CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-043 03 Toelichting Herziening woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel.pdf

Raad 6 juli 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “herziening woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel” (2021-043)16.074 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel’ Gemeente Peel en Maas Ontwerp

Bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel’ Gemeente Peel en Maas Ontwerp

Rapportnummer:

P03224

IMRO-IDN-nr:

NL.IMRO.1894.BPL0237-ON01

Datum:

22 maart 2021

Opdrachtgever:

Gemeente Peel en Maas

Projectteam BRO:

HL

Concept:

24 juli 2020

Ontwerp:

22 maart 2021

Vaststelling: Trefwoorden:

Bestemmingsplan, woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel, gemeente Peel en Maas.

Bron foto kaft:

BRO 17

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave 1.INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 7

2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

8 8 9 11

3.UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID 3.1Rijksbeleid

13 13

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 AMvB Ruimte (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid

13 14 15 15 16

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie 3.3Regionaal beleid

16 17 17 19

3.3.1 Regionale woonvisie Noord Limburg 2020-2024 3.4Gemeentelijk beleid

19 21

3.4.1 Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen Peel en Maas 3.4.2 Beleidsregel Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 3.4.3 Kaderstelling Ruimte en Economie 3.4.4 Nota Ruimtelijke Kwaliteit 3.5Afweging beleidskader

21 23 23 25 26

4.Sectorale aspecten 4.1 Bodem 4.2 Geluid 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Externe veiligheid

Inhoudsopgave

27 27 28 30 31

1

4.5 Milieuzonering 4.6 Geurhinder en veehouderijen 4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.8 Natuurwaarden 4.9 Leidingen en infrastructuur 4.10 Verkeerskundige aspecten

36 37 38 40 42 42

4.10.1 Verkeer 4.10.2 Parkeren 4.11 Duurzaamheid 4.12 Waterparagraaf 4.13 M.e.r.-beoordeling

42 42 44 44 46

5.Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48 48 49

5.2.1 Wettelijk vooroverleg 5.2.2 Zienswijzenprocedure 5.2.3 Procedure bestemmingsplan

49 49 49

6.Juridische toelichting 6.1 Inleiding 6.2 Toelichting op de verbeelding 6.3 Toelichting op de regels

50 50 50 50

6.2.1 Inleidende regels 6.2.2 Bestemmingsregels 6.2.3 Algemene regels 6.2.4 Overgangs- en slotregels

51 51 52 52

SEPARATE BIJLAGEN: Bijlage 1: Molenbiotoop Bijlage 2: Vooronderzoek bodem Bijlage 3: Vervolgonderzoek bodem Bijlage 4: Akoestisch onderzoek Bijlage 5: Externe veiligheid Bijlage 6: Advies externe veiligheid RUD Bijlage 7: Beoordeling Veiligheidsregio externe veiligheid Bijlage 8: Rapport bedrijven en milieuzonering Bijlage 9: Aeriusnotitie Bijlage 10: Situatie parkeren Bijlage 11: Beeldkwaliteitsplan

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Op de hoek van de Baarskampstraat en de Schijfweg-Zuid worden grondgebonden woningen gebouwd. Het betreft hier de inbreidingslocatie Molengaerde waar oorspronkelijk in totaal 20 vrijstaande woningen waren voorzien. Inmiddels is een aantal woningen gerealiseerd en is in het plangebied voorzien in een ontsluiting in de vorm van een cul-de-sac ‘Aan de Hagendoorn’. Aan de Schijfweg-Zuid was in het oorspronkelijke plan voorzien in drie vrijstaande woningen op ruime kavels. Naar dit soort kavels is echter steeds minder vraag en in overleg met de gemeente Peel en Maas is gekeken naar een alternatieve invulling waarbij ook woningbouw in een ander segment kan plaatsvinden. Met name blijkt behoefte te zijn aan kleinere levensloopbestendige woningen. De kavels aan de Schijfweg-Zuid zijn vervolgens uitgewerkt tot een nieuwe verkaveling waarop in totaal acht grondgebonden (patio)woningen worden gerealiseerd. Dit betekent een toename van vijf woningen in vergelijking met het oorspronkelijke plan. Het woningbouwplan wordt gefaseerd uitgevoerd. Zodra de fase I (kavel 12 aan de noordoostzijde van ‘Aan de Hagendoorn’) verkocht is krijgt fase II (kavel 3 en 4 aan de zuidwestzijde van ‘Aan de Hagendoorn’) zijn definitieve invulling. Beide fasen worden meegenomen in dit nieuwe bestemmingsplan.

