CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-044 03 Toelichting.pdf

Raad 6 juli 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Paardenhouderij Op den Bosch 5a te Baarlo” (2021-044)15.312 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bezoekers, veelal met personenauto’s, komen via de bestaande inrit tussen huisnummers Op den Bosch 4 en 5. Voor het vrachtverkeer wordt een nieuwe inrit gerealiseerd tussen de huisnummers Op den Bosch 7 en 8. Totale breedte van het plangebied tussen deze twee woningen in bedraagt 70 meter. Door de inrit exact in het midden te situeren kan ten aanzien van beide woningen aan de richtafstand van 30 meter worden voldaan.

Afbeelding 12: impressie nieuwe inrit voor vrachtwagens

Vastgesteld

26

Afbeelding 13: nieuwe in- en uitrit voor vrachtwagens (rode pijl)

Bij het bestemmingsplan uit 2017 is reeds een akoestisch onderzoek gevoegd. Uit dat onderzoek zijn de transportbewegingen met vrachtwagens opgenomen. Hieruit blijkt dat indien de inrit op 13 meter van een geluidgevoelig object ligt er voldaan wordt een de geluidsnormen. In de beoogde situatie bedraagt de afstand van de nieuwe uitrit 60 meter tot de woning aan Op den Bosch 7 en 47 meter tot de woning aan de Op den Bosch 8. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het verplaatsen van de in- en uitrit voor de vrachtwagens akoestisch gezien aanvaardbaar zijn. De transporten vinden in hoofdzaak plaats in de dagperiode. Incidenteel komt het voor dat er transporten in de avondperiode plaatsvinden. Achter op het terrein, nabij de nieuwe schuur en stapmolen is voldoende ruimte voor het parkeren/stallen van vrachtwagens en laad- en losactiviteiten. Ter plaatse van de nieuwe in- en uitrit wordt aangegeven dat bezoekers gebruik dienen te maken van de bestaande bedrijfstoegang. Daarmee wordt voorkomen dat bezoekers de verkeerde inrit gebruiken. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Vastgesteld

27

5.1.3 Luchtkwaliteit De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De bestuursorganen dienen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit grenswaarden in acht te nemen. De vaststelling van een bestemmingsplan wordt in de jurisprudentie aangemerkt als de uitoefening van een bevoegdheid die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Door middel van onderhavig plan wordt het bouwvlak van het bedrijf vergroot. De beoogde ontwikkeling leidt tot een gelijkblijvend aantal verkeersbewegingen. Verkeer kan van invloed zijn op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het vigerende bestemmingsplan is een worst case berekening opgenomen van de effecten op de luchtkwaliteit middels de NIBM-tool. Deze berekening is opnieuw uitgevoerd, echter voor het rekenjaar 2020. Het gaat daarbij niet om de extra verkeersgeneratie maar om de totale verkeersgeneratie om een worst-case scenario in beeld te brengen.

Afbeelding 14. Rekenresultaat NIBM-Tool.

Uit de berekening blijkt dat nader onderzoek naar de invloed op luchtkwaliteit niet noodzakelijk is omdat er sprake van een NIBM project. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per kmvak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM 2,5) ter plaatse 11,0. µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,6 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 16,6 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 2,5 25 µg/m³, terwijl de

Vastgesteld

28

jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.1.4 Bodem en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt is voor de beoogde planologische regeling en het daarin toegestane gebruik. In het kader van de vergroting van het bouwvlak dient te worden beoordeeld of de uiteindelijke bodemkwaliteit van de uitbreidingsgronden uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aan zekere kwaliteitsnormen voldoet om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gebouwd. Reeds bij de vorige bestemmingsplanprocedure is een bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij het volledige plangebied beoordeeld is. Ook de beoogde locatie van het te vergroten bouwvlak is destijds reeds onderzocht (Tritium, documentkenmerk 1409/073/JB-01, 17 december 2014). In de resultaten van dit onderzoek wordt gesteld dat de onderzoeksresultaten geen beperkingen opleveren ten aanzien van het destijds beoogde gebruik van de locatie. Het destijds beoogde gebruik was ook het exploiteren van een paardenhouderij met daarbij tevens het huisvesten van ruiters/grooms. Het huidige beoogde gebruik is hetzelfde, met enkel het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw om de huidige ondercapaciteit op te lossen. Het valt niet te verwachten dat de bodem in het plangebied in de periode tussen 2014 en 2020 alsnog vervuild is geraakt.

