CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-044 07 Bijlage 4 Archeologisch onderzoek.pdf

Raad 6 juli 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Paardenhouderij Op den Bosch 5a te Baarlo” (2021-044)17.257 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK OP DEN BOSCH 5A TE BAARLO GEMEENTE PEEL EN MAAS

archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Op den Bosch 5a te Baarlo Opdrachtgever

Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed Spoorweg 4 5963 NJ Horst

Rapportnummer

13901.001

Versienummer1

2

Datum

6 januari 2021

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

Dhr. drs. A.H. Schutte

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Dhr. drs. M. Stiekema

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

13901.001

Toponiem

Op den Bosch 5a

Opdrachtgever

Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed

Gemeente

Peel en Maas

Plaats

Baarlo

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Maasbree, sectie D nummers 350 (ged.), 463 (ged.) en 1120 (ged.)

Omvang plangebied

circa 9.500 m2

Kaartblad

58 E (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

Noordwestelijk deel: X: 202.397/Y: 370.284 Zuidoostelijk deel: X: 202.540/Y: 370.278

Bevoegde overheid

Gemeente Peel en Maas Wilhelminaplein 1 5981 CC Panningen

T: 077-306 66 66 E: info@peelenmaas.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

ArchAeO drs. F. P. Kortlang Rapelenburglaan 9 5654 AP Eindhoven

T: 040-2519270 M: 06-22505236 E: advies@archaeo.nl W: www.archaeo.nl

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

4918818100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg

Uitvoerders

Econsultancy, dhr. drs. A.H. Schutte en dhr. drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed in oktobernovember 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Op den Bosch 5a te Baarlo in de gemeente Peel en Maas. In het plangebied zal een nieuwe rijhal met paardenstallen en huisvesting voor ruiters/grooms worden gebouwd en de bestaande infiltratievoorziening voor hemelwater zal vergroot worden. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Gezien de ligging van het plangebied op een dalvlakteterras redelijk ver verwijderd (circa 180 meter) van een gradiëntsituatie heeft het plangebied een lage verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. De landschappelijke ligging maken het plangebied een geschikte locatie voor agrarische activiteiten en de verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen is daarom hoog. Op basis van het historisch kaartmateriaal krijgt het plangebied een middelhoge verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

Het plangebied was geschikt voor bewoning maar het lijkt erop dat bewoning zich meer op de huidige weg Op den Bosch is georiënteerd. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw komt in het gehele plangebied niet overeen met de verwachting. Onder verstoorde lagen bevinden zich of wel dekzandafzetting danwel Maasafzettingen. De diepte van de verstoringen varieert in het plangebied en het is niet uit te sluiten dat in de minder verstoorde delen nog archeologische waarden aanwezig zijn. Voor het noordwestelijk deel van het plangebied geldt echter dat tussen de boringen en het profielputje al een grote wadi ligt. Door deze grote verstoring zullen de eventueel aanwezige archeologische waarden niet behoudenswaardig zijn (verband zal ontbreken). De gespecificeerde archeologische verwachting voor het noordwestelijk deel van het plangebied, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, wordt hierdoor bijgesteld naar

Rapport 13901.001 versie 2

laag voor alle perioden. Wat betreft het zuidoostelijk deel van het plangebied geldt hetzelfde voor de locaties bij boringen 3, 5 en 6. Alleen bij boring 4 en profielputje 8 zijn in principe in de top van de Maasafzettingen archeologische sporen te verwachten, maar de vraag is hoeveel er is afgegraven. Waarschijnlijk dermate veel dat archeologische waarden niet meer te verwachten zijn. Conclusie Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing en twee wadi’s op delen van de locatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Peel en Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).

2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 13901.001 versie 2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 15 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 13 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 15

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 15 Methoden ........................................................................................................................ 15 Resultaten ....................................................................................................................... 16 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 17

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 17

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 19 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20

Rapport 13901.001 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart Foto’s wadi.