In het thans vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’ is niet voorzien in de bouw van meer woningen. Daarnaast worden de beoogde (patio) woningen ook anders georiënteerd, namelijk naar de Schijfweg-Zuid in plaats van naar de nieuwe ontsluitingsweg ‘Aan de Hagendoorn’. Het beoogde bouwplan is dan ook in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden de gewenste ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in de kern Kessel. Kessel is een van de elf dorpen binnen de gemeente Peel en Maas en gelegen aan de zuidoostzijde van deze gemeente tussen de Napoleonsbaan (N273) en de rivier de Maas. Het dorp wordt verder omgeven door land- en tuinbouwgronden en agrarische bedrijvigheid. De planlocatie is meer specifiek gelegen op de hoek Baarskampstraat en de Schijfweg-Zuid en kadastraal bekend als Kessel sectie E nrs. 1485, 1494 en 1497.

Hoofdstuk 1

3

De Baarskampstraat is de belangrijkste verbinding tussen de Napoleonsbaan en het centrum van Kessel en de Schijfweg-Zuid maakt onderdeel uit van een doorgaande verbinding vanuit Kessel-Eik in noordoostelijke richting. Het betreft hier overwegend een woongebied met enkele lichte bedrijfsmatige functies.

Figuur 2 Uitsnede topografische kaart met ligging plangebied (blauwe pijl)

Figuur 1 Luchtfoto met ligging plangebied (rode pijl)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’ dat op 25 februari 2015 door de gemeenteraad van Peel en Maas is vastgesteld. Binnen het gehele plangebied geldt de bestemming ‘Wonen - 2’. Aan de zijde van de Schijfweg – Zuid geldt de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ en binnen het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. Daarnaast geldt het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas’. Dit bestemmingsplan wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4.9.2 van de onderhavige toelichting.

Figuur 3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan met ligging plangebied (rood omlijnd)

Bestemming ‘Wonen’ De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; met daaraan ondergeschikt (en overeenkomstig de daartoe strekkende regels): b. een beroep of bedrijf aan huis; c. bestaande bed en breakfasts; d. evenementen; e. bestaande mantelzorgvoorzieningen en inwoning; f. tuinen en erven; g. groenvoorzieningen;

Hoofdstuk 1

5

h. paden, ontsluitings- en parkeervoorzieningen; i. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming is het aantal woningen gemaximeerd. Binnen deze stroken zijn thans drie vrijstaande woningen toegestaan. Het onderhavige plan ziet echter op de realisering van in totaal acht grondgebonden (patio)woningen. Omdat bij dit planvoornemen vijf extra woningen worden gerealiseerd, past deze woningbouwontwikkeling niet in het bestemmingsplan. Daarnaast worden de woningen georiënteerd aan de Schijfweg-Zuid terwijl in het huidige bestemmingsplan de gevellijn (voorzijde woningen) naar ‘Aan de Hagendoorn’ is gericht. Dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ Aan de zijde van de Schijfweg-Zuid is een leidingstrook gelegen ten behoeve van een gasleiding die onder de weg is gelegen. Deze leidingstrook heeft de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’. De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een ondergrondse leiding voor het transport van gas met de daarbij behorende beschermingszone. Ter plaatse van deze leidingstrook mag niet worden gebouwd en mogen bepaalde grondwerken en grondwerkzaamheden niet plaatsvinden. De bebouwing wordt volledig buiten de dubbelbestemming opgericht. Wel vinden er binnen de dubbelbestemming diverse grondwerken plaats.