De bodem is, ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het bouwvlak, namelijk gebruikt als grasland en opslag van zaagsel, hooi en stro. Met een dusdanig gebruik valt niet te verwachten dat na 2014 schadelijke stoffen in de bodem terecht zijn gekomen die een goed woon- en leefklimaat anno 2020 zouden belemmeren. Conclusie Het aspect bodem en grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het kader van de bestemmingswijziging om zodoende de bouw van de nieuwe bebouwing mogelijk te maken moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes). Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Volgens de risicokaart (https://www.risicokaart.nl/) liggen er binnen 500 meter van het plangebied geen risicovolle inrichtingen.

Vastgesteld

29

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied is gelegen aan de Op den Bosch. Over deze weg, alsmede over de omringende wegen binnen 500 meter van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats dat invloed heeft op het plaatsgebonden of het groepsrisico. De Napoleonsbaan Zuid is gelegen op een afstand van net iets meer dan 500 meter. Deze afstand is dusdanig dat deze geen invloed heeft op het plaatsgebonden of het groepsrisico. Risicovol transport per spoor In de wijde omgeving rond het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van een spoorlijn. Risicovol transport over het water Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over de weg of het water die in het kader van externe veiligheid beoordeeld moet worden. Risicovolle buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB sluit aan bij de risiconormering uit het Bevi. Dat betekent dat ook bij leidingen sprake is van een afstand voor het plaatsgebonden risico en een afstand voor het invloedsgebied van het groepsrisico. Op een afstand van circa 300 meter zijn drie buisleidingen gelegen. Tabel 2 1% letaliteitsgrens buisleidingen A-665, A-578 en A-520

Naam leiding A-665 A-578 A-520

Diameter 1219 mm 1067 mm 610 mm

Wanddikte 16 mm 14 mm 7 mm

Max. werkdruk 79,90 bar 66,20 bar 66,20 bar

1% letaliteitscontour 580 490 310

Afstand 320 320 320

Voor het bepalen van de 1% letaliteitscontour is gebruik gemaakt van tabel 5.1 uit het ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen’ van oktober 2016. Uit tabel 2 kan geconcludeerd worden dat voor de leidingen A-665 en A-578 gesteld kan worden dat het nieuw beoogde bouwvlak binnen de 1% letaliteitscontour valt. Derhalve dient voor deze leiding ook gekeken te worden naar de 100% letaliteitsgrens. Tabel 3 100% letaliteitsgrens buisleiding A-655 en A-578

Naam leiding A-665 A-578

Diameter 1219 mm 1067 mm

Wanddikte 16 mm 14 mm

Max. werkdruk 79,90 bar 66,20 bar

100% letaliteitscontour 220 190

Afstand 320 320

Voor het bepalen van de 100% letaliteitscontour is gebruik gemaakt van tabel 5.2 uit het ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen’ van oktober 2016. Uit bovenstaande tabel blijkt dat het nieuw beoogde bouwvlak wel buiten de 100% letaliteitsgrens valt. Aangezien het nieuw beoogde bouwvlak ten aanzien van alle drie de buisleidingen buiten de 1% dan wel 100% letaliteitscontour valt, kan volstaan worden met een beperkte verantwoording ten aanzien van het groepsrisico. Daarbij dient gekeken worden naar de gevolgen van het planvoornemen ten opzichte van de populatiedichtheid, de bestrijdbaarheid bij leidingfalen en zelfredzaamheid van aanwezigen binnen het plangebied. Onderhavig planvoornemen maakt het onder andere mogelijk om in een nieuw op te richten bedrijfsgebouw huisvestingsmogelijkheden te realiseren voor maximaal 7 grooms/ruiters. Tevens kunnen er binnen het gebouw gasten/klanten aanwezig zijn, aangenomen wordt dat er niet meer dan 10 gasten gelijktijdig aanwezig zijn. Hierdoor neemt de populatie in de omgeving van het plangebied

Vastgesteld

30

dus toe met maximaal 17 personen. Ten opzichte van de totale populatie kan deze toename als niet significant beschouwd worden. De populatiedichtheid neemt door onderhavig initiatief dan ook niet toe. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid mag verondersteld worden dat de buisleidingen goed onderhouden zijn en in de huidige situatie voldoende gronddekking hebben. In dat geval zullen calamiteiten alleen kunnen optreden als in de directe omgeving van de leiding grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd. De bewoners binnen de 100% letaliteitscontour moeten daarover ten allen tijde geïnformeerd worden zodat zij de mogelijke scenario’s kennen en daarnaar kunnen handelen. Het plangebied is voor nood- en hulpdiensten vanaf twee zijden te bereiken via de Op den Bosch. Primair aandachtspunt is het verlenen van hulp aan eventuele slachtoffers. De wegen en het erf in het plangebied zijn ruim genoeg voor hulpverlenende voertuigen om te kunnen keren. Op het erf van initiatiefnemer is tevens een blusvoorziening aanwezig. De zelfredzaamheid van aanwezigen binnen het plangebied wordt als goed beoordeeld. Omdat de kans op een calamiteit het grootst is gedurende de dagperiode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd aan of nabij de buisleidingen, zullen aanwezigen naar verwachting voldoende alert zijn om direct te kunnen handelen.

