CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-071 04 Toelichting.pdf

Raad 9 november 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Uitbreiding bouwvlak Rootsdijk 4 en 4a Panningen” (2021-071)11.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor de varkenshouderijen (Hondsheuvelstaat 7a, Hub 17 en Rootsdijk 4) geldt het volgende: de Wet geurhinder er veehouderij vormt het exclusieve toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. Artikel 3, lid 2 geeft aan dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 100 meter bedraagt als het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. In dit geval is er sprake van de ligging van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De afstand tussen dierenverblijven van derden) bedraagt overal meer dan de 50 meter zoals aangegeven in artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij. Daarmee wordt voldaan aan de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Omliggende veehouderijen worden niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Achtergrondbelasting Zoals hierboven reeds aangegeven is de locatie Rootsdijk zelf een veehouderij aangezien er dieren vergund zijn. De eigen veehouderij vormt daarmee voor het plangebied grotendeels het woon- en leefklimaat op het perceel.

Omdat er binnen de inrichting sprake is van veehouderijactiviteiten hoeft er niet getoetst te worden op de achtergrondbelasting van geur.

5.1.7 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst

25

geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. De nieuwe activiteit richting de omgeving Een glastuinbouwbedrijf (Kassen met verwarming, SBI-code 011, 012, 013) valt onder categorie 2. De richtafstand bedraagt 30 meter voor wat betreft het aspect geluid en 10 meter voor wat betreft de aspecten geur, stof en gevaar. Aan de richtafstand voor geur, stof en gevaar wordt ter plaatse van alle objecten van derden voldaan. Aan de richtafstand voor geluid wordt ter plaatse van de Rootsdijk 5 niet voldaan aan de richtafstand. Deze bedraagt (bouwvlak-bouwvlak) 15 meter. In de bestaande situatie is deze afstand eveneens 15 meter. Deze afstand is in het verleden als aanvaardbaar beschouwd. Aangezien deze afstand niet kleiner wordt kan deze nu ook als aanvaardbaar beschouwd worden. Tenslotte kan nog gemeld worden dat er in het bestemmingsplan een regel is opgenomen dat er niet voor de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd mag worden. Dat leidt ertoe dat daarmee indirect aan de richtafstand van 30 meter voldaan kan worden.

De afstand tussen de voorgevelrooilijnen van Rootsdijk 4 en Rootsdijk 5 bedraagt namelijk 30 meter. Bestaande activiteiten richting het plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich ook andersoortige bedrijven die een effect kunnen hebben op de uitbreiding van het bestemmings- en bouwvlak voor het glastuinbouwbedrijf. Andersoortige bedrijvigheid in de omgeving betreffen de volgende bedrijven: Bedrijf

Intensieve veehouderij Melkrundveehou derij Intensieve veehouderij Intensieve veehouderij Agrarisch grondgebonden

Adres

SBI-2008

Richtafstand woonwijk’ Geur Stof

VNG

‘rustige

Geluid

Gevaar

Rootsdijk 5

0146

200

30

50

0

Werkelijke afstand in nieuwe situatie 15

Rootsdijk 8

0141, 0142

100

30

30

0

158

Hub 17

0146

200

30

50

0

210

Hondsheuvelstraat 7a Hub 17a

0146

200

30

50

0

230

011, 012, 013, 016

10

10

30

10

194

Uit het bovenstaande blijkt dat voor omliggende bedrijven aan de richtafstanden wordt voldaan, met uitzondering van de Rootsdijk 5. Hier wordt niet voldaan aan de richtafstand voor geluid, stof en geur. Op deze onderdelen is in de paragrafen 5.1.2, 5.1.3 en 5.1.6 reeds ingegaan. Hieruit blijkt dat het bedrijf aan de Rootsdijk 5 niet wordt beperkt door onderhavige bestemmingswijziging. Het onderdeel milieuzonering vormt daarmee geen beperkende factor voor onderhavig plan.

