2022-017 08 Nota van zienswijzen.pdf
Tekst van het document
42
Reactie gemeente Het is niet ongebruikelijk dat een beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld door de architect die ook betrokken is bij het bouwplan. De beoordeling van het plan geschiedt echter door de gemeente zelf. De dorpsbouwmeester beoordeelt of het bouwplan / het beeldkwaliteitsplan past binnen de redelijke eisen van welstand en de stedenbouwkundige beoordeelt of het plan pas binnen de ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige uitgangspunten. Zowel in de toelichting van het bestemmingsplan alsmede het beeldkwaliteitsplan is het beeldbepalende karakter van het Veersepad nader beschreven en dit beeldbepalende karakter is ook uitgangspunt geweest voor het architectonische ontwerp. Ook dit is nader toegelicht in het beeldkwaliteitsplan. Ons inziens is dan ook in voldoende mate aandacht besteed aan stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit. Omdat het Maaszicht thans reeds enkele hoogteaccenten kent, zoals Villa Oeverberg, de Onze Lieve Vrouwe Geboortekerk en Kasteel Keverberg, is het Beeldkwaliteitsplan op dit onderdeel nog wat nader toegelicht. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze gronden hebben geleid tot een aanpassing van bijlage 1 van de regels ‘het beeldkwaliteitsplan’. Bij de vaststelling wordt een aangepast beeldkwaliteitsplan gevoegd (versie januari 2022).
Daarnaast is zoals vermeld de bebouwingsmassa specifieker geregeld, zodat de hoogteaccenten ook niet op het totale bouwvlak van toepassing zijn (zie ook overweging 5 van deze zienswijzennota).
24. Slordigheden in de tekst Nummer zienswijze 100
Gronden samengevat -
Er staan in de toelichting enkele slordigheden zoals dat de Omgevingswet op 1 januari 2022 in werking treedt, terwijl sinds mei 2021 al bekend is dat de wet is uitgesteld tot 1 juli 2022. Daarnaast is opgenomen dat de Provinciale Omgevingsvisie mogelijk in het eerste kwartaal van 2021 wordt vastgesteld, terwijl dit pas in oktober 2021 heeft plaatsgevonden.
Reactie gemeente We hebben getracht om zo zorgvuldig mogelijk te zijn bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan en daardoor is sprake geweest van een langere doorlooptijd. Gedurende het proces zijn data gewijzigd en nieuwe beleidsstukken in procedure gebracht en vastgesteld. Inmiddels is ook beleid vervallen. Uiteraard hebben we getracht om zoveel als mogelijk rekening te houden met deze wijzigingen, maar er zijn nog enkele slordigheden op dat vlak te bespeuren die voor de vaststelling van het bestemmingsplan worden hersteld. Gevolgen voor bestemmingsplan De betreffende slordigheden in de toelichting worden hersteld. Voor wat betreft de aanpassing in het provinciale beleid wordt inhoudelijk verwezen naar overweging 17 van deze nota.
43
25. Strijd met rechtszekerheid / handhaving Nummer zienswijze 100, 103
Gronden samengevat -
-
-
-
In de stukken wordt gesproken over handhaving van de bestaande tuinmuur aan het Veersepad. In de regels is dit niet als verplichting opgenomen. Er is sprake van een mogelijkheid. De tuinmuur kan nu weggehaald worden. De groenvoorziening, zoals door initiatiefnemers steeds naar voren wordt gebracht, is niet juridisch verankerd. De grote boom aan de Maaszijde is dan ook niet beschermd. De groenvoorziening dient in het belang van een goede ruimtelijke ordening te worden beschreven en onlosmakelijk aan het gebruik en de inrichting van het perceel te worden gekoppeld. 2e alinea van paragraaf 6 van de toelichting is geheel in strijd met de rechtszekerheid. Er moet kunnen worden gecontroleerd en gehandhaafd. Dit is een verantwoordelijk van de gemeente naar de omgeving. In het ontwerpbestemmingsplan is een regeling opgenomen waartoe geen ruimtelijke aanleiding bestaat. Er is namelijk sprake van een (gewoon) appartementencomplex. In het verlengde hiervan voorziet het bestemmingsplan daarmee in een planregeling welke niet handhaafbaar is.
Reactie gemeente De tuinmuur is geen beeldbepalend element in het Veersepad. Elke woning heeft een eigen erfafscheiding en daarbij is vaak aansluiting gezocht bij het op het perceel gelegen woongebouw of de tuininrichting. Er bestaat vanuit de gemeente dan ook geen noodzaak om de tuinmuur te behouden. Wij gaan er overigens vanuit dat de muur tijdens de bouw (deels) moet worden verwijderd. Omdat de huidige tuinmuur niet voldoet aan de regels van het bestemmingsplan, maar - zoals ook opgenomen in het beeldkwaliteitsplan - wel terugkomt in het plan is een passende regeling daarvoor opgenomen (artikel 3.2.4 onder b), zodat de bestaande tuinmuur past binnen de regels van het bestemmingsplan en de tuinmuur op vergelijkbare wijze kan worden teruggebouwd. In het huidige bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’ gelden geen regels voor de aanleg en het behoud van groen binnen de woonbestemming. Ten behoeve van onderhavig nieuwbouwplan willen wij een groene inrichting eveneens niet verplicht stellen. De boom aan de maaszijde heeft geen beschermde status en net als de andere bomen achter de woningen op het Veersepad willen we het behoud van de boom niet verplicht stellen. Voor het kappen van bomen zijn daarnaast regels gesteld in de Bomenverordening (vastgesteld door de gemeenteraad op 20 december 2016).
