CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-044 03 Toelichting.pdf

Raad 6 juli 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Paardenhouderij Op den Bosch 5a te Baarlo” (2021-044)15.312 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN “Op den Bosch 5a Baarlo” Vastgesteld

Document:

Bestemmingsplan “Op den Bosch 5a Baarlo”

IDN:

NL.IMRO.1894.BPL0242-VG01

Status:

Vastgesteld

Datum:

6 juli 2021

Aanvrager:

E.S. Equestrian Team Holding B.V.

Auteur:

De heren ing. L.M. Heesen en ing. M.A.A. Thomassen

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 3 1.2 Plangebied en begrenzingen ......................................................................................................... 4 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................... 5

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ........................................................................................ 7 2.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 7 2.2 Ruimtelijke structuur ...................................................................................................................... 8 2.3 Functionele structuur ..................................................................................................................... 8

3. PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................... 20 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ........................................................................... 20 3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten ................................................................................. 21 3.3 Landschappelijke inpassing ......................................................................................................... 21

4. BELEIDSKADER ................................................................................................................................ 9 4.1 Rijksbeleid ...................................................................................................................................... 9 4.2 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 11 4.3 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 14

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN .......................................................... 24 5.1 Milieu ............................................................................................................................................ 24 5.1.1 Milieuzonering ....................................................................................................................... 24 5.1.2 Geluid .................................................................................................................................... 25 5.1.3 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 28 5.1.4 Bodem en grondwaterkwaliteit .............................................................................................. 29 5.1.5 Externe veiligheid .................................................................................................................. 29 5.1.6 Geur ...................................................................................................................................... 31 5.2 Kabels, leidingen en straalpaden .................................................................................................

33 5.3 Ecologie ....................................................................................................................................... 34 5.4 Waterhuishouding ........................................................................................................................ 35 5.5 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 38 5.6 Verkeer en parkeren .................................................................................................................... 39

Vastgesteld

1

6. JURIDISCHE ASPECTEN ................................................................................................................ 42 6.1 Toelichting op de verbeelding ...................................................................................................... 42 6.2 Toelichting op de planregels ........................................................................................................ 42

7. UITVOERBAARHEID, INSPRAAK EN PROCEDURE .................................................................... 43 7.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 43 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................... 43 7.3 Procedure .................................................................................................................................... 44

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4.

Landschappelijk inpassingsplan Ves Reijnders Flora en Faunaonderzoek (IVN) Berekeningen Aerius Archeologisch onderzoek Econsultancy

Vastgesteld

2

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Op de locatie Op den Bosch 5a te Baarlo is al decennialang een professionele paardenhouderij gevestigd. Sinds de oprichting van het bedrijf ter plaatse mogen er 35 paarden gehouden worden. Enige jaren geleden heeft E.S. Equestrian Team Holding B.V., hierna initiatiefnemer, de locatie aangekocht. Sinds de aankoop door initiatiefnemer heeft de locatie een metamorfose ondergaan. De gebouwen zijn gemoderniseerd. De asbest is verwijderd, er komt veel daglicht binnen in de gebouwen en het buitenterrein is flink opgeknapt door realisatie van het landschappelijk inpassingsplan behorende bij het vigerende bestemmingsplan, zie paragraaf 1.3. Het bedrijf heeft de afgelopen jaren een groei doorgemaakt. Enerzijds in het aantal paarden, anderzijds in het niveau van zowel paarden als ruiters. Dat heeft er toe geleid dat er momenteel op meerdere locaties paarden gehouden worden (Baarlo, Sevenum, Asten en Weert). Dat leidt in de dagelijkse bedrijfsvoering tot een aantal beperkingen. Voorbeelden daarvan zijn: 1. Er gaat veel tijd verloren in het op en neer rijden tussen de locaties; 2. Het houden en trainen van paarden op meerdere locaties vraagt om meer management; 3. Het ontvangen van gasten is lastiger; 4. Het huren van locaties kost maandelijks geld; 5. Er ontstaat geen (h)echt team als paarden op meerdere locaties gehouden en getraind worden; 6.

De bovenstaande factoren leiden er toe dat het veel meer energie kost om het gewenste niveau te behalen. Bovenstaande heeft geleid tot het voornemen om het bedrijf op onderhavige locatie door te ontwikkelen. Wens is om dat te doen in de vorm van de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw met daarin ruimte voor een royale binnenbak, huisvesting voor 24 paarden, 7 appartementen voor ruiters, grooms en/of stagiaires en een ontvangstruimte voor het ontvangen van gasten. Het gebouw zal een lengte krijgen van circa 96 meter en een breedte van circa 38 meter. Naast het nieuwe bedrijfsgebouw worden een nieuwe overdekte stapmolen en longeercirkel gerealiseerd, een mestopslag en een stalling voor vrachtwagens, hooi, stro en andere materialen die benodigd zijn voor de exploitatie van een professionele paardenhouderij. Het beoogde nieuwe gebouw past niet binnen het bestaande bouwvlak. Het is daarom noodzakelijk om het bouwvlak te vergroten, zodat de gewenste bebouwing binnen het bouwvlak past. Om het beoogde plan mogelijk te maken zal het nieuwe bouwvlak in totaal een omvang krijgen van 17.908 m2, een toename van 6.827 m2. Initiatiefnemer heeft daarom een principeverzoek ingediend bij de gemeente Peel en Maas voor het uitbreiden van het bestaande bouwvlak. De gemeente heeft in de reactie op het principeverzoek aangegeven onder voorwaarden in te kunnen stemmen met het plan.

De voorwaarde houdt in dat er onder andere sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Hierop wordt in dit plan uitgebreid ingegaan. Op basis van de overleggen die hebben plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de gemeente Peel en Maas is naar voren gekomen dat in de beoogde bedrijfssituatie het maximum is bereikt qua ontwikkelmogelijkheden op deze locatie. Mocht op lange termijn de wens zijn om verder te groeien, dan zal dat op een andere locatie plaats dienen te vinden. Initiatiefnemer is zelf ook van mening dat de beoogde omvang op deze locatie richting nog passend is. De nadruk in de bedrijfsvoering zal daarbij steeds verder komen te liggen op het verhogen van de kwaliteit. Kwaliteit is belangrijker dan kwantiteit, ook op lange termijn.

