CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-043 03 Toelichting Herziening woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel.pdf

Raad 6 juli 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “herziening woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel” (2021-043)16.074 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

4.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het besluitgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Hoofdstuk 4

31

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.

Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van acht woningen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Risicokaart Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Op de navolgende afbeelding volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland met daarop de ligging van het besluitgebied weergeven.

Hoofdstuk 4

32

Figuur 8 Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (blauwe pijl)

Vanwege de ligging nabij een hogedruk aardgasleiding is er een kwantitatieve risicoanalyse verricht. 7 Het onderzoek heeft als doel te bepalen of er wordt voldaan aan de grenswaarde ten aanzien van veiligheidsaspecten, zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Hiertoe wordt onder andere het groepsrisico bepaald. Daarnaast zijn in dit rapport de risico’s rondom het plangebied beschouwd en zijn de scenario’s inzichtelijk gemaakt. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die als bijlage aan dit bestemmingsplan is toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een korte samenvatting. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg Op circa 340 meter afstand ten noordwesten van het plangebied is de provinciale weg N273 gelegen. Via deze transportroute worden gevaarlijke stoffen vervoerd in categorie LF1, LF2, LT1, LT2, GF3, GT3. Er moet rekening gehouden worden met een invloedsgebied van 730 meter voor LT1, 880 meter voor LT2, 355 meter voor GF3 en 560 meter voor GT3. Het plangebied is niet binnen 200 meter van de N273 gelegen. Een kwantitatieve risicoanalyse is derhalve niet noodzakelijk. Wel wordt voor de N273 een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Op circa 490 meter ten zuiden van het plan is de Maascorridor gelegen.

Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd in categorie LF1, LF2, LT1, GF3, GT3. Op grond van het transport van gevaarlijke stoffen moet rekening gehouden worden met

7

Econsultancy, Onderzoek externe veiligheid woningbouwontwikkeling Molengaerde te Kessel, Rapportnummer: 12866.004, versienummer D1, d.d. 18 januari 2021

Hoofdstuk 4

33

een invloedsgebied van 600 meter voor stofcategorie LT1 en 1.070 meter voor GT3. Een kwantitatieve risicoanalyse voor de Maascorridor is niet noodzakelijk. Wel wordt voor de Maascorridor een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Inrichtingen Aan de Baarloseweg 42, 850 meter ten noordoosten van het plangebied, is de inrichting Bex BV gelegen. De contour met een plaatsgebonden risico van 10-6 is op 20 meter tot de risicobron gelegen. De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege de aanwezigheid van een bovengrondse propaantank (inhoud 4.850 liter). Het plangebied is op ruim voldoende afstand van de inrichting gelegen. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Risicovol transport buisleiding In de nabijheid van het plangebied zijn een tweetal buisleidingen aanwezig. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de kenmerken van deze leidingen. leiding

naam

beheerder

diameter [inch]

werkdruk [bar]

inventarisatieafstand [m]

3

Z-513-01

Gasunie Grid Services

8,35

40

95

4

A-520-01

Gasunie Transport Services

12,67

66,20

170

De woningen zijn op ruim 240 meter van buisleiding A-520-01 gelegen en vallen buiten de inventarisatieafstand. Een kwantitatieve risicoanalyse is voor deze buisleiding niet noodzakelijk. De woningen zijn wel binnen de inventarisatieafstand van buisleiding Z-513-01 gelegen, een kwantitatieve risicoanalyse is derhalve noodzakelijk. Kwantitatieve risicoanalyse Voor de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de buisleiding is gebruik gemaakt van het softwarepakket Carola versie 1.0.0.52. De transportgegevens van de leiding zijn via de gemeente Peel en Maas aangeleverd door exploitant Gasunie. Het aandachtsgebied is een gebied parallel aan de leiding met een lengte van tenminste 1 km aan weerszijden van het plan. Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het groepsrisico als gevolg van de buisleiding ruim lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Het plaatsgebonden risico als gevolg van de buisleiding ter hoogte van het onderzoeksgebied is lager dan 10-6/jaar en voldoet daarmee aan de grenswaarde. Maatgevend scenario is een fakkelbrand door leidingfalen. De kans op leidingfalen is uiterst klein en doet zich in feite alleen voor wanneer op of rond de leiding werkzaamheden worden uitgevoerd. De kans op slachtoffers kan verder worden beperkt door bewoners vooraf te informeren over aanstaande werkzaamheden, de mogelijke scenario’s en hoe hierop te handelen.