Tenslotte is nog relevant dat de boom is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed’. Middels het opnemen van een zogenaamd aanlegvergunningstelsel (zie overweging 11 van deze nota), is voor het kappen van bomen ter plaatse van de dubbelbestemming een omgevingsvergunningplicht van toepassing. In hoofdstuk 6 van de toelichting is het aspect ‘Handhaving’ nader toegelicht. Bewust is er in onze bestemmingsplannen voor gekozen om bestemmingsregels eenvoudig te houden en niet teveel met detailbepalingen te werken. Het huidige bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’ is ook op deze wijze opgebouwd. Daar waar nodig zijn specifieke regelingen toegevoegd. Zo is in het onderhavige bestemmingsplan gekozen voor een specifieke regeling om tijdelijk en andere ongewenste vormen van wonen en gebruik uit te sluiten en daarnaast zijn diverse voorwaardelijke
44
verplichtingen opgenomen in het kader van de ruimtelijke kwaliteit, het verplicht realiseren van gemeenschappelijke (zorg)voorzieningen, ten behoeve van natuurwaarden en voor de afvoer van afval- en hemelwater. Tevens is een ten opzichte van het ontwerp gedetailleerder bouwvlak opgenomen in de verbeelding. Wel zijn diverse begrippen en enkele regels verduidelijkt, zodat deze ook handhaafbaar zijn. Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen wordt ook het beeldkwaliteitsplan nog beter verankerd in de regels en verbeelding (zie overweging 5 van deze nota). Gevolgen voor bestemmingsplan Deze grond heeft geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Hierbij wordt met name verwezen naar overweging 5 van deze nota en daarnaast wordt hoofdstuk 6 van de toelichting aangevuld met het voorgaande omtrent de specifieke regeling in het onderhavige bestemmingsplan. Voor een aanpassing van begrippen en bestemmingsregels verwijzen wij naar onderdeel 32 van deze nota van zienswijzen.
26. Overlast tijdens bouw Nummer zienswijze 50
Gronden samengevat -
Het risico bestaat dat de weg beschadigd wordt tijdens de bouw.
Reactie gemeente Deze grond heeft geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze grond heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
27. Crisis- en herstelwet Nummer zienswijze 112
Gronden samengevat -
Procedure zou geheel vallen onder de Crisis- en herstelwet. Dit is in strijd met de wet.
Reactie gemeente Zoals ook vermeld in de toelichting betreft het hier de bouw van meer dan 11 woningen en dit betekent dat de procedurele voordelen uit afdeling 2 van de Crisis- en herstelwet van toepassing zijn. Dit volgt uit artikel 1.1 van de Crisis- en herstelwet en artikel 3.1 van bijlage 1 van de Crisis- en herstelwet. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze grond heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
45
28. Flora- en faunaonderzoek Nummer zienswijze 103, 112
Gronden samengevat -
-
-
-
De door BRO met eigen personeel uitgevoerde quickscan flora en fauna is twijfelachtig. Slager keurt eigen vlees. Vreemde tijd inspectie. Slechts een uur voor zo’n groot pand. Uit alle stukken volgt dat het pand in slechte staat is en in deze quickscan staat dat het dak in goede staat is en dat ter plaatse zich geen vleermuizen en/of vogels zullen vestigen. Aan de Maaszijde is een vleermuisroute en daarom moet aan die zijde zo min mogelijk lichtuitval zijn. Door deze ontwikkeling zal er juist aan de Maaszijde veel lichtuitval zijn. Er wordt niet gesproken over eventueel aanwezige vogelnesten en of die nog bewoond worden of wederom in het voorjaar als broedplaats gebruikt kunnen worden. Er is een second opinion uitgevoerd in de vorm van een ecologisch rapport door Blom Ecologie B.V. d.d. 11 november 2021. Hieruit volgt dat het gebouw zich wel leent voor de huismus, de gierzwaluw en vleermuizen.
Reactie gemeente BRO is voor de quickscan flora en fauna ingeschakeld als deskundige. BRO heeft ecologen in dienst en is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Ze zijn daarbij verbonden aan een gedragscode. Dit houdt onder andere in dat het onderzoek zo objectief mogelijk, eerlijk en waarheidsgetrouw moet worden uitgevoerd. De beoordeling van het onderzoek heeft door ons plaatsgevonden. Daartoe hebben wij deskundigen in dienst. Ten aanzien van de inspectietijd geldt dat een uur tijd ruim voldoende is om een dergelijk terrein te onderzoeken op geschiktheid voor beschermde soorten. De staat van het dak is beoordeeld met betrekking tot de toegankelijkheid voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Omdat de pannen goed aansluiten en (door bijvoorbeeld verval) geen kieren of andere openingen zijn ontstaan is het verval van het dak niet dusdanig dat beschermde soorten tot het pand kunnen toetreden. De Maas ten zuiden van het plangebied kan als vliegroute voor vleermuizen dienen. Om verstoringen en overtredingen te voorkomen dient licht gericht of uitschijnend hierop te worden vermeden. Derhalve is in de regels (artikel 3.3.4) een voorwaardelijke verplichting opgenomen waaruit volgt dat licht gericht of uitstralend op de Maas moet worden voorkomen.
Tenslotte, zoals ook vermeld in conclusie van de quickscan flora en fauna, dient nestgelegenheid en opgaand groen buiten het broedseizoen te worden verwijderd. De aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten is uitgesloten. Op basis van het voorgaande concluderen wij dat aanwezige natuurwaarden in voldoende mate worden beschermd en dat het aspect ecologie de onderhavige ontwikkeling niet in de weg staat. Bij een van de zienswijzen is een contra-expertise opgenomen waaruit volgt dat huns inziens het gebouw zich wel leent voor de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In het kader van zorgvuldigheid adviseren wij om door een derde partij een onderzoek naar de genoemde soorten te laten uitvoeren.
46
Omdat wij verwachten dat zelfs bij aanwezigheid van soorten maatregelen kunnen worden genomen en/of een eventueel benodigde ontheffing kan worden verleend, stellen wij voor om in artikel 3 ‘Wonen – Woongemeenschap’ een voorwaardelijke verplichting op te nemen op de navolgende wijze. Artikel 3.3.6 Voorwaardelijke verplichting ecologie Het slopen van de bestaande bebouwing en het bebouwen en gebruiken van de gronden overeenkomstig het bepaalde in 3.1 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden naar het daadwerkelijk voorkomen van de huismus, de gierzwaluw en vleermuizen; b. eventueel te nemen noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen met het oog op de gunstige staat van instandhouding van de onder a bedoelde soorten, zijn genomen en/of; c. de eventueel noodzakelijk gebleken ontheffingen voor de onder a genoemde soorten op grond van de Wet natuurbescherming door het bevoegd gezag zijn verleend.
