CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-071 04 Toelichting.pdf

Raad 9 november 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Uitbreiding bouwvlak Rootsdijk 4 en 4a Panningen” (2021-071)11.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN “Uitbreiding bouwvlak Rootsdijk 4 en 4a Panningen” Vastgesteld

Document:

Bestemmingsplan “Uitbreiding bouwvlak Rootsdijk 4 en 4a Panningen”

IDN:

NL.IMRO.1894.BPL0252-VG01

Status:

Vastgesteld

Datum:

21 september 2021

Aanvrager:

F.P.M. Beumers

Auteur:

ing. L.M. Heesen

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE ................................................................................................................................. 1 1. INLEIDING........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 3 1.2 Plangebied en begrenzingen ......................................................................................................... 4 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................... 5 2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE ......................................................................................... 7 2.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 7 2.2 Ruimtelijke structuur ...................................................................................................................... 8 2.3 Functionele structuur ..................................................................................................................... 8 3.

BELEIDSKADER ................................................................................................................................ 9 3.1 Rijksbeleid ...................................................................................................................................... 9 3.2 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 11 3.3 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 15 4. PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................... 18 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ........................................................................... 19 4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten ................................................................................. 19 4.3 Landschappelijke inpassing ......................................................................................................... 19 5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN .......................................................... 20 5.1 Milieu ............................................................................................................................................

20 5.1.1 Milieueffectrapportage ........................................................................................................... 20 5.1.2 Geluid .................................................................................................................................... 21 5.1.3 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 21 5.1.4 Bodem en grondwaterkwaliteit .............................................................................................. 23 5.1.5 Externe veiligheid .................................................................................................................. 24 5.1.6 Geurhinder en veehouderijen ................................................................................................ 25 5.1.7 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 25 5.2 Kabels, leidingen en straalpaden ................................................................................................. 27 5.3 Natuur ..........................................................................................................................................

27 5.3.1 Flora en fauna ....................................................................................................................... 27 5.3.2 Natura2000 ............................................................................................................................ 27 5.4 Waterhuishouding ........................................................................................................................ 29 5.4.1 Beleidskader .......................................................................................................................... 30 5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) ............................................................ 31 5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) ............................................................ 32 5.5 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 33

1

5.6 Verkeer en parkeren .................................................................................................................... 34 6. JURIDISCHE ASPECTEN ................................................................................................................ 35 6.1 Toelichting op de verbeelding ...................................................................................................... 35 6.2 Toelichting op de planregels ........................................................................................................ 35 7. HANDHAVING .................................................................................................................................. 36 8. UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................ 37 8.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 37 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................... 37 9. OVERLEG EN INSPRAAK ...............................................................................................................

38 9.1 Uitkomsten vooroverleg ............................................................................................................... 38 9.2 Uitkomsten inspraak .................................................................................................................... 38 10. PROCEDURE .................................................................................................................................. 39

BIJLAGEN 1. Landschappelijk inpassingsplan 2. Onderzoek luchtkwaliteit 3. Historisch bodemonderzoek 4. Quickscan flora en fauna 5. Beoordeling stikstofdepositie

2

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Aan de Rootsdijk 4 te Panningen is het glastuinbouwbedrijf gelegen van Hefra B.V. Het bedrijf richt zich in hoofdzaak op de teelt van asperges, zowel onder glas als in de vollegrond onder (blaas)tunnels. Het bouwvlak behorende bij het bedrijf is in de huidige situatie vrijwel volledig benut en geeft geen ruimte meer voor ontwikkeling. Dit komt mede door de vorm van het huidige bouwvlak. Gezien de leeftijd van een deel van de kassen zal er op termijn waarschijnlijk gedeeltelijke sloop en herbouw plaatsvinden. Door het bouwvlak van vorm te veranderen en te vergroten kan er in de toekomst een kas gebouwd worden waarbij optimaal gebruik gemaakt kan worden van de ruimte binnen het eigendom van initiatiefnemer.

Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (rood omcirkeld)

Door onderhavig plan wordt het in hoofdzaak mogelijk gemaakt dat er aan de westzijde ruimte ontstaat voor de bouw van kassen. De huisvesting van arbeidsmigranten, de twee bedrijfswoningen (waarvan 1 plattelandswoning aan de Hub 18) en de overige bedrijfsgebouwen blijven ongewijzigd aanwezig op het perceel. Middels dit bestemmingsplan wordt het bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ met bijbehorend bouwvlak vergroot zodat de ontwikkeling van het glastuinbouwbedrijf in de beoogde omvang wél is toegestaan.

3

Bij de opstelling van het dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Oppervlakte van het nieuwe bestemmings- en bouwvlak bedraagt 6.04 ha. ▪ Overige aanduidingen, gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen binnen het plangebied blijven conform de vigerende bestemmingsplannen in stand. Het bestemmingsplan dient een adequate, duidelijke en flexibele regeling te bevatten voor het exploiteren van een volwaardig glastuinbouwbedrijf binnen het plangebied. ▪ Het bestemmingsplan dient de Keur van het waterschap, geldend voor de achtergelegen secundaire watergang, voldoende te waarborgen. ▪ Het bestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling dat de compenserende landschappelijke maatregelen worden aangelegd en in stand worden gehouden.