Vastgesteld

3

In het vigerende bestemmingsplan zijn geen bevoegdheden opgenomen voor het vergroten van het bouwvlak. Daarom is het noodzakelijk om voor het plangebied een nieuw bestemmingsplan op te stellen.

Afbeelding 1. Ligging plangebied, locatie Op den Bosch 5a rood omcirkeld

1.2 Plangebied en begrenzingen De locatie Op den Bosch 5a is gelegen in het buitengebied ten zuidwesten van de kern Baarlo en maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas. Zowel de Napoleonsbaan Zuid (N273) als ook de Middenpeelweg (N277) liggen op korte afstand en zorgen ervoor dat het plangebied goed ontsloten is. Aan noordelijke zijde grenst het plangebied aan de rand van het bosgebied de Kesselse Bergen. Aan westelijke en oostelijke zijde grenst het plangebied aan agrarisch in gebruik zijnde gronden. Verderop in oostelijke richting zijn enkele glasopstanden aanwezig. Aan zuidelijke zijde grenst het plangebied aan enkele woningen die gelegen zijn aan de Op den Bosch. De paardenhouderij ligt achter deze woningen en is ontsloten op de Op den Bosch via een inrit tussen de woningen Op den Bosch 4 en 5. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen Maasbree, sectie N, nummers 28 (Ged.), 350, 405, 462, 463 en Maasbree Sectie D, nummer 1120 (Ged.). Het plangebied is gelijk aan het plangebied zoals in het vigerende bestemmingsplan. Zie daarvoor paragraaf 1.3.

Vastgesteld

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie Op den Bosch 5a maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Paardenhouderij Op de Bosch 5a Baarlo’ van de gemeente Peel en Maas, vastgesteld op 19 december 2017. Het plangebied is daarin bestemd als ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Binnen het bouwvlak is 1 bedrijfswoning toegestaan en als zodanig aanwezig. Verder gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4, 5, 6 en 7’, de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’, ‘specifieke vorm van wonen – huisvesting tijdelijke arbeidskrachten’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – quarantaine stal’ en de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’, ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’, ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied 2 ko’ en ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied 3 bd’. Omliggende percelen vallen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’ van de gemeente Peel en Maas, vastgesteld op 24 december 2014 en het bestemmingsplan ‘1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas’ van de gemeente Peel en Maas, vastgesteld op 29 maart 2017 en zijn bestemd als ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch – Grondgebonden’, ‘Wonen’ en ‘Natuur’. De beoogde bouw van een nieuw bedrijfsgebouw is niet rechtstreeks toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan omdat het gebouw niet binnen het bestaande bouwvlak past.

Om deze strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen wordt er voor de locatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld.

Vastgesteld

5

Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan, bij de rode pijl bij benadering het beoogde middelpunt van het nieuwe bedrijfsgebouw.

Vastgesteld

6

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Baarlo, in het bebouwingslint van de Op den Bosch. Baarlo maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas, gelegen in het noorden van Limburg. Circa 6.500 inwoners bevolken de kern. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen Maasbree, sectie N, nummers 28 (Ged.), 350, 405, 462, 463 en Maasbree Sectie D, nummer 1120 (Ged.).

Afbeelding 3. Luchtfoto plangebied en omgeving, plangebied rood omlijnd.

Het plangebied ligt op de locatie Op den Bosch 5a te Baarlo. Op deze locatie is al decennialang een professionele paardenhouderij gevestigd. De omgeving van de Op den Bosch kenmerkt zich al vanaf oudsher als een bebost gebied. Dit natuurlijk door de nabije ligging van het bos de Kesselse Bergen. Pas na 1965 is op topografische kaarten (topotijdreis.nl) te zien dat bebouwing in en nabij het plangebied zich verder begint te ontwikkelen en uit te breiden. De omgeving blijft zich echter wel kenmerken door de bossen en de aanwezige groenelementen.

Vastgesteld

7

Zowel de Napoleonsbaan Zuid (N273) als ook de Middenpeelweg (N277) liggen op korte afstand en zorgen ervoor dat het plangebied goed ontsloten is. Aan noordelijke zijde grenst het plangebied aan de rand van het bosgebied de Kesselse Bergen. Aan westelijke en oostelijke zijde grenst het plangebied aan agrarisch in gebruik zijnde gronden. Verderop in oostelijke richting zijn enkele glasopstanden aanwezig. Aan zuidelijke zijde grenst het plangebied aan enkele woningen die gelegen zijn aan de Op den Bosch. De paardenhouderij ligt achter deze woningen en is ontsloten op de Op den Bosch via een inrit tussen de woningen Op den Bosch 4 en 5.

Afbeelding 4. Aanzicht bestaand bedrijfsgebouw komende vanaf de inrit tussen de woningen Aan den Bosch 4 en 5.

2.2 Ruimtelijke structuur De Op den Bosch vormt een bebouwingslint ten zuidwesten van de kern van Baarlo. Oudere en nieuwe bebouwing wisselen elkaar af en verwijzen naar verschillende ontwikkelingsperioden. Het slingerend verloop van de weg, in samenhang met enkele vrijstaande woningen afgewisseld met glastuinbouwbedrijven, agrarische bedrijven en cultuurgronden, biedt een landelijke karakteristiek.

2.3 Functionele structuur Van oorsprong betreft de Op den Bosch een agrarisch bebouwingslint in bebost gebied. In de directe omgeving van de locatie wisselen burgerwoningen, agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven elkaar af. De kern van Baarlo ligt op een afstand van ongeveer 2 kilometer.