Gevolgen voor bestemmingsplan Deze gronden hebben geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan in de vorm van de toevoeging van een voorwaardelijke verplichting. Dit is tevens aangevuld in de toelichting in paragraaf 4.4 ‘Ecologie’ en in de toelichting van de bestemmingsregels. Daarnaast is de quickscan aangepast, omdat daarin nog gesproken werd van een woonzorgcomplex. Dit is gewijzigd in een zorgwonengebouw. Ook ontbrak op pagina 4 de toekomstige situering van het plangebied. Dit is aangevuld met de laatste situering uit het aangepaste beeldkwaliteitsplan (januari 2022).
28. Aerius-berekening stikstofdepositie Nummer zienswijze 103, 112
Gronden samengevat -
-
Er is bij sloop en uitgraven parkeerkelder te weinig vrachtverkeer in rekening gebracht. Er moet rekening worden gehouden met enkele honderden vrachtwagenbewegingen en dit zal veel overlast geven voor de buurt en de gemeente met uiteraard veel fijnstof en stikstof, etc. Ten onrechte is er vanuit gegaan dat het woonzorgcomplex met 13 appartementen niet zorgt voor stikstofemissie, omdat het gasloos wordt opgeleverd. Ook bij gasloze woningen treden stikstofemissies op (als gevolg van o.a. houtkachels, kaarsen en olielampen, mens en dier). Gelet hierop is de stikstofemissie van het gebruik van de 13 appartementen ten onrechte niet meegenomen in het stikstofonderzoek. Dit volgt uit een recente uitspraak van de Afdeling d.d. 1 september 2021 (ECLI:NL:TVS:2021:1960 r.o. 19.1)
Reactie gemeente Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van panden, de bouw van een appartementengebouw en de aanleg van de gronden daar omheen, gebaseerd op informatie uit eerdere berekeningen. Het onderhavige bouwplan is niet zodanig afwijkend dat niet van gemiddelde aannames mag worden uitgegaan. Daarnaast is met ingang van 1 juli 2021 het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Sindsdien geldt een partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor bouwen, slopen en aanleggen. In de Nota van toelichting is daarover het volgende opgenomen:
47
“De partiële vrijstelling houdt in dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. De vrijstelling geldt alleen voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (hierna: bouwfase) en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt.” Hieruit volgt dat een berekening voor de sloop-, aanleg- en bouwfase niet meer nodig is sinds 1 juli 2021. Het is dan ook niet nodig om de gedane aannames nog eens te beschouwen. Het rekeninstrument AERIUS Calculator, dat gebruikt wordt om de stikstofneerslag te berekenen voor toestemmingverlening, wordt op 13 januari 2022 geactualiseerd. Omdat de vaststelling van het bestemmingsplan pas na deze datum plaats zal vinden, zal na 13 januari 2022 nog een nieuwe AERIUS-berekening uitgevoerd worden en deze zal de AERIUS-berekening uit de ontwerpfase vervangen. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze gronden leiden in beginsel niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan en/of de Aeriusberekening. Omdat er een actualisatie plaatsvindt van de AERIUS-calculator vóór de vaststelling door de raad, wordt een nieuwe berekening uitgevoerd.
Deze zal als bijlage worden toegevoegd en in de toelichting worden samengevat.
29. Peil Nummer zienswijze 112
Gronden samengevat -
Het peil is niet duidelijk aangegeven. Men zou als peil het dak van de buren aan kunnen houden bijvoorbeeld.
Reactie gemeente Wij werken in onze bestemmingsplannen met een standaarddefinitie van ‘peil’, namelijk a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. Deze definitie is letterlijk overgenomen uit het huidige bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’ en dus reeds van toepassing op de onderhavige locatie en meer algemeen de genoemde kernen. Uit de definitie volgt dat het peil – omdat het beoogde gebouw niet onmiddellijk aan de weg grenst – de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld betreft. Het is dus zeker niet mogelijk om als peil het dak van de buren aan te houden. Ons inziens is de ligging van het peil dan ook voldoende duidelijk. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze grond heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
48
30. Bodemonderzoek Nummer zienswijze 103, 112
Gronden samengevat -
-
Het vooronderzoekbodem is slecht uitgevoerd. Er is juist niet geboord op locaties die een eventuele vervuiling kunnen laten zien, bijvoorbeeld rondom de bestaande olietank, de aanwezige gierkelder, of rondom de afvoeren van urine bij de paardenstallen. Aan het plan ligt onvoldoende bodemonderzoek ten grondslag, terwijl ter plaatse mogelijk asbest en andere vervuiling aanwezig is. Uit het bodemonderzoek 'Milieuhygienisch vooronderzoek bodem Veersepad 13 Kessel' van Econsultancy, bijlage 3 bij de toelichting, volgt namelijk dat het inpandige ondergrondse leidingwerk asbest bevat. Het uitpandige leidingwerk bestaat uit gresbuizen, welke mogelijk tevens asbesthoudend zijn.
Reactie gemeente Er is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of er aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en/of NEN 5707, door middel van een archiefonderzoek, een interview met de eigenaar/gebruiker en een terreininspectie. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Op basis van de onderzoeksresultaten is geen aanwijzing gevonden voor verontreinigingen en de onderzoeksresultaten geven dan ook geen aanleiding voor verder bodemonderzoek. Uit het onderzoek volgt verder dat voor de aanwezig olietank een Kiwa-saneringscertificaat is afgegeven, waaruit volgt dat in de bodem rondom de tank geen verontreinigingen zijn aangetroffen, de tankinstallatie inwendig is gereinigd en gevuld is met zand. Er is in de bouwdossiers niets bekend omtrent gierkelders en paardenstallen. De locatie betreft een villawoning met een voormalige huisdierenkliniek. Onderzoek doen naar mogelijk asbesthoudend leidingwerk is praktisch onmogelijk. De leidingen terugvinden is onbegonnen werk en asbestinspectiegaten graven op die diepte is niet te doen.