Afbeelding 2. Impressie huidige situatie van het plangebied (vanuit westen gezien)

Afbeelding 3. Impressie huidige situatie van het plangebied (vanuit kruispunt Hub-Rootsdijk gezien)

1.2 Plangebied en begrenzingen De locatie ligt aan de Rootsdijk 4, in het buitengebied van Panningen, op de percelen kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie H, nummers 1827, 1946, 1948, 1949, 2339 en 2340 (gedeeltelijk). Deze percelen, zijnde het plangebied, hebben een gezamenlijke omvang van 60.400 m2.

4

De Rootsdijk betreft een plattelandsweg, gelegen ten westen van Panningen. Kenmerkend is de overgang van de Hub als een “oud bouwland” naar het grootschalig open ontginningskarakter aan de Rootsdijk. Aan de Rootsdijk bevinden zich een aantal veehouderijen die zich de afgelopen jaren ontwikkeld hebben tot de huidige omvang. Langs de Hub is duidelijk te zien dat zich langzaamaan een aantal (voormalig) agrarische bedrijven omgevormd worden tot woonobjecten.

Afbeelding 4: luchtfoto plangebied met omgeving.

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van een tweetal vigerende bestemmingsplannen. Het bestaande bouwvlak maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Omzetten naar wettelijke plattelandswoning Hub 18 Panningen”, vastgesteld op 20 november 2018. Het perceelsdeel wat momenteel nog de bestemming “Agrarisch” heeft en wat aan het bestaand bouwvlak wordt toegevoegd maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” (vastgesteld d.d. 24 december 2014). Ter plaatse gelden daarom de volgende bestemmingen en aanduidingen: Hoofdbestemmingen: “Agrarisch” en “Agrarisch - Glastuinbouw”. Dubbelbestemmingen: “Waarde – Archeologie 5” en “Waarde – Archeologie 7” Functieaanduidingen: “specifieke vorm van wonen - plattelandswoning” (ter plaatse van woning Hub 18) en “specifieke vorm van wonen – short stay huisvesting rootsdijk 4” en specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing - rootsdijk 4”.

5

Maatvoeringsaanduiding: Gebiedsaanduidingen:

“maximum aantal wooneenheden: 2” “concentratiegebied glastuinbouw 2”, “ontwikkelingszone bebouwingslinten”, “reconstructiewetzone – verwevingsgebied” “wro zone – wijzigingsgebied go” en “wro-zone – wijzigingsgebied 1 ob” .

Afbeelding 5. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Omzetten naar wettelijke plattelandswoning Hub 18 Panningen”

Een glastuinbouwbedrijf en de daarbij behorende bebouwing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ en het daarbinnen aangewezen bouwvlak. Deze bestemming en het bouwvlak hebben een te beperkte oppervlakte voor de toekomstige doorontwikkeling van het glastuinbouwbedrijf in de beoogde omvang. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ en het bijbehorende bouwvlak te vergroten. Van deze bevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt omdat in onderhavig bestemmingsplan een maximering plaatsvindt van de stikstofemissies om eventuele effecten op Natura2000 gebieden uit te sluiten. Door deze keuze is het niet meer mogelijk om met de wijzigingsbevoegdheid te werken.

6

2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE 2.1 Algemeen Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Panningen en ten noordwesten van de kern Egchel, beiden op een afstand van ongeveer 1 kilometer in vogelvlucht. Het omvat de woningen aan de Rootsdijk 4 en de Hub 18. De woning aan de Hub 18 is medio 2018 omgevormd naar een “wettelijke plattelandswoning” aangezien de bewoner geen binding heeft met het ter plaatse gevestigde bedrijf. De woning aan de Rootsdijk 4 betreft de bedrijfswoning Op het perceel zijn kassen aanwezig die in meerdere jaren zijn gebouwd. In de bestaande situatie is er ca. 27.100 m2 aan glasopstanden aanwezig. Behalve kassen zijn er ook andere bedrijfsgebouwen aanwezig zoals loodsen, stallingsruimten en de huisvesting van arbeidsmigranten. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie H, nummers 1827, 1946, 1948, 1949, 2339 en 2340 (gedeeltelijk). Deze percelen, zijnde het plangebied, hebben een gezamenlijke omvang van 60.400 m2. Het perceelsdeel wat wordt toegevoegd aan het bouwvlak is momenteel in gebruik voor de teelt van asperges in de vollegrond.

Afbeelding 6. Luchtfoto plangebied en omgeving (plangebied geel omlijnd)

7

2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied en de omgeving ten westen, zuiden en noorden daarvan is te typeren als een grootschalig en open ontginningslandschap. Kenmerkend zijn de openheid, de rationale ontsluitings- en verkavelingsstructuur en de verspreid gelegen boerderijnederzettingen. De grootschalig ontgonnen gebieden hebben onbeplante wegen en wegen met enkele en dubbele wegbeplantingen die het landschap structureren. De Rootsdijk wordt ter plaatse niet begeleidt door een wegbeplanting. Ten oosten van de locatie (overzijde Hub) is de omgeving te typeren als een “oud bouwland”. De bedrijven aan de Rootsdijk hebben zich de afgelopen jaren doorontwikkeld tot de omvang die ze op dit moment hebben. Langs de Hub is waar te nemen dat een aantal agrarische bedrijven in de loop der tijd gestaakt zijn en omgevormd worden tot woonobjecten.