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen

Rapport 13901.001 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Op den Bosch 5a te Baarlo in de gemeente Peel en Maas (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe rijhal voor paarden te bouwen met paardenstallen en huisvesting ruiters/grooms en de bestaande infiltratievoorziening voor hemelwater te vergroten. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in oktober-november 2020 door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:    

3

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04);

SIKB.

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 1 van 20

opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Peel en Maas; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1000 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 9.500 m2, betreft twee delen en ligt aan de Op den Bosch 5a, ongeveer 1,7 kilometer ten zuidwesten van de kern van Baarlo in de gemeente Peel en Maas (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich in het noordwestelijke deel op een hoogte van circa 27,7 m NAP en in het zuidoostelijke deel op een hoogte van circa 26,9 m NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Maasbree, sectie D nummers 350 (ged.), 463 (ged.) en 1120 (ged.) (het noordwestelijke deel) en alleen 463 (ged.) (het zuidoostelijke deel).

Volgens de topografische kaart van Nederland, 58E (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het noordwestelijk deel van het plangebied: X: 202.397/Y: 370.284 en van het midden van het zuidoostelijk deel: X: 202.540/Y: 370.278 Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. De onderzoekslocaties zijn deels bebouwd, deels in gebruik als infiltratievoorziening en grasland en deels voorzien van bomen (zie figuur 3). De eigenaar/gebruiker is ES Equestrian Team Holding BV. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor 4

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 2 van 20

het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas (vastgesteld 24-122014). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een waarde archeologie 6. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld.5 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Peel en Maas. Volgens de beleidskaart uit 2015 (Figuur 4) ligt de zuidoostelijke locatie in een gebied met waarde archeologie 4, hoge archeologische verwachting, en de noordwestelijke locatie in een gebied met waarde archeologie 5, middelhoge archeologische verwachting. 6 Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering).

Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied een verwijzing opgeleverd naar het ondergrondportaal van de provincie Limburg.7 Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het ondergrondportaal van de provincie Limburg geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd.8 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het zuidoostelijk deel van het plangebied is de realisatie van een nieuwe rijhal voor paarden, met paardenstallen en huisvesting voor ruiters/grooms gepland. In het noordwestelijk deel van het plangebied is men voornemens de bestaande infiltratievoorziening voor hemelwater te vergroten. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de geplande ingrepen is onbekend. De toekomstige gebruiker wordt de opdrachtgever ES Equestrian Team Holding BV. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen.

5

Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Suer & Van Dijk, 2012. 7 Bodemloket. 8 Ondergrondportaal. 6

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 3 van 20

De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie9

Formatie van Beegden; rivierzand en –grind (Be3)

Maasterrassen10 Geomorfologie

11

Maasterras met de datering Laat-Weichselien tot Laat-Pleniglaciaal Dalvlakteterras, bedekt met dekzand, zwak golvend (3E11)

Bodemkunde12

Noordwestelijke deel: Duinvaaggronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Zd21) Zuidoostelijk deel: Hoge bruine enkeerdgronden; lemig fijn zand (bEZ23)

Grondwatertrap

VII

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met afzettingen van de Formatie van Beegden; rivierzand en –grind (Be3) aan het oppervlak. Het terrassenlandschap langs de Maas is ontstaan gedurende de verschillende koude en warme perioden van het Kwartair. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meanderen, waarbij de rivier zich concentreerde in één geul en er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden werden afgezet. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere lager.13 Vanaf hun ontstaan zijn de Maasterrassen aantrekkelijk geweest voor de mens. In eerste instantie voor tijdelijke kampementen van jagers en verzamelaars en later voor permanente agrarische nederzettingen. Mensen vestigden zich op de hoogste delen van het terras, met name op oeverwallen en rivierduintjes. Het plangebied ligt op een terras dat is ontstaan gedurende het Weichselien-Pleniglaciaal (circa 14.500-73.000 BP).