Indien de leidingbeheerder hiermee akkoord gaat kan hiervoor een omgevingsvergunning worden afgegeven. In hoofdstuk 4.4, komt aan de orde of de onderhavige bebouwing en de bijbehorende grondwerkzaamheden in het kader van het aspect externe veiligheid toelaatbaar worden geacht. Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone-molenbiotoop' zijn de gronden primair bestemd voor de bescherming van de belevingswaarde en het functioneren van de molen. Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ geldt dat ongeacht wat in de regels voor de op deze gronden rustende bestemming is bepaald, ter plaatse niet mag worden gebouwd voor zover de windvang van de molen daardoor in onevenredige mate wordt aangetast. Uitgangspunt hierbij is dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt. De onderhavige molenbiotoop heeft betrekking op de Sint Anthoniusmolen aan de Roode Eggeweg (zijstraat ten noordoosten van de Baarskampstraat) te Kessel. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 185 meter van het hart van de molen. De beoogde bebouwing zal op grotere afstand van de molen, circa 190 / 195 meter, worden gerealiseerd.

Hoofdstuk 1

6

Voor de bepaling van de toegestane bouwhoogtes gelden de hoogtes, zoals opgenomen op in de navolgende matrix:

Afstand tot de molen

Maximale bouwhoogte

100

4,5

150

5,5

200

6,5

250

7,5

300

8,5

Hieruit volgt dat de bebouwing maximaal 5,5 meter hoog mag zijn. De beoogde drie woningen in de eerste fase worden met een kap gerealiseerd en hebben een bouwhoogte van 7,85 meter. De bouwhoogte van de woningen in de tweede fase is nog niet bekend. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om af te wijken van deze bebouwingshoogte middels een omgevingsvergunning indien vooraf advies is ingewonnen bij de beheerder van de molen. In het kader van dit bestemmingsplan zal hiermee rekening worden gehouden en deze gebiedsaanduiding wordt dan ook opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. In ieder geval levert de aanwezigheid van een molenbiotoop geen belemmeringen op voor het onderhavige bouwplan. In hoofdstuk 2.3 wordt de molenbiotoop nader toegelicht.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van de bestaande situatie en de beoogde ontwikkelingen is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse milieu- en onderzoeksaspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. Ten slotte is in hoofdstuk 7 een beschrijving van de verdere procedure opgenomen en wordt ingegaan op overleg en inspraak.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie Het plangebied omvat de gronden die deel uitmaken van een nieuwe woningbouwontwikkeling op de hoek Baarskampstraat en Schijfweg – Zuid oftewel inbreidingslocatie Molengaerde. Een aantal van de beoogde woningen en de nieuwe ontsluiting ‘Aan de Hagendoorn’ is reeds gerealiseerd of in aanbouw. De kavels die direct aan de Schijfweg – Zuid zijn gelegen zijn thans nog onbebouwd en hier wordt het woningbouwprogramma aangepast. Ter plaatse worden namelijk acht (patio)woningen gerealiseerd in plaats van 3 vrijstaande woningen. De betreffende kavels zijn kadastraal bekend als Kessel sectie E nrs. 1485, 1494 en 1497 en alleen deze kavels worden opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Het totale plangebied heeft een omvang van circa 2.235 m 2.

Figuur 4 Luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)

Hoofdstuk 2

8

2.2 Toekomstige situatie De beoogde verkaveling op de Schijfweg-Zuid ziet op 3 (patio)woningen aan de oostzijde van ‘Aan de Hagendoorn’ (fase I) en vijf (patio)woningen aan de zuidwestzijde van ‘Aan de Hagendoorn’ (fase II). Zodra de eerste fase is verkocht, wordt de tweede fase definitief ingevuld. In de navolgende afbeelding is de situering van de beoogde bebouwing weergegeven. De woningen aan de oostzijde van de Aan de Hagendoorn zijn inmiddels vergund.

Figuur 5 Bureau B, Schetsontwerp “Herinrichting bouwkavels BP Molengaerde te Kessel”, projectnr. 19012, tekeningnr. SO-02, d.d. 9 december 2020

De woningen in fase I worden aan de voorzijde als volgt vormgegeven.