2.3 Functionele structuur De directe omgeving (Rootsdijk) kenmerkt zich door het agrarische karakter. Hier zijn een aantal agrarische bedrijven gelegen in de vorm van een varkenshouderij, rundveehouderijen en een akkerbouwbedrijf. De Rootsdijk vormt de (oost-west)verbinding tussen de Melkweg en de Hub/Hondsheuvelstraat. Aan de zijde van de Hub is meer sprake van een menging van functies. Er zijn langs deze weg zowel woonobjecten als agrarische bedrijven gelegen. De agrarisch bedrijven zijn intensieve veehouderijen en grondgebonden agrarische bedrijven.

8

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de rijksoverheid vastgesteld. In de SVIR staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Het rijk stelt dat er een aanpak dient te ontstaan dat Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeente) en komt de gebruiker centraal te staan. Het rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: ▪ een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; ▪ over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; ▪ een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het rijk heeft drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2020): ▪ het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur; ▪ het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; ▪ het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten. Het rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere nationale belangen. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water, lucht en externe veiligheid zijn afgewogen in het licht van de ontwikkeling (zie hoofdstuk 5).

Uit deze beoordeling blijkt dat de vergroting van het bestemmings- en bouwvlak van het glastuinbouwbedrijf geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van bodem, water, lucht of externe veiligheid. De regio Noord-Brabant en Limburg heeft als opgave van nationaal belang onder andere het verbeteren van het vestigingsklimaat van Greenport Venlo. Hierbij wordt vooral gedoeld op infrastructuur. Echter, ook het bestaan, de doorontwikkeling en uitbreiding van bedrijven als Hefra B.V., hebben een positief

effect op het vestigingsklimaat rondom Greenport Venlo. De vergroting van het glastuinbouwbedrijf is dan ook niet strijdig met de visie van de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (thans Nationaal Natuurnetwerk), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.

Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Op dit bestemmingsplan zijn geen van deze belangen van toepassing. Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Bij de vergroting van een glastuinbouwbedrijf is de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 Bro niet aan de orde. Het betreft immers geen stedelijke ontwikkeling.

10

3.2 Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend plan-MER, de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. De provinciale ruimtelijke ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg; om er naar toe te gaan en vooral ook om er te blijven. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderende opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.

Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. En uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop de provincie samen met haar partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat wil realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. In het POL wordt geconcretiseerd hoe de ambitie dat elk land- en tuinbouwbedrijf in 2025 een lust voor zijn omgeving is, wordt gerealiseerd. De opgaven voor de Limburgse land- en tuinbouw zijn als volgt: ▪ Als onderdeel van duurzame productie worden de emissies naar lucht, water en bodem, in het bijzonder ammoniak, geur, fijn stof, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen, teruggedrongen. ▪ Ruimte bieden aan doorgroei van bestaande land- en tuinbouwbedrijven, in een goede balans met omgevingswaarden. ▪ Ruimte bieden voor de vestiging van nieuwe bedrijven; bij intensieve veehouderij- en glastuinbouwbedrijven wordt gefocust op (een beperkt aantal) daarvoor geschikte locaties in het landelijk gebied. ▪ Een perspectief bieden voor de ontwikkeling van agglomeratielandbouw op daarvoor geschikte locaties.

▪ Kwaliteitsslag in het landelijk gebied voor verduurzaming van bestaande agrarische bedrijven, hergebruik van leegkomende (beeldbepalende) gebouwen en sloop van leegkomende bebouwing waar geen passend alternatief voor aanwezig is. Het is van groot belang dat de agrarische sector en overheden samen werken aan het vergroten van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in de land- en tuinbouwsector. Dat moet tot uiting komen in bedrijfsvoeringsconcepten waarin ondernemers extra maatregelen nemen om de effecten op de omgeving te reduceren: minder hinder, minder bodem- en (grond)waterbelasting, minder water- en energieverbruik, gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. De algemene stelregel is dat ontwikkelruimte geboden wordt op basis van een integrale kwaliteitsverbetering van de omgeving. Een ondernemer die duurzaam onderneemt, beperkt zich niet enkel tot milieu- en ruimtelijke componenten in zijn bedrijfsvoering, maar heeft nadrukkelijk aandacht voor duurzaam

11

ondernemerschap en duurzame bedrijfsvoering. Nadrukkelijk geeft de provincie aandacht aan de voorlopers in de agrarische sector. De ontwikkelingen bij deze bedrijven zullen inspirerend werken voor andere bedrijven. Door onderhavig plan wordt het mogelijk om het bedrijf dat bestaat uit kassen met diverse maten, hoogten en bouwjaren nieuwbouw pleegt en daarmee de bedrijfsvoering veel efficiënter kan maken. De op te richten gebouwen en kassen voldoen aan de wettelijke milieueisen en waar mogelijk zullen bovenwettelijke maatregelen getroffen worden. Het optimaal hergebruik van hemelwater resulteert in een duurzame bedrijfsvoering evenals het gebruik van biomassa om de kassen te verwarmen. Door het toepassen van biomassa hoeft er geen aardgas meer gebruikt te worden. In het POL2014 is het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Bebouwd gebied

Zone Stedelijk centrum

Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Landelijk gebied

Goudgroene natuurzone

Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone

Buitengebied

Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.