Ongeveer 500 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich de overgang naar het jongere Jonge Dryas terras (circa 10.950 - 10.150 BP).14 Gedurende het einde van het Laat-Weichselien en het Vroeg-Holoceen stond de droogvallende verwilderde terrasvlakte bloot aan winderosie. Hierdoor zijn er plaatselijk rivierduinen of een dekzanddek afgezet op de Maasterrassen. Veel rivierduingebieden zijn vanaf de Middeleeuwen opnieuw gaan stuiven door overbegrazing en houtkap. De rivierduinen kunnen daarom (lokaal) zijn afgedekt door stuifzandpakketten tot enkele meters dik.15 DINO16 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de

9

De Mulder et al., 2003. Van den Berg, 1996. 11 Altera, 2003. 12 Stichting voor Bodemkartering, 1968. 13 Berendsen, 2008/De Mulder et al., 2003. 14 Van den Berg, 1996. 15 Berendsen, 2008. 16 Dinoloket. 10

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 4 van 20

diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.17 Hieruit blijkt dat de ondergrond ongeveer 400 meter ten zuidoosten van het plangebied bestaat uit siltig zand, de eerste 1,2 meter fijn en daaronder tot 4,5 meter onder maaiveld matig fijn. Van 4,5 tot 4,8 meter onder maaiveld ligt sterk zandige leem. Hieronder ligt weer een 1,5 meter dik dek matig fijn matig siltig zand met daaronder wederom sterk zandige leem op fijn tot matig fijn matig siltig zand. Ongeveer 430 meter ten noordwesten van het plangebied bestaat de ondergrond vanaf het maaiveld uit zeer fijn siltig zand. Op 2,5 tot 3,75 meter onder maaiveld ligt een pakket sterk zandige leem. Hieronder komt weer zeer fijn tot matig fijn siltig zand voor. Al deze afzettingen kunnen worden toegeschreven aan de Formatie van Beegden (al dan niet verstoven). Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer.

Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied ligt het plangebied op een dalvlakteterras bedekt met dekzand dat relatief laag gelegen is (3E11) (zie figuur 5). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)18 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een vlak terras. Dit gebied ligt lager dan het nabij gelegen duingebied ten (noord-) westen van het plangebied. Het hoogteverschil is ongeveer 3 meter. Ongeveer 180 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een lager gelegen dal dat is gevormd door een beek (zie figuur 6). Binnen het plangebied ligt het zuidoostelijk deel aanmerkelijk lager, ongeveer een meter t.o.v. de westelijke percelen en 50 centimeter t.o.v. de zuidelijke percelen en lijkt te zijn uitgegraven. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het noordwestelijke deel van het plangebied gekarteerd als duinvaaggronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Zd21) en het zuidoostelijk deel als hoge bruine enkeerdgronden; lemig fijn zand (bEZ23) (zie figuur 7). Duinvaaggronden zijn gronden met ijzerhuidjes op de zandkorrels.

In dit gebied komen ze voor als recente stuifzanden, opgewaaid uit rivierzand of dekzand. Kenmerkend voor deze gronden is het onrustige reliëf met koppen en ruggen, die soms zeer steil zijn. Sommige delen hebben geen vegetatie, andere hebben een min of meer natuurlijke vegetatie of zijn met grove den beplant. De onbegroeide koppen en ruggen hebben geen A1; op de begroeide gronden is soms een micropodzol gevormd, waarop een dunne laag bosstrooisel ligt. In dit gebied komen deze gronden alleen voor in leemarm en zwak lemig fijn zand. Het stuifzand is afkomstig van het omliggende dekzand. Vóór de bosaanplanting waren dit zogenaamde wandelende stuifduinen. Het materiaal is herhaalde malen over korte afstand verplaatst. Bij de gronden zonder vegetatie treedt thans nog verstuiving op.19 Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst 17

DINO boornummers B58E1448 & B58E1447. AHN. 19 Stichting voor Bodemkartering, 1968. 18

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 5 van 20

ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen.

De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.20 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling21

Tabel II. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige ingrepen maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed.

20 21

Doesburg et al., 2007. Locher & De Bakker, 1990.

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 6 van 20

2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).22 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1000 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden.

Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 23 AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied24 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).

Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen drie AMKterreinen op één dekzandrug zo’n 500 meter ten zuiden van het plangebied (zie bijlage 2 en figuur 8). Het betreffen meldingen van vondsten en sporen, crematiegraven, uit het Paleolithicum, Mesolithicum, Neolithicum, IJzertijd en Romeinse tijd. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 25 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in acht archeologische onderzoeken uitgevoerd. 26 Het gaat daarbij om bureauonder22

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Provinciaal Omgevingsplan Limburg. 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 25 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 26 Een aantal onderzoeken van lange tracés van tientallen kilometers zijn buiten beschouwing gelaten aangezien niet verwacht wordt dat deze relevante informatie voor het plangebied opleveren. 23

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 7 van 20

zoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) en proefsleufonderzoeken (zie bijlage 3 en figuur 8). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd, voor zover ingevoerd in Archis, laten zien dat na bureauonderzoeken en booronderzoeken voor een aantal terreinen een vervolgonderzoek is geadviseerd. Voor een aantal terreinen is dat ook uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Deze proefsleuvenonderzoeken hebben niet geleid tot opgravingen; in één geval vanwege een verstoorde bodemopbouw vanwege aspergeteelt. Van de andere drie proefsleuvenonderzoeken staan geen resultaten in Archis. De rapportage van deze onderzoeken is wel achterhaald en deze wordt hieronder besproken. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied27 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 41 vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd. Veel van deze vondsten concentreren zich op dekzandruggen en langs dalvormige laagtes. Ten noordoosten van het plangebied zijn echter vondstlocaties bekend op het dalvlakterras.

Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek is de publicatie geraadpleegd van e proefsleufonderzoeken die door RAAP zijn uitgevoerd in 2012 binnen het onderzoeksgebied in het kader van een groter project (aardgasleiding Odiliapeel-Melick).28 Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Ongeveer 300 meter ten zuidwesten van het plangebied, Op Den Bosch, ligt de dichtstbijzijnde door RAAP onderzochte locatie. Doordat langgerekte landschappelijke zones door het tracé van de aardgastransportleiding vrijwel in de dwarsrichting doorsneden worden ontstaat een goed beeld van de verschillende landschappelijke zones. In geomorfologisch opzicht doorsnijdt het onderzoeksgebied Baarlo-Op den Bosch een dekzandrug in het noordoosten, een dalvormige laagte (loop van de huidige Boschbeek) en een tweede rug in het zuidwesten. In het zuidoosten van het onderzoeksgebied loopt het maaiveld plotseling steil naar beneden richting de Maas. Binnen het bovenste pakket afzettingen bleek de lithologische samenstelling van de natuurlijke afzettingen nauwelijks te variëren. De afzettingen bestaan telkens uit zeer fijn (of uiterst fijn), matig siltig zand.

De zandkorrels worden naar onderen toe niet grover, grindiger, of minder afgerond. Op basis van de verzamelde waarnemingen is het dan ook niet vast te stellen of het dekzand (Formatie van Boxtel, laagpakket van Wierden) of rivierduinzand (Formatie van Boxtel, laagpakket van Delwijnen) betreft. De onderscheiden lagen zijn dan ook met name gebaseerd op de karakteristieken van natuurlijke en antropogene bodemhorizonten. Aan de hand van de gedocumenteerde profielen kan de bodemopbouw in het plangebied als volgt worden beschreven. In de noordelijke helft van het onderzoeksgebied bestaat de bodem tot circa 0,6 meter onder maaiveld onder de bouwvoor uit grijsbruin zand met een patroon van schuine, donkergrijze vlekken die in een hoek van ongeveer 45 graden liggen. Het gaat hier blijkbaar om een recent verploegde laag. Het vondstmateriaal (scherven en stenen) uit deze laag dateert uit de LateMiddeleeuwen en de Nieuwe tijd. Deze laag is op grond van deze kenmerken als een erploegd plaggendek geïnterpreteerd. Aan de basis van dit plaggendek is aan weerszijden van de Boschbeek een gebioturbeerde, grijze of bruingrijze laag aangetroffen. Deze laag is, evenals het bovenliggende plaggendek, sterk gevlekt. Aan de onderzijde is de laag soms scherp begrensd, maar duidelijk veel grijzer 27 28

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Zielman, 2015.