Door de geruime afstand tussen de afzonderlijke bedrijfsgebouwen is de kans op het overslaan van brand, in geval van een calamiteit, zeer beperkt. Vanwege de relatief ‘open’ ligging in het buitengebied zijn voldoende vluchtmogelijkheden voorhanden. Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten uit zicht van de brand en wordt aanbevolen dekking te zoeken achter objecten zoals muren. Het voornoemd scenario wordt veelal veroorzaakt door grondroerders. Door de bewoners van tevoren te informeren over de werkzaamheden wordt de zelfredzaamheid verhoogd. De veiligheidsregio Limburg-Noord heeft advies uitgebracht over onderhavig bestemmingsplan. In het advies zijn de volgende punten voor initiatiefnemer van belang: 1. Leg specifiek het incidentscenario “Incident met hogedrukaardgasleiding” vast in het bedrijfsnoodplan en beoefen deze met de BHV-organisatie en de bewoners c.q. gebruikers; 2. Er dient een verzamelplaats aanwezig te zijn waar de bewoners en gebruikers bijeenkomen ten tijde van een incident. Deze plaats dient opgenomen te worden in het ontruimingsplan welke deel uitmaakt van het bedrijfsnoodplan; 3. Bij het uitwerken van de bouwtekeningen, behorende bij de omgevingsvergunningaanvraag, dient rekening gehouden te worden met de positie van de vluchtwegen.

Het uitgangspunt dient te zijn dat de bewoners van de appartementen en gebruikers van het bouwwerk zoveel mogelijk van de risicobron af kunnen vluchten. Dit geldt voor zowel binnen als buiten het bouwwerk. Bovendien moet het vluchten in overeenstemming zijn met de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Aan deze voorwaarden kan initiatiefnemer zich conformeren. Verder zal het volgende geregeld worden: a. De nieuwe bedrijfstoegang naar het nieuwe gebouw zal voldoen aan de technische voorschriften uit het gemeentelijke beleid Bluswater en Bereikbaarheid. b. Binnen 100 meter van het nieuwe bedrijfsgebouw zal een (primaire) bluswatervoorziening worden gerealiseerd met een capaciteit van tenminste 60 m3 per uur. Bovendien wordt er binnen 200 meter van het nieuwe gebouw een tweede (secundaire) bluswatervoorziening worden gerealiseerd met een minimale capaciteit van 90 m3 per uur. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan. 5.1.6 Geur Rondom veehouderijen speelt geur een belangrijke rol in de milieuwetgeving met betrekking tot deze veehouderijen. Om dit aspect te kunnen reguleren bestaat de Wet geurhinder en veehouderij (verder:

Vastgesteld

31

Wvg). De Wgv dient in het belang van de bescherming van het milieu. De wet biedt binnen gestelde voorwaarden bescherming tegen geurhinder. De Wgv en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij (verder: Rgv) vormen samen het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wgv kent verschillende normen voor concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden. Concentratiegebieden zijn gebieden die als zodanig zijn aangewezen in de Reconstructiewet (verder: Rcw). In niet-concentratiegebieden gelden strengere normen dan in concentratiegebieden. De gemeente Peel en Maas is op grond van de Rcw gelegen in een concentratiegebied voor landbouw. De Wgv kent ook verschillende normen voor gebieden gelegen binnen de bebouwde kom en gebieden gelegen buiten de bebouwde kom. Gebieden die binnen de bebouwde kom liggen krijgen meer bescherming dan gebieden die buiten de bebouwde kom liggen. Dit heeft te maken met het feit dat binnen de bebouwde kom meer mensen kunnen wonen of verblijven, waardoor sprake kan zijn van meer geurhinder. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Hieronder wordt tevens begrepen een logiesfunctie. Het aspect geur valt uiteen in twee onderdelen: de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting.