12

Afbeelding 7. Uitsnede POL-kaart ‘Zonering’

Volgens de POL-kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied binnen het landelijk gebied – buitengebied en binnen de aanduiding “ontwikkelingsgebied glastuinbouw”. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden, variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ kwaliteit en functioneren ondergrond. Het POL2014 gaat uit van concentratie van glastuinbouw in de ontwikkelingsgebieden voor glastuinbouw (dit is een bundeling van de projectvestigingsgebieden Siberië en Californië, de ontwikkelruimte voor glastuinbouw in de intergemeentelijke structuurvisie Klavertje 4 en de concentratiegebieden voor glastuinbouw). Nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven is alleen hier mogelijk. Buiten de ontwikkelings- en concentratiegebieden is doorgroei van bestaande glastuinbouwbedrijven mogelijk in combinatie met sloop van bestaande kassen. De gemeenten Horst aan de Maas, Venlo en Peel en Maas hebben een gemeentelijke glas-voor-glasregeling, als uitwerking van de module glastuinbouw uit het Limburgs Kwaliteitsmenu.

Bij een uitbreiding van glasopstanden boven de 3 ha is deze glas-voor-glasregeling van toepassing. De glas-voor-glasregeling is voor de vergroting van het glastuinbouwbedrijf in dit geval niet van toepassing omdat het bedrijf is gelegen in een concentratiegebied. Het plangebied is gelegen in het buitengebied binnen de aanduiding “ontwikkelingsgebied glastuinbouw”. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee passend binnen de beleidsdoelstellingen van het POL2014.

13

Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden. In artikel 2.2 van deze verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, maar van een agrarische ontwikkeling. De ladder voor duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing. Artikel 2.12 legt vast dat vergroting van glastuinbouwbedrijven niet is toegestaan in de als goud- en zilvergroene natuurzone aangewezen gebieden. Het gehele plangebied is niet als zodanig aangewezen. De locatie is gelegen in een gebied dat is aangeduid als een “ontwikkelingsgebied glastuinbouw”. Ontwikkeling van het glastuinbouwbedrijf is ter plaatse toegestaan op basis van deze verordening.

Ontwerp omgevingsvisie Limburg Per 25 augustus 2020 is de ontwerp ‘Omgevingsvisie Limburg’ ter inzage gelegd. In de omgevingsvisie is de langetermijnvisie van de Provincie Limburg uiteengezet. Daarbij worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: ▪ ▪ ▪

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; o In stedelijk c.q. bebouwd gebied; o In landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

Ook in de omgevingsvisie is Limburg onderverdeeld in een algemene zonering. De drie hoofdtypen zijn landelijke gebieden, bebouwde gebieden en infrastructuren. Deze drie hoofdtypen zijn elk weer onderverdeeld in meerdere categorieën. Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is de planlocatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied’ behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Verder is de locatie gelegen in het “ontwikkelingsgebied glastuinbouw” Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Wat dat betreft sluit de zonering in de nieuwe omgevingsvisie aan bij de zonering in het POL2014. Vanuit de omgevingsvisie bestaan dus geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

14

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie buitengebied In december 2011 is de structuurvisie Buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, kwaliteitskader, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van bestaand beleid. Daarnaast zijn er enkele aanvullingen en uitwerkingen opgenomen, waardoor het beleid beter aansluit bij de recente ontwikkelingen in het buitengebied. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie.

De structuurvisie bevat de algemene beleidsuitgangspunten voor het buitengebied voor: ▪ landschap en functies; ▪ intensieve veehouderij en glastuinbouw (afkomstig uit de thematische structuurvisie Intensieve Veehouderij en Glastuinbouw, waarvoor ook een Milieueffectenrapport (MER) en een zienswijzennota zijn opgesteld); ▪ streefkwaliteiten voor geur, die de balans tussen de ontwikkeling van intensieve veehouderij en een goed woon- en leefklimaat moeten bewaken (hoofdstuk 5); ▪ het kwaliteitskader voor het buitengebied, dat een instrumentarium bevat om ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met de gewenste kwaliteitsverbetering; ▪ archeologiebeleid. Tevens is een uitvoeringsparagraaf opgenomen die in aansluiting op het kwaliteitskader de grondslag vormt voor bedragen die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Landschap Verschillende gebiedstypen zijn gedefinieerd in de structuurvisie die een bepaalde ontwikkelingsrichting (ruimtelijk, functioneel en landschappelijk) typeren. Het plangebied staat aangeduid als ‘grootschalig open ontginningslandschap’.