Indien het leidingwerk altijd netjes intact is gebleven is niet de verwachting dat er asbestverontreiniging in de bodem heeft kunnen ontstaan. Het onderzoek is uitgevoerd door een ter zake deskundig bureau en conform de daarvoor gestelde NEN-norm. Er zijn voor ons dan ook geen redenen om de conclusie in twijfel te trekken. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze gronden hebben in materiële zin niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan en/of het vooronderzoek bodem. Omdat in het bodemrapport nog gesproken werd over appartementencomplex is hier zorgwonengebouw van gemaakt.
49
31. Grondwater Nummer zienswijze
Gronden samengevat
112
-
-
Er is geen onderzoek gedaan naar eventuele grondwaterstanden, grondwaterstromen en/of hangwater. Door aanleg kelder kunnen deze verstoord worden. Dit kan gevolgen hebben voor de stabiliteit van het dijklichaam en/of de belendende gebouwen In het verhaal komt niets terug van de beheerder van de Maas en de verantwoordelijke dienst van het aanwezige dijklichaam
Reactie gemeente Uit de toelichting volgt dat het plangebied niet ligt binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Op dat onderdeel zijn er dan ook geen belemmeringen. In het kader van de bouw zal bekeken worden of het nodig is een geotechnisch onderzoek uit te voeren omdat in dit geval op een dijk gebouwd wordt. Het betreft hier eisen in het kader van constructieve veiligheid die rechtstreeks volgen uit het Bouwbesluit en pas aan de orde komen bij het uitwerken van het bouwplan en het indien van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Een dergelijk onderzoek is in het kader van de bestemmingsplanprocedure derhalve nog niet benodigd. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze grond heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
32. Randvoorwaarden / regeling Nummer zienswijze 47, 103
Gronden samengevat -
Er zijn door de gemeente geen doelen, meetpunten noch voorwaarden gesteld waaraan de pilot zou moeten voldoen. Zowel de bouwplannen als de sociale paragraaf hebben een open end. Onduidelijke, algemeen geformuleerde ontwerpbestemmingsplanregels: Uit de regels volgt niet dat wonen en zorg onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; Enkel zelfstandige woonruimten zijn toegestaan; de definitiebepaling van huishouden is onduidelijk en in strijd met de rechtszekerheid; Het is onduidelijk of ter plaatse sprake moet c.q. zal zijn van (beschikbare) professionele zorg, of dat enkel ‘zorgen voor elkaar' aan de orde moet zijn. Daarbij is 'zorgen voor elkaar' in dit verband niet van enige betekenis. De ontwerpbestemmingsregels zijn algemeen en onduidelijk geformuleerd. Daarbij zijn cruciale termen onduidelijk of zelfs niet gedefinieerd (‘gemeenschappelijke voorzieningen’, ‘voorzieningen voor het verlenen van zorg’ en ‘samenleven’);
50
-
-
-
-
-
-
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'de Afdeling') volgt dat ondertekening van een private overeenkomst in de vorm van een sociaal contract onvoldoende zekerheid biedt dat het zorgcomponent daadwerkelijk wordt gerealiseerd.8 Het is nodig om het aspect 'wonen en zorg' via publiekrechtelijke weg te ondervangen. Het ontwerpbestemmingsplan voorziet hier uitdrukkelijk niet in. In het ontwerpbestemmingsplan is een regeling opgenomen waartoe geen ruimtelijke aanleiding bestaat. Er is namelijk sprake van een (gewoon) appartementencomplex. In het verlengde hiervan voorziet het bestemmingsplan daarmee in een planregeling welke niet handhaafbaar is. Vaststaat dat het vereiste zorgaspect ontbreekt. Er is geen onderscheid met gewone woonvormen. Het feit dat er een gemeenschappelijke ruimte zal zijn waar in theorie een arts/fysiotherapeut naar zou kunnen komen (los van het felt dat dat niet voor de hand ligt), doet aan het voorgaande niet af. Daarbij: van zorgen voor elkaar is daarmee evenmin sprake. De ontwerpbestemmingsregels laten alle ruimte om de zorg-component volledig achterwege te laten. Op p. 12 van de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan staat zelfs vermeld dat door de combinatie wonen en zorgen `voor elkaar', uiteindelijk minder snel een beroep hoeft te worden gedaan op professionele zorg.
Ook wordt hier genoemd dat 24-uurs zorg niet mogelijk is en 'als de woning niet toereikend is om de juiste zorg te bieden' opname volgt in een verpleeghuis. Daarnaast dient de definitiebepaling van een zorgwoning voldoende concreet en voldoende geobjectiveerd te zijn om duidelijkheid te verschaffen omtrent het gebruik dat is toegelaten op de gronden met de aanduiding ‘zorgwoning', namelijk wonen in combinatie met zorg. Geconcludeerd moet worden dat een ‘zorgwonengebouw' ook aan deze vereisten behoort te voldoen, gelet op de vereiste combinatie wonen-zorg (ook al wordt aldus een andere term gebruikt). Ook daarvan is hier geen sprake, nu wonen en zorgen in de planregels in het geheel niet met elkaar verbonden zijn, terwijl het plan in het principeverzoek en in het principeakkoord wel als woon-zorgcomplex wordt aangemerkt. De voorwaardelijke verplichting voor gemeenschappelijke voorzieningen doet (opnieuw) ten onrechte vermoeden dat er buiten de zelfstandige woonruimten noodzakelijke gemeenschappelijke ruimten en noodzakelijke zorgfaciliteiten aanwezig zijn. Hiermee wordt ten onrechte het beeld geschetst dat zorg beschikbaar zal zijn en dat van deze zorg gebruik zal worden gemaakt en dat wonen en zorgen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, dit terwijl de ontwerpbestemmingsregels tegelijkertijd enkel uitgaan van `zorgen voor elkaar'.