Eigen bedrijvigheid Binnen de inrichting worden paarden gehouden. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij gelden er voor deze diersoort vaste afstanden. Ten eerste dient de afstand tussen gevel dierenverblijf en gevel geurgevoelige objecten van derden ten minste 25 meter te bedragen. Ten tweede dient de afstand tussen emissiepunt dierenverblijven en gevel geurgevoelig object ten minste 50 meter voor geurgevoelige objecten in het buitengebied en 100 meter voor objecten in de bebouwde kom. De bestaande stallen zijn het meest dichtbij geurgevoelige objecten van derden gelegen. De afstand gevel dierenverblijf tot gevel geurgevoelig object bedraagt 72 meter (Op en Bosch 6= buitengebied). De afstand emissiepunt dierenverblijf tot gevel geurgevoelig object bedraagt 75. Woningen in de bebouwde kom liggen op ruim 1 kilometer vanaf de dierenverblijven. Er wordt daarmee voldaan aan de benodigde afstanden. Geur vanuit andere bedrijven Binnen de inrichting wordt huisvestingsruimte gecreëerd voor het huisvesten van ruiters, grooms en/of stagiaires. Deze bebouwing zou beschouwd kunnen worden als geurgevoelige bebouwing. Er dient beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze bebouwing sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat betreft dient er zowel gekeken te worden naar de voorgrondbelasting als naar de achtergrondbelasting van geur.

Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen. In de omgeving van het plangebied zijn echter geen (intensieve) veehouderijen gelegen die geuremissie veroorzaken. De nabij gelegen veehouderijen betreffen hoofdzakelijk paardenhouderijen waarbij gewerkt wordt met een vaste afstand voor wat betreft geurbelasting. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderijen betreffen het vleesvarkensbedrijf gelegen aan de Horsten 17 (Baarlo) en het zeugenbedrijf aan de Hout 1 (Kessel), beiden op een afstand van circa 1,3 kilometer. Gezien de vergunde geuremissie kan het bedrijf aan de Hout 1 als de dominante veehouderij gezien worden. Omdat de planlocatie in het buitengebied ligt geldt een maximale geurbelasting toegestaan van 14 0.u. Uit de Wabo vergunning van de locatie Hout 1 valt op te maken dat de 14 o.u. contour op ongeveer 100

Vastgesteld

32

meter rond het bedrijf ligt. De daadwerkelijke afstand bedraagt ongeveer 1,3 kilometer. Ter plaatse zal altijd voldaan worden aan de geurnorm. Wat dat betreft vormt het aspect voorgrondbelasting geen beperking voor onderhavig initiatief. Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting verstaan we de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. In afbeelding 12 is een uitsnede weergegeven uit de ‘Structuurvisie en Plan Mer intensieve veehouderij en glastuinbouw’, het betreft een uitsnede uit de kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder’. Uit deze kaart blijkt dat het leefklimaat ter plaatse van het plangebied ten aanzien van geurhinder als zeer goed te beschouwen is. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling.

Afbeelding 15. Uitsnede kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder – huidige situatie’ uit de ‘Structuurvisie en Plan Mer intensieve veehouderij en glastuinbouw’

Conclusie Het onderdeel geur vormt geen beperkende factor voor onderhavig planvoornemen.

5.2 Kabels, leidingen en straalpaden Volgens het vigerende bestemmingsplan of de kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg komen binnen, of in de directe omgeving van, het plangebied geen kabels of leidingen voor, met een dusdanige beschermingszone dat zij de ontwikkeling belemmeren. Andersom betekent het dat de ontwikkeling geen belemmering veroorzaakt voor aanwezige kabels of leidingen.

Vastgesteld

33

5.3 Ecologie De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Het plangebied is door het IVN onderzocht op het voorkomen van beschermde flora en fauna (bijlage 2). Uit het locatiebezoek is gebleken dat er ter plaatse geen soorten voorkomen die beschermd dienen te worden. Op de plaats van de nieuwe bebouwing staan Amerikaanse eiken (niet inheemse soort). Deze staan op het eigen terrein en vormen de overgang naar het bosgebied. Een aantal van deze bomen vormt in de bestaande situatie al een gevaar, aangezien deze overhangen richting bestaande bebouwing en terrein. Om het gebouw te kunnen bouwen zullen deze gekapt moeten worden. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met de Provincie Limburg. Dit heeft geleid tot het doen van een melding van een voorgenomen velling zoals benoemd in artikel 4.2 lid 1 van de Wet natuurbescherming. Ter compensatie zullen er op het binnenterrein een 25-tal Hollandse Lindes aangeplant worden. Deze zijn opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan. Voor het onderhoudspad aan de noordzijde van het nieuwe gebouw hoeven geen bomen gekapt te worden.

Dit pad krijgt een natuurlijke uitstraling tussen de bomen door. Omdat ook hier sprake is van de ligging op een erf hoeft hier geen toestemmingsbesluit genomen te worden door de Provincie Limburg. Om de nieuwe bedrijfstoegang te realiseren hoeven er geen bomen gekapt te worden. Deze bomen staan op een hart op hart afstand van minimaal 20 meter. De toegangsweg zal een breedte hebben van ongeveer 6 meter. Daarom zullen de bomen geen negatief effect ervaren van de nieuwe toegangsweg.