Figuur 6 Bureau B, Schetsontwerp “Herinrichting bouwkavels BP Molengaerde te Kessel”, projectnr. 19012, tekeningnr. TO-01, d.d. 3 juni 2020

Hoofdstuk 2

9

Daarnaast is een beeldkwaliteitsplan1 opgesteld dat is toegevoegd aan de anterieure overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar en tevens als bijlage 11 aan deze toelichting is toegevoegd.. De beeldkwaliteitseisen zijn spelregels, die naast de bestemmingsplanregels, zorgen voor samenhang en herkenbaarheid van de ruimtelijke structuur binnen plan Molengaerde en de omgeving. In het beeldkwaliteitsplan is ingegaan op de relatie tussen het (aangepaste) plan en de omgeving, de stedenbouwkundige opzet, het ontwerp van de woningen en de materialisatie. Hieronder volgen enkele impressies uit dit beeldkwaliteitsplan.

K. Jeurissen in opdracht van Kuypers Kessel Projectontwikkeling B.V., Molengaerde – Levensloopbestendige mediorenwoningen Schijfweg-Zuid, d.d. 15 december 2020 1

Hoofdstuk 2

10

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Ruimtelijk en functioneel gezien past de beoogde woningbouwontwikkeling goed in de omgeving. De verdichting van drie naar acht woningen is als beperkt te beschouwen. De Schijfweg-Zuid is overwegend een woongebied met een mix van vrijstaande woningen en twee-onder-één-kap woningen. Aan de ‘Aan de Hagendoorn’ zijn vrijstaande woningen gebouwd. De bouwstijl is modern / jaren ’30 stijl en deze stijl sluit aan bij de reeds bestaande omliggende woningen. In het oorspronkelijke plan waren ter plaatse 3 ruime kavels met vrijstaande woningen voorzien met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk maximaal 7 en 11 meter (maximaal 2 bouwlagen). Naar dit soort kavels is echter steeds minder vraag en derhalve is gekeken naar een alternatieve invulling. Door de grote kavels op te splitsen en daarvoor in de plaats levensloopbestendige woningen te realiseren, vindt er een afronding plaats van het plan Molengaerde. De beoogde nieuwbouwwoningen, met uitzondering van de woning op de hoek van de Schijfweg-Zuid / Baarskampstraat, worden uitgevoerd in één bouwlaag met kap en wijken dus qua hoogte af van de oorspronkelijk beoogde vrijstaande woningen en de reeds bestaande omliggende woningen binnen het project Molengaerde, die in twee bouwlagen met kap zijn uitgevoerd.

De woning op de hoek Schijfweg-Zuid / Baarskampstraat krijgt een verbijzondering doordat deze een grote erker aan de voorzijde (Baarskampstraat) krijgt. Op deze manier wordt een relatie gelegd met de andere woning van het plan Molengaerde aan de Baarskampstraat en de woningen aan de overzijde van de Baarskampstraat die allemaal met een erker aan de voorzijde zijn gebouwd. De woningen worden in ieder geval gebouwd conform de (beeldbepalende) regels uit het huidige bestemmingsplan. Zo wordt vastgehouden aan de reeds geldende (voor)gevelrooilijnen, wordt er gebouwd binnen de marges voor de inhoud van het hoofdgebouw, wordt de maximale goot- en bouwhoogte niet overschreden en wordt elke woning met een kap afgedekt, waarvan de dakhelling minimaal 20 en maximaal 60 bedraagt. Op deze manier is dan ook geen sprake van een trendbreuk, maar wordt juist vastgehouden aan de uitgangspunten van het vigerende bestemmingsplan. Het parkeren bij de woningen gebeurt op het eigen terrein en het bezoekersparkeren wordt opgevangen in de Aan de Hagendoorn. Molenbiotoop De beoogde woningen worden hoger gebouwd dan ingevolge de van toepassing zijnde gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ is toegestaan.

