2021-057 07 TOELICHTING VBP Uitbreiding TrafficPort.pdf
Tekst van het document
Onderzoek stikstofdepositie uitbreiding Traffic Port Maasbree, Kragten, Herten, 12 november 2020 Quickscan ecologische waarden Traffic Port Maasbree, Ecolybrium, Weert 2 juli 2020
26
5.5 Milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de publicatie van de VNG genaamd 'Handreiking bedrijven en milieuzonering'. Bij deze publicatie zijn lijsten opgenomen met richtafstanden, die gelden tussen gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen) en bedrijven of inrichtingen. Als sprake is van zogenoemde 'gemengde gebieden' kunnen de aangegeven richtafstanden voor het type 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied' met een stap naar beneden worden bijgesteld. De richtafstanden zijn geen harde normen, hier kan gemotiveerd van worden afgeweken. Uit de jurisprudentie volgt dat het toepassen van deze richtafstanden in algemene zin wordt geaccepteerd en gezien kan worden als 'pseudo-wetgeving'. Onder een 'gemengd gebied' wordt verstaan "een gebied met een sterke tot matige functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Situatie plangebied Het plangebied ligt op basis van deze criteria in een gemengd gebied, waardoor de richtafstanden met een stap naar beneden kunnen worden bijgesteld. Volgens de regels van dit bestemmingsplan zijn bepaalde bedrijven toegelaten die vallen binnen de milieucategorie 3.2. Een bedrijfsactiviteit die valt binnen het toegestane segment van 'accumulatoren en batterijfabrieken' heeft de meest verreikende hindercontouren. In dat geval zijn de volgende richtafstanden van toepassing: • geur: 50 meter; • stof: 10 meter; • geluid: 50 meter; • gevaar: 30 meter. Toetsing Omdat de maximale contour van 50 meter maatgevend is voor het woon- en leefklimaat, zijn de (geluid)gevoelige objecten en terreinen in de omgeving van het plangebied in kaart gebracht. Uit figuur 10 blijkt dat het perceel van de dichtstbijzijnde bedrijfswoning is gelegen op een afstand van 350 meter vanaf de grens van het plangebied en de meest nabije burgerwoning op 1,2 kilometer afstand. Die vallen ruim buiten de hindercontour van 50 meter. Figuur 10: Afstand van plangebied tot dichtstbijzijnde (bedrijfs)woningen
27
De ontwikkeling van het plangebied levert derhalve geen hinder op voor de gevoelige functies in de omgeving. Anderzijds leveren de gevoelige functies ook geen belemmering op voor de ontwikkeling van het plangebied. Op deze wijze blijft een goed woon- en leefklimaat bij de woningen gehandhaafd. Er is dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Vanuit de milieuzonering is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.6 Lichthinder Er ligt een nerstenfokkerij op 350 meter van het plangebied. Blootstelling aan kunstmatige verlichting kan tijdens de nachtperiode negatieve gevolgen hebben voor deze dieren, omdat het kan leiden tot verstoring van hun oriëntatie en bioritme. Dit kan leiden tot een mindere kwaliteit van de pels en tot omzetschade voor de fokker. Hoewel er geen wettelijke normen gelden voor lichtemissie in relatie tot deze diersoorten, zijn tussen de nerstenfokkerij en Traffic Port in het verleden praktische afspraken gemaakt over hoe om te gaan met verlichting. Deze afspraken houden onder ander in: geen plaatsing van hoog opgaande verlichting in de vorm van lantaarnpalen, alleen indien noodzakelijk naar beneden schijnende armaturen aan de achtergevels van gebouwen en hantering van groen licht.
Toetsing Voorop staat het behoud van een donker nachtlandschap conform gemaakte afspraken. In de regels van het bestemmingsplan is daarnaast een aantal voorschriften opgenomen die te maken hebben met het aanbrengen van verlichting en optredende lichtemissie. Zo is plaatsing van lantaarnpalen alleen aan de frontzijde van het warehouse toegelaten tot een hoogte van 8 waarbij het warehouse 15 meter hoog is. Lichtemissie naar achterliggend gebied is daarmee uitgesloten. Voorts kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan het ontwerp van de buitenverlichting ter voorkoming van onevenredige lichtemissie naar de omgeving, bijvoorbeeld bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw. Ondanks het gegeven de Wet verbod pelsdierhouderij leidt tot algehele sluiting van alle nertsenfokkerijen op 1 januari 2024, zijn de bedrijfsbelangen van de nabij gelegen nerstenfokkerij tot die tijd op deze wijze in voldoende mate gewaarborgd. Conclusie Lichtemissie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Vanuit lichthinder is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.7 Verkeer Voor het bepalen van de verkeerseffecten van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt doorgaans de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' gebruikt.
De daarbij horende rekentool 10 levert een inschatting op van de verkeersgeneratie (aantal ritten heen en weer) . De berekende verkeersbewegingen zijn ook gebruikt bij de onderzoeken naar stikstofdepositie en luchtkwaliteit. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte kan ook van deze tool gebruik worden gemaakt, maar in het geval van een warehouse sluiten de parkeerkengetallen van deze rekentool niet aan bij de specifieke behoefte van een warehouse. Een warehouse heeft fors minder parkeercapaciteit nodig dan waarvan het CROW is uitgegaan bij het bepalen van een bedrijf in de categorie 'arbeidsextensief/bezoekers extensief'. Daarom is voor het bepalen van de parkeerbehoefte uitgegaan van een passend kengetal, dat beter aansluit in de 11 praktijksituatie en maatwerk oplevert voor de voorgenomen planontwikkeling voor Seacon Logistics .