Natura2000-gebieden Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde Nederlandse natuurgebied, het Natura 2000-gebied Swalmdal, ligt op circa 7,9 kilometer van het plangebied. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000-gebied te boordelen. Het dichtstbijzijnde Duitse natuurgebied, het Natura2000-gebied ‘Schwalm – Nette - Platte’ ligt op een afstand van circa 5,6 kilometer. De afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is te groot om te leiden tot directe negatieve gevolgen in het Natura2000-gebied (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc). Door de uitspraak van de Raad van State inzake de PAS zijn alle ontwikkelingen die leiden tot een depositie van meer dan 0.00 mol per hectare vergunningplichtig. Onderhavige ontwikkeling kan gesplitst worden in de aanlegfase en de gebruiksfase. De aanlegfase betreft de fase dat het bedrijfsgebouw wordt geplaatst en er bouwactiviteiten plaatsvinden. De gebruiksfase houdt in dat het bedrijfsgebouw in gebruik is. Gezien de grote afstand tot Natura2000-gebieden valt niet te verwachten dat tijdens de aanlegfase negatieve gevolgen optreden ter plaatse van Natura2000-gebieden.

Ter vergelijking, in de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ van de Rijksoverheid wordt verondersteld dat een woningbouwproject van 50

Vastgesteld

34

woningen op een afstand van 8 kilometer van een Natura2000-gebied niet tot een depositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar zal leiden. Onderhavig initiatief is vele malen kleiner dan een woningbouwproject van 50 woningen. Tevens is de depositie in de aanlegfase lager dan in de gebruiksfase aangezien er in de beoogde situatie 24 paarden in het gebouw gehouden worden. Tijdens de aanlegfase worden deze dieren niet gehouden. Ten aanzien van de gebruiksfase is door initiatiefnemer op 29 september 2020 een vergunning aangevraagd bij de Provincie in het kader van de Wet natuurbescherming. In de vergunning wordt toestemming gevraagd voor in totaal 59 paarden. Hierbij wordt er een externe saldering toegepast worden. Op de locatie Lorbaan 58b te Grashoek vindt een intrekking plaats van ammoniakrechten die voldoet aan de “Beleidsregels intern en extern salderen” van de Provincie Limburg. Middels deze externe saldering worden effecten voor wat betreft depositie van ammoniak ter plaatse van Natura2000 gebieden uitgesloten. Dit blijkt uit de opgestelde Aerius berekening (bijlage 3). Effecten ter plaatse van Natura2000 gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Op de vergunningaanvraag is inmiddels een besluit genomen door de Provincie Limburg.

5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als ook het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden.

5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ ▪ ▪

herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;

Vastgesteld

35

▪ ▪

duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform de kaart ‘Regionaal Water’ gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. Conform de kaart ‘Ondergrond’ ligt het plangebied in een “waterlichaam” zonder verdere bijzonderheden.

5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied ligt nagenoeg vlak. De maaiveldhoogte varieert tussen 26,5 en 27,0 meter +NAP. De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit bruine enkeerdgronden welke voornamelijk zijn opgebouwd uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Ter plaatse van de infiltratievoorziening geldt grondwatertrap VII dit komt overeen met een redelijk hoog grondwaterregime, waarbij de hoogste grondwaterstand zich bevindt op 80-140 cm onder maaiveld en de laagste grondwaterstand zich bevindt op meer dan 120 cm onder maaiveld. Oppervlaktewater In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Het betreft een infiltratievijver / hemelwateropvang in het noordelijke gedeelte van het plangebied. Verder bevindt zich in, of in de directe omgeving van het plangebied geen oppervlaktewater. Afvalwater / riolering Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.

5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit plan heeft tot doel het vergroten van een bouwvlak om de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw met bijbehorende voorzieningen te realiseren. Door de vergroting van het bouwvlak kunnen er nieuwe daken en verhardingen gerealiseerd worden. Dit betreft een toename van het verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Bij volledige invulling van het bouwplan zoals initiatiefnemer het beoogd omvat het plan nieuwe daken en verhardingen ter grootte van ongeveer 4.450 m2:

Vastgesteld

36

1. 2. 3. 4.

Nieuw bedrijfsgebouw: 96 x 38 = 3.648 m2 Nieuwe stapmolen en longeercirkel: 2 x 200 m2 = 400 m2 Nieuwe loods: 300 m2 Mestopslag: 100 m2

Het water dat hierop kan vallen, zal geïnfiltreerd worden op eigen perceel. De nieuwe erfverharding wordt aangelegd onder afschot, waardoor het regenwater dat valt op de erfverharding automatisch uitloopt op omliggend gras/gazon en daar infiltreert.