Hoofdstuk 2

11

Op 5 december 2007 is een bouwvergunning verleend voor de woningbouwontwikkeling Molengaerde. Destijds is op basis van artikel 19 lid 2 Wet op de ruimtelijke ordening een vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. In de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat het woningbouwplan geen belemmering oplevert voor de windvang van de molen en dat hoger kan worden gebouwd dan de molenbiotoop in eerste instantie voorschrijft. Over een afstand van 100 meter vanaf de molen gerekend dient er volgens de molenbiotoop geen enkel obstakel te zijn. Feitelijk zijn deze obstakels wel aanwezig in de vorm van stallen tussen molen en de nieuwbouw Molengaerde. De nieuwbouwwoningen vallen ingevolge het onderzoek in de schaduw van de stallen. Daarbij moet eveneens opgemerkt worden dat er tussen de stallen en het plan Molengaerde bovendien meters hoge bomen staan. Naar aanleiding van de onderhavige nieuwbouw is opnieuw onderzoek gedaan naar de effecten op de windvang van de molen.2 De volledige onderzoeksrapportage is als bijlage 1 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Uit het onderzoek volgt dat een wijziging van het bouwplan voor kavel 3, 4 en 12 (van 3 woningen naar acht levensloopbestendige woningen) geen grote verandering in de windvang van de molen met zich brengt.

Indien daarbij het invloedgebied van de bestaande stallen in ogenschouw wordt genomen, de frequentie van de windrichting en de relatie tussen de zijaanzichten van het vigerende plan met het ‘nieuwe’ bouwplan, dan is de invloed op de windvang van de molen door de bouw van de levensloopbestendige woningen te verwaarlozen. Hierbij dient tevens opgemerkt te worden dat de woningen gebouwd worden op een locatie waar voorheen bedrijfsgebouwen stonden die qua bebouwingsoppervlakte en –dichtheid vele malen groter waren.

2

Kuypers Kessel, Onderzoek naar de windvang van de molen, levensloopbestendige woningen – Schijfweg-Zuid

Hoofdstuk 2

12

3.

UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.

Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem;

Hoofdstuk 3

13

7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is,en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuurvoor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.

Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 AMvB Ruimte (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

14

3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit bestemmingsplan zijn de belangen uit de Rarro niet van toepassing.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.3 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De onderhavige locatie heeft een woonbestemming ten behoeve van drie vrijstaande woningen. Daaraan worden middels dit plan vijf woningen toegevoegd. Nu er pas vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, is de Ladder voor duurzame verstedelijking op dit initiatief dan ook niet van toepassing.

3

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

15

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014)

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) ‘Voor de kwaliteit van Limburg’ vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied binnen de zone ‘overig bebouwd gebied’.

Figuur 7 Uitsnede kaart POL 2014 met ligging plangebied (rood omlijnd)

Overige bebouwde gebieden zijn gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen met deels een stedelijk karakter en deels een dorps karakter. Beleidsmatig liggen de accenten voor deze zone op:  Transformatie regionale woningvoorraad;  Bereikbaarheid;  Balans voorzieningen en detailhandel;  Stedelijk groen en water;  Kwaliteit leefomgeving. De realisatie van woningen is passend binnen het overig bebouwd gebied.

Hoofdstuk 3

16

3.2.2

Omgevingsverordening Limburg

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Afweging In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio NoordLimburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande.

De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Peel en Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024'. In paragraaf 3.3.1 wordt hier nader op ingegaan. Afweging milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er hiermee geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale

Hoofdstuk 3

17

Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in april 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.

Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.

Hoofdstuk 3

18

Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf.

Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging Deze ontwikkeling voorziet in levensloopbestendige woningen binnen het bestaand woongebied. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale woonvisie Noord Limburg 2020-2024 In de Regionale woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Deze regionale woonvisie is door de gemeente Peel en Maas op 22 september 2020 vastgesteld.

Hoofdstuk 3

19

Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Gekeken dient te worden naar koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:  Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.

 Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.  Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.  Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. Hierbij wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van onze regio. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld.

Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn:  De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen;  Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koopen ruime, dure koopsegment.