Het voorschrijven van strikter toezicht tijdens werkzaamheden verkleint de kans op calamiteiten. Geadviseerd wordt aan de zijde van de buisleiding rekening te houden met brandwerende en -vertragende materialen.

Hoofdstuk 4

34

De conclusie van de risicoanalyse is vooral, dat het groepsrisico laag is en niet toeneemt. Daardoor hoeft het besluit geen bronmaatregelen te overwegen of anderszins het groepsrisico te beperken. Advies Deskundigenpool RUD Limburg Noord Op 11 september 2020 heeft de deskundigenpool van de RUD Limburg Noord een advies afgegeven. 8 Dit advies is toegevoegd aan dit bestemmingsplan onder bijlage 6. Dit advies heeft geleid tot een kleine aanpassing in de onderzoeksrapportage (bijlage 5). Vervolgens is het bestemmingsplan ter advisering voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Advies Veiligheidsregio Bij brief van 23 september 2020 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een advies afgegeven.9 Het volledige advies is als bijlage 7 aan deze toelichting toegevoegd. De Veiligheidsregio spreekt zich uit over de relevante aspecten externe veiligheid, zijnde het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas en nabije ligging van de hogedruk aardgasbuisleiding. Vervoer gevaarlijke stoffen maascorridor Grootste risico is het vrijkomen van ammoniak (toxisch scenario) bij een incident met een binnenvaarttanker. Voor wat betreft een incident vanuit de Maascorridor met toxische stoffen zijn geen bronmaatregelen mogelijk. Wel wordt geadviseerd de woningen te voorzien van mogelijkheden om de natuurlijke- of mechanische ventilatie af te sluiten.

Bij natuurlijke ventilatie kan dit bijvoorbeeld door middel van het sluitmogelijkheid van de ventilatieroosters. Indien de woningen worden voorzien van mechanische ventilatie, kan hiervoor op een goed bereikbare plek, zoals bijvoorbeeld de meterkast, een schakelaar geplaatst worden om de mechanische ventilatie uit te schakelen bij een calamiteit. Daarnaast wordt gewezen op risicocommunicatie in de vorm dat bewoners van de woningen op de hoogte zijn van de risico’s uit de omgeving en de aanwezige voorzieningen in het gebouw, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident. Fakkelbrand hogedruk aardgasleiding Een dergelijk risico is het grootst bij werkzaamheden aan de leiding. De effecten op de omgeving zijn hittestraling en rook. Omdat de kans op een incident met de aardgasbuisleiding het hoogst is tijdens (grond)werkzaamheden zijn maatregelen ter voorkoming hiervan het effectiefst (bronmaatregelen). De Veiligheidsregio adviseert daarom samen met de leidingexploitant mitigerende maatregelen te onderzoeken, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van betonnen dekplaten, waarschuwingslinten of het aanbrengen van extra RUD Limburg Noord, Beoordeling externe veiligheid bestemmingsplan “Woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel”, Versie: 20130613-PPCrv1.0, d.d.

11 september 2020 9 Veiligheidsregio Limburg-Noord, Beoordeling bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel”, Kenmerk: 2020-001967, d.d. 23 september 2020 8

Hoofdstuk 4

35

gronddekking. Daarnaast kan voor eventuele werkzaamheden in de nabijheid van de buisleiding verscherpt toezicht en begeleiding plaatsvinden vanuit het bevoegd gezag en kunnen de omwonenden geïnformeerd worden over de werkzaamheden en mogelijke risico’s. Effectbeperkende maatregelen zijn:  Het toepassen van onbrandbare of brandwerende materialen (minimaal brandklasse B conform NEN-EN13501-1) aan de nieuw te bouwen woningen vertraagd de snelheid waarmee een brand zich kan ontwikkelen aan de woning bij een fakkelbrand. Hiermee wordt de overlevingskans van de aanwezige personen in de woningen vergroot.  Zorg dat bewoners van de woning via de achterzijde van de woning onder beschut weg kunnen vluchten van de risicobron af. En ook hier geldt een goede communicatie over de mogelijke risico’s. Conclusie Uit het voorgaande volgt dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen oplevert voor onderhavige ontwikkeling.