In artikel 7.2 onder f van de ontwerpbestemmingsregels staat vermeld dat onder ‘strijdig gebruik' moet worden verstaan: zelfstandige woningen waarbij er geen verbondenheid met een woongemeenschap is. Wat wordt verstaan onder 'verbondenheid met een woongemeenschap' is niet gedefinieerd en ook deze ontwerpbestemmingsregel is onduidelijk en algemeen geformuleerd. Daarbij is in artikel 7.2 van het
51
-
bestemmingsplan ten onrechte niet voorgeschreven dat onder ‘strijdig gebruik' mede moet worden verstaan: zelfstandige woningen waarbij de aspecten 'wonen' en ‘zorgen voor elkaar' niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Er is kortom geen sprake van ‘samenleven’ en ‘zorgen voor elkaar’. Het enkele feit dat elke participant een sociaal contract ondertekent is hiervoor onvoldoende.
Reactie gemeente Bij besluit van 22 september 2020 heeft de gemeenteraad het College van B&W geadviseerd om het herziene principeverzoek van SOT positief te benaderen. Daarin hebben wij overwogen dat het herziene principeverzoek – dat uitgaat van het realiseren van 13 zelfstandige woningen in een zorgwonengebouw – innovatief en vernieuwend is en inspeelt op de toenemende zorgvraag in de samenleving. In dit besluit hebben wij eveneens als voorwaarde gesteld dat wonen en zorg onlosmakelijk met elkaar verbonden dienen te zijn. Daarmee hebben wij beoogd om medewerking te verlenen aan een woningbouwinitiatief dat kwalitatieve aspecten in zich heeft op het gebied van wonen en zorgen voor elkaar, die maken dat de levensloopbestendigheid van deze woningen een extra dimensie krijgt en dit initiatief daarmee onderscheidend en passend in onze toekomstvisie kan worden geacht. Dit alles met als doel het langer thuis kunnen blijven wonen, zelfs als sprake is van hulpbehoevendheid. Dat neemt niet weg dat wij op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan alsook bij de vaststelling van het bestemmingsplan ons ervan bewust zijn dat in het plan geen garantie kan worden opgenomen inhoudende dat de voorziene appartementen alleen aan senioren mogen worden verkocht of dat de appartementen alleen door senioren mogen worden gebruikt.
Op basis van vaste jurisprudentie geldt namelijk dat uitsluitend ‘ruimtelijk relevante’ aspecten geregeld kunnen worden in een bestemmingsplan. Daarbij achten wij van belang dat – ondanks de beoogde doelgroep senioren - er krachtens vaste jurisprudentie geen ruimtelijk relevant onderscheid naar leeftijd kan worden gemaakt. Er bestaat immers geen ruimtelijk relevant verschil tussen de bewoning door seniorenhuishoudens en huishoudens met jonge gezinnen of werkenden. In dit kader wordt tevens verwezen naar hetgeen in onderdeel 15 van deze nota van zienswijzen is opgenomen. Wel hebben wij gemeend om gebruik dat in ruimtelijk relevant opzicht wél verschilt met het beoogde gebruik van bewoning door één huishouden per woning, uit te sluiten in de planregels. Dit is ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan gebeurd door aanpassing van artikel 1.89, 1.90 en artikel 3.1 aanhef en onder a van de planregels in samenhang bezien met artikel 1.58 van de planregels. Daardoor is bijvoorbeeld geen bewoning door studenten of andere vormen van onzelfstandig wonen noch tijdelijke bewoning toegestaan. Evenmin is woningsplitsing geoorloofd. Wij zijn ons er derhalve van bewust dat het bestemmingsplan voorziet in 13 zelfstandige woningen binnen het zorgwonengebouw.
Dit doet echter niets af aan het feit dat het zorgwonengebouw kwalitatieve aspecten heeft die het zo lang mogelijk levensloopbestendig wonen en verzorgd kunnen worden in de eigen omgeving mogelijk maken en daarmee voldoet aan de door de gemeenteraad beoogde eigenschappen en soort wonen dat ter plaatse mogelijk wordt gemaakt. Het aan elkaar kunnen bieden van zorg alsook het op locatie kunnen ontvangen van zorg door de aanwezigheid van een behandelkamer/zorgkamer zijn daarvan onderdelen die maken dat wonen en zorg met elkaar samengaan en afdoende met elkaar zijn verbonden. Een en ander overeenkomstig hetgeen de gemeenteraad heeft bedoeld in het besluit van 22 september 2020. In welke mate van de zorgfaciliteiten in feitelijke zin gebruik wordt gemaakt is in het kader van toelatingsplanologie niet te vervatten in een afdwingbare planregel en ook geen doel op zich voor ons.
52
In het ontwerpbestemmingsplan hebben wij gepoogd om een en ander zo goed mogelijk in planologische zin te vervatten. Daaraan bestaan echter grenzen. Immers, beperkingen in het toegestane gebruik dienen in ruimtelijk opzicht relevant te zijn. Wel zijn wij met reclamanten van oordeel dat in het ontwerpbestemmingsplan diverse definitiebepalingen alsook planregels onduidelijk waren dan wel in het kader van de rechtszekerheid aanpassing behoeven. Dit heeft geresulteerd in aanpassing van de planregels en dit wordt inhoudelijk beschreven in het onderdeel ‘Gevolgen voor bestemmingsplan’. Ten aanzien van artikel 1.82 van het ontwerpbestemmingsplan zijn wij met reclamanten van oordeel dat het sociaal contract geen onderdeel behoort uit te maken van de planregels. De samenhang tussen wonen en zorg is thans geborgd in een – ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan – stringentere voorwaardelijke verplichting in artikel 3.3.2 van de planregels. Deze voorwaardelijke verplichting zorgt ervoor dat wonen in het zorgwoongebouw enkel mogelijk is indien de gemeenschappelijke ruimte zoals omschreven in artikel 3.3.2 van de planregels wordt gerealiseerd. Dit houdt tevens de verplichting in dat er ten minste één behandelkamer/zorgkamer wordt gerealiseerd in het zorgwonengebouw.