Vastgesteld

8

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie worden ambities voor Nederland gesteld voor de periode tot in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De SVIR gaat in grote mate uit van decentralisatie van verantwoordelijkheden. De provincies en gemeenten hebben meer ruimtelijke en mobiliteitsbeleid bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren.

In de SVIR worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): ▪ het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; ▪ het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; ▪ het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op onderhavig initiatief. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten. Het rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere rijksbelangen.

Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Op dit bestemmingsplan zijn geen directe rijksbelangen betrokken. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen in het licht van de bestemmingswijziging (zie hoofdstuk 5). Uit de beoordeling blijkt dat de bestemmingswijziging geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van bodem, water en lucht. Verder heeft het gestelde in dit bestemmingsplan betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. De wijziging is van een dusdanige beperkte omvang op nationaal schaalniveau dat er vanuit de SVIR geen belemmeringen bestaan.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (thans Nationaal Natuurnetwerk), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.

Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Op dit bestemmingsplan zijn geen van deze belangen van toepassing. Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Vraaggerichte programmering en realisering van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio’s leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beiden te bereiken is daarom de kaderstellende ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Gesteld wordt dat sprake dient te zijn van een regionale behoefte, die bij voorkeur binnen het bestaande stedelijk gebied van de regio kan worden voorzien. Dit door bijvoorbeeld benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.

Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Onderhavige ontwikkeling beoogt het wijzigen van een bouwvlak voor het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw bij een paardenhouderij. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. De bestemmingswijziging is dan ook niet in strijd met de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Vastgesteld

10

3.2 Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend plan-MER, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. De provinciale ruimtelijke ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leefen vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg; om er naar toe te gaan en vooral ook om er te blijven. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderende opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Aan het provinciaal omgevingsbeleid ligt een aantal principes ten grondslag: kwaliteit staat daarbij centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.

Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. Woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkels zijn er in Limburg genoeg, in toenemende mate zelfs te veel. Tegelijkertijd is de kwaliteit steeds minder toegesneden op de behoefte. Op al deze gebieden liggen er nog grote kwalitatieve opgaven. Blijvende vernieuwing en innovatie zijn dan ook van groot belang, een stilstand is niet veroorloofd. De uitdaging is om een omslag te maken ‘van kwantiteit naar kwaliteit’ en meer schaarste te creëren. De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Er zullen per regio visies gemaakt worden waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijzen zijn uitgewerkt. Voor sommige thema’s gaat het ook om gezamenlijke programmering. Die vormen de basis voor bestuursovereenkomsten tussen regiogemeenten en provincie. De provincie borgt de uitvoering van die afspraken met voorzorgbepalingen in de Omgevingsverordening. Het landelijk gebied in Limburg is heel aantrekkelijk. Dat wil de provincie graag zo houden. Niet voor niets is een leidend principe in dit POL ‘meer stad, meer land’. Reden om bijzonder terughoudend te zijn met nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), biodiversiteitsopgave, waterkwaliteitsopgave en opgaven in de watervoorziening. Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn. De land- en tuinbouw, deels intensief en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties. En daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie. Ook het leegstandsvraagstuk speelt nadrukkelijk in het landelijk gebied, vooral in Noord- en Midden-Limburg. Daar wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht.

Vastgesteld

11

De kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in de steden en dorpen. Het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het landelijk gebied voor toerisme en recreatie betekent overigens niet alleen dat agrariërs rekening houden met toeristen / burgers, maar zeker ook dat burgers worden aangesproken op begrip voor de bedrijfsvoering van agrariërs.

Afbeelding 5. Zonering Limburg POL2014

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL2014 zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Het plangebied is voor het grootste gedeelte gelegen in de zone ‘buitengebied’. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ kwaliteit en functioneren ondergrond. Verder geldt ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het bouwvlak voor een beperkte oppervlakte de aanduiding goudgroene en bronsgroene natuurzone. De goudgroene natuurzone betreft gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis zoals de Natura2000-gebieden. De bronsgroene natuurzone omvat landschappelijk aantrekkelijke gebieden, die ruimte bieden voor duurzame ontwikkeling van grondgebonden agrarische land- en tuinbouw.

Vastgesteld

12

In de huidige situatie is de aanduiding goudgroene en bronsgroene natuurzone ook al gelegen binnen het bouwvlak en is ter plaatse al een loods aanwezig. Deze aanduidingen is voornamelijk gericht op enkele van de bestaande bomenrijen die in het plangebied aanwezig zijn. Voor de realisatie van het nieuwe bedrijfsgebouw zal een gedeelte van deze bomen gekapt moeten worden. Echter zal dit ruimschoots gecompenseerd worden met groenaanplant op eigen terrein, zie hiervoor het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1). Op basis van deze ‘saldo benadering’ blijft de oppervlakte feitelijk aanwezige goudgroene en bronsgroene natuurzone binnen het plangebied gelijk. Verder dient vermeld te worden dat in het vigerende bestemmingsplan deze bomenrijen ook geen dubbelbestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ hebben, maar daarbinnen bestemd zijn als ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Wat dat betreft kan geconcludeerd worden dat onderhavig initiatief niet strijdig is met de bepalingen zoals gesteld in het POL2014. Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden.