10 11
Berekening verkeersgeneratie met 'Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren', CROW, Ede, 2 maart 2020 Parkeerbehoefte warehouse Seacon Logistics op uitbreidingslocatie Traffic Port, Cityplanning Advies, Sittard, 3 augustus 2018
28
Toetsing Verkeersgeneratie en bereikbaarheid Toepassing van de CROW-rekentool levert bijna 2.500 voertuigbewegingen (ritten) per etmaal op uitgaande van een doorsnee werkdag, uitgaande van 5,2 hectare aan bedrijfsvloeroppervlak. Dit komt overeen met een verkeersintensiteit van 1.250 motorvoertuigen per dag. Hierbij wordt een marge gehanteerd van plus of min 23%. Het plangebied is goed bereikbaar via het autosnelwegennet (A67, A73) en via het daarop aantakkende provinciale wegennet (N556, N295) alsmede via het lokale wegennet van bedrijventerrein Trade Port WestOost. Deze wegen zijn uitgelegd op verwerking van grote verkeershoeveelheden. De verzadigingsgraad (I/Cverhouding) van deze wegen ligt rond de 40 à 50%, zie figuur 11. De extra verkeersdruk vanuit het plangebied levert hier geen doorstromingsproblemen op. Figuur 11: I/C-verhoudingen omliggende wegen (bron: Verkeerskundige toets Greenport Venlo, RHDHV, 2016)
Parkeren 2 Toepassing van het parkeerkengetal van 0,4 parkeerplaatsen per 100 m bedrijfsvloeroppervlak op een 2 maximaal te bebouwen bedrijfsvloeroppervlak van 52.000 m levert een parkeerbehoefte op van 210 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied zijn 235 parkeerplaatsen voorzien, waarvan 190 op het parkeerdek en de rest op maaiveld. Daarmee wordt in ruime mate voorzien in de totale parkeerbehoefte. Parkeren voor (brom)fietsen en motoren gebeurt op maaiveld. Mocht in de loop van de tijd behoefte bestaan aan extra autoparkeerplaatsen, dan is daarvoor nog ruimte beschikbaar binnen het plangebied en/of op het aangrenzende terrein van Traffic Port. Op basis van de jurisprudentie van de Raad van State, is de genoemde parkeernorm in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Conclusie Het thema verkeer vormt daarmee geen belemmering voor de bestemmingswijziging. Vanuit verkeer is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 29
5.8 Geluid Vanuit de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Er is geen sprake van een gezoneerd bedrijventerrein zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. Logistieke bedrijvigheid is bovendien geen geluidgevoelige bestemming als bedoeld in de Wet Geluidhinder. Wel dient anderszins te worden aangetoond dat vanuit het aspect geluid sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Toetsing De toetsing aan een goede ruimtelijke ordening is in paragraaf 5.5 gebeurd. Daar is beschreven dat geluidgevoelige functies alle buiten de akoestische hindercontour van 50 meter liggen en dat het woon- en leefklimaat door de ontwikkeling van het plangebied niet negatief wordt beïnvloed. Aanvullend geldt nog dat in het plangebied in de directe omgeving bedrijfs- en/of burgerwoningen zijn gelegen noch planologisch mogelijk zijn. Het plangebied genereert extra verkeersbewegingen, die worden afgewikkeld via het wegennet zoals in paragraaf 5.7 beschreven. Langs deze routes zijn geen woningen gelegen. De toename van het wegverkeerslawaai is ook niet van invloed op het woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid levert geen belemmering op voor de ontwikkeling van het plangebied. Akoestisch gezien is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.8 Luchtkwaliteit Een goede luchtkwaliteit is van elementair belang voor de kwaliteit van de leefomgeving.
De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van de Wet Luchtkwaliteit is om mensen te beschermen tegen de risico's van luchtverontreiniging. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Daarbij geldt dat luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen voor het uitoefenen van de bevoegdheid, indien minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project daagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; • een project past binnen het NSL (nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’.
Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Na de inwerkingtreding van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (1 augustus 2009) geldt dat projecten die minder bijdragen dan 3% van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) ‘niet in betekenende mate’ bijdragen. Deze 3%-norm komt overeen met 1,2 μg/m3 voor zowel NO2 als PM10. In de betreffende Regeling zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeft geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM-situatie. Toetsing Omdat de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied niet toeziet op deze aangewezen categorieën, is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van de NIBM-tool, die de bijdrage aan de luchtkwaliteit berekend van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen. De berekeningen met de NIBM-tool berusten op een worst-casesituatie: voor de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging.
De essentie van de NIBM-tool is dat het merendeel van de invoergegevens voor de berekening al vooraf zijn ingevuld, maar niet locatiespecifiek zijn gemaakt.