4.5 Milieuzonering Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd). Toetsing In de directe omgeving van het plan is sprake van matige functiemenging (zie ook hoofdstuk 3). Omdat echter de bestemming ‘wonen’ dominant aanwezig is, wordt het gebied getypeerd als rustige woonwijk.

Hoofdstuk 4

36

De nabijgelegen functies zijn nader beschouwd in een onderzoeksrapportage die als bijlage 8 aan dit bestemmingsplan is toegevoegd.10 Uit de rapportage volgt dat drie woningen zijn gelegen binnen de richtafstand van omliggende bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Maatschappelijk’. Het betreft hier respectievelijk een loods waar ‘Scoutingactiviteiten’ door O.J.C. De Hobbits en repetities van een muziekvereniging plaatsvinden, alsmede een brandweerkazerne. Beide functies zijn ten noordoosten van het plangebied gelegen. In de avondperiode wordt de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in rustig gebied uit stap 2 overschreden als gevolg van activiteiten binnen de naastgelegen inrichting van OJC, met de Muziekvereniging in onderhuur. Wel wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 3 en de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit. Ook de indirecte hinder voldoet aan de richtwaarden. Het maximale geluidniveau overschrijdt zowel de richtwaarden als grenswaarden. De overschrijding wordt veroorzaakt door het sluiten van een autoportier aan de voorzijde van het pand. Deze activiteit is te kenmerken als ‘komen en gaan van bezoekers’ en wordt onder het Activiteitenbesluit uitgesloten van toetsing. Bovendien mag worden gesteld dat het geluid van parkerende auto’s inherent is aan een woonomgeving en daarom per definitie aanvaardbaar is te noemen.

Aan de achterzijde van de woningen wordt in de avondperiode de richtwaarde uit stap 2 overschreden als gevolg van luid schreeuwende kinderen. Stemgeluid wordt in het Activiteitenbesluit uitgezonderd van toetsing, zodat aan die grenswaarde wordt voldaan. Ook als gevolg van de activiteiten bij de brandweerkazerne worden de richt- en grenswaarden overschreden. Per jaar wordt hooguit 30 x uitgerukt, een beperkt aantal daarvan (maar mogelijk meer dan 12) wordt zonder sirene uitgerukt. Bij toetsing aan de grenswaarden aan het Activiteitenbesluit wordt wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveau hieraan voldaan. De geluidsbelasting in het kader van indirecte hinder is aanvaardbaar te noemen. Conclusie Vanuit het aspect ‘milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen voor het beoogde initiatief.

4.6 Geurhinder en veehouderijen Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Worden omliggende agrarische bedrijven als gevolge van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? 2. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat in de betreffende woning?

10

Econsultancy, Bedrijven en milieuzonering Schijfweg-Zuid te Kessel, rapportnummer 12866.002, versienummer D1, d.d. 17 juli 2020

Hoofdstuk 4

37

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. De achtergrondwaarde uit de in 2018 indicatieve berekeningen geeft aan dat de milieukwaliteit goed is. In de directe omgeving zijn geen veehouderijen gelegen. De dichtstbijzijnde veehouderij (paardenhouderij) is gelegen op een afstand van 575 meter en voldoet ruimschoots aan de minimale afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom. Door de bestemmingswijziging worden omliggende veehouderijen dan ook niet gehinderd in hun bedrijfsvoering. Daarnaast zijn reeds veel meer woningen gelegen dichterbij de diverse intensieve veehouderijen. Conclusie Het onderdeel geur vormt geen beperkende factor voor onderhavig planvoornemen.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;  Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Binnen het vigerende bestemmingsplan is geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ van toepassing. Op 28 juni 2011 heeft de gemeenteraad van Peel en Maas het gemeentelijke archeologiebeleid in de vorm van het Beleidsplan archeologie vastgesteld. De laatste bijbehorende archeologische beleidskaart dateert van juli 2012. Op de beleidskaart wordt een 7-tal waarden archeologie onderscheiden. Categorie 1 kent de hoogste verwachtingswaarde en categorie 7 de laagste verwachtingswaarde. De verwachtingswaarde geeft op basis van de verstoringsoppervlakte en de verstoringsdiepte aan of er een onderzoeksplicht geldt.