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 8 van 20

van kleur dan de bovenliggende laag. De laag is geïnterpreteerd als een fossiele cultuurlaag (oude akker), die op basis van het jongste vondstmateriaal ten vroegste in het begin van de Nieuwe tijd is gevormd. Vanaf circa 0,7 meter onder maaiveld bestaat de natuurlijke ondergrond uit lichtbruin zand (moderpodzol B-horizont). Het lichtgeelgrijze zand (C-horizont) ligt in het noorden van het gebied op circa 1 meter onder maaiveld. Ter hoogte van de Boschbeek is de ondergrond door de relatief lage ligging ten opzichte van het grondwater geheel ontijzerd (met mangaanconcreties). De zones langs de beek zijn daarentegen juist oranje gekleurd en bevatten ijzerconcreties. Het bodemprofiel ten zuiden van de Boschbeek is in een recent verleden tot circa 0,7 meter onder maaiveld verstoord als gevolg van diepwoelen. Hoewel de laagopbouw op sommige plaatsen grotendeels intact is (de bodem is namelijk niet gekeerd), is er wel sprake van woelbanen, waarover de grond over korte afstand horizontaal is verplaatst en waardoor de bodemlagen enigszins vermengd zijn. Naar het zuiden toe is er geen plaggendek meer aanwezig en ligt de bouwvoor (0,3-0,4 meter onder maaiveld) met een scherpe overgang op een vage B-horizont, een ijzerrijke C-horizont of een circa 10 centimeter dikke verploegde laag onder de bouwvoor.

Op de bodemkaart wordt deze bodem aangeduid als een vorstvaaggrond, dit wil zeggen een bodem met een zwak ontwikkeld bodemprofiel. Doordat bij een vorstvaaggrond een E-horizont en een goed ontwikkelde B-horizont ontbreken, kan de diepte van de verstoring ten opzichte van het oorspronkelijk maaiveld niet aan een profiel worden afgelezen. Het feit dat de C-horizont echter zeer dicht onder het maaiveld is waargenomen wijst erop dat het oorspronkelijke bodemprofiel in een recent verleden vermoedelijk ‘onthoofd’ is. De archeologische resten betreffen een huisplattegrond uit de Midden Bronstijd B, een graf uit de Vroeg-/Midden-Romeinse tijd en nederzettingssporen uit de Late-Middeleeuwen B. Verder zijn verspreid over het gebied vondsten gedaan uit de periode Laat Paleolithicum-Vroege Bronstijd. Deze vormen in het zuiden een vondstconcentratie. Bijbehorende sporen zijn hier echter niet gevonden. Ongeveer 840 meter ten noordwesten van het plangebied, Kesselse Bergen, ligt de tweede locatie De Kesselse Bergen is de naam van een noordoost-zuidwest georiënteerde stuifzandgordel, die momenteel bebost is. De ‘bergen’ in kwestie zijn stuifduinen die, afgewisseld met uitgestoven laagtes, een uitgestrekt en reliëfrijk gebied vormen. Op de noordwestelijke rand van de Kesselse Bergen, blijkt de dikte van het stuifzand te variëren tussen 0,5 en 1,2 m.