Normen: - Bui T=10 (50 mm): benodigde capaciteit 4.450 x 50 / 1000 = 222,5 m3 - Bui T=100 (100 mm): benodigde capaciteit 4.450 x 100 / 1000= 445 m3 Dit betekend dat er een minimum benodigde opvangcapaciteit van 450 m3 aanwezig dient te zijn. Daartoe zal de bestaande infiltratievoorziening uitgebreid worden. In de vorige bestemmingplanprocedure is gebleken dat ter plaatse van deze infiltratievoorziening de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand op 1,4 meter beneden maaiveld verwacht wordt. Derhalve dient de infiltratievoorziening uitgebreid te worden met 450 / 1,4 = 321 m 2. Daarmee wordt voldaan aan de voorschriften van het Waterschap Limburg. Bij een eventuele ondercapaciteit kan het water uitlopen op de omliggende graslanden en aldaar infiltreren. Met het toepassen van deze voorziening wordt voldaan aan de voorwaarden van het Waterschap Limburg. Het water afkomstig van de wasplaats van de paarden wordt in een verzamelput opgevangen na zuivering wordt dit water op eigen perceel geïnfiltreerd in de voorziening waar ook het hemelwater infiltreert. Het gezuiverde waswater betreft een hoeveelheid van maximaal 2 m3 per dag. Gezien de beperkte omvang is de infiltratievoorziening voldoende groot. Het vuilwater afkomstig van het nieuwe bedrijfsgebouw zal worden aangesloten op het vuilwaterriool via de bestaande aansluiting.

Gezien het aantal mensen dat binnen de locatie aanwezig is kan verwacht worden dat de capaciteit van het bestaande riool voldoende groot is. Het vuilwater van de huisvesting van de ruiters, grooms en/of stagiaires, de ontvangstruimte voor de gasten en de bestaande voorzieningen zoals toiletten en kantoorruimte wordt geloosd op de gemeentelijke drukriolering. Voor het lozen op de drukriolering geldt een norm van maximaal 1 m3 per uur. In een worst-case scenario zijn er maximaal 25 gasten gelijktijdig op de locatie aanwezig. Volgens het CBS wordt er per inwoner ongeveer 300 liter afvalwater per dag geloosd (inclusief afvalwater van bedrijven en hemelwater). Uitgaande van 25 personen die maximaal aanwezig zijn binnen de locatie zou de hoeveelheid uitkomen op 7.5 m3 afvalwater per dag. Stel dat het afvalwater verspreid over 12 uur per dag vrijkomt, komt er per uur 0.625 m3 afvalwater vrij. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er in dit geval geen hemelwater en bedrijfsafvalwater op het riool geloosd wordt. De daadwerkelijk te lozen hoeveelheid zal daarom aanzienlijk lager zijn. Er zal daarmee geen overbelasting van het gemeentelijke riool plaatsvinden. Verder zal geen gebruik gemaakt worden van uitlogende materialen zoals zink en koper. De paardenmest wordt opgeslagen in opslag met afdekking zodat geen hemelwater met meststoffen in de infiltratievoorziening / bodem terecht komt.

Vastgesteld

37

5.5 Archeologie en cultuurhistorie 5.5.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen.

Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart bevinden er zich in de directe omgeving rondom het plangebied geen cultuurhistorische elementen.

5.5.2 Archeologie De gemeente Peel en Maas heeft in 2011 een archeologisch beleidsplan vastgesteld. In dit beleidsplan is onder andere vastgelegd hoe met gebieden met een bepaalde waardering wordt omgegaan. Volgens de gemeentelijke beleidskaart archeologie ligt voorliggend plangebied in een zone van ‘Waarde Archeologie 4’ (hoge archeologische verwachting) en in een zone van ‘Waarde - Archeologie 5’ (middelhoge archeologische verwachting. De door de gemeente vastgestelde ondergrenzen voor deze zones zijn respectievelijk 250 m² en 40 cm (Waarde-Archeologie 4) en 2.500 m² en 40 cm (WaardeArcheologie 5).

Afbeelding 16. Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Peel en Maas.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied is een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd door Econsultancy (Schutte, A.H., 2021: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek op den Bosch 5A te Baarlo; Gemeente Peel en Maas, Swalmen (Econsultancy Archeologisch Rapport 13901.001).