Wat betreft de ruimtelijke, functionele en landschappelijke aspecten zijn voor dit gebiedstype de volgende beleidsuitspraken relevant: ▪ versterking van de landschappelijke karakteristiek bestaande uit relatief grootschalige, open ruimten met lange rechte wegen, weilanden en akkers; ▪ speciale aandacht is hierbij vereist voor het behoud van de landschappelijke openheid en de kwaliteit van rust en ruimte; ▪ versterking van de open structuur van weilanden en akkers doorsneden door lange rechte wegen met wegbeplantingen; ▪ realisatie van een verdere landschappelijke aankleding door weg- en erfbeplantingen in een grootschalige structuur; ▪ realisatie van een grofmazig landschappelijk raamwerk voor verschillende vormen van landbouw (intensieve veehouderij en glastuinbouw) met behoud van voldoende zichtlijnen in de vorm van open doorzichten. In de structuurvisie is opgenomen dat binnen de aanduiding ‘ontwikkelingsgebied glastuinbouw’ bedrijven kunnen doorgroeien tot een oppervlakte van maximaal 10 ha bouwvlak. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt in de nieuwe situatie 6,04 ha. Dit past binnen het gestelde in de structuurvisie.

15

Glastuinbouw Voor glastuinbouw geldt dat de structuurvisie hoofdlijnen bevat voor het te voeren ruimtelijk beleid en biedt het beleidskader voor het stimuleren en toetsen van bestaande en toekomstige initiatieven voor nieuwvestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven en voor het opstellen van bestemmingsplannen. De glastuinbouw is voor de gemeente Peel en Maas een belangrijke economische functie en van essentieel belang voor ontwikkeling en behoud van werkgelegenheid. Behoefteramingen geven aan dat er een (structurele) behoefte is en blijft aan locaties waar er voor ondernemers ruimte is om te groeien. Tegelijkertijd zijn er bedrijven gevestigd op locaties waar vanwege andere belangen of waarden weinig mogelijkheden zijn voor (door)ontwikkeling. Belangrijke vraag voor de gemeente is of en zo ja waar groei, schaalvergroting en verdere intensivering nog mogelijk zijn. Het rijks- en provinciaal beleid biedt de gemeente ruimte eigen keuzes ten aanzien van de nieuwvestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven vast te leggen. Dit betreft onder andere een nadere begrenzing van de (zoekgebieden) landbouwontwikkelingsgebieden en concentratiegebieden glastuinbouw en het opstellen van uitgangspunten voor de omvang, milieubelasting en landschappelijke inpassing van deze bedrijven.

De gemeente Peel en Maas heeft de definitieve beleidskeuzes aangaande glastuinbouw uiteindelijk vastgelegd in het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas”. Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding van bedrijven gelegen in de aanduiding “ontwikkelingsgebied glastuinbouw 2” mogelijk tot een oppervlakte van maximaal 10 ha, mits voldaan wordt aan de gestelde wijzigingsvoorwaarden. In onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwvlak toegekend van 6,04 hectare. De maximale oppervlakte wordt daarmee niet overschreden. Kwaliteitskader Buitengebied Het Limburgs Kwaliteitsmenu van provincie Limburg heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Ontwikkelingen die niet passen in het bestemmingsplan worden op basis hiervan alleen toegestaan als er een tegenprestatie wordt geleverd in de vorm van landschappelijke inpassing. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbeteringen. Het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas bevat de kwantitatieve normstelling voor kwaliteitsbijdragen in het buitengebied van Peel en Maas.

Daarbij wordt rekening gehouden met locatie (gebiedstypologie) en type ontwikkeling. Gelet op de doelstelling van het kwaliteitskader, de omvang van het bouwvlak en de omvang van de toekomstige glastopstand, sluit de gemeente in dit geval aan bij de module ‘uitbreiding glastuinbouwbedrijf in een concentratiegebied. De referentiemaat in een concentratiegebied bedraagt 10 hectare. Deze maat wordt door onderhavig plan niet overschreden. Daarom geldt dat in dit geval voldaan moet worden aan de categorie “Basiskwaliteit”. Basiskwaliteit houdt in dat 10% van de nieuwe bebouwing en verhardingen landschappelijk ingepast moeten worden. In dit geval wordt het bouwvlak vergroot met 20.000 m2 (van 40.400 m2 naar 60.400 m2). In theorie zou het volledige bouwvlak bebouwd kunnen worden. Derhalve komt de inpassingseis uit op 10% van 20.000 m2 is 2.000 m2 aan inpassingsmaatregelen. De te leveren tegenprestatie is uitgewerkt in het opgestelde landschappelijke inpassingsplan (bijlage 1). In hoofdlijn is het plan als volgt uitgewerkt:

16

• • • •

Aanleg knotbomenrij aan de noordzijde van het bedrijf; Aanplant gemengde hagen en bomen aan de zuidzijde van het bedrijf (straatzijde Rootsdijk); Aanplant gemende haag struweelhaag aan de oostzijde van het bedrijf; Realisatie ecologische infiltratiebufferzone.