30
Het berekeningsresultaat van de NIMB-tool, uitgaande van de verkeersgeneratie zoals aangegeven in paragraaf 5.6, staat vermeld in de tabel van onderstaande figuur. Figuur 12: Bijdrage aan luchtkwaliteit door de voorgenomen uitbreiding van Traffic Port
Op basis van de effectberekening met de NIBM-tool kan niet worden uitgesloten dat de toename aan fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) per kubieke meter lucht niet in betekende mate is (dat wil zeggen kleiner is dan 1,2 microgram). Daarom is nader onderzoek verricht dat uitsluitsel moet geven of de bijdrage aan de 12 luchtverontreiniging wel of niet in betekende mate is . Voor de bepaling van de effecten op de luchtkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling is een rekenmodel opgesteld. In het rekenmodel zijn alle relevante omgevingsparameters meegenomen. Het rekenmodel is opgesteld met behulp van de meest recente versie van het programma Geomilieu (versie 2020.0), module STACKS+. De module STACKS+ rekent op basis van STACKS (Short Term Air-pollutant Concentrations Kema modelling System) volgens de standaard rekenmethoden (SRM) I, II en III. In deze versie van het rekenprogramma zijn de generieke invoergegevens verwerkt zoals die bekend waren op 13 maart 2020. Volgens het blootstellingcriterium (artikel 5.19 Wet milieubeheer) dient daar te worden getoetst, waar het aannemelijk is dat zich gedurende ten minste één uur mensen kunnen bevinden, exclusief de arbeidsplaats. In dit geval betekent dit dat de beoordeling van de luchtkwaliteit zal plaatsvinden ter plaatse van de ten westen van het plangebied gelegen meest nabij gelegen woningen aan de Romerweg en Siberiëweg.
Daarnaast zal de luchtkwaliteit worden bepaald en beoordeeld ter plaatse van twee horecabestemmingen op het bedrijventerrein Trade Port West-OOst. Op de percelen direct ten westen van het plangebied rust de bestemming “Gemengd – Luchtvaartterrein en verkeers- en logistiek educatiecentrum”. Hier kunnen personen zich gedurende langere tijd bevinden, waardoor ook hier de luchtkwaliteit worden getoetst. In figuur 13 staan de beoordelingspunten aangegeven Figuur 13: Beoordelingspunten luchtkwaliteitsonderzoek en rijdroute verkeer van/naar plangebied
12
Onderzoek luchtkwaliteit uitbreiding Traffic Port Maasbree, Kragten, Herten, 24 juli 2020
31
In de bepaling van de luchtkwaliteit wordt rekening gehouden met het verkeer op het plangebied alsmede met het verkeer van en naar de planlocatie op de openbare weg (verkeersaantrekkende werking), totdat het planverkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het verkeer wordt beschouwd over de Olivier van Noortweg en Vasco de Gamaweg en vervolgens over de Sevenumseweg (N556) tot aan de aansluiting met de A67. Er is gebruik gemaakt van de emissiefactoren voor het rekenjaar 2020. De emissiefactoren voor latere jaren zijn lager, omdat deze de verwachte afname van de emissies van stikstofoxiden van verkeer reflecteren (schoner worden van het verkeer). Vanwege de korte afstand tot de A67 tot het plangebied, is deze autosnelweg ook gemodelleerd. De rijroute van en naar het plangebied staat ook aangeven in bovenstaande figuur. In onderstaande figuur zijn de hoogste berekende waarden opgenomen, zoals berekend ter plaatse van de beoordelingspunten nabij gevoelige objecten in de omgeving van het plangebied. De jaargemiddelde concentratie betreft de immissiebijdragen van alle significante bronnen. Dit houdt in dat de verkeersaantrekkende werking, de overige relevante wegen en alle overige bronnen die in de achtergrondconcentratie zijn meegenomen bij elkaar op zijn geteld. Het betreft dus de totale immissie.
In de achtergrondconcentratie zijn alle bronnen, met uitzondering van de verkeersaantrekkende werking opgenomen. Bij de kolommen “aantal overschrijdingen” staat het aantal dagen/uren weergegeven waarop de grenswaarden overschreden worden. Figuur 14: Berekeningsresultaten bijdrage luchtkwaliteit op NO2 (stikstof), PM10 en PM2,5 (fijnstof)
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de concentraties alsmede het aantal toegestane overschrijdingen van de hierboven genoemde stoffen ver onder de wettelijke grenswaarden liggen. Bovendien draagt de planontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in titel 5.2 (artikel 5.6 lid 1) van de Wet milieubeheer. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Vanuit luchtkwaliteit is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.9 Externe veiligheid Er is onderzoek uitgevoerd naar mogelijke externe veiligheidsrisico’s. Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. In dat kader dient te worden onderzocht of in de omgeving van het plangebied sprake is van de volgende risicobronnen: • bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt; • transportroutes (wegen, waterwegen, spoorwegen) waarop gevaarlijke stoffen worden vervoerd; • ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Ook kan binnen het plangebied worden gewerkt met gevaarlijke stoffen, wat de veiligheid van bedrijven en personen in de omgeving nadelig kan beïnvloeden. Beide invloeden zijn onderzocht.
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Onder het plaatsgebonden risico wordt verstaan de kans per jaar dat één (fictief) persoon, die zich permanent en onbeschermd op dezelfde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kans per jaar, dat ten minste tien of meer personen komen te overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedgebied van
32
een inrichting of transportroute, bij een ongeval waarbij een gevaarlijke stof is betrokken. Bepaald is dat -6 binnen een contour van 10 rond een risicobron in principe geen kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Welke objecten als kwetsbaar en beperkt kwetsbaar worden aangemerkt, staat aangegeven in onder meer het Bevi, Bevb en de Circulaire RNVGS. Een bedrijfsgebouw geldt als beperkt kwetsbaar object. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. De wetgeving verbindt geen harde normen aan de toelaatbaarheid van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen een invloedgebied, zoals dat wel het geval is bij het PR. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt met de oriëntatiewaarde.