Vastgesteld

38

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek kan geconcludeerd worden dat op basis van de verzamelde informatie de archeologische verwachting - conform de archeologische verwachtingenkaart - van kracht blijft. Aanvullend aan het bureauonderzoek is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Alle boringen tonen een in meer of mindere mate verstoord bodemprofiel. Ofschoon het lastig is te bepalen in welke mate het archeologisch potentiële archeologische niveau verstoord is geraakt, mag wel worden aangenomen dat de kans op het aantreffen van behoudenswaardige (d.w.z. de moeite waard om op te graven) archeologische resten laag is. ArchAeO heeft als archeologisch adviseur van de gemeente Peel en Maas het rapport beoordeeld. ArchAeO kan instemmen met het advies van Econsultancy. Geadviseerd wordt om de onderzochte delen van het plangebied ten aanzien van het aspect archeologie vrij te geven. De dubbelbestemming Waarde-archeologie kan voor het met een bureau- en booronderzoek onderzochte plangebied van de verbeelding verwijderd worden. Onderhavig plan leidt derhalve niet tot aantasting van archeologische waarden.

5.6 Verkeer en parkeren Het projectgebied ligt aan de Op den Bosch, een ontsluitingsweg in het buitengebied. De op den Bosch komt in zuidoostelijke richting uit op de Napoleonsbaan Zuid (N273) en in zuidwestelijke richting via de Donk op de Midden Peelweg (N277). De locatie is daarmee goed ontsloten. In paragraaf 5.1.3. is aangegeven dat het aantal bewegingen niet toeneemt ten opzichte van de vorige bestemmingsplanprocedure. Als worst-case scenario is in deze paragraaf een herberekening gemaakt met de NIBM tool voor het rekenjaar 2020. Er is een verkeersgeneratie opgenomen van 72 voertuigbewegingen per weekdaggemiddelde met een vrachtaandeel aan 33%. Dat komt neer op 24 vrachtbewegingen en 48 autobewegingen per dag. Voor de nu beoogde situatie kan dit nog steeds als een worst case scenario beschouwd worden. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie zal door onderhavig plan gelijk blijven ten opzichte van de verkeersgeneratie uit het vorige bestemmingsplan. Doordat de dieren op één locatie gehouden worden hoeft er minder tussen de locaties gependeld te worden. Dat leidt tot minder bewegingen tussen de locaties. Doordat er meer dieren gehouden worden zal het aantal bewegingen toenemen. Naar verwachting zullen de toe- en afname van verkeersbewegingen tegen elkaar wegvallen.

Om de nieuwe bebouwing aan te kunnen sluiten op de openbare weg wordt er een oprijlaan aangelegd. Hiervoor is het nodig om verhardingen aan te leggen. Ter plaatse van de Op den Bosch zal deze aansluiten op de openbare weg. Hiervoor zal gelijktijdig met de Wabo-procedure voor het onderdeel bouwen een aanvraag gedaan worden voor het realiseren van een uitrit. Op basis van de nota parkeernormen van de gemeente Peel en Maas dienen er voor de 13 ruiters/grooms minimaal 9.1 parkeerplaatsen aanwezig te zijn (bij zelfstandige kamerverhuur is de norm 0,7 per kamer). Hieraan wordt voldaan. Parkeren vindt, net zoals in de huidige situatie, plaats binnen de begrenzing van het projectgebied. Het erf beschikt hiervoor over een meer dan voldoende omvang. In de bestaande situatie zijn er reeds 18 parkeerplaatsen voor auto’s en 6 parkeerplaatsen voor vrachtwagens. Nabij de nieuwe schuur en nieuwe stapmolen is gelegenheid aanwezig voor het parkeren van tenminste 4 vrachtwagens. Als van de 18 aanwezige parkeerplaatsen er 9 gebruikt worden door de ruiters, grooms en/of stagiaires zijn er nog 9 parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers/gasten. Dat is meer dan voldoende.

Vastgesteld

39

De parkeercapaciteit voor zowel personenauto’s als voor vrachtverkeer is daarmee ruim voldoende.

5.7 Milieueffectrapportage Het besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Het besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: A. Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden; B. Onderdeel B is reeds vervallen; C. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is; D. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. beoordeling verplicht is. In onderdeel D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. In kolom 2 ‘gevallen’ staan drempelwaarden waar in kolom 1 benoemde activiteiten aan moeten voldoen. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D 14) is de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren opgenomen. Ten aanzien van paarden ligt de drempelwaarde bij 100 stuks.

Het voorgenomen initiatief ziet toe op het houden van 59 paarden en is daarmee niet rechtstreeks m.e.r-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit Lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het Besluit m.e.r. dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Om te bepalen of al dan niet een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld dient te worden kan men een aanmeldnotitie opstellen om vooraf een besluit te nemen over de noodzaak voor het opstellen en procedureel doorlopen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

In de aanmeldnotitie dient ten minste ingegaan te worden op de volgende selectiecriteria: 1. 2. 3.