26

5.2 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van desbetreffende leiding gewaarborgd. Een dergelijke dubbelbestemming ontbreekt in de omgeving van het plangebied in de vigerende bestemmingsplannen. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Eveneens zijn er geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.3 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1 Flora en fauna In de Wet natuurbescherming zijn dier- en plantsoorten beschermd tegen nadelige effecten van menselijk ingrijpen. Indien de gesteldheid van beschermde dieren of planten wordt aangetast dienen er mogelijk maatregelen te worden genomen. Om het voorkomen van beschermde dieren en planten te onderzoeken is door de lokale IVN een inventarisatie gedaan van de flora & fauna (bijlage 4). Uit de inventarisatie blijkt dat op locatie floristisch gezien geen bijzonderheden zijn aangetroffen. Faunistisch gezien zijn er eveneens geen bijzonderheden aangetroffen. Door de ontwikkelingen zullen geen natuurwaarden verloren gaan. Op basis van de geraadpleegde bronnen kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen op het gebied van natuurwetgeving en -beleid zijn.

5.3.2 Natura2000 Binnen een straal van 10 kilometer rondom het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen, te weten: ▪ Deurnsche- en Mariapeel (afstand 6.3 km) ▪ Groote Peel (afstand 7.3 km) ▪ Leudal (afstand 6.9 km) ▪ Swalmdal (afstand 8.2 km) De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000gebied te boordelen aan de hand van de effectenindicator. 1. Oppervlakteverlies Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en / of habitattypen. Het plangebied ligt buiten en is zelfs ver verwijderd van de betreffende Natura2000-gebieden. De vergroting van het bestemmings- en bouwvlak leidt daarom niet tot een afname van de oppervlakte van deze Natura2000gebieden. Vanuit het plangebied zijn er geen effecten voor wat betreft oppervlakteverlies.

27

2. Versnippering Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van een natuurgebied. Het plangebied ligt buiten en is zelfs ver verwijderd van de betreffende Natura2000-gebieden. De vergroting van het bestemmings- en bouwvlak leidt daarom niet tot een doorsnijding van deze Natura2000-gebieden. Vanuit het plangebied zijn er geen effecten voor wat betreft versnippering. 3. Verzuring Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van vervuilende gassen door bijvoorbeeld fabrieken en (vracht)auto's. De uitstoot bevat onder andere zwaveldioxide, stikstofoxide, ammoniak en vluchtige organische stoffen. Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Vanuit het bedrijf vindt uitstoot van stikstof (stook kassen) en ammoniak plaats (houden dieren). Hierdoor zouden er ter plaatse van Natura2000 gebieden mogelijk effecten op kunnen treden. Om deze mogelijke effecten in beeld te krijgen is er met het programma Aerius een berekening gemaakt (bijlage 5) van zowel de bestaande bedrijfsvoering en de gebruiksfase.

In de berekening zijn alle verkeersbewegingen opgenomen van en naar de inrichting, het verwarmen van de kassen, het verwarmen van de twee wooneenheden en sorteerruimte en het gebruik van een tractoren/laadschop binnen de inrichting. De aanlegfase omvat veel minder emissie dan de gebruiksfase. De gebruiksfase omvat daarmee de maatgevende situatie. Uit de berekeningen blijkt dat er ter plaatse van Natura2000 gebieden geen effecten op het gebieden van verzuring optreden. Aangezien er geen effecten optreden is het ook niet noodzakelijk om bij de Provincie Limburg een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Om te borgen dat het plan wel tot effecten zou kunnen leiden is in de planregels opgenomen dat de emissie van stikstof niet meer mag bedragen dan in de berekening van de gebruiksfase opgenomen stikstofemissie. Hiermee zijn effecten ter plaatse van Natura2000 gebieden uitgesloten. 4. Vermesting Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met name stikstof en fosfaat. Het kan gaan om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) of nitraat- en fosfaataanvoer door het oppervlaktewater.

Aangezien uit het hierboven behandelde punt blijkt dat er geen effecten optreden op het gebied van verzuring, zullen er ook geen effecten optreden voor het onderdeel vermesting omdat vermesting tot stand komt door de depositie van ammoniak en stikstof. Vanuit het plangebied vinden er daarom geen effecten meer plaats voor wat betreft vermesting ter plaatse van het Natura2000-gebied. 5. Verontreiniging Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Het plangebied ligt buiten en is zelfs ver verwijderd van de betreffende Natura2000-gebieden. Er is geen sprake van toename van exogene stoffen die een effect kunnen hebben op de kwaliteit van deze Natura2000-