Dit is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. 3. Basisnet. Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). 4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. 5. Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit).
In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Verantwoordingsplicht In het Bevi, Bevb en het Bevt is onder andere een verantwoordingsplicht GR opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht wordt onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen.
Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Voor de A67 is de PAG vastgesteld op 30 meter, gemeten vanaf de buitenste kantstrepen van de weg.
33
Toetsing Plaatsgebonden risico Uit de landelijke bron 'Risicokaart' (www.risicokaart.nl) is op te maken welke risicobronnen te vinden zijn in de nabijheid van het plangebied. Die staan weergegeven in figuur 14, evenals de bijbehorende PR-contouren rondom deze bronnen. Voor het plangebied geldt dat als risicobron alleen de A67 in de nabijheid ligt. De PR-contour van de A67, de zwart gestippelde lijn op figuur 15, bedraagt 26 meter, gemeten uit de as van de autosnelweg. De grens van het plangebied bevindt zich op een afstand van 73 meter uit de as van de snelweg. De PAG-contour, van 30 meter vanaf de kantstrepen van de A67, reikt ook niet tot het plangebied. Daarmee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor de planontwikkeling. Figuur 15: Ligging PR- en GR-contouren t.o.v. het plangebied
Plangebied
Groepsrisico Omdat dit bestemmingsplan het oprichten van een bedrijfsgebouw mogelijk maakt en een bedrijfsgebouw vanuit externe veiligheid wordt aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object, dat in dit geval gelegen is 13 binnen het invloedgebied van 200 meter vanuit de A67, is voor dit gebruik het groepsrisico berekend . Op basis van de vervoersgegevens over de A67 volgt dat de inventarisatieafstand voor het groepsrisico 355 meter bedraagt. Dit is het maximale invloedgebied waarbij nog 1% van de blootgestelde personen kans heeft een dodelijk letsel op te lopen (1% letaliteitsgrens), veroorzaakt door een ongeval met het vervoer van GF3stoffen over de A67. Bij het bepalen van de hoogte van het groepsrisico is bepaald hoeveel personen zich binnen dit invloedgebied bevinden, zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie met inbegrip van de voorgenomen planontwikkeling. Het berekende groepsrisico staat weergeven in de grafiek van figuur 16. Daarbij staat het aantal potentiële slachtoffers binnen het invloedgebied (N) op de horizontale as aangegeven en dit wordt afgezet tegen de jaarlijkse kans op een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen (f), op de verticale as. De oriëntatiewaarde wordt gevormd door het roze vlak.
Uit deze figuur volgt dat de overlijdenskans in het plangebied (groene curve) als gevolg van een ongeval met vervoer gevaarlijke stoffen op de A67 zich ruim onder het niveau van de oriëntatiewaarde bevindt. De normwaarde, de berekende maximale waarde van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, bedraagt zowel in de huidige als in de toekomstige situatie 0,00123/jaar. Dit is ruim 13
Externe veiligheid weg uitbreiding Traffic Port Venlo, Kragten, Herten, 21 september 2020
34
lager dan de oriëntatiewaarde. Er vindt geen rekenkundige toename plaats van de hoogte van het GR als gevolg van de planontwikkeling. Daarmee vormt het groepsrisico geen belemmering voor de planontwikkeling. Aangezien de hoogte van het GR niet toeneemt, geldt dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoordingsplicht, waarin de risico's als gevolg van vervoer gevaarlijke stoffen over de A67 dienen te worden meegenomen. Figuur 16: Berekende fN-curve groepsrisico
Oriëntatiewaarde GR
Verantwoordingsplicht 14 Er is voor de planontwikkeling een beperkte verantwoordingsrapportage opgesteld . Het bestemmingsplan, het onderzoek en de verantwoordingsrapportage voor het groepsrisico zijn door de gemeente Peel en Maas voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord-Limburg. De Veiligheidsregio heeft advies uitgebracht. Dit advies is als bijlage toegevoegd bij de verantwoordingsrapportage. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag, de gemeente Peel en Maas. In de verantwoordingsrapportage wordt twee aspecten beschouwd: bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bij beide aspecten wordt rekening gehouden met een tweetal scenario's die kunnen optreden als gevolg van een ongeval met vervoer gevaarlijke stoffen buiten het plangebied: het toxisch scenario (vrijkomende wolk met giftige stoffen die naar het plangebied drijft) en het BLEVE-scenario (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie, waardoor een vuurbal vrijkomt die een drukgolf en een intense warmtestraling veroorzaakt). Hieronder volgt de verantwoording, waarin het advies van de Veiligheidsregio Noord-Limburg is verwerkt. Bestrijbaarheid Bestrijdbaarheid gaat over de mogelijkheden tot voorbereiding, bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of een zwaar ongeval met vervoer gevaarlijke stoffen.