De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van de potentiële gevolgen.

Deze criteria zullen in de navolgende paragraaf beoordeeld worden.

Vastgesteld

40

Beoordeling Kenmerken van het project Het aantal te houden dieren ten opzichte van de bestaande milieutoestemming neemt met 24 stuks toe tot een totaal van 59 paarden K1.100. De omvang van het project ten aanzien van de bestaande situatie en de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. rechtvaardigen geen vormvrije m.e.r.-beoordeling. Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Op den Bosch 5a te Baarlo. De Op den Bosch is gelegen in het buitengebied ten zuidwesten van de kern Baarlo. Het plangebied is niet gelegen in een Natura2000gebied of een verbindingszone binnen het Nederlands Natuurnetwerk. De locatie is reeds al voor geruime tijd in gebruik en bebouwd ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering. De plaats van het project rechtvaardigt geen vormvrije m.e.r.-beoordeling. Kenmerken van de potentiële gevolgen Het project ziet toe op uitbreiding ten opzichte van de bestaande milieutoestemming met 24 dieren tot een totaal van 59 paarden K1.100. Te verwachten effecten hangen samen met veranderingen ten aanzien van zowel voor- als ook achtergrondbelasting van geur, fijnstof, stikstofdepositie op Natura2000 gebieden, verkeer/geluid, gezondheid en waterhuishouding. Al deze aspecten zijn in hoofdstuk 5 van onderhavig bestemmingsplan behandeld.

Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor onderhavig initiatief Conclusie De beoogde ontwikkeling in op onderhavige locatie is niet m.e.r-beoordelingsplichtig.

Vastgesteld

41

6. JURIDISCHE ASPECTEN In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit bestemmingsplan juridisch is vertaald. De locatie Op den Bosch 5a maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Paardenhouderij Op de Bosch 5a Baarlo’ van de gemeente Peel en Maas, vastgesteld op 19 december 2017. Het plangebied is daarin bestemd als ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Binnen het bouwvlak is 1 bedrijfswoning toegestaan en als zodanig aanwezig. Verder gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4, 5, 6 en 7’, de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’, ‘specifieke vorm van wonen – huisvesting ruiters, grooms en / of stagiaires’, ‘specifieke vorm van agrarisch – quarantaine stal’ en de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’, ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’, ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied 2 ko’ en ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied 3 bd’. Ten opzichte van dit plan wordt het bestaande bouwvlak vergroot en wordt eenmaal de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – quarantaine stal’ verwijderd. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bouwvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het planvoornemen.

6.1 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is het bestemmingsvlak weergegeven met het vergrootte bouwvlak. De aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – quarantaine stal’ ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak is verwijderd. Verder vinden er geen wijzigingen plaats.

6.2 Toelichting op de planregels De planregels zijn overgenomen van het vigerende bestemmingsplan ‘Paardenhouderij Op de Bosch 5a Baarlo’. Hierin zijn enkele regels gewijzigd ten aanzien van het huisvesten van ruiters, grooms en/of stagiairs. Tevens zijn de regels op enkele punten geactualiseerd en opnieuw genummerd.

Vastgesteld

42

7. UITVOERBAARHEID, INSPRAAK EN PROCEDURE 7.1 Economische uitvoerbaarheid De bestemmingswijziging geschiedt geheel voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. In het kader van de Grex-wet is met de bestemmingswijziging sprake van een bouwplan. Daartoe zal een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer opgesteld worden. Planschade is geregeld in een tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer afgesloten overeenkomst. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Peel en Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingswijziging moeten Burgemeester en Wethouders overleg plegen met het waterschap, andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met betrokken rijks- en provinciale diensten. Van dit vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.

7.2.1 Inspraakprocedure Het voorontwerpplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure.

7.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro De Provincie Limburg heeft aangegeven in te kunnen stemmen met het plan.

7.2.3 In gesprek met Peel en Maas Initiatiefnemer heeft de direct belanghebbenden van de locatie op de hoogte gesteld van de voorgenomen bestemmingswijziging. Het gaat hier om de eigenaren van de volgende locaties: Op den Bosch 2, 3a, 4, 6, 7 en 8.

7.2.4 Zienswijzenprocedure Het ontwerpplan heeft van 18 maart gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.

Vastgesteld

43

7.3 Procedure In het kader van de procedure ex artikel 3.1 Wro dient de procedure genoemd in afdeling 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht gevolgd te worden. De procedure ziet er als volgt uit: • • • • •

• •

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vastgesteld

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=fb81015d-7e49-408b-8e1a-b38dbf3fd9c1