien meer dan 100 volwassen paarden en/of pony’s (exclusief opfokdieren jonger dan 3 jaar) gehouden worden. Deze ondergrens zal niet overschreden worden. Mochten toch meer dan 100 paarden en/of pony’s gehouden gaan worden dan zal bij de desbetreffende vergunningaanvraag alsnog een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uitgewerkt worden.
5.1.3 Geluid Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidsgevoelige objecten (zoals bijvoorbeeld woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van een weg, spoor of gezoneerd industrieterrein akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling behelst de herbestemming van een voormalige intensieve veehouderij. Met dit planvoornemen worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Het aantal woningen binnen het plangebied wijzigt niet. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet benodigd.
23
Industrielawaai In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van een nieuwe functie in de omgeving plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met milieuaspecten als geur-, stof en gevaarhinder, maar ook voor wat betreft geluidhinder. In paragraaf 5.1.1 is de toetsing aan alle richtafstanden beschreven, in deze paragraaf wordt louter ingegaan op geluidhinder. Voor een grondgebonden agrarisch bedrijf geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst 30 meter moet worden aangehouden voor geluid. De kleinste afstand tussen de bouwvlakken bedraagt 23 meter. Daarmee wordt niet aan de richtafstand voldaan. Dit is echter in de huidige situatie ook reeds het geval. De richtafstand voor geluid van een varkenshouderij bedraagt 50 meter. Dat betekent dat de geluidcontour kleiner wordt. Daarbij kan tevens gemotiveerd wordt dat de geluidoverlast binnen de contour ook minder wordt. Ondanks dat niet voldaan kan worden aan de richtafstanden zal door onderhavig initiatief evengoed sprake zijn van een verbetering van de akoestische situatie ter plaatse van omliggende woningen van derden. Wat dat betreft kan dan ook gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling aanvaardbaar is.
5.1.4 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties De Regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: a. akker- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt; b.
inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw; c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen; d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare (3% criterium); e. kinderboerderijen.
24
Onderhavig initiatief behelst het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf zijnde akker- en tuinbouwbedrijven, paardenhouderij en in theorie een rundveehouderij. Bij deze bedrijfstakken is de emissies van fijnstof beperkt. Er is een vuistregel beschikbaar die aangeeft dat bij een afstand van 70 meter tot een gevoelig object de netto toename van fijnstofemissie 324 kg per jaar mag zijn en er nog steeds sprake is van een NIBM project. In dit geval bedraagt de afstand tussen het bouwvlak en het gevoelige object circa 92 meter. Daarnaast is er geen is er geen sprake van een netto-toename van maar een netto-afname van circa 353 kg fijnstof per jaar door de sanering van de varkenshouderij. Hierdoor is er sprake van een INIBM project. Een verdere toetsing naar de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen in het kader van de luchtkwaliteit is dan ook niet benodigd. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht.
Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 9,1 µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 15,9 µg/m³ en de concentratie NO2 11,9 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 5.1.5 Bodem en grondwaterkwaliteit In het kader van een wijziging van de bestemming van het bestemmings- en bouwvlak dient in het geval er in de boogde situatie sprake is van een meer milieugevoelige situatie te worden beoordeeld of de uiteindelijke bodemkwaliteit binnen het plangebied uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aan zekere kwaliteitsnormen voldoet om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gewerkt. In dit geval wordt de bestemming omgezet van “Agrarisch – Intensieve veehouderij” naar “Agrarisch grondgebonden”. Deze wijziging betreft geen verzwaring van de milieugevoeligheid.
Het is daarom niet noodzakelijk om een bodemonderzoek uit te voeren. 5.1.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn voorts regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.