Door deze gewijzigde voorwaardelijke verplichting zijn de daarin opgenomen verplicht te realiseren faciliteiten concreter ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan en bovendien afdwingbaar. Wij verwijzen in dit kader onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1669) waaruit volgt dat een voorwaardelijke verplichting die betrekking heeft op het gebruik van de woningen ook dient te worden betrokken bij de beoordeling of de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Hiermee waarborgen wij dat de faciliteiten waarmee het beoogde gebruik kan plaatsvinden en die ertoe strekken het wonen en zorgen met elkaar te verbinden, ook daadwerkelijk onderdeel worden van het zorgwonengebouw. Zo wordt voorkomen dat enkel 13 zelfstandige woningen worden aangevraagd, gerealiseerd en in gebruik (kunnen) worden genomen in het zorgwonengebouw, zonder dat sprake is van deze gemeenschappelijke voorzieningen. Het voorgaande laat onverlet dat wij – hoewel wij privaatrechtelijke overeenkomsten zoals het sociaal contract niet kunnen vervatten in het bestemmingsplan zelf – niet blind zijn geweest voor de privaatrechtelijke stappen die initiatiefnemers aan hun zijde hebben ondernomen, om het door hen beoogde gebruik van het zorgwonengebouw zoveel mogelijk te borgen.
Initiatiefnemers hebben daartoe een onder meer een stichting, Stichting Onze Toekomst (SOT), opgericht die de gronden binnen het plangebied in eigendom heeft en enkel onder voorwaarden die zijn neergelegd in een sociaal contract tot verkoop en eigendomsoverdracht overgaat van de individuele zelfstandige wooneenheden. Dit sociaal contract is als bijlage toegevoegd aan de anterieure exploitatieovereenkomst die is gesloten tussen de gemeente en SOT en maakt daarvan onderdeel uit. In die exploitatieovereenkomst is eveneens aan SOT de verplichting opgelegd dat iedere toekomstig bewoner een sociaal contract afsluit zodat het principe wonen en zorgen voor elkaar ten alle tijden behouden blijft. Middels een addendum op deze anterieure exploitatieovereenkomst is voorzien in het feit dat ten aanzien van voornoemde verplichting de betreffende anterieure exploitatieovereenkomst niet eindigt na gereedkoming van het zorgwonengebouw noch na het voldoen van alle uit deze overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze gronden hebben geleid tot een aanpassing in de regels. Wij verwijzen hierbij naar de navolgende tabellen.
Begrippen Begrippen zijn in alfabetische volgorde opgenomen. Er worden begrippen toegevoegd, gewijzigd en verwijderd. Dit betekent dat er een omnummering plaatsvindt van de meeste begrippen. Tussen haakjes is de nieuwe nummering opgenomen van toegevoegde en gewijzigde begrippen. Andere niet genoemde begrippen worden automatisch omgenummerd.
53
Verwijderd worden de navolgende begrippen: 1.82 Sociaal contract (ontwerp) 1.92 woonruimte (ontwerp) Toegevoegd worden de navolgende begrippen: Levensloopbestendig (artikel 1.68 vastgesteld plan) Geschikt voor veranderende levensomstandigheden zoals bijvoorbeeld ziekte, ouderdom of handicap. Gemeenschappelijke ruimte (artikel 1.47 vastgesteld plan) Een voor ieder huishouden van het zorgwonengebouw toegankelijke ruimte met gemeenschappelijke voorzieningen waaronder een gemeenschappelijke keuken, zitkamer, sanitaire ruimte, terras, zorgkamer/behandelkamer en andere zorgvoorzieningen voor het verlenen van zorg, uitsluitend bestemd voor huishoudens van het zorgwonengebouw en diens zorgverleners. Behandelkamer / zorgkamer (artikel 1.19 vastgesteld plan) Een ruimte in het zorgwonengebouw waarin door bewoners van de woongemeenschap en/of externe (professionele) zorgverleners zorg kan worden verleend aan (andere) bewoners van de woongemeenschap, een en ander gericht op zorg in de eigen directe woonomgeving en bijdragend aan de levensloopbestendigheid van het zorgwonengebouw. De aangepaste begrippen komen als volgt te luiden: Artikel 1.46 gemeenschappelijk wonen (artikel 1.48 vastgesteld plan) wonen in een woongemeenschap in het zorgwonengebouw waarbij het ‘wonen met elkaar en zorgen voor elkaar’ centraal staat.
Artikel 1.58 huishouden (artikel 1.60 vastgesteld plan) één of meer personen die in vast verband samenleven en samen met andere huishoudens onderdeel uitmaken van de woongemeenschap in het zorgwonengebouw. Artikel 1.89 Wonen (artikel 1.91 vastgesteld plan) de permanente huisvesting van een of meerdere personen in een woning, om daar zelfstandig of met meerdere personen gezamenlijk één huishouden te voeren. Artikel 1.90 Woning (artikel 1.91 vastgesteld plan) een ruimte of complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Artikel 1.91 Woongemeenschap (artikel 1.93 vastgesteld plan) Een groep huishoudens die in het zorgwonengebouw wonen en zorgen voor elkaar met gebruikmaking van gemeenschappelijke voorzieningen in en rondom het zorgwonengebouw. Artikel 1.94 Zorgwonengebouw (artikel 1.95 vastgesteld plan) Een levensloop bestendig gebouw waarin een woongemeenschap gehuisvest is en dat bestaat uit een zelfstandige woning per huishouden en een of meerdere gemeenschappelijke ruimte(n) gericht op het wonen en zorgen voor elkaar, waarvan ten minste één gemeenschappelijke ruimte is ingericht en dient als behandelkamer/zorgkamer.