De onderzoeksplicht bestaat in hoofdzaak uit veldwerkzaamheden (bureauonderzoek is grotendeels verricht bij het opstellen van de waarden- en verwachtingenkaart) om te bepalen of er archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Op basis van de resultaten zullen eventuele maatregelen worden getroffen om mogelijke archeologische waarden veilig te stellen. Dit kan nog leiden tot archeologievriendelijke bouwwijze dan wel proefsleuvenonderzoek (al dan niet gevolgd door een opgraving). Daar waar een lage verwachting geldt, is verder geen archeologisch onderzoek nodig. In de andere verwachtingsgebieden moet, indien de grond dieper dan 40 cm wordt verstoord, mogelijk archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 4

38

Ingevolge de ‘Archeologische beleidskaart’ van de gemeente Peel en Maas is sprake van een lage of onbekende verwachting. Dit betekent dat geen nader archeologisch onderzoek meer plaats hoeft te vinden.

Figuur 9 Uitsnede archeologische beleidskaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Cultuurhistorie De nabij gelegen Sint Anthoniusmolen aan de Roode Eggeweg is een cultuurhistorisch rijksmonument. Het betreft hier een gesloten standerdmolen uit ongeveer 1860. De molen geniet in ieder geval bescherming voor wat betreft de eerder genoemde molenbiotoop, maar ligt ver genoeg van het plangebied, zodat de monumentale status door de nieuwbouw niet kan worden aangetast. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn langs de historische wegen van Kessel, waaronder de Baarskampstraat, diverse panden aangewezen als MIP-object (Monumenten Inventarisatie Project). De Baarskampstraat is aangewezen als ‘weg uit periode 1806-1890’. Daarnaast is de Schijfweg aangewezen als ‘andere weg ouder dan 1806’. Op deze wegen wordt middels de voorliggende ontwikkeling geen invloed uitgeoefend. Vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden zijn er dan ook geen belemmeringen voor dit initiatief. Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er geen belemmeringen vanuit archeologie en cultuurhistorie voor de realisatie van het initiatief.

Hoofdstuk 4

39

4.8 Natuurwaarden De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014).

De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een

Hoofdstuk 4

40

goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Toetsing Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is onderstaand nader ingegaan op de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Swalmdal’ en ‘Leudal’ bevinden zich op respectievelijk 4,6 kilometer afstand ten zuiden en 6,8 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van licht en geluid uitgesloten. Wel is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten als gevolg van de ontwikkeling.

Derhalve is de stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied berekend.11 Uit deze berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de in bijlage 9 opgenomen onderzoeksrapportage. Het plangebied is verder niet gelegen binnen of in de nabijheid van de goudgroene natuurzone (de NNN). De wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN zullen daarom niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Aangezien bij de werkzaamheden geen (onderdelen van) houtopstanden worden gekapt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming In de huidige situatie is het plangebied braakliggend en er is dan ook geen sprake van noemenswaardige natuurwaarden. Conclusie Vanuit het aspect natuurwaarden zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de onderhavige bouwontwikkeling.

11

BRO, Aeriusberekening Molengaerde Kessel, Projectnr. P03224, d.d. 7 juli 2020.

Hoofdstuk 4

41

4.9 Leidingen en infrastructuur Direct ten zuidoosten van het plangebied is een gasleiding gelegen. Een deel van de beschermingszone is gelegen in het plangebied. In hoofdstuk 4.4 zijn de effecten van deze leiding nader toegelicht. De beschermingszone wordt opgenomen in dit bestemmingsplan. Verder zijn er geen andere kabels of leidingen gelegen met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw.

4.10 Verkeerskundige aspecten 4.10.1 Verkeer Oorspronkelijk waren op deze locatie drie vrijstaande woningen voorzien. In dit bestemmingsplan is sprake van acht grondgebonden (patio)woningen. Dit betekent dus een toename van vijf woningen. De verkeersgeneratie is berekend op basis van de CROW-rekentool (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 318). Hierbij is uitgegaan van een niet stedelijke gemeente in de schil van het centrum. Voor de eerder beoogde drie vrijstaande woningen bedraagt de verkeersgeneratie gemiddeld 14,3 mvt/etmaal. Voor de toekomstige acht geschakelde koopwoningen bedraagt de verkeersgeneratie 58,4 mvt/etmaal. Deze toename van 44,1 mvt/etmaal kan volledig worden opgevangen binnen de bestaande wegenstructuur en zal niet tot knelpunten leiden. 4.10.2 Parkeren Op het plangebied is het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeernota Peel en Maas van toepassing. Hierin zijn regels opgenomen voor parkeren. In dit bestemmingsplan is een dynamische verwijzing opgenomen naar de op 3 juli 2018 vastgestelde ‘Nota parkeernormen Peel en Maas 2018’. De te realiseren woningen zijn beoogd voor senioren. Ingevolge de ‘Nota parkeernormen Peel en Maas 2018’ geldt voor een seniorenwoning, gelegen binnen de bebouwde kom, een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen.