Het stuifzand rust op lichtgrijs zand met leemlaagjes. Dit pakket is geïnterpreteerde als (verspoeld) dekzand en is, in tegenstelling tot het stuifzand, ijzerrijk en compacter van samenstelling. De grens tussen het stuifzand en het onderliggende dekzand is erosief, wat erop duidt dat het oorspronkelijke bodemprofiel in het dekzand is weggeblazen alvorens te zijn afgedekt. Het stuifzand vormt geen homogeen pakket: in de gedocumenteerde kolomprofielen waren diverse (pakketten) stuiflagen zichtbaar. Op basis van de opbouw van de stuiflagen zijn drie stuiffasen onderscheiden. De oudste fase betreft vuil, lichtbruingrijs, zeer fijn zand met leemlaagjes, afgedekt door een humeus bandje. Het humeuze bandje is een aanwijzing dat het stuifzand enige tijd aan het maaiveld heeft gelegen, waardoor humus zich kon ophopen, voordat het met het volgende stuifzandpakket werd afgedekt. De tweede fase is een relatief schone laag lichtgeelgrijs, zeer fijn zand met enkele humuslaagjes, waarschijnlijk verwaaid C-materiaal. In het zuidelijke deel van de vindplaats ligt een derde stuifzandpakket dat is opgebouwd uit een vuil lichtgrijs zand met veel humuslagen. Dit betekent dat dit pakket gedurende de verstuiving tijdelijk aan het maaiveld heeft gelegen, waarop zich een vegetatie kon ontwikkelen en humus zich kon ophopen.

Dit duidt dus op een stilstandsfase in de verstuiving, waarin de vegetatie zich kon herstellen. De beginen einddateringen van het stuifzand zijn onbekend. Aangezien bodemvorming in het stuifzand ontbreekt, ligt de aanvangsdatering voor het stuifzandpakket waarschijnlijk in de Nieuwe tijd. De bodem is, als gevolg van bosbouwwerkzaamheden, tot circa 0,5 meter onder maaiveld niet meer intact. In overeenstemming met de resultaten van het booronderzoek is onder het stuifzandpakket in het uiterste noorden een intacte humuspodzolbodem aanwezig. In het zuidelijke deel is de oorspronkelijke bodem afgestoven tot in de C-horizont. De C-horizont kenmerkt zich door roestvlekken, wat duidt op een grondwaterfluctuatiezone. Dit betekent dat de wind de bodem hier tot aan het grondwaterniveau heeft uitgestoven.

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 9 van 20

De archeologische grondsporen beperken zich tot indrukken (karrensporen en hoefindrukken) op de grens tussen het stuifzand en de C-horizont. De archeologische sporen bestaan uit karrensporen en hoefindrukken, waarschijnlijk uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd. Aan vondstmateriaal zijn er vier fragmenten vuursteen aangetroffen waarvan er twee in het Mesolithicum en twee in de periode Laat-Neolithicum B – Vroege-Bronstijd gedateerd zijn. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Baarlo In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Baarlo is ontstaan op de grens van het lage Maasterras en een hoger gelegen dekzandgebied (de Peelhorst). Uit archeologische vondsten is gebleken dat Baarlo al een lange geschiedenis kent. Een belangrijke Romeinse heerbaan lag aan de westzijde van de Maas. Deze kwam uit de richting van Cuyk en liep over Blerick, Heel en Maaseik naar Maastricht. Ook in Baarlo hebben de Romeinen sporen achtergelaten.

Mogelijk bestond er een relatie met de nabij gelegen Romeinse villa in Hout-Blerick die seizoenarbeiders betrok uit omliggende nederzettingen. De Romeinse nederzettingen in deze streek bereikten hun grootste omvang in de 2e eeuw. Vanaf de 3e en 4e eeuw raakte het gebied grotendeels ontvolkt. Daarbij gingen ook de ontginningen uit de Romeinse tijd grotendeels verloren. De bewoning concentreerde zich vervolgens voornamelijk in het rivierdal van de Maas. Vanaf de 8e eeuw raakte het Maasdal weer bevolkt, waarbij sprake was van een verspreid vestigingsgebied. De nederzetting Baarlo kreeg definitief vorm als een kerspel (oude naam voor parochie). De heilige Lambertus die omstreeks 700 leefde verplaatste de Maastrichtse bisschopszetel naar Luik. In het midden en noordelijke gedeelte van de huidige provincie Limburg missioneerden in de 8 e eeuw de heiligen Wiro, Plechelmus en Wilibrordus. Deze gebieden behoorden vanaf de 10 e eeuw eveneens tot het bisdom Luik. Het is mogelijk dat in deze of de daarop volgende eeuw in Baarlo een romaans Petruskerkje kan hebben bestaan. Aanwijzingen hiervoor ontbreken echter. 29 De naam Baarlo, die in het verleden op verschillende wijzen werd uitgesproken en geschreven, komen we tegen als Barlo, Barle en Baerlo. De naam is afgeleid van Ba(a)r (kaal, naakt) en lo (plaats in een bosrijke omgeving).