In hoofdstuk 2 van deze verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Tevens is geen sprake van een beeldbepalend gebouw. Het plan is deels gelegen binnen de bronsgroene landschapszone en voor een deel in de goudgroene natuurzone. In de omgevingsverordening wordt hierop ingegaan in respectievelijk paragraaf 2.7 en 2.6. In de bronsgroene landschapszone wordt de infiltratievoorziening gerealiseerd. Na aanleg van de voorziening heeft deze geen negatieve effecten op het landschap, deze kan zelfs een toevoeging vormen. Het nieuwe gebouw wordt merendeels in de goudgroene natuurzone gerealiseerd. Volgens de omgevingsverordening maakt een ruimtelijk plan op een gebied dat deel uitmaakt van de goudgroene natuurzone geen nieuwe activiteiten, danwel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

Bovenstaand verbod is niet van toepassing als er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en uit het plan blijkt hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd. In dit geval kan naar redelijkheid niet gesteld worden dat er sprake is van een groot openbaar belang, er is wel sprake van een ondernemersbelang. Binnen het erf waar de paardenhouderij gevestigd is, is geen sprake van reële alternatieven. Alternatieve situering van de nieuwe bebouwing zou enerzijds bedrijfstechnisch niet passen en anderzijds vanuit het openbare terrein veel meer in het zicht komen te liggen. Dat zou afbreuk doen aan het relatief kleinschalige karakter van de omgeving. Door de voorliggende situering van de bebouwing is deze vanuit het openbare terrein nauwelijks zichtbaar. De kenmerken en waarden van het gebied zullen daarmee ook niet of nauwelijks aangetast worden. Ter compensatie worden er over het terrein een 25-tal inlandse Hollandse Lindes geplant, deze maken onderdeel uit van het landschappelijk inpassingsplan. Daarnaast vindt er een financiële afdracht plaats die terecht komt in het gemeentelijke groenfonds, deze afdracht is geborgd via de afgesloten

Vastgesteld

13

anterieure overeenkomst. Hierdoor wordt er op een adequate wijze invulling gegeven aan paragraaf 2.6 van de Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie buitengebied Peel en Maas In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid. Het plangebied is, ter plaatse van de vergroting van het bouwvlak, volgens de structuurvisie gelegen in de zone ‘kleinschalige half open ontginningslandschappen’. De kleinschalige half open ontginningslandschappen liggen verspreid in het buitengebied van Peel en Maas. Dit zijn de plekken waar individuele boeren zich hebben gevestigd en kleine stukjes land hebben ontgonnen en bebost. Vaak ontbrak het aan middelen om grote eenheden te ontginnen waardoor kleine percelen van agrarische grond en kleine productie- en/of geriefhoutbosjes zijn ontstaan.

De percelen werden in het verleden vaak omgeven door eikenhoutwallen om vee buiten de akkers te houden. Het kleinschalige landschap met een afwisseling van bosjes, landschapselementen, verspreide bebouwing en kronkelige wegen onderscheidt zich van het landschap van de omliggende grootschalige ontginningsgronden. Landbouw, bos en recreatie zijn de functionele dragers van het landschap. Deze afwisseling in landelijke functies biedt eveneens veel mogelijkheden voor natuurwaarden, waarbij bijzondere flora en fauna door de verscheidenheid aan biotopen een kans krijgen. Kleinschalige landschappen zijn bij uitstek geschikt voor de versterking van verschillende vormen van recreatie. Het verder ontwikkelen van een paardenhouderij met trainingsvoorzieningen die op een goede manier ingepast wordt in het omliggende landschap is dan ook passend te noemen binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie buitengebied Peel en Maas. Kaderstelling Ruimte en Economie In het coalitieakkoord 2014 is vastgelegd dat het college met de omgeving in gesprek gaat over de gewenste koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing als richtsnoer heeft. De uitbreiding van een bestaande paardenhouderij is passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie.

Op basis van programmadoel 3, bedrijvigheid in balans met de omgeving, is er oog voor de transitie van het landelijke gebied. De ontwikkeling van een paardenhouderij, waarbij oude bebouwing is gemoderniseerd, is daar een voorbeeld van. Anderzijds dient er ook oog te zijn voor de balans tussen economische en ruimtelijke waarden. Daarbij is geconcludeerd dat met de beoogde invulling van de locatie het maximum vrijwel is bereikt. Als een verder ontwikkeling gewenst zou zijn, dan wordt vanuit gemeentewege geadviseerd om deze ontwikkeling op een alternatieve locatie te laten plaatsvinden. Een mogelijk vervolgstap is vooralsnog

Vastgesteld

14

vanuit de zijde van initiatiefnemer niet aan de orde. De nu voorliggende ontwikkeling is daarmee passend binnen de kaderstelling Ruimte en Economie. Kwaliteitskader buitengebied Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbeteringen. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing. Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing is er sprake van Basiskwaliteit. Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt.

Voor de uitbreiding van een grondgebonden landbouwbedrijf waarbij de oppervlakte van het bouwvlak groter is/wordt dan 1,5 hectare geldt dat Basiskwaliteit+ (B+) en Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK) van toepassing zijn. B+ wil zeggen dat nieuwe en bestaande bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Ook houdt het in dat er voorzieningen getroffen moeten worden ter voorkoming van hemelwaterproblematiek als gevolg van nieuwe en bestaande bebouwing en verharding. Als basis voor de inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte ‘landschappelijk’ dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak. AK dient te bestaan uit fysieke maatregelen die bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het landschap waarbinnen de maatregelen genomen worden. Per gebiedstype zijn er andere landschapskwaliteiten typerend en van belang. AK kan bestaan uit: a) Versterking en verfraaiing van het landschap; b) Sloop; c) Aanleg van natuur; d) Verbetering en/of herstel van cultuurhistorische waarden; e) Extra investering in (architectonische) kwaliteit: bijzondere vormgeving, exclusief materiaalgebruik, verfraaiing en verbetering van gebouwen; f) Extra investeringen in milieu- en duurzaamheidsmaatregelen; g) Investering in (beleef)kwaliteit van het buitengebied. Hiermee wordt bedoeld dat de beleving van het landschap ook als kwaliteit kan worden aangemerkt.

De omvang van AK is gekoppeld aan B+. De omvang van de inpassing op agrarische bedrijven bedraagt 0,5 x de waarde van de te leveren B+. De benodigde B+ is 10% x 17.908 m2 = 1.791 m2. De AK bedraagt dan 0,5 x 1.791 m2 = 895,5 m2. Omdat het een uitbreiding betreft van een grondgebonden landbouwbedrijf boven de referentiemaat (1,5 hectare) in een kleinschalig half open ontginningslandschap geldt dat de AK 2x gerekend moet worden. Totaal bedraagt dan 1.791 + 2 x 895,5 = 3.582 m2. Op de locatie zijn in de bestaande situatie al veel maatregelen genomen om te komen tot een aantrekkelijke omgeving om te werken en verblijven. Dit komt met name door het vele groen op locatie.