Dit afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, van de aanwezigheid van voldoende en adequate wegen om het plangebied en de risicobron te kunnen bereiken, van voldoende en adequate bluswatervoorzieningen ter plaatse en de bijbehorende uitruk- en aanrijdtijden. Bij een toxisch scenario kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen met water. Hiertoe dienen bij de risicobron voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig te zijn en de bereikbaarheid van risicobron is hierbij ook maatgevend. In een BLEV-scenario, wordt onderscheid gemaakt in een koude en warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen, bij een warme BLEVE 14
Verantwoording groepsrisico uitbreiding Traffic Port, Venlo, Kragten, Herten, 19 november 2020
35
explodeert de tank als gevolg van een brandhaard. Voor een koude BLEVE zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding is daarom gericht op de secundaire brandhaarden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient de aangestraalde tankwagen op de A67 tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn. LPG-tankwagens dienen te beschikken over hitte werende bekleding, die ervoor zorgt dat het tenminste 75 minuten duurt voordat een warme BLEVE kan plaatsvinden. Hierdoor heeft de brandweer meer tijd om de brand te bestrijden en de omgeving te waarschuwen. De Veiligheidsregio adviseert twee extra bluswaterputten te slaan langs de Olivier van Noortweg, die zowel functioneel zijn voor de ongevalsbestrijding als ook voor een eventuele gebouwenbrand. De bereikbaar en opkomsttijd van de brandweer naar de ongevalslocatie valt binnen de wettelijke norm. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid betreft het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder de daadwerkelijke inzet van hulpverleningsdiensten. Daarbij gaat het hoofdzakelijk om het kunnen schuilen en ontvluchten.
Binnen het plangebied, waar een warehouse wordt opgericht, geldt het uitgangspunt dat de aanwezige personen (werknemers, bezoekers) zich in beginsel zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. In geval van het toxische scenario kan het beste inpandig worden geschuild. Daarbij is het van belang dat ramen, deuren en ventilatievoorzieningen met één handeling kunnen worden gesloten. Mechanische ventilatiesystemen moeten door middel van een noodknop direct kunnen worden uitgeschakeld. Evacuatie wordt pas in gang gezet als de situatie dat toelaat. De aanwezige wegenstructuur is zodanig dat er voldoende mogelijkheden zijn om haaks op de toxische wolk te kunnen vluchten. Bij een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt, waarbij de vluchttijd erg kort is. Vroegtijdige alarmering is van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen onder begeleiding veilig kunnen vluchten, via de (nood)uitgangen en vluchtroutes, zoveel mogelijk loodrecht van de A67 af. Daarbij worden de vluchtende personen afgeschermd door het bedrijfsgebouw. Om dit goed te laten verlopen is van belang dat waarschuwings- en alarmeringssystemen aanwezig zijn, dat er aan risicocommunicatie wordt gedaan, een ontruimingsplan is opgesteld in samenspraak met de brandweer en dat er regelmatig ontruimingsoefeningen worden gedaan.
De Veiligheidsregio adviseert in dit kader onder andere enkele maatregelen aan de beglazing, ventilatie en vluchtroutes van het gebouw en goede risicocommunicatie. Tot slot wordt nog extra aandacht gevraagd voor de juiste plaatsing van zonnepanelen op het dak. Conclusie Externe veiligheidsrisico’s vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Vanuit externe veiligheid is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.10 Luchtvaart Voor de planontwikkeling speelt het luchtvaartverkeer een belangrijke rol. Zo bevindt het plangebied zich enerzijds in het militaire laagvlieggebied De Peel (GLV-VIII, zie figuur 17), zoals vastgelegd in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen en anderzijds in de vliegfunnel van het naast gelegen terrein TrafficPort, zoals vastgelegd in de luchthavenregeling TrafficPort van de provincie Limburg. Beide vlieggebieden leggen beperkingen op aan toegestane bouwhoogtes. Toetsing Laagvlieggebied In het SMT worden geen maximale bouwhoogtes gekoppeld aan een laagvlieggebied. In de AMvB Ruimte wordt een klein deel van de militaire gebieden en objecten begrensd. Militaire objecten dienen een militaire bestemming te krijgen en de opgenomen bestemmingen en gebruiksregels mogen geen belemmering vormen voor de functionele bruikbaarheid van het object en de uitoefening van de defensietaak.
Daarnaast gelden er militaire laagvliegroutes, evenals laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen. Uitsluitend onder laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen geldt een bouwbeperking. Een laagvliegroute is als zodanig aangewezen krachtens artikel 45 van het Luchtverkeersreglement met inbegrip van een strook van 1852 meter aan beide zijden van de krachtens het Luchtverkeersreglement aangegeven middenlijn van de laagvliegroute die tezamen de totale breedte van de laagvliegroute van 3704 meter heeft. 36
Op deze route mag op een hoogte van 75 meter worden gevlogen. Dat betekent dat onder deze route niet hoger mag worden gebouwd dan 40 meter. Onder de andere laagvliegroutes en onder de laagvlieggebieden voor helikopters gelden geen bouwbeperkingen. Het plangebied ligt binnen het laagvlieggebied De Peel. De maximale bouwhoogte in het plangebied bedraagt 15 meter, met een afwijkingsmogelijkheid tot 30 meter en voldoet daarmee aan de gestelde randvoorwaarde van 40 meter vanuit het laagvlieggebied. Figuur 17: Afbakening militair laagvlieggebied GLV VIII
Plangebied
Traffic Port Op Traffic Port wordt een luchthaven geëxploiteerd. De provinciale Luchthavenregeling 'luchtvaartterrein Traffic Port Venlo' is hiervoor van kracht. De luchthaven is bestemd voor het gebruik door Micro Light Airplanes (MLA), alsmede naar hun aard en invloed op de omgeving vergelijkbare lichte luchtvaartuigen. Denk daarbij aan bijvoorbeeld drones. De luchthaven mag ook worden gebruikt voor helikoptervluchten van de Luchtvaartpolitie of andere helikoptervluchten die in opdracht van de overheid worden uitgevoerd in het kader van de openbare orde, veiligheid of gezondheid. De in- en uitvliegsectoren dienen vrij te van obstakels te zijn. Deze vliegverkeerzone legt beperkingen op aan bouwhoogtes op en rondom het plangebied. Door verandering in wet- en regelgeving is het een aantal jaar niet meer mogelijk om op Traffic Port met MLA's te vliegen, wel met de andere toegestane luchtvaartuigen. Traffic Port zal - in overleg met de provincie Limburg - de Luchthavenregeling in zijn geheel intrekken en daarmee alle vliegenbewegingen op, van en naar Traffic Port beëindigen nadat het bestemmingsplan voor de uitbreiding van Traffic Port onherroepelijk is. In dat geval gelden geen bouwhoogtebeperkingen meer voor het plangebied.