28

gebieden. Er is geen toename van straling of uitstoot van stoffen vanuit het te vergroten bestemmings- en bouwvlak Vanuit het plangebied zijn er geen effecten voor wat betreft verontreiniging. 6. Verdroging Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand neemt dan af ten opzichte van de gewenste / huidige grondwaterstand. Nieuwe verhardingen binnen het plangebied dienen hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden. Er zijn daarmee geen negatieve effecten te verwachten. 7. Verstoring door geluid Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent, zoals geluid van wegverkeer danwel tijdelijk, zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Het plangebied ligt buiten en is zelfs ver verwijderd van de betreffende Natura2000-gebieden. Het is onmogelijk dat geluidsemissies vanuit het plangebied ter plaatse van deze Natura2000-gebieden waarneembaar zijn of tot een verstoring door geluid leiden. 8. Verstoring door licht Verstoring door licht leidt tot een aantasting van de nachtelijke duisternis. Het plangebied ligt buiten en is zelfs ver verwijderd van de betreffende Natura2000-gebieden. Het is onmogelijk dat lichtbronnen vanuit het plangebied ter plaatse van de Natura2000-gebieden waarneembaar zijn of tot een verstoring door licht leiden. 9.

Bewuste verandering soortensamenstelling Er is sprake van bewust ingrijpen in de natuur door herintroductie van soorten, introductie van exoten, uitzetten van vis, inzaaien van genetisch gemodificeerde organismen etc.. Er vinden geen ingrepen op de soortensamenstelling plaats door de ontwikkeling van de locatie. Er vindt geen introductie of herintroductie plaats van soorten binnen of buiten het plangebied. Daarmee zijn eventuele effecten ook uit te sluiten. Blijkens deze toets blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden.

5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden.

29

5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.

Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Hierin is de “Kamplossing” die aan de noordzijde aan het plangebied grenst aangeduid als een beek met een Algemene Ecologische Functie (AEF). Deze beek zal door onderhavig plan niet aangetast worden. In het bestemmingsplan is deze als watergang bestemd met een bijbehorende beschermingszone. Deze worden in het bestemmingsplan 1 op 1 overgenomen.

30

Afbeelding 11. Uitsnede kaart GHG

5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem ter plaatse bestaat uit lemig fijn zand (deels veldpodzol en deels beekerdgrond). Volgens de kaart van het Waterschap Limburg bevindt de GHG zich op een diepte tussen de 80 en 120 centimeter beneden maaiveld. Oppervlaktewater Het plangebied grenst aan de noordelijke zijde aan de watergang “Kamplossing” De feitelijke watergang ligt buiten het plangebied. Dit betreft een secundaire watergang van het Waterschap Limburg met een AEF functie. De Keur van het waterschap is hierop van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het water afkomstig van de bestaande daken wordt geloosd op de Kamplossing. Hiervoor is in het verleden door het Waterschap een vergunning voor verleend.

31

Afvalwater / riolering Het vuilwater is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Binnen het plangebied bevindt zich één geregistreerde grondwaterput.

Afbeelding 12. Uitsnede kaart secundaire watergangen

5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit bestemmingsplan heeft tot doel het vergroten van het bestemmings- en bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf tot 6.04 ha te vergroten zodat er nieuwe glasopstanden gerealiseerd kunnen worden. De ontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. In de beoogde situatie wordt het bouwvlak met 2 hectare vergroot. Er wordt aan de westzijde van het perceel een ecologische infiltratiezone gerealiseerd. Deze heeft een lengte van 210 meter en een totale breedte van 12 meter. Hierin is ruimte aanwezig om boven de GHG 2.000 m3 op te vangen. Dit komt overeen met een bui van 100 mm en voldoet daarmee aan de eisen van het Waterschap Limburg. In het landschappelijk inpassingsplan is dit nader uitgewerkt (bijlage 1). De infiltratievoorziening zal voorzien worden van een overloop (1 liter/sec/ha) zodat bij extreme regenval er vertraagd geloosd kan worden op de Kamplossing.

32

De gemeente Peel en Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Afvalwater: Vanuit de beoogde bebouwing vinden geen nieuwe lozingen op de gemeentelijke riolering plaats. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

5.5 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Conform de vigerende bestemmingsplannen zijn aan het plangebied de archeologische dubbelbestemmingen “waarde Archeologie – 5” en ”Waarde Archeologie – 7” toegekend. Deze dubbelbestemmingen blijven van toepassing op de locatie. Mochten er in de toekomst bodemingrepen plaatsvinden zal op dat moment getoetst moeten worden aan de bestemmingpslanregels of er een archeologisch onderzoek plaats dient te vinden.