Vastgesteld

15

Een deel van dit groen kan beschouwd worden als inheems groen en kan daardoor dien als compensatie zoals bedoeld in het kwaliteitskader van de gemeente Peel en Maas. Voor dit groen zal in een overeenkomst worden vastgelegd dat dit behouden en onderhouden wordt. Het overige groen wordt naar eigen inzicht beheerd en in stand gehouden. Hiervoor hoeft echter geen overeenkomst afgesloten te worden. Bestaand groen op locatie dat behouden en onderhouden wordt: • 10 Kastanjes (Castanea sativa) in paddocks (20 m2) • 10 Lindes (Tilea europeae) (20 m2) • 1 Treurwilg (Salix alba ‘Tristis’ (2 m2) • 3 Eiken (Quercus robur) in de springwei (6 m2) • 880 m2 beukenhaag (Fagus silvatica) (440 m2) • Ecologische infiltratievoorziening/wadi (500 m2) • Mantel/zoomvegetatie langs bosrand (500 m2) → nog te realiseren op basis bestaand inpassingsplan • Fouragegras langs extensieve weide en gebied rond infiltratievoorziening (1000 m2) Volgens het gemeentelijke kwaliteitskader kan het bestaande groen worden meegenomen als “Basiskwaliteit +”. Het oppervlak van het bestaande groen zoals hierboven omschreven omvat 2.488 m2. De eis op basis van het kwaliteitskader bedraagt 1791 m2. Er wordt daarmee dus ruim voldaan aan de eis voor de “Basiskwaliteit +”.

Als onderdeel van het project zal er rond de nieuwe bebouwing en de verhardingen veel groen worden aangeplant, in de stijl en omvang van de bestaande situatie. Dit groen zal niet volledig als inheems beschouwd kunnen worden. Dit zal derhalve niet opgevoerd worden in het landschappelijk inpassingsplan. Ook vormgeving van de nieuwe bebouwing en materiaalgebruik zou conform het kwaliteitskader gewaardeerd kunnen worden als tegenprestatie. Omdat deze bebouwing vanuit het openbare terrein niet of nauwelijks zichtbaar is, wordt deze buiten beschouwing gelaten. Dan blijft over het nieuwe groen dat als inheems beschouwd kan worden en de vergroting van de natuurlijke infiltratievoorziening. Deze komen wel in aanmerking als extra tegensprestatie als onderdeel van de Aanvullende kwaliteitsverbetering. Nieuw aan te leggen: • Vergroting natuurlijke infiltratievoorziening van 500 m2 naar 812 m2 (312 m2). • Aanplant 25 nieuwe bomen ter plaatse van nieuwe schuur, parkeerplaatsen en stapmolen/longeercirkel (50 m2). • 100 strekkende meters beukenhaag langs de westelijke paddocks (50 m2). De gemeentelijke eis voor de Aanvullende kwaliteitsbijdrage bedraagt 1791 m2. In het Kwaliteitskader is vastgelegd dat het moet gaan om nieuw groen. Het is daarom niet mogelijk om het overschot aan bestaand groen uit de Basiskwaliteit + te gebruiken in de Aanvullende Kwaliteitsbijdrage.

Middels de nieuwe maatregelen wordt 412 m2 ingevuld. Daarmee resteert er een opgave van 1379 m2. Extra inpassingsmaatregelen op locatie voegen geen extra waarde toe. In overleg met gemeente Peel en Maas is gekeken om eventueel elders bebouwing te slopen om zodoende een extra tegenprestatie te leveren. In de praktijk blijkt dat het bedrag dat met deze extra tegenprestatie gemoeid is eigenlijk te laag is (1.379 m2 x € 6,-= € 8.274,-) om kwaliteitswinst te boeken. Er moet gewaarborgd worden dat er op de slooplocatie geen nieuwe bebouwing teruggebracht kan worden. Dat dient te gebeuren met een herziening van het bestemmingsplan. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de gemeentelijke leges overstijgen de nog te leveren tegenprestatie al. Sloop als extra tegenprestatie is daarmee niet haalbaar gebleken.

Vastgesteld

16

Tevens is gekeken om elders groen aan te planten. Hiervoor geldt eigenlijk hetzelfde. Het bedrag dat nog ingevuld moet worden is te klein om van echte toegevoegde waarde te zijn. Uitgaande van normering voor verwerven perceel en aanplant groen kan er ongeveer 1400 m2 nieuwe natuur aangelegd worden. Ook hier geldt weer dat er een herziening van het bestemmingsplan plaats moeten vinden waarmee kosten gemoeid zijn. Daarnaast is er in de praktijk niemand te vinden die 1400 m2 van zijn grond wil afstaan om natuur van te maken. Ook dit is geen haalbare kaart gebleken. Daarmee resteert de optie om het nog in te vullen bedrag van € 8.274,- af te storten in het gemeentelijke groenfonds. De gemeente kan dan bij groenprojecten dit geld inzetten om tot extra kwaliteit van groen te komen. Middels bovenstaande invulling wordt er voldaan aan het gemeentelijke kwaliteitskader. De gemeentelijke kwaliteitscommissie heeft dan ook ingestemd met voorliggend plan.