Bovenstaand is opgenomen in het opgestelde landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1). De aan te leggen elementen omvatten een oppervlak van 2.045 m2. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijke kwaliteitskader.

Afbeelding 8. Uitsnede tekening landschappelijk inpassingsplan (volledige plan is toegevoegd als bijlage 1)

Middels het invullen van het bovenstaande wordt er voldaan aan de gestelde inpassingseis en daarmee aan het gemeentelijke kwaliteitskader Buitengebied.

Kaderstelling Ruimte en Economie In het coalitieakkoord 2014 is vastgelegd dat het college met de omgeving in gesprek gaat over de gewenste koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing als richtsnoer heeft. De uitbreiding van bestaand glastuinbouwbedrijf is passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie. Op basis van programmadoel 3, bedrijvigheid in balans met de omgeving, is er oog voor de transitie van het landelijke gebied. De ontwikkeling van een glastuinbouwbedrijf waarbij oude bebouwing gefaseerd kan worden vervangen door nieuwbouw, is daar een voorbeeld van. Anderzijds dient er ook oog te zijn voor de balans tussen economische en ruimtelijke waarden. Hiertoe is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij het bedrijf op een zorgvuldige manier in haar omgeving wordt ingepast. De nu voorliggende ontwikkeling is daarmee passend binnen de kaderstelling Ruimte en Economie.

17

4. PLANBESCHRIJVING Hefra B.V. is eigenaar van het glastuinbouwbedrijf aan de Rootsdijk 4 te Panningen. Het bedrijf richt zich in hoofdzaak op de teelt van asperges, zowel onder glas als in de vollegrond onder (blaas)tunnels. Het bouwvlak behorende bij het bedrijf is in de huidige situatie vrijwel volledig benut en geeft geen ruimte meer voor ontwikkeling. Dit komt mede door de vorm van het huidige bouwvlak. In de bestaande situatie zijn er ca. 27.100 m2 aan glasopstanden aanwezig. Deze zijn gebouwd in meerdere bouwjaren en bouwhoogtes. Binnen het plangebied zijn twee woningen aanwezig, ten eerste de bedrijfswoning aan de Rootsdijk 4 en ten tweede de woning aan de Hub 18, die in 2018 is aangeduid als een plattelandswoning. Rondom de bedrijfswoning aan de Rootsdijk zijn een aantal bedrijfsgebouwen aanwezig in de vorm van stallingen voor machines en werktuigen en opslag van materialen. Verder is er huisvesting aanwezig voor het huisvesten van arbeidsmigranten die werkzaam zijn binnen het bedrijf. Daarnaast is een stalruimte aanwezig waarbinnen rundvee gehouden kan worden. Tenslotte is er een ruimte aanwezig waarin de stookinstallatie geplaatst is. Deze stookinstallatie wordt gestookt met houtsnippers uit de gemeente Peel en Maas, waarbij de warmte gebruikt wordt om de kassen te verwarmen.

De bestaande woningen en bedrijfsgebouwen zullen vooralsnog in de huidige vorm aanwezig blijven. Gezien de leeftijd van een deel van de kassen zal er op termijn waarschijnlijk gedeeltelijke sloop en herbouw plaatsvinden. Door de huidige, hoekige vorm van het bouwvlak is lastig om een moderne, rechthoekige kas te bouwen. Door het bouwvlak van vorm te veranderen en te vergroten kan er in de toekomst een kas gebouwd worden waarbij optimaal gebruik gemaakt kan worden van de ruimte binnen het eigendom van initiatiefnemer. Het nieuwe bouwvlak biedt daarbij plaats aan ongeveer 4.60 hectare aan glasopstanden.

Afbeelding 9: beoogd bouwvlak

18

4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij de opstelling van onderhavig bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Het bestemmingsplan dient een adequate, duidelijke en flexibele regeling te bevatten voor het exploiteren van een volwaardig glastuinbouwbedrijf binnen het plangebied. Oppervlakte van het nieuwe bestemmings- en bouwvlak bedraagt 6,04 hectare. Overige aanduidingen, gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen binnen het plangebied blijven conform de vigerende bestemmingsplannen in stand. Het bestemmingsplan dient de Keur van het waterschap, geldend voor de achtergelegen secundaire watergang, voldoende te waarborgen. Het bestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling dat de compenserende landschappelijke maatregelen worden aangelegd en in stand worden gehouden.

4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten De percelen worden fysiek begrensd door de Rootsdijk aan de zuidzijde, de Hub aan de oostzijde, de Kamplossing (watergang) aan de noordzijde en een perceel landbouwgrond/weiland aan de westzijde. Daarmee is er een duidelijke, vaste inkadering van het perceel. De grootte van het bestemmings- en bouwvlak bedraagt in de nieuwe situatie 6,04 ha. De twee woningen binnen het bouwvlak blijven behouden, waarbij de woning aan de Hub 18 aangeduid is en blijft als plattelandswoning. Het bestaande bouwvlak biedt geen ruimte voor een verdere ontwikkeling van het areaal aan glas. Daarom wordt aan de westzijde van het perceel, wat nu nog onbebouwd is een bouwvlak openomen wat het mogelijk maakt om het areaal te vergroten. De vergroting van het bouwvlak komt uit op een oppervlak van 20.000 m2. Het perceel wordt ter plaatse van de nieuwe bebouwing volledig landschappelijk ingepast. De bestaande bebouwing wordt met name aan de noordzijde ingepast. Dit om het glastuinbouwbedrijf op een zo goed mogelijk manier te integreren in het landschap (zie voor een uitgebreide omschrijving de volgende paragraaf). Gezien de ligging van het bedrijf in een concentratiegebied glastuinbouw is de ontwikkeling passend en logisch te noemen.