In dit geval dienen in totaal 12 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd op eigen terrein, tenzij op grond van het gemeentelijk parkeerbeleid hiervan afgeweken kan worden. Binnen het onderhavige plangebied worden 9 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Hoofdstuk 4

42

De onderhavige ontwikkeling maakt echter onderdeel uit van de totaalontwikkeling Molengaerde. Binnen deze totaalontwikkeling zijn parkeerplaatsen op eigen terrein en extra parkeerplaatsen in het openbaar gebied ‘Aan de Hagendoorn’ gerealiseerd. Een en ander is weergegeven op een situatie die als bijlage 10 aan deze toelichting is toegevoegd. Daarnaast blijft langsparkeren aan de Schijfweg – Zuid mogelijk, zoals ook is weergegeven op onderstaande foto uit het eerder genoemde beeldkwaliteitsplan (Bijlage 5).

Het parkeren bij de woningen gebeurt op eigen terrein. Het bezoekers parkeren wordt opgevangen in de Aan de Hagendoorn. Vanwege de overdimensionering van het aantal parkeerplaatsen in het openbaar gebied hoeft het profiel van de inrichting hier niet aangepast te worden. Rekening houdend met de parkeernorm bij de (reeds gerealiseerde) woningen in de Aan de Hagendoorn en de 8 te realiseren levensloopbestendige woningen aan de Schijfweg-Zuid (de woning op de hoek van de Baarskampstraat krijgt twee parkeerplaatsen op eigen terrein) is met een totaal van 40 parkeerplaatsen op eigen terrein en in het openbaar gebied ruimschoots aan de parkeernorm voldaan. Vanuit het aspect parkeren zijn er dan ook geen belemmeringen te verwachten.

Hoofdstuk 4

43

4.11 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. De belangrijkste eis daarvoor is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt als eis een EPC-waarde van 0,4. Hieraan zullen ook de woningen binnen het plangebied moeten voldoen. Naast de Energie Prestatie Coëfficiënt zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen.

Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat nieuwe woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet.

4.12 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.

Hoofdstuk 4

44

De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn.

De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater De stromingsrichting van het grondwater is zuidoostelijk. Het grondwater bevindt zich ter plaatse van de onderzoekslocatie op een diepte van circa 19 m+NAP. De hoogteligging van de locatie bedraagt circa 25 m+NAP. Op basis hiervan kan het grondwater op de onderzoekslocatie op een diepte van circa 6 m-mv aangetroffen worden. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterwingebied of beschermingsgebied. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en de directe omgeving bevindt zich geen oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt ook geen primair oppervlaktewater gerealiseerd. Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater dient te worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Ten behoeve van fase 1 is reeds een nadere uitwerking opgesteld. Daarbij is rekening gehouden met een dakoppervlak van maximaal 123 m 2 en een aangesloten terreinverharding van 25 m 2.

Hoofdstuk 4

45

Conform de richtlijnen van het Waterschap Limburg dienen toekomstige hemelwatervoorzieningen in Noord- en Midden-Limburg gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm per vierkante meter verhard oppervlak met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur. Op basis van het huidige bouwplan voor fase 1 (noordoostzijde van Aan de Hagendoorn) bedraagt de toekomstige hoeveelheid verhard oppervlak in het plangebied circa 148 m 2 . Gezien deze verwachte toename aan verhardingen dient binnen het plangebied voorzien te worden in een bergings- of infiltratiecapaciteit van (148 x 0,1) 14,8 m3 . Het voornemen bestaat om hierin te voorzien door middel van twee geperforeerde infiltratieputten met een diameter van 2.800 mm en een hoogte van 1.600 mm (inhoud 7.500 liter). De inhoud van beide infiltratievoorzieningen bedraagt dan in totaal 15.000 Iiter (15,00 m3). De infiltratievoorziening wordt uitgevoerd met een noodoverstort die bovengronds wordt aangelegd en voorzien is van een terugslagklep. De infiltratievoorziening aan de zuidwestzijde van Aan de Hagendoorn wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Overleg waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket.