Beleidsregel verblijfsfunctie ruiters, grooms en stagiairs bij paardenhouderijen Op 17 februari 2020 is de “Beleidsregel verblijfsfunctie ruiters, grooms en stagiairs bij paardenhouderijen” van de gemeente Peel en Maas vastgesteld. Binnen iedere paardenhouderij in de bedrijfsvorm van een sportstal zijn zowel ruiters, grooms, als stagiaires actief en werkzaam. Zeker de grooms, maar ook de ruiters komen uit de hele wereld. Een vaste woon- of verblijfplaats in de (directe) omgeving komt in de meeste gevallen niet voor. Daarnaast zijn met name als gevolg van de toegenomen vraag naar goed opgeleid personeel opleidingsinstituten als Citaverde en HAS Hogeschool Venlo gestart met paard gerelateerde opleidingen. Binnen deze opleidingen bestaat de behoefte aan goede stageplekken waarbij huisvesting een voorwaarde is. Op basis van het nieuwe beleid kan er medewerking verleend worden aan het huisvesten van ruiters, grooms en stagiaires. Binnen de bestaande bebouwing zijn er 4 appartementen (3 x éénpersoons en 1 x tweepersoons) aanwezig voor huisvesting. Binnen de bestaande bebouwing is geen ruimte meer beschikbaar voor nieuwe appartementen. Daarom is er voor gekozen om de nieuwe appartementen te integreren in het nieuwe gebouw. Daarin worden 7 appartementen (6 x 1 persoon en 1 x 2 persoons) gemaakt. Daarmee kunnen er op de locatie in totaal 13 personen verblijven.

De beleidsregel gaat uit van gemiddeld gezien 1 ruiter en 1 groom per 10 paarden. In de beoogde omvang is er plaats voor 59 paarden. Dat komt dan neer op 12 personen (6 grooms en 6 ruiters). Het aantal te huisvesten personen sluit daarmee in hoofdlijn aan op het beleid. Bij de vormgeving en uitvoering van de appartementen zal er verder invulling gegeven worden aan de voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsregel. Dit betreft onder andere: 1. Locatie van de huisvesting: a. Zorgen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat: Uit de toetsing aan de milieuaspecten in hoofdstuk 5 blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. b. Omgeving plannen kenbaar maken (omgevingsdialoog): De plannen zijn kenbaar gemaakt bij de omgeving, hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen. c. Geen beperkingen opleveren voor omliggende bedrijven: Uit de toetsing aan de milieuaspecten in hoofdstuk 5 blijkt dat het plan geen beperkingen oplevert voor omliggende bedrijven. d. Past in het ruimtelijk beleid van de Provincie Limburg dan wel het Rijk: Uit de toetsing aan de beleidskaders in hoofdstuk 3 blijkt dat het voorgenomen plan past binnen de ruimtelijke kaders van de Provincie Limburg en het Rijk.

Vastgesteld

17

2. Logiesfunctie: a. De logiesfaciliteit mag het gehele jaar gebruikt worden: De logiesfaciliteit zal naar verwachting het gehele jaar in gebruik zijn vanwege de constante bezetting met paarden. b. De logiesfaciliteit mag alleen gebruikt worden door ruiters, grooms en/of stagiairs: De logiesfaciliteit zal alleen gebruikt worden door ruiters, grooms en/of stagiairs. c. Met een bedrijfsontwikkelingsplan moet de noodzaak voor logies en de aantallen van de ruiters, grooms en/of stagiairs aangetoond worden: In de beoogde situatie wordt huisvesting gerealiseerd voor 59 paarden. In de beleidsregel aan gegeven dat gemiddeld gezien een ruiter 10 paarden in training heeft en dat één ruiter wordt ondersteund door één groom en/of stagiair. Met huisvesting voor 13 personen wordt in hoofdlijn aangesloten op de beleidsregel. Aan dit aantal conformeert initiatiefnemer middels onderhavig planvoornemen. d. Het wijzigen van logiesfaciliteit naar bedrijfswoning is niet toegestaan: Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren, een bedrijfswoning is reeds aanwezig binnen het plangebied. e. Op het perceel moet een bedrijfswoning aanwezig zijn waar de eigenaar of gedelegeerde bedrijfsleider woont: Op het perceel is een bedrijfswoning aanwezig, welke bewoond wordt door initiatiefnemer. f.

Het moet gaan om huisvesting van ruiters, grooms en/of stagiairs die binnen de betreffende paardenhouderij werkzaam zijn: Hieraan conformeert initiatiefnemer zich, er zullen enkel personen gehuisvest worden die binnen het eigen bedrijf werkzaam zijn. 3. Kwaliteit van de huisvesting: a. Het gebruik van bestaande bebouwing staat voorop: een gedeelte van de huisvesting zal plaatsvinden in bestaande bebouwing. Deze is reeds gerealiseerd. b. Nieuwbouw mag alleen als in de bestaande bebouwing geen ruimte meer is: De bestaande bebouwing is volledig in gebruik, het is niet meer mogelijk om hier extra huisvestingsmogelijkheden te creëren. c. De oppervlakte per logieseenheid bedraagt niet meer dan 55 m 2: De oppervlakte per logieseenheid zal niet meer bedragen dan 55 m2. Dit wordt middels de planregels geborgd. d. De huisvesting moet kwalitatief goed zijn, waarbij minimaal voldaan dient te worden aan de actuele SNF-normen zijnde een minimum gebruiksoppervlak wonen van 12 m2: De oppervlakte per logieseenheid zal minimaal 12 m2 bedragen. Verder zal voldaan worden aan de actuele SNF-normen. 4. Parkeren: a. Er moet voldaan worden aan het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas vastgesteld op 19 juni 2018: Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen parkeren. Zie verder toetsing in hoofdstuk 5. 5. Landschappelijke inpassing: a.