Bestemmingsregels De navolgende artikelen komen als volgt te luiden: Artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Woongemeenschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Een zorgwonengebouw bestaande uit maximaal 13 zelfstandige woningen en gemeenschappelijke voorzieningen, waaronder een gemeenschappelijke ruimte met (ten minste) een behandelkamer/zorgkamer, ten behoeve van het verlenen van sociale, sociaal-medische en/of medische verzorging, activering, begeleiding en/of dagbesteding, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.3.2; met daaraan ondergeschikt: b. tuinen en erven;
54
c. groenvoorzieningen; d. paden, ontsluitings- en parkeervoorzieningen; e. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 3.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. zelfstandige woningen die geen onderdeel vormen van het zorgwonengebouw; b. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft; c. (kamer)verhuur en -onderverhuur; d. woningsplitsing; e. evenementen; f. verblijfsrecreatie; g. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens; h. seksinrichtingen. Artikel 3.3.2 Voorwaardelijke verplichting gemeenschappelijke voorzieningen Het wonen in de zelfstandige woningen is alleen toegestaan indien op de begane grond van het zorgwonengebouw een voor elk huishouden toegankelijke gemeenschappelijke ruimte(n) is/zijn gerealiseerd en in stand wordt gehouden, waarbij de gemeenschappelijke ruimte(n) tenminste 25% van de totale oppervlakte van de begane grondvloer beslaat en tenminste een gemeenschappelijke keuken, zitkamer, sanitaire ruimte, terras alsmede tenminste één behandelkamer/zorgkamer, omvat.
Artikel 7.2 Strijdig gebruik Sub f van dit artikel (zelfstandige woningen waarbij er geen verbondenheid met een woongemeenschap is.) komt te vervallen.
Daarnaast is de toelichting verder verduidelijkt en is de koppeling met het sociaal contract losgelaten. In de toelichting wordt nu expliciet uitgegaan van een zorgwonengebouw. In de onderzoeksrapporten werd wisselend gesproken over woonzorgcomplex, appartementencomplex, e.d. In de onderzoeksrapporten is nu ook expliciet opgenomen dat sprake is van een zorgwonengebouw, een en ander om te verduidelijken dat in casu geen sprake is van een woonzorgcomplex. In materiële zin zijn de conclusies in de onderzoeksrapporten niet veranderd.
33. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Nummer zienswijze 103
Gronden samengevat -
Ten onrechte is geen vormvrije m.e.r.-beoordeling doorlopen. Nu het ontwerpbestemmingsplan op 18 oktober 2021 ter inzage is gelegd, is niet onder een zo vroeg mogelijk stadium (lees: voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit) een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorlopen. Dit is in strijd met artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
Reactie gemeente Naar aanleiding van deze zienswijze is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling bij ons ingediend. Daaruit volgt dat de potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, dusdanig beperkt van aard en omvang zijn, dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
55
Gevolgen voor bestemmingsplan De aanmeldnotitie is integraal opgenomen in hoofdstuk 4.1.6 van de plantoelichting.
34. Betrokkenheid BRO bij voorbereiding bestemmingsplan Nummer zienswijze 103
Gronden samengevat -
-
Het staat vast dat BRO, die namens SOT het contact richting het college heeft gevoerd, zeer nauw betrokken is geweest bij het voorbereiden van het ontwerpbestemmingsplan. Een dergelijke handelwijze is volgens recente bestuursrechtspraak in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, omdat tegen die achtergrond bij de betrokken adviseur sprake kan zijn van belangenverstrengeling, of in ieder geval sprake is van de schijn van belangenverstrengeling. Het college van burgemeester en wethouders gemeente Peel en Maas had de door SOT (initiatiefnemer en opdrachtgever) aangeleverde ruimtelijke onderbouwing van BRO, in nauwe samenwerking met de gemeente opgesteld, daarom niet ten grondslag mogen leggen aan de voorgestelde gewijzigde planregeling voor het perceel Veersepad 13. Opmerkelijk is ook dat het nu geldende bestemmingsplan door BRO is opgesteld. Ook is opmerkelijk dat de terinzagelegging van het ontwerp zeer kort volgde na indiening van de aanvraag. Daarbij, het college (en straks de gemeenteraad) moet een eigen beoordeling maken van de ruimtelijke aanvaardbaarheid, daarvan is in onderhavige situatie evenmin gebleken. Om die reden is het plan onzorgvuldig voorbereid.
Reactie gemeente BRO heeft op geen enkele wijze werkzaamheden voor onze gemeente verricht. BRO is door SOT ingeschakeld om het benodigde bestemmingsplan op te stellen. Gedurende dit proces heeft BRO aangegeven dat in juridische zin geen sprake is van onzelfstandige woningen en derhalve heeft BRO namens SOT een nieuw principeverzoek aangereikt, waarover ons college (met advies van de raad d.d. 22 september 2020) op 20 oktober 2020 een standpunt heeft ingenomen. Vervolgens heeft BRO voor rekening en risico van SOT een concept bestemmingsplan opgesteld dat aan ons ter advisering is voorgelegd. Conform de gebruikelijke procedure (interne ambtelijke advisering en extern via de regionale uitvoeringsdienst) is een advies afgegeven en is het bestemmingsplan aangepast. Uiteraard hebben gedurende die periode overleggen tussen gemeente, SOT en BRO zowel mondeling als per mail plaatsgevonden. BRO heeft die overleggen in opdracht en voor rekening van SOT gevoerd. Nadat het concept bestemmingsplan door de gemeente voor akkoord is bevonden, heeft BRO eveneens voor rekening en risico van SOT het ontwerp gereed gemaakt en tevens een verzoek om herziening van het bestemmingsplan bij de gemeente ingediend. Omdat het bestemmingsplan gedurende het proces reeds uitgebreid tussen partijen besproken is, is vervolgens op korte termijn het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.