Door de landschappelijke inpassing heeft de vergroting ten slotte geen negatieve ruimtelijke, stedenbouwkundige of landschappelijke effecten op de omgeving.

4.3 Landschappelijke inpassing Voor onderhavig bestemmingsplan is een landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) opgesteld. Dit inpassingsplan is getoetst aan het gemeentelijke Kwaliteitskader. In paragraaf 3.1 wordt uitgebreid ingegaan op de inpassing van het bedrijf en de toetsing aan het Kwaliteitskader.

19

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Bij de vergroting van het bestemmings- en bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en met (milieu-)aspecten op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieu 5.1.1 Milieueffectrapportage Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.beoordeling is het “nee, tenzij” -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De verplichting tot het toepassen van een m.e.r.-procedure ontstaat als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r., in werking getreden op 7 juli 2017) én een omvang heeft boven de vermelde richtwaarden én voor die activiteit de aangewezen besluiten genomen moeten worden en/of plannen worden vastgesteld. Het Besluit m.e.r. maakt onderscheid naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Het Besluit bevat daartoe twee lijsten van activiteiten, respectievelijk onderdeel C en D. Beide onderdelen bestaan uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele richtwaarden. Kolom 3 geeft aan voor welke plannen de plan-m.e.r.-plicht geldt. Kolom 4 benoemd voor welke besluiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.

Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen, danwel een m.e.r.-plichtig plan mag worden vastgesteld. De activiteit is dan direct m.e.r.-plichtig. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. In onderdeel D9 is vastgelegd dat voor glastuinbouw een m.e.r.-beoordelingsplicht aan de orde is, wanneer sprake is van de vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. In dit geval is sprake van het vergroten van een bestaand bestemmings- en bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf, niet van een vestiging van een glastuinbouwgebied. Het vergroten van het glastuinbouwbedrijf is derhalve niet opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r.. In onderdeel C zijn geen activiteiten opgenomen met betrekking tot glastuinbouw waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. Aangezien het vergroten van een glastuinbouwbedrijf niet is opgenomen in onderdeel C en D is geen MER, m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht.

20

5.1.2 Geluid Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidsgevoelige objecten (zoals bijvoorbeeld woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van een weg, spoor of gezoneerd industrieterrein akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling behelst de vergroting van een glastuinbouwbedrijf. Een glastuinbouwbedrijf betreft geen geluidsgevoelig object. Vanuit de Wgh bestaan er wat dat betreft geen belemmeringen voor de vergroting van het glastuinbouwbedrijf. Opgemerkt wordt dat de twee woningen (welke wél geluidsgevoelige objecten betreffen) binnen het plangebied blijven behouden zoals aanwezig. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor de twee woningen is dan ook niet benodigd. Industrielawaai In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van een nieuwe functie in de omgeving plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met milieuaspecten als geur-, stof en gevaarhinder, maar ook voor wat betreft geluidhinder. In paragraaf 5.1.7 wordt de toetsing aan alle richtafstanden beschreven, in deze paragraaf wordt louter ingegaan op geluidhinder.

Voor het glastuinbouwbedrijf (Kassen met gasverwarming) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst 30 meter moet worden aangehouden voor geluid. De afstand tussen bestemmingsvlakken van Rootsdijk 4 en Rootsdijk 5 bedraagt minder dan 30 meter, namelijk circa 15 meter. Echter doordat in de bestemmingsregels is opgenomen dat er niet voor de voorgevelrooilijn gebouwd mag worden (zowel bedrijfsgebouwen als bedrijfswoningen) is geborgd dat de richtafstand van 30 meter gerespecteerd wordt. Daarmee is het niet nodig om onderzoek te doen naar geluid. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het onderdeel ‘Geluid’ geen beperkende factor vorm voor onderhavig plan. 5.1.3 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden.

Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen; 2. infrastructuur; 3. kantoorlocaties; 4. woningbouwlocaties.

21

De Regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: a. akker- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt; b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw; c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare (3% criterium); e. kinderboerderijen. Omdat het oppervlak aan kassen de 2 hectare overschrijdt, kan het plan niet als NIBM beschouwd worden. Voor de teelt van asperges onder glas wordt minder gestookt dan in bijvoorbeeld de teelt van tomaten of komkommers. Het bestemmingsplan sluit echter niet uit dat er meer verwarmd kan worden. Het nieuwe bouwvlak omvat een oppervlak van 6.04 hectare. Hiervan is circa 7.000 m2 bebouwd met woning(en) en overige bedrijfsgebouwen. Deze bebouwing wordt vooralsnog in de huidige vorm behouden. Daarnaast is er nog ruimte nodig voor de landschappelijke inpassing. In de beoogde situatie kan er ongeveer 4.60 hectare aan kassen gebouwd worden binnen het bouwvlak. Deze oppervlakte is in een worst-case berekening opgenomen.