Een nieuwe functie moet voldoen aan de regels en kaders voor landschappelijke inpassing die op dat moment gelden: Voor de locatie is in het kader van onderhavig bestemmingsplan een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie verder hoofdstuk 4. 6. Beheer en toezicht: a. Er moet een Toezicht- en beheerplan opgesteld zijn: Initiatiefnemer zal een toezichten beheerplan opstellen. Dit zal met de gemeente afgestemd worden. b. Men moet aangeven welke maatregelen er komen om overlast voor omwonenden te voorkomen: Initiatiefnemer zal een toezicht- en beheerplan opstellen, hierin worden ook

Vastgesteld

18

maatregelen opgenomen om overlast te voorkomen. Dit zal met de gemeente afgestemd worden. 7. Exploitatieverguning: a. Er dient een exploitatievergunning aangevraagd en verleend te worden: Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren. 8. Toezicht en handhaving: a. Er wordt handhavend opgetreden indien de wet- en regelgeving onvoldoende nageleefd wordt: Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren. 9. Ruimtelijke toestemming: a. In de ruimtelijke toestemming wordt vastgelegd dat de huisvesting ongedaan gemaakt moet worden als deze gedurende 1 jaar niet gebruikt wordt: Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren. Dit wordt eveneens geborgd in de planregels.

In onderstaande afbeeldingen wordt een impressie gegeven van de appartementen die in het nieuwe gebouw gerealiseerd worden.

Afbeelding 6 en 7. Impressie te realiseren appartementen.

In de regels van dit bestemmingsplan wordt in artikel 4.4.4 geborgd dat er niet meer dan 13 ruiters, grooms en/of stagiaires gehuisvest worden, het moet gaan om mensen die op het eigen bedrijf werkzaam zijn, per persoon tussen de 12 en 55 m2 verblijfsoppervlak beschikbaar is, de huisvesting voldoet aan de SNF norm voor huisvesting, er voldoende toezicht vanuit de bedrijfswoning plaatsvindt, er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en tenslotte dat indien het gebruik voor meer dan 1 jaar beëindigd is het niet meer opnieuw in gebruik mag worden genomen.

Vastgesteld

19

4. PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken het bestaande bouwvlak op de locatie Op den Bosch 5a te vergroten om zo de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw en bijbehorende voorzieningen te kunnen realiseren. Daarbij wordt de, ter plaatse van het beoogde bouwvlak gelegen, aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – quarantaine stal’ verwijderd. Met het vergroten van het bouwvlak is het mogelijk om de thans aanwezige loods te verplaatsen in de richting van de oostelijke perceelsgrens. In de loods kunnen vrachtwagens, machines en werktuigen gestald worden, evenals opslag van hooi en stro en andere materialen om een professionele paardenhouderij uit te oefenen. Door het verplaatsen van de loods wordt ruimte gecreëerd om een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren dat zal bestaan uit een verblijfsruimte voor ruiters, grooms en stagiaires, lounge/terras, royale binnenbak en huisvesting van paarden. Tevens ontstaat er binnen het nieuwe bouwvlak ruimte voor een overdekte stapmolen en longeercirkel Verder zal de huidige bestemmingsregeling voor het agrarische bedrijf overgenomen worden uit het vigerende bestemmingsplan ‘Paardenhouderij Op de Bosch 5a Baarlo’.

Afbeelding 8. Schetsmatige weergave uitbreiding bouwvlak. Geel omlijnd beoogde bouwvlak, blauw omlijnd bestaande

bouwvlak,

rode stippellijn is te verwijderen aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – quarantaine stal’.

Vastgesteld

20

Vanuit de Op den Bosch zal tussen de woningen met nummer 7 en 8 een “laan” gecreëerd worden die gaat functioneren als in- en uitrit voor het vrachtverkeer. Hiermee wordt het vrachtverkeer gescheiden van het verkeer met auto’s. Deze laan met het open afscheiding aan de straatzijde vormt tevens een onderdeel van de landschappelijke inpassing.

4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Het plan heeft geen effecten die tot een wijziging van de ruimtelijke uitstraling leiden. De woning en bestaande bedrijfsgebouwen op het voorerf blijven behouden zoals deze momenteel reeds aanwezig zijn. Met onderhavig plan wordt het mogelijk om op het achtererf, tegen de bosgrens, een nieuw bedrijfsgebouw met bijgebouwen zoals een loods en stapmolen te realiseren. Vanwege de ligging op het achtererf en de wijze van landschappelijke inpassing zullen deze gebouwen voor omwonenden en voorbijgangers vanaf de Op den Bosch nauwelijks waarneembaar zijn. Qua stedenbouwkundige aspecten wordt voor het nieuwe bedrijfsgebouw op het gebied van uitstraling en materiaalkeuze aangesloten bij de bestaande bedrijfsgebouwen. Daardoor oogt het straks als één geheel. Door de situering op het achtererf zal het stedenbouwkundige aanzicht van het plangebied vanaf de Op den Bosch nauwelijks veranderen.

Afbeelding 9. Impressie inrichting (gedeelte van het) terrein na realisatie nieuw bedrijfsgebouw en verplaatsen bestaande loods.

Vastgesteld

21

4.3 Landschappelijke inpassing Voor de locatie is door Ves Reijnders een inpassingsplan opgesteld. Dit inpassingsplan is terug te vinden in bijlage 1. Hierbij heeft de inpassing en het groen rondom de bestaande bebouwing als de basis gediend. Een afbeelding van de bestaande situatie is hieronder weergegeven.

Afbeelding 10. Bestaande situatie bebouwing en inpassingsmaatregelen

Ten noorden van het nieuwe gebouw ligt een singel bestaande uit Amerikaanse eiken. De eiken zijn kwalitatief gezien voor het merendeel deel slecht. Door deze singel zal een “slingerend” onderhoudspad worden aangelegd. Door plaatselijke kap, het weghalen van slechte en scheefhangende bomen zal deze singel een kwaliteitsverbetering ondergaan zodat de blijvende exemplaren de kans krijgen zich verder door te ontwikkelen tot volwaardige bomen. Rond de nieuwe schuur, stapmolen, longeercirkel en parkeerplaatsen zullen een 25-tal nieuwe bomen geplant worden (maat 20 – 25 cm bij aanplant) om zodoende op relatief korte termijn flinke bomen rond de bebouwing te krijgen. Er zullen verder grasvelden en andere beplanting worden aangebracht, deze maken echter geen onderdeel uit van het inpassingsplan. Deze zullen naar eigen inzicht worden aangeplant. Zoals aangegeven zal dit en omvang en kwaliteit vergelijkbaar zijn met de beplanting rond de bestaande bebouwing.

Vastgesteld

22

Afbeelding 11: situering van nieuwe bebouwing in het groen

Ook zal de bestaande natuurlijke infiltratievoorziening vergroot worden om zo het water afkomstig van het nieuwe dakoppervlak ter plaatse te kunnen infiltreren. Middels deze wijze van inpassen wordt het erf op een landschappelijke wijze ingepast. Na realisatie ligt allen bebouwing netjes ingepast in het groen. Omdat niet alle beplanting als inheems beschouwd wordt, wordt niet volledig voldaan aan de normen uit het gemeentelijke kwaliteitskader. Hiervoor zal een afdracht gedaan worden in het gemeentelijk groenfonds. Hierop is in paragraaf 3.3 reeds ingegaan.

Vastgesteld

23

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met het uitbreiden van het bouwvlak dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieu 5.1.1 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand rustige woonwijk 10 30 50 100 200 300 500 700 1000 1500

Richtafstand gemengd gebied 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk of daarmee vergelijkbaar gebied.

Vastgesteld

24

Tabel 1 Milieuzonering t.o.v. omliggende functies

Locatie

Functie

Op den Bosch 10

Glastuinbouw

Op den Bosch 1

Landgoed Cavalerie

de

SBI2008 011, 012 013 553, 552

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

10

10

30

10

Werkelijke afstand 90

30

0

50

30

210

In tabel 1 zijn voor de omliggende bedrijfsfuncties de richtafstanden afgezet tegen de werkelijke afstand. Bij het bepalen van de werkelijke afstand is uitgegaan van de afstand gemeten tussen de bouwvlakgrens van de locatie Op den Bosch 5a en de grens waarbinnen bij de locatie Op den Bosch 10 bedrijfsgebouwen opgericht mogen worden. Een deel van het bouwvlak is hier namelijk voorzien van een aanduiding waardoor er uitsluitend teeltondersteunende voorzieningen mogen worden opgericht. Bij Landgoed de Cavalerie is uitgegaan van de richtafstanden zoals voor kampeerterreinen en vakantiecentra en dergelijke. Uit bovenstaande tabel blijkt dat ten aanzien van omliggende functies voldaan kan worden aan alle richtafstanden. Op basis van de VNG brochure dienen er bij paardenhouderijen eveneens richtafstanden aangehouden worden. Deze afstanden zijn 50 meter voor geur, 30 meter voor stof en geluid en 0 meter voor gevaar. Aan de richtafstanden voor gevaar, stof en geluid wordt voldaan. Aan de richtafstand (bouwvlakbouwvlak) voor geur wordt niet voldaan voor de gevoelige objecten (woningen) aan Op den Bosch 2, 3a, 4, 5, 6 en 7 (allen gelegen in het buitengebied). Voor het onderdeel geur is niet de richtafstand bepalend, echter vormt de Wet geurhinder en veehouderij het exclusieve toetsingskader (zie ook paragraaf 5.1.6).

De bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij zijn doorvertaald in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierin wordt aangegeven dat de afstand tussen de gevel van dierenverblijven en geurgevoelige objecten in het buitengebied tenminste 25 meter dient te bedragen. Daarnaast dient de afstand tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het geurgevoelig object in het buitengebied tenminste 50 meter dient te bedragen. Aan beide afstanden wordt ruimschoots voldaan. De paardenhouderij valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiervoor zal gelijktijdig met de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen een melding ingediend worden. Het onderdeel milieuzonering vormt daarmee geen beperking voor onderhavig plan.

5.1.2 Geluid Het wettelijk kader bij ruimtelijke procedures is de Wet geluidhinder. Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet biedt geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart, op basis van zonering. Onderhavig initiatief behelst het vergroten van het bouwvlak voor het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw. Bedrijfsgebouwen (inclusief ruimte voor huisvesting ruiters, grooms en/of stagiaires) zijn geen geluidgevoelige objecten. Een toetsing aan de Wet geluidhinder is dan ook niet benodigd. Gezien de ligging van de nieuwe huisvestingsruimte voor ruiters, grooms en/of stagiaires op het achterterrein en daarmee op grote afstand van de openbare weg en andere activiteiten ligt het voor de hand dat hier sprake is vaan een aanvaardbaar verblijfsklimaat.

Vastgesteld

25

Geluid van het eigen bedrijf Geluidemissie vanuit agrarische bedrijven, in dit geval vanuit de paardenhouderij, wordt veroorzaakt door transportbewegingen, door activiteiten op het buitenterrein, door activiteiten binnen de gebouwen van de inrichting en door installaties aanwezig op het bedrijf. Conform de indicatieve bedrijvenlijst van de VNG wordt voor paardenhouderijen een richtafstand van minimaal 30 meter gehanteerd ten aanzien van geluid. De afstand van het te vergroten bouwvlak tot aan geluidgevoelige objecten, zijnde woningen van derden, bedraagt ruim meer dan 30 meter. Ten aanzien van het bestaande bouwvlak is reeds in de vorige bestemmingsplanprocedure aangetoond dat ten aanzien van geluid geen hinder optreedt ter plaatse van woningen van derden. De verwachting is dat het aantal verkeersbewegingen niet zal toenemen door onderhavig initiatief. Weliswaar zal het aantal bezoekers hoger worden, het aantal verkeersbewegingen door het eigen personeel zal afnemen. Door de vergroting van het aantal paardenboxen op deze locatie, zal namelijk minder afgereisd hoeven te worden naar externe locaties, waardoor ook minder vervoersbewegingen van eigen personeel, ruiters en grooms ontstaan. Verkeer dat het nieuwe bedrijfsgebouw wil bezoeken/bereiken wordt in de beoogde situatie opgesplitst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=fb81015d-7e49-408b-8e1a-b38dbf3fd9c1