Ten behoeve van de vaststelling door de raad zal BRO, eveneens voor rekening en risico van SOT, de in deze nota van zienswijzen opgenomen aanpassingen verwerken en een concept vastgesteld
56
plan maken. Na besluitvorming zal BRO voor rekening en risico van SOT het definitief vastgestelde plan gereed maken. Gevolgen voor bestemmingsplan Deze grond heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
35. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur Nummer zienswijze 103
Gronden samengevat -
-
-
De onduidelijke, algemeen geformuleerde ontwerpbestemmingsregels leiden tot rechtsonzekerheid (bij onder andere reclamanten). De positie en betrokkenheid van BRO leidt tot (een schijn van) belangenverstrengeling en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij is onvoldoende rekening gehouden met de omgevingseffecten en de gevolgen voor (onder andere) reclamanten bij verwezenlijking van het plan. Het ontwerpbestemmingsplan is derhalve gebrekkig tot stand gekomen en in strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Verder is het ontwerpbestemmingsplan in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel omdat duidelijk is dat aan de eerder gestelde randvoorwaarden en uitvoeringsafspraken niet is voldaan. Immers: 'wonen en zorgen' zijn niet onlosmakelijk(er) met elkaar verbonden. Reclamanten menen ook dat in de voorbereidende fase door uw gemeente is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat enkele reclamanten en anderen geïnteresseerd waren in de aanschaf van Veersepad 13 voor zelfbewoning (met en zonder splitsing van het perceel voor tweede woning of projectontwikkeling.). Ook concluderen reclamanten dat uw gemeente er alles aan heeft gedaan, daaronder nadrukkelijk ook het wijzigen van de 'spelregels' rondom de wijze van behandeling van woningbouwverzoeken. Dit is alles gericht om de plannen van SOT doorgang te kunnen laten vinden.
Reactie gemeente Wij zijn van mening dat wij zorgvuldig zijn omgegaan met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In deze zienswijzennota is dit nog eens expliciet toegelicht. Wij verwijzen onder meer naar onderdelen 18, 19, 21 en 32. In deze overweging vatten wij dit nog kort samen. Rechtszekerheid Ons inzien bood het ontwerp bestemmingsplan voldoende duidelijkheid over de beoogde planontwikkeling. Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen hebben wij geconstateerd dat er nog een aantal onduidelijkheden zijn. Wij hebben hiertoe diverse aanpassingen gedaan in de toelichting, regels en op de verbeelding. Met name wijzen wij op de aanpassing van begrippen in regels, zoals verwoord in overweging 32 van deze zienswijzennota. Op basis hiervan zijn wij van mening dat het voorliggende plan voldoende rechtszekerheid biedt voor zowel initiatiefnemer als andere belanghebbenden.
57
Zorgvuldigheid, evenredigheid en motivering Er is in het ontwerp voldoende rekening gehouden met de omgevingseffecten. De aanvaardbaarheid van de ontwikkeling en de effecten van de ontwikkeling op het woon-en leefklimaat van belanghebbenden zijn daarbij zorgvuldig overwogen. Daarbij zijn zowel de belangen van initiatiefnemer als overige belanghebbenden betrokken. Er zijn verder diverse onderzoeken uitgevoerd in het kader van een zorgvuldige belangenafweging alsook met het oog op de vraag of het plan voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Tot slot is het plan is uitgebreid toegelicht en getoetst aan geldende beleids- en onderzoekskaders. Naar aanleiding van ingebrachte zienswijzen is het plan op onderdelen aangepast. Hierbij wordt verwezen naar de aanpassingen die expliciet zijn benoemd onder de diverse overwegingen in deze zienswijzennota. Het plan voldoet met deze aanpassingen nog steeds aan het geldende beleid. Gelijkheidsbeginsel Zoals met name weergegeven in overweging 19 van deze zienswijzennota betreft het hier een heel andere ontwikkeling dan eerdere initiatieven. Er is ook geen sprake geweest van een wijziging van spelregels. De raad heeft op 22 september 2020 een aantal randvoorwaarden aan het college meegegeven die nader zijn uitgewerkt in onderhavig bestemmingsplan.
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een duidelijke koppeling tussen wonen en zorg. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel wordt verder nog opgemerkt dat ieder initiatief op iedere afzonderlijke locatie op zichzelf staat en ook als zodanig beoordeeld moet worden. Dit neemt echter niet weg dat wij in beginsel positief staan ten opzichte van initiatieven die het wonen en zorgen voor elkaar op een zodanige wijze vormgeven zoals hier is voorgestaan. Wij zijn dan ook van mening dat niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld. Vermeende belangenverstrengeling Reclamanten stellen zich op het standpunt dat door de betrokkenheid van BRO bij de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan in strijd zou zijn bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Dit nu aldus reclamanten tegen die achtergrond bij de betrokken adviseur sprake kan zijn van belangenverstrengeling, of in ieder geval sprake is van de schijn van belangenverstrengeling. Reclamanten verwijzen ter onderbouwing daarvan naar de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2484. Van een vergelijkbare situatie als in voornoemde uitspraak is in deze geen sprake. BRO heeft bij de voorbereiding van het onderhavige bestemmingsplan op geen enkele wijze in opdracht van de gemeente gehandeld.
Weliswaar is BRO namens initiatiefnemers betrokken geweest bij de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan, maar hebben wij het daartoe aangeleverde ontwerpbestemmingsplan na een eigen beoordeling ter inzage gelegd. Aldus de Afdeling voornoemde uitspraak is dit geen ongebruikelijke, laat staan een onoorbare handelwijze. Bovendien geldt – anders dan in voornoemde uitspraak - dat de beoordeling en beantwoording van de tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren gebrachte zienswijzen niet door BRO maar door onszelf plaatsvindt. Kortom, het is in deze de raad die zich uiteindelijk een zelfstandig oordeel vormt omtrent de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief dat middels het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Gevolgen voor bestemmingsplan Naar aanleiding van de diverse zienswijzen is de planontwikkeling opnieuw beoordeeld. Een aantal aspecten zijn nader gemotiveerd en het plan is in het kader van zorgvuldigheid en evenredigheid op
58
onderdelen aangepast. Inhoudelijk verwijzen wij naar de aanpassingen die nader zijn beschreven in de overwegingen in deze zienswijzennota.
59