Deze kale plek is ongetwijfeld de plaats waar nu de kerk staat. Deze ligt duidelijk op een verhoogd terrein t.o.v. de omgeving (kerkberg). Baarlo wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 1219, waarbij de hoeve Monnikiënhof te Baarlo en een flink stuk grond aan de abdij Mariënweerd (in de buurt van Tiel) worden geschonken.30

29 30

Historische Werkgroep De Borcht Baarlo. www.peelenmaas.nl.

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 10 van 20

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Tranchot und v. Müffling kaart31

1803-1820

33 Venlo

1:20.000

Noordwestelijk deel: bos Zuidoostelijk deel: agrarisch gebied (Bochender Veld).

Ten noorden bos, ten zuiden akkers. Huidige weg Op den Bosch aanwezig met daaraan verspreid bebouwing.

Kadastrale minuut32

1820

Gemeente Maasbree, Sectie D, Blad 06.

1:2.500

Noordwestelijk deel dennenbos. Zuidoostelijk deel: noordelijke strook heide en struweel, zuidelijke deel bouwland.

Agrarisch gebied/natuurgebied doorsneden door wegen.

Militaire topografische kaart33 (nettekening)

1850-1864

58 Roermond

1:50.000

Noordwestelijk deel: bos Zuidoostelijk deel: agrarisch gebied.

Geen grootschalige veranderingen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1896

728

1:50.000

Noordwestelijk deel: bos Zuidoostelijk deel: agrarisch gebied, aan de noordoostzijde loopt mogelijk een weg (waarschijnlijk ligt deze echter net buiten het plangebied)

Geen grootschalige veranderingen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1916

728

1:50.000

Geen veranderingen

Geen grootschalige veranderingen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1926

728

1:50.000

Geen veranderingen

Geen grootschalige veranderingen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1938

728

1:50.000

Noordwestelijk deel: akker Zuidoostelijk deel: geen veranderingen

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1958

58E

1:25.000

Geen veranderingen.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1967

58E

1:25.000

Noordwestelijk deel: geen veranderingen Zuidoostelijk deel: deels boomgaard

Ten zuidwesten plangebied bebouwing toegenomen.

Topografische kaart

1979

58E

1:25.000

Noordwestelijk deel: geen veranderingen Zuidoostelijk deel: aan de oost en westzijde bebost met de rest grasland

Ten zuiden plangebied bebouwing toegenomen.

Topografische kaart

1988

58E

1:25.000

Noordwestelijk deel: deels grasland deels akker Zuidoostelijk deel: aan de oost en westzijde verder bebost met de rest grasland

Ten zuiden plangebied bebouwing toegenomen.

Topografische kaart

1999

58E

1:25.000

Noordwestelijk deel: akker Zuidoostelijk deel: aan de westzijde bebost, met een weg naar een open plek, de rest grasland

Geen grootschalige veranderingen.

31

Beeldbank Vrije Universiteit Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 33 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 32

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 11 van 20

Topografische kaart

2011

58E

1:25.000

Noordwestelijk deel: akker met een gebouwtje. Zuidoostelijk deel: aan de westzijde bebost een grotere open plek, de rest grasland

Geen grootschalige veranderingen.