Hoofdstuk 3

20

Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. Afweging Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg Uit de visie volgt dat het aantal plannen dat we hebben en maken om nieuwbouw toe te voegen, in een gezonde verhouding moet staan tot de kwantitatieve behoefte. Er worden alleen plannen toegevoegd die echt kwaliteit toevoegen en passen bij de woonbehoefte van de afzonderlijke gemeenten in de regio: bouwen naar reële behoefte. De gemeente Peel en Maas heeft beleid dienaangaande vastgesteld, waarnaar in paragraaf 3.4.2 wordt verwezen. De voorgenomen herziening betreft een aanpassing van een beoogde woningbouwontwikkeling waarbij is gebleken dat er thans geen vraag bestaat naar grotere kavels. Uit voornoemde analyse van de Stec Groep volgt ook dat er een groeiende behoefte is aan levensloopbestendige woningen. Mede toetsend aan dit gemeentelijke beleid en de gemeentelijke structuurvisie zijn er vanuit de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 geen belemmeringen voor dit initiatief.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen Peel en Maas Op 31 maart 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen Peel en Maas vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het beleid voor de bebouwde kom van alle elf kernen en de bedrijventerreinen in Peel en Maas, met uitzondering van Klavertje 4. In de structuurvisie zijn vier ruimtelijke hoofdkeuzes gemaakt, waarmee de gemeente gericht invulling wil geven aan haar identiteit als groene, dynamische plattelandsgemeente en rol binnen de regio. 1. Kleinschalige en diverse woonmilieus; 2. Herkenbare dorpen met 'eigen' voorzieningen; 3. Goede bereikbaarheid; 4. Innovatie en gebondenheid. Kessel is in de structuurvisie aangemerkt als een leefdorp, zodat hier bovenop de eigen behoefte, ook een kleine hoeveelheid extra woningen gebouwd mag worden voor de eventueel extra aanwas binnen de gemeente. Het is belangrijk dat in de toekomst een gevarieerd aanbod blijft voor alle doelgroepen. Aandacht is er voor de groep senioren, deze zal relatief het meeste groeien. Uit de structuurvisie volgt verder dat de inbreidingslocatie Molengaerde, waar het onderhavige plangebied onderdeel van uitmaakt, al jaren braak ligt en blijkbaar niet voldoet aan de behoefte.

Hoofdstuk 3

21

In de Structuurvisie wordt ervoor gepleit dat Kessel een goede afronding krijgt richting Napoleonsbaan. Hierin zitten een aantal elementen met elk hun eigen dynamiek: Het woningbouwplan Molengaerde, de entree van het dorp via de Baarskampstraat en de eventuele verplaatsing van de molen. Dat zou integraal tot een masterplan kunnen leiden waardoor de entree meer een Kesselse maat krijgt, de molen meer kan stralen en het plan Molengaerde een nieuwe impuls krijgt. Afweging structuurvisie kernen en bedrijventerreinen Peel en Maas Het onderhavige plan is beoogd om het plan Molengaerde nieuw leven in te blazen en past dan ook binnen de vigerende structuurvisie.

Hoofdstuk 3

22

3.4.2 Beleidsregel Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 Het college van burgemeester en wethouders heeft op 4 juni 2018 de "Beleidsregel Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018" vastgesteld. In deze beleidsregel is bepaald dat in principe geen medewerking wordt verleend aan het toevoegen van extra woningen in afwijking van het bestemmingsplan. In een aantal situaties wordt op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt. In artikel 6 van de beleidsregel zijn daarbij een aantal voorwaarden opgenomen. 1. Juiste plek: draagt bij aan leefbaarheid door leegstand te herstructureren dan wel aan een verbetering van de ruimtelijke structuur. Onderhavig verzoek heeft betrekking op een wijziging van een bouwplan waarbij sprake is van relatief grote bouwkavels. Doordat geen of slechts beperkt behoefte is aan dit type kavels is het plan maar gedeeltelijk ontwikkeld tot nu toe. De verwachting is dat de vraag naar dit type kavels naar de toekomst toe verder zal afnemen. Daarmee ontstaat een ongewenste situatie in het straatbeeld doordat het in het verleden beoogde plan niet wordt afgerond. Dergelijke open en niet afgeronde situaties komt de leefbaarheid van het dorp niet ten goede. Door de grote bouwkavels op te splitsen en daarvoor in de plaats levensloopbestendige woningen te realiseren vindt er een afronding plaats van het plan en wordt het woningbouwprogramma als het ware geherstructureerd.