In de regels van het onderhavige bestemmingsplan is daartoe de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat in het plangebied pas mag worden gebouwd als de Luchthavenregeling van de luchthaven Traffic Port niet meer van kracht is. Conclusie Vanuit de luchtvaart treden geen belemmeringen op voor de planontwikkeling. Vanuit luchtvaartbelangen is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
37
5.11 Beknopte m.e.r. beoordeling Initiatiefnemer TPOG BV heeft, volgens de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling, een 15 aanmeldingsnotitie verstuurd naar het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas . In de aanmeldingsnotitie zijn de milieueffecten beschreven conform de selectiecriteria van bijlage III van de Europese Richtlijn m.e.r. 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' (2014/52/EU). Op basis van deze resultaten, waaruit blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is. Hieronder staan de te beoordelen selectiecriteria opgesomd, gevolgd door de beoordeling per criterium. 1. Kenmerken van het project a. de omvang en het ontwerp van het gehele project; b. de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. het risico van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; g.
de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2. Plaats van de activiteit a. het bestaande en goedgekeurde landgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i. wetlands, oeverformaties, riviermondingen; ii. kustgebieden en het mariene milieu; iii. berg- en bosgebieden; iv. natuurreservaten en -parken; v. gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; vi. gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als nietnagekomen; vii. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; viii. landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. Soort en kenmerken van de gevolgen van de activiteit a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b.
de aard van het effect; c. het grensoverschrijdend karakter van het effect; d. de intensiteit en de complexiteit van het effect; e. de waarschijnlijkheid van het effect; f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h. de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen 15
Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling t.b.v. partiële herziening bestemmingsplan Traffic Port, Olivier van Noortweg 1 te Maasbree, Peel en Maas, 28 april 2020
38
Toetsing 1. Kenmerken van het project a. Omvang en ontwerp project Het plangebied is thans een braakliggende kavel, gelegen tussen andere logistieke bedrijfsterreinen en de A67. Het plangebied heeft een oppervlakte van 6,5 hectare. Daarvan mag 80% worden bebouwd ten behoeve van een (te compartimenteren) warehouse. De maximale hoogte van het gebouw mag 15 meter bedragen. De resterende 20% is buitenterrein, dat wordt ingericht voor parkeren, de interne ontsluitingsstructuur, water- en groenvoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande Olivier van Noortweg op Traffic Port. Figuur 3 geeft een impressie van de voorgenomen inrichting van deze bedrijfskavel. b. Cumulatie met andere projecten Er zijn geen andere projecten in de omgeving waarmee een cumulatief effect optreedt. c. Gebruik natuurlijke hulpbronnen Voor de exploitatie van de voorgenomen activiteit wordt geen gebruik wordt gemaakt van zoveel mogelijk natuurlijke hulpbronnen. Zo worden op het dak van het warehouse zonnepanelen geplaatst voor de productie van zonne-energie dat aangewend wordt voor diverse bedrijfsdoeleinden. Warmtepompen zorgen op een milieuvriendelijke wijze voor de klimaatbeheersing in het gebouw. d. Productie van afvalstoffen De activiteit produceert geen afvalstoffen, behoudens het reguliere afval bij bedrijfsactiviteiten.
In dat geval dient te worden voldaan aan de daarvoor geldende milieuwetgeving. e. Verontreiniging en hinder De activiteit vindt buiten het stedelijk gebied plaats, op een braakliggende kavel omringd door andere bedrijfsterreinen en de A67. De activiteit dient te allen tijde te voldoen aan de vigerende wet- en regelgeving, ook op gebied van milieu. Dit betekent dat de voorgenomen activiteit niet de geldende milieunormen en waarden mag overschrijden, waardoor geen belangrijke negatieve effecten optreden ten aanzien van de criteria verontreiniging en hinder. Specifiek voor de voorgenomen ontwikkeling zijn in het kader van de bestemmingsplanwijziging een groot aantal milieuonderzoeken uitgevoerd waaruit blijkt dat geen verontreinigingen en of zwaarwegende hindereffecten optreden. De belangrijkste conclusies daarvan luiden als volgt. Verontreiniging • Bodem: de huidige bodemkwaliteit levert geen belemmering op voor de voorgenomen activiteit. • Water: er wordt op een duurzame wijze met water omgegaan. Hemelwater wordt opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein door middel van een wadi. Afvalwater wordt afgevoerd via de riolering. Hinder • Milieuzonering: er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden uit de VNG-brochure 'Handreiking bedrijven en milieuzonering'. Het woon- en leefklimaat in de omgeving wordt niet negatief beïnvloed door de voorgenomen activiteit.