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het noordwestelijk deel van het plangebied in de eerste kwart van de 19e eeuw in gebruik als bos en het zuidoostelijk deel als agrarisch gebied (zie figuur 9). Tussen 1926 en 1938 is het noordwestelijk deel van het plangebied in gebruik genomen als akker. Het blijft in agrarisch gebruik, deels als weiland, tussen 1979 en 1999, tot 2011 (dan staat er op de akker een klein gebouwtje). Tussen 1958 en 1967 is een deel van het zuidoostelijk deel van het plangebied in gebruik genomen als boomgaard, wat op de kaart uit 1979 al weer gewijzigd is. Het zuidoostelijk deel van het plangebied is dan deels bebost en deels in gebruik al grasland. De verhouding bos en grasland varieert vanaf die periode, waarbij er in het gebied een open plek ontstaat die steeds groter wordt. Het plangebied wordt omringd en, mogelijk, doorsneden door wegen vanaf het begin van de 19e eeuw tot heden. Door cartografische afwijkingen is het echter goed mogelijk dat het wegenpatroon altijd langs beide deelgebieden hebben gelopen. Op de luchtfoto uit 2017 staat aan de westzijde van het zuidoostelijk deel van het plangebied een gebouwtje dat op de kaarten niet staat, deze is waarschijnlijk gerealiseerd na 2011.

Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Het dichtstbijzijnde monument ligt 590 meter ten zuiden van het plangebied. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Peel en Maas is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon de heer R. Janssen). Dit heeft alleen bouwdossiers opgeleverd voor de bebouwing aan de Op de Bosch 5a maar niet over de bebouwing in het plangebied. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 34 Ondanks dat er in Baarlo gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden en er hevig verzet is geweest van de Bospartizanen zijn er nauwelijks resten van de Tweede Wereldoorlog bekend. In de afgelopen jaren zijn er in de omgeving van het plangebied enkele Conventionele Explosieven aangetroffen. Zo is 125 meter ten westen van het plangebied een mijnenveld geruimd en 280 meter ter zuidwesten van het plangebied een granaat. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Stichting Historische Werkgroep de Borcht (d.d. 26-10-2020, deborcht@baarlo.com). Dit heeft geen aanvullende informatie opgeleverd.

Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 34

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 12 van 20

2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op een laag gelegen dalvlakterras180 meter ten noorden van een lager gelegen dal dat mogelijk is gevormd door een beek, blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum en Mesolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar vanaf het Neolithicum wel gunstig kan zijn geweest voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de perioden Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd, waarbij verschillende landschapsvormen in bepaalde perioden de voorkeur hadden.

Rapport 13901.001 versie 2

Pagina 13 van 20

Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.35 Gezien de ligging van het plangebied op een dalvlakteterras redelijk ver verwijderd (circa 180 meter) van een gradiëntsituatie heeft het plangebied een lage verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor.

Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.36 De landschappelijke ligging maken het plangebied een geschikte locatie voor agrarische activiteiten en de verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen is daarom hoog. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 37 Op de oudste historische kaarten liggen beide delen van het plangebied aan doorgaande wegen, één deel van het plangebied is echter in agrarisch gebruik terwijl het andere deel woeste grond is. De bewoning lijkt zich te concentreren ten zuiden van hert plangebied aan de huidige weg Op den Bosch. Op basis van het historisch kaartmateriaal krijgt het plangebied dien ten gevolgen een middelhoge verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Late-Middelleeuwen en Nieuwe tijd. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden.

De kans op het voorkomen van de resten is laag voor jagers en verzamelaars en middelhoog tot hoog voor agrarische samenlevingen. De archeologische resten in het noordwestelijk deel worden direct vanaf het maaiveld verwacht en in het zuidoostelijk deel direct vanaf het maaiveld (Nieuwe tijd) en in en onder het eerddek (Nieuwe tijd – Prehistorie). Mogelijk ligt er in het plangebied onder het antropogene dek stuifzand en kunnen onder het stuifzand nog oudere archeologische niveaus voorkomen. Vondstmateriaal en sporen worden verwacht vanaf het maaiveld. De archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven.

35

Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 37 Renes, 1999. 36

Rapport 13901.001 versie 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=465984a8-6694-4b58-9154-70e2ae757ef0