2. Juiste type: Het betreft een programma dat maatschappelijk nodig is (bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, starters, 1 en 2 persoonshuishoudens, zorgvragers, statushouders en arbeidsmigranten). Gelet op het feit dat de grotere kavels gesplitst worden in kleinere eenheden in de vorm van levensloopbestendige woningen, is het aannemelijk dat gebouwd wordt voor ouderen. 3. Juiste kwaliteit: dorps, duurzaam, levensloopbestendig Doordat bij deze ontwikkeling levensloopbestendig gebouwd wordt, wordt voldaan aan de eisen van de huidige tijd. Wel moet op eigen terrein voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid. 4. Anderszins sprake van goede ruimtelijke ordening. Uit dit bestemmingsplan volgt dat bij de onderhavige planontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 3.4.3 Kaderstelling Ruimte en Economie In november 2017 is de notitie ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Ruimte en Economie vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente. Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit.

Hoofdstuk 3

23

Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. De crisis heeft partijen (overheid, ondernemers, inwoners) geleerd naar mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatismen en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en in partnership. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol. Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd:  van Individueel naar Samen;  van omgevingskwantiteit naar Omgevingskwaliteit;  van Lineair naar Circulair;  van Gesloten naar Open;  van Consumeren naar Beleven;  van beheersen naar ruimte geven en vertrouwen;  van overheidssturing naar omgevingssturing. Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven. De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud voor de programmadoelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Ruimte betreft het dan de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving’.

Voor de onderhavige ontwikkelingen is binnen het thema ruimte het navolgende programmadoel relevant: Wonen duurzaam in balans Samen met de samenleving wordt gewerkt aan een woningbestand dat duurzaam in balans is. In dat kader zijn een drietal uitvoeringsafspraken gemaakt: 

De juiste woning: vraag en aanbod worden kwalitatief met elkaar in overeenstemming gebracht. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden wordt een duurzaam woningbestand gecreëerd. Kernwoorden hierbij zijn dorps, levensloopbestendig en duurzaam. De grootste opgave ligt in de bestaande voorraad en beperkt bij nieuwbouw. Initiatieven die gericht zijn op herstructurering van de bestaande woningvoorraad worden gefaciliteerd.  Het juiste aantal woningen: vraag en aanbod worden kwantitatief met elkaar in overeenstemming gebracht. Peel en Maas heeft zich gecommitteerd aan de opgave om de kwantitatieve woningvoorraad in 2030 in balans te brengen. Er wordt gebouwd voor de vraag van vandaag en voorgesorteerd op de demografische transitie. Daarin geldt dat iedere kern mag bouwen voor de eigen behoefte binnen de regio-

Hoofdstuk 3

24

naal vastgestelde kaders. Hiervoor wordt het regionale afwegingskader gebruikt, welke lokaal nog verder wordt ingevuld. Belangrijk is verder dat er genoeg ruimte is om in te spelen op de goede vraag van morgen en dat goede initiatieven mogelijk blijven.  Bouwen op de juiste plek: op duurzame locaties Er wordt gebouwd op locaties die de identiteit van de dorpen behouden en versterken. Die uitgaan van hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging; op gezonde locaties die de waarden van groen, natuur en landschap respecteren. Afweging Het onderhavige initiatief voldoet aan de kernwoorden ‘dorps’, ‘levensloopbestendig’ en ‘duurzaam’. Ook kwantitatief is er ruimte voor woningbouw in Kessel, met name in de vorm van levensloopbestendige woningen. Het onderhavige initiatief voldoet dan ook aan de uitgangspunten van de kaderstelling Ruimte en Economie. 3.4.4 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Het fuseren van de gemeente en het in werking treden van de Wabo en het daarbij behorende vergunningvrij bouwen is mede aanleiding geweest voor de gemeente om nieuw welstandsbeleid op te stellen. Hiertoe is op 31 mei 2011 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Basisprincipe: welstandsvrij De gemeente stelt alleen eisen aan de uiterlijke kwaliteit van bouwwerken als dit ook echt nodig is.