• Geluid: er is geen sprake van een toevoeging van een geluidsgevoelige activiteit. Burger- en bedrijfswoningen liggen op ruime afstand van het plangebied. Ook de extra verkeersaantrekkende werking door de voorgenomen activiteit leidt niet tot extra wegverkeerslawaai, omdat dit verkeer wordt afgewikkeld via het wegennet op Trade Port West, de provinciale weg N556 en de A67. • Luchtkwaliteit: het luchtkwaliteitsonderzoek heeft uitgewezen dat de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. • Externe veiligheid: in het plangebied wordt niet gewerkt met opslag, bewerking of vervoer van dergelijke gevaarlijke stoffen. Daarnaast staat vast dat het plangebied niet in het invloedsgebied ligt van een risicovolle inrichting of van vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico vormen beide geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.
39
•
Flora en fauna: er treden geen nadelige effecten op voor beschermde flora- en faunasoorten. Het plangebied ligt ook niet in of nabij beschermde natuurgebieden. Onderzoek wijst uit dat stikstofdepositie vanwege de voorgenomen activiteit geen nadelig effect heeft op de Natura2000gebieden.
f. Risico zware ongevallen Er is geen sprake van een risicovolle activiteit die kan leiden tot zware ongevallen. Het plangebied ligt ook buiten de risicocontouren van vervoer gevaarlijke stoffen en/of inrichtingen waar met gevaarlijk stoffen wordt gewerkt, waardoor zware ongevallen in het plangebied vanwege externe invloeden zijn uit te sluiten. g. Risico's menselijke gezondheid De voorgenomen activiteit leidt niet tot risico's voor de menselijke gezondheid. De luchtkwaliteit wordt niet in betekenende mate beïnvloed door de voorgenomen activiteit. 2. Plaats van de activiteit a. Landgebruik in het plangebied Voor het huidige en toekomstige grondgebruik wordt verwezen naar de beschrijving in hoofdstuk 2. b. Natuurlijke hulpbronnen in het gebied De locatie heeft geen bijzonder rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen, het grondgebruik is grasland. c. Opnamevermogen natuurlijke milieu Het plangebied ligt niet in of nabij een beschermd natuurgebied, een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, waterbergings- of drinkwaterwinningsgebied, noch gebieden die zijn beschermd op basis van landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden. 3. Soort en kenmerken van de gevolgen van de activiteit a. Bereik effecten Er is geen sprake van negatieve effecten die ver buiten het plangebied reiken.
Vanuit milieuzonering geldt een maximale hindereffect-afstand van 50 meter vanaf de grens van het plangebied, met name veroorzaakt door geluidseffecten. Binnen deze afstand bevinden zich geen gevoelige functies. De dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning bevindt zich op 350 meter afstand, de dichtstbijzijnde 'goudgroene natuurzone' (voorheen EHS) op 1,2 kilometer, de Natura2000-gebieden 'Maasduinen' en 'Deurnse Peel en Mariapeel' op 9 kilometer. b. Aard effecten De activiteit is dermate kleinschalig dat geen nadelige effecten optreden op het heersende woon- en leefklimaat, noch op beschermde natuurwaarden of andersoortige gevoelige en/of beschermde gebieden. c. Grensoverschrijdende effecten Er treedt geen grensoverschrijdend effect op. d. Intensiteit en complexiteit effecten Er treden geen nadelige omgevingseffecten op die te kenmerken zijn als intensief en/of complex. e. Waarschijnlijkheid effecten Er zijn diverse onderzoeken verricht, waarbij de aard en omvang van de effecten zoveel mogelijk zijn berekend met hulp van gevalideerde en geaccepteerde prognosemodellen. f. Tijdsduur en frequentie effecten Alle effecten hebben een permanent karakter. Voor een aantal effecten is ook het tijdelijk effect berekend. g. Cumulatie van effecten Er treedt geen cumulatie van effecten op.
40
h. Vermindering effecten De optredende effecten zijn beperkt qua aard en omvang en niet zodanig dat de noodzaak bestaat om mitigerende en/of compenserende maatregelen te treffen. Conclusie Op basis van de uitgevoerde beoordeling en rekening houdend met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat, rekening houdend met (1) de kenmerken van de activiteit, (2) de plaats van de activiteit en (3) het soort en de kenmerken van de gevolgen van de activiteit, er sprake is van kleinschalige activiteit waarbij er geen significant nadelige milieueffecten optreden waardoor het opstellen van een milieueffectrapport en het doorlopen van een m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is.
41
6.
UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid Omdat het bestemmingsplan het oprichten van een bedrijfsgebouw met een bruto-vloeroppervlak groter dan 2 1.000 m mogelijk maakt, is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Omdat de ontwikkeling een particulier initiatief is, waarbij de investeringen en financiële risico's volledig voor rekening zijn van de initiatiefnemer, is het opstellen van een exploitatieplan en exploitatieovereenkomst niet aan de orde. De investeringen worden gedekt uit de exploitatie van het project. De gemeentelijke kosten voor de ambtelijke ondersteuning bij de herziening van het bestemmingsplan moeten, op grond van de Grondexploitatiewet, worden verhaald via een anterieure overeenkomst. Deze overeenkomst dient gesloten te zijn voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. De kosten voor de te verlenen omgevingsvergunningen worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in de schade, als bedoeld in artikel 6.1 Wro (planschade), wordt een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De gemeente draagt ook anderszins geen financieel risico bij de ontwikkeling van dit plan. In verband met de realisatie van het plan zijn er geen kosten verbonden aan de gemeentelijke grondexploitatie.
Er hoeft derhalve geen exploitatieplan te worden vastgesteld, omdat het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins is verzekerd. Het plan wordt derhalve economisch uitvoerbaar geacht. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Algemeen Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zien. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Vormvrije m.e.r. beoordeling Initiatiefnemer TPOG BV heeft in het kader van de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling de aanmeldingsnotitie verstuurd naar het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas. Die maakt ook onderdeel uit van het bestemmingsplan. Daarop heeft het college een besluit genomen. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het college van burgemeester en wethouders overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken overheden. Met het Waterschap Limburg is in het kader van de watertoets overleg gepleegd over de te treffen infiltratievoorziening. Overleg met andere mede-overheden is voor dit bestemmingsplan niet aan de orde.
Ontwerp bestemmingsplan In het kader van artikel 3.8 Wro heeft het ontwerp bestemmingsplan van 22 april tot en met 3 juni 2021 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad van Peel en Maas. Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend. Vaststelling bestemmingsplan De ingediende zienswijze is beantwoord in de Nota Zienswijzen. Die nota is als bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan. In de nota staan ook de ambtshalve wijzigingen aangegeven. Alleen in de toelichting van het vast te stellen bestemmingsplan is een aantal ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Het gewijzigde bestemmingsplan is voorgelegd aan de gemeenteraad van Peel en Maas ter vaststelling.
42
Beroepsprocedure Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt het bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage. Dan kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt in werking op de dag nadat de beroepstermijn van 6 weken is afgelopen, tenzij, vanwege onverwijlde spoed, ook een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend. In dat geval wordt de inwerkingtreding opgeschort totdat op het verzoek wordt beslist.
43
7.
JURIDISCHE PLANOPZET
7.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, waarin het planvoornemen staat toegelicht en de daaraan ten grondslag liggende beleidsmatige afwegingen zijn verwoord en uit de juridisch bindende regels en verbeelding. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en daarop betrekking hebbende regels de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die aangeven welke welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en toegestaan gebruik van bouwwerken en onbebouwde grond. De juridische regeling is opgebouwd conform de SVBP 2012. De indeling van de regels is hieronder beknopt weergegeven. 7.2 Opzet van de regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels (art. 1 en 2) Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. Artikel 1 bevat de definities van begrippen die van belang zijn voor toepassing van het plan. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij toepassing van de regels wordt gemeten. In beide artikelen is, conform de SVBP2012, een aantal standaardbegrippen en een aantal standaard meetwijzen opgenomen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels (art.
3 en 4) In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied beoogde bestemmingen en functies. De bestemmingsregels van een bestemmingsplan bevatten regels omtrent bouwmogelijkheden en het gebruik van de in het plan begrepen gronden en bebouwing. Het onderhavige bestemmingsplan kent de enkelbestemming 'Bedrijventerrein' (artikel 3) en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen' (artikel 4). In de betreffende bestemmingsomschrijving is aangegeven welke functies zijn toegestaan. In de bouw- en gebruiksregels wordt aangegeven welke bebouwing mogelijk is en welk gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval niet is toegestaan. Voor de bestemming 'Bedrijventerrein' geldt dat burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen aan onder andere de situering van gebouwen en de inrichting van gronden. Daarnaast zijn voor een aantal gevallen flexibiliteitsregels opgenomen, in de vorm van een afwijkingsmogelijkheid voor het bevoegd gezag om van de bouw- en gebruiksregels te kunnen afwijken. Bij de bestemming 'Bedrijventerrein' is voorts een tweetal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, te weten een ten aanzien van de bouwregels en de ander ten aanzien van de landschappelijke inpassing. Door middel van een omgevingsvergunningstelsel worden verder regels gesteld aan de uitvoering van (grond)werken, geen bouwwerken zijnde en van (grond)werkzaamheden.
Hoofdstuk 3 Algemene regels (art. 5 t/m 9) Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels (deels ingegeven door de verplichting vanuit paragraaf 3.2 van het Bro deze bepalingen op te nemen in ieder bestemmingsplan): • een anti-dubbeltelregel: deze regel zorgt er voor dat gronden niet dubbel worden meegerekend bij het toestaan van bouwplannen; • algemene aanduidingsregels: de 'vrijwaringszone - weg' die van toepassing is vanwege de ligging nabij de A67; • algemene afwijkingsregels: hierin wordt bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bouwregels van het bestemmingsplan; • algemene wijzigingsregels: hierin wordt bepaald onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders bevoegd zijn de grenzen van het plan te wijzigen; • wettelijke regels: regels zoals die gelden ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan.
44
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels (art. 10 en 11) In dit hoofdstuk is het overgangsrecht bepaald ten aanzien van (strijdige) bouwwerken die op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in het plangebied aanwezig zijn alsmede van het (strijdige) gebruik dat bestond op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. Dit overgangsrecht komt voort uit artikel 3.2.1 van het Bro en is een verplicht onderdeel van de regels. In de slotregel wordt aangegeven onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
45