In het uitgevoerde onderzoek (bijlage 2) is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: ▪ de bestaande stookinstallatie heeft voldoende capaciteit om de volledige oppervlakte aan kas te verwarmen; ▪ op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt een emissienorm van 40 mg/m3 rookgas. ▪ Bij volledige stook wordt er per uur 1720 m3 rookgas geproduceerd. ▪ Per uur wordt er daarmee maximaal 68.800 microgram aan PM10 uitgestoten vanuit de stookinstallatie. ▪ De vergunde veehouderijactiviteiten zijn in de berekening opgenomen. Uit de resultaten blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer. Het jaargemiddelde voldoet met 19.68 μg/m3 aan de norm van 40 μg/m3. Het maximaal aantal overschrijdingen van 50 μg/m3 voldoet met 7.3 dagen aan de norm van 35 dagen per jaar. Gezien de geringe bijdrage van de emissiebronnen kan gesteld worden dat onderhavige ontwikkeling niet tot gevolg heeft dat de luchtkwaliteit ter plaatse significant verslechtert. Verder kan gesteld worden dat ten aanzien van fijnstof ter plaatse van de gevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen.

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 9,3 µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 16,5 µg/m³ en de concentratie NO2 12,0 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de

22

jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toenemend aantal verkeersbewegingen. Verkeer kan van invloed zijn op de luchtkwaliteit ter plaatse. Daarom is er een worst case berekening gemaakt met de NIBMtool. In deze berekening is niet de toename van de verkeersgeneratie van het bedrijf opgenomen maar de totaal verkeersgeneratie (150 vrachtwagens en 3120 (bestel)auto’s per jaar x 2 bewegingen) om een worst-case scenario in beeld te brengen.

Afbeelding 10: resultaat berekening NIBM-tool

Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de verkeersgeneratie van het bedrijf als NIBM beschouwd kan worden. Op basis van het bovenstaande kan de conclusie getrokken worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor een goed woon- en leefklimaat.

5.1.4 Bodem en grondwaterkwaliteit In het kader van de uitbreiding van het bestemmings- en bouwvlak dient te worden beoordeeld of de uiteindelijke bodemkwaliteit binnen het plangebied uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aan zekere kwaliteitsnormen voldoet om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gebouwd. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is er ter plaatse een historisch bodemonderzoek verricht (bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie ten aanzien van bodemverontreiniging als ‘onverdacht’ te beschouwen is. Ter plaatse wordt geen bodemverontreiniging verwacht. Het onderdeel bodem vormt daarmee geen beperkende factor voor onderhavig plan.

23

5.1.5 Externe veiligheid Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor (beperkte) kwetsbare objecten vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichting (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone.

Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Bij het inventariseren van de aanwezige risicobronnen in de omgeving van het plangebied is, tenzij anders vermeld, gebruik gemaakt van de risicokaart (www.risicokaart.nl). Volgens deze risicokaart liggen in de directe omgeving van het te vergroten deel van het bestemmings- en bouwvlak geen risicovolle inrichtingen of transportassen. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmerende factor voor onderhavig bestemmingsplan.

24

5.1.6 Geurhinder en veehouderijen De locatie aan de Rootsdijk 4 is van oudsher een veehouderij bedrijf. Reeds in 1971 is er een vergunning verleend voor het houden van vleesvarkens. Medio 2015 zijn deze vleesvarkens afgestoten en is de vergunning deels ingetrokken en deels omgezet naar het houden van zoogkoeien en vrouwelijk jongvee. Daarmee is er op dit moment nog steeds sprake van een veehouderij. Eigen veehouderij: In het houden van dieren binnen de Rootsdijk 4 treed geen wijziging op. Zowel zoogkoeien als vrouwelijk jongvee zijn diersoorten waarvoor een vaste afstand geldt van 50 meter tussen emissiepunt dierenverblijf en gevel geurgevoelig object. Tevens geldt een afstand van 25 meter tussen gevel dierenverblijf en gevel geurgevoelig object. Aan deze afstanden wordt ruimschoots voldaan. Binnen het te vergroten deel van het bouwvlak worden geen dieren gehouden. Veehouderijen van derden: Omliggende veehouderijen zijn zowel rundveehouderijen (Rootsdijk 8 en Rootsdijk 9) als varkenshouderijen (Hondsheuvelstraat 7a, Hub 17 en Rootsdijk 4). Zoals hierboven reeds aangegeven geldt voor rundveehouderijen een vast afstand van 25 en 50 meter gemeten vanaf respectievelijk gevel en emissiepunt dierenverblijf tot gevel geurgevoelig object. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Rundveehouderijen worden daarmee niet in hun mogelijkheden beperkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=a5ae94c8-ffdb-4625-b63a-2764485566cc