De totale omvang van het plangebied bedraagt 2.235 m2. De toename van de hoeveelheid verhard oppervlak zal minder bedragen dan 2.000 m². Voor het overige zijn er evenmin Waterschapsbelangen in het geding, waardoor het bestemmingsplan niet aan het Waterschap behoeft te worden voorgelegd. Conclusie Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van acht woningen in de kern Kessel. Thans zijn ter plaatse drie woningen toegestaan en daaraan worden middels dit plan vijf woningen toegevoegd. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Hoofdstuk 4

46

Blijkens jurisprudentie12 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een netto toename met vijf wooneenheden binnen een bestaande dorpskern. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als (de uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r..

Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

12

O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).

Hoofdstuk 4

47

5.

UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). De toepassing van de Grexwet richt zich voor het afdwingbare kostenverhaal, op bouwplannen.

De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Bro:  de bouw van een of meerdere woningen;  de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²;  de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Aangezien dit initiatief ziet op het bouwen van acht woningen is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waardoor een verplichting geldt tot kostenverhaal. In het kader van het kostenverhaal zal tussen gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst worden afgesloten.

Hoofdstuk 5

48

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening dient een (concept) ontwerp bestemmingsplan te worden voorgelegd aan de daartoe in aanmerking komende instanties, zoals de provincie Limburg. 5.2.2 Zienswijzenprocedure Het ontwerp bestemmingsplan zal overeenkomstig het bepaalde in de Wro gedurende 6 weken ter inzage liggen met de mogelijkheid voor een ieder om een zienswijze op het plan in te dienen. 5.2.3 Procedure bestemmingsplan De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan.

De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 5

49

6.

JURIDISCHE TOELICHTING 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000.

6.3 Toelichting op de regels Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012), de gemeentelijke standaard en het vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemming gegeven; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels;

Hoofdstuk 6

50

Hoofdstuk 4:

Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. 6.2.1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening/ Wabo overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  Bestemmingsomschrijving  Bouwregels  Nadere eisen  Afwijken van de bouwregels  Specifieke gebruiksregels  Afwijken van de gebruiksregels  Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden  Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk  Wijzigingsbevoegdheid Duidelijk zal zijn dat een bestemming niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Wonen - 2 De voor ‘Wonen - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen.

Binnen deze bestemming zijn maximaal acht woningen toegestaan. Ter plaatse van deze bestemming zijn specifieke bouwregels en aanduidingen opgenomen. Binnen de bestemming ‘Wonen -2’ zijn naast wonen, ondergeschikt en onder voorwaarden ook aan huis gebonden beroepen en kleinschalige aan huis gebonden bedrijven, evenementen, tuinen en erven, groenvoorzieningen, paden, ontsluitings- en parkeervoorzieningen,

Hoofdstuk 6

51

alsmede boven- en /of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan. Leiding – Gas Voor de beschermingszone rond de gasleiding aan de Schijfweg-Zuid, die direct ten zuidoosten van het plangebied is gelegen, is de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ opgenomen, overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en het beheer van de gasleiding. 6.2.3 Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels zijn regelingen over ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en bestaande maten en afstanden opgenomen. De Algemene gebruiksregels bevatten een algemeen gebruiksverbod en een beschrijving van hetgeen dat wordt verstaan onder strijdig gebruik. De Algemene aanduidingsregels zien op de van toepassing zijnde gebiedsaanduidingen in het plangebied. In dit artikel is de regeling voor de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ opnomen ter bescherming van de molenbiotoop van de nabij gelegen Sint Anthoniusmolen.

De regels die gelden ter plaatse van deze gebiedsaanduidingen zijn overgenomen van het geldende bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’. In de Algemene afwijkingsregels zijn enkele mogelijkheden opgenomen om af te kunnen wijken van de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen. De Algemene wijzigingsregels verschaffen het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de Overige regels zijn een verwijzing naar de geldende wet- en regelgeving en een parkeerregeling opgenomen. 6.2.4 Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

Hoofdstuk 6

52

In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan moeten worden aangehaald.

Hoofdstuk 6

53

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=d2a61f18-5d14-4d8e-b8ee-0f84533a486a