33

Afbeelding 13. Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart

Middels bovenstaande systematiek worden de archeologische waarden binnen het plangebied beschermd.

5.6 Verkeer en parkeren Via de Rootsdijk en de Hondsheuvelstraat is het huidige bestemmings- en bouwvlak goed bereikbaar. Grote verbindingswegen als de N275, N277 en A67 liggen op relatief korte afstand. Laden en lossen, parkeren en manoeuvreren met vrachtwagens vindt volledig op eigen terrein plaats. Op het eigen terrein zijn tenminste 10 parkeerplaatsen aanwezig voor auto’s. Tractoren worden gestald binnen bestaande bedrijfsruimtes. Voor vrachtwagens zijn er minimaal 2 parkeerplaatsen aanwezig op eigen terrein. Hiermee is er voldoende parkeerruimte op eigen terrein.

34

6. JURIDISCHE ASPECTEN In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit bestemmingsplan juridisch is vertaald. De beoogde uitbreidingsgronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’. Ter plaatse van de nieuwe bebouwing wordt de bestemming gewijzigd in de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ en een bouwvlak toegekend. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bestemmings- en bouwvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van de vergroting van het glastuinbouwbedrijf.

6.1 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de exacte planbegrenzing weergegeven van het plangebied, volledig bestemd als ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ en volledig voorzien van een bouwvlak. De oppervlakte van het plangebied en het bouwvlak bedraagt 6.04 hectare. Toegevoegd aan het plangebied is de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ in verband met de voorwaardelijke verplichting de landschappelijke inpassing van het plangebied te verwezenlijken, zoals vastgelegd in het landschappelijk inpassingsplan. Alle overige aanduidingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zoals die in de vigerende bestemmingsplannen gelden voor het plangebied zijn eveneens opnieuw overgenomen op de verbeelding.

6.2 Toelichting op de planregels De planregels van de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ uit het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” zijn van toepassing verklaard voor het plangebied. Toegevoegd zijn de voorwaardelijke verplichting tot uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan.

35

7. HANDHAVING Het handhavingstoezicht ten aanzien van bestemmingsplannen wordt uitgevoerd door medewerkers van de gemeente Peel & Maas. Met betrekking tot dit handhavingstoezicht wordt gestreefd naar samenwerking tussen de gemeentelijke afdelingen en diensten die een controlerende functie hebben zoals de inspecteurs omgevingsvergunningen en naar samenwerking met niet-gemeentelijke instanties, o.a. de politie. Deze samenwerking komt tot uiting in het periodieke handhavingsoverleg waaraan verschillende gemeentelijke afdelingen en de politie deelnemen. De samenwerking moet uiteindelijk leiden tot een integraal handhavingbeleid.

36

8. UITVOERBAARHEID 8.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten verbonden aan de realisering van dit project zijn geheel voor rekening van initiatiefnemer; Hefra B.V.. Afspraken, tussen gemeente en initiatiefnemer over ambtelijke apparaatskosten, planschade, landschappelijke inpassing, zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Voor de gemeente Peel & Maas zal de ontwikkeling kostenneutraal verlopen.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1 In gesprek met Peel en Maas De ontwikkeling van de locatie Rootsdijk 4 is met de direct omwonenden gecommuniceerd.

37

9. OVERLEG EN INSPRAAK De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

9.1 Uitkomsten vooroverleg Bij de voorbereiding van een bestemmingswijziging moeten Burgemeester en Wethouders overleg plegen met het waterschap, andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met betrokken rijks- en provinciale diensten. Van dit vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 9.1.1 Inspraakprocedure Het bestemmingsplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure. 9.1.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Met de provincie Limburg en het Waterschap Limburg zal geen apart vooroverleg gepleegd worden.

9.2 Uitkomsten inspraak In het kader van dit bestemmingsplan is geen mogelijkheid tot inspraak geboden. Het ontwerpplan heeft van 16 juli 2021 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.

38

10. PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij

de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=a5ae94c8-ffdb-4625-b63a-2764485566cc