Hiermee wordt getracht de 'belasting' of eisen aan de klant zo gering mogelijk te houden waarbij wel het algemeen belang wordt gerespecteerd. Daarom wordt er uitgegaan van een basis van welstandsvrijheid. Bescherming: alleen in uitzonderingsgebieden De gemeente Peel en Maas staat voor zelfsturing en diversiteit. In bepaalde gebieden blijft sturing echter toch nodig. Sommige gebieden zijn beeldbepalend voor een gemeenschap. De gemeente wil voorkomen dat dit beeld wordt aangetast, dit is in het belang van de gehele gemeenschap. Daarnaast zijn er (nieuwbouw)plannen waarin een bepaalde sfeer, thema of kwaliteit wordt nagestreefd. Ook hierin is het niet gewenst om gehele vrijheid te geven. Om de directe omgeving te beschermen is het gewenst om sturing te geven aan bouwplannen die (grote) invloed hebben op de kwaliteit van de omgeving. Middels een beeldkwaliteitsplan kan worden gestuurd op een gewenste uitstraling. In principe geldt het welstandsvrij beleid voor het gehele grondgebied van de gemeente, maar om bepaalde ruimtelijke en esthetische kwaliteiten beter te beschermen of waarborgen, worden er twee uitzonderingssituaties gemaakt. De navolgende gebieden zijn niet welstandsvrij:  De beeldbepalende dorpsgezichten in de centra van de elf kernen zijn zo kenmerkend voor Peel en Maas dat de gemeente deze graag willen behouden.

Hoofdstuk 3

25

Daarnaast ziet de gemeente een rol bij grotere nieuwbouwontwikkelingen, omdat daar de impact op de omgeving vanzelfsprekend groot is. In deze gebieden heeft de gemeenteraad daarom een beeldkwaliteitsplan vastgesteld.

Afweging Nota Ruimtelijke Kwaliteit Voor de onderhavige locatie is een beeldkwaliteitsplan opgesteld en deze maakt onderdeel uit van de anterieure overeenkomst die tussen gemeente en ontwikkelaar is gesloten. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting.

3.5 Afweging beleidskader Uit de voorgaande alinea’s blijkt dat de beoogde woningbouwontwikkeling past binnen de diverse relevante beleidskaders. In het volgende hoofdstuk worden de bouwplannen getoetst aan de overige (milieutechnische) randvoorwaarden.

Hoofdstuk 3

26

4.

SECTORALE ASPECTEN Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer, duurzaamheid en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.

4.1 Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is reeds in 2015 een vooronderzoek uitgevoerd.4 Het vooronderzoek betreft een actualisatie van het in 2002 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek inclusief een vooronderzoek voor het gedeelte van de onderzoekslocatie waar destijds geen bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. In het vooronderzoek uit 2015 is het navolgende geconcludeerd: ‘Uit het vooronderzoek blijkt dat sinds het onderzoek uit 2002 omstreeks 2007 nog sloopactiviteiten en grondverzet hebben plaatsgevonden. Verder zijn een 4-tal woonhuizen binnen de onderzoekslocatie gebouwd. Uit informatie van de opdrachtgever blijkt dat tijdens de sloop de (licht) verontreinigde funderingslaag is afgevoerd naar een erkend verwerker, waardoor enkel grond welke voldoet aan de streefwaarden op locatie is achtergebleven. Deze grond is gebruikt voor het egaliseren van het terrein en gedeeltelijk voor het vullen van een keldergat. Ter plaatse van de percelen 1487 t/m 1490 zijn in 2002 geen boringen geplaatst. Omdat het één terrein betreft is er geen reden om aan te nemen dat de bodemkwaliteit op deze percelen anders is dan ter plaatse van de destijds daadwerkelijk onderzochte locatie.

De bodem ter plaatse van deze percelen wordt dan ook als onverdacht beschouwd. Op basis van bovenstaande informatie bestaat de verwachting dat de thans aanwezige bodem voldoet aan de streefwaarden (nu achtergrondwaarden). Er bestaat geen vermoeden dat de sloopactiviteiten en het grondverzet invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit. Conclusie is derhalve dat de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uit 2002 nog als voldoende actueel kunnen worden beschouwd en dat de percelen 1487 t/m 1490 als onverdacht te beschouwen zijn op het voorkomen van bodemverontreiniging.’ 4

Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV, Vooronderzoek en actualisatie voorgaand onderzoek Plan Molengaerde te Kessel, projectnummer: 445KUY/15/R1 (versie 2), d.d.10 september 2015

Hoofdstuk 4

27

Vervolgens heeft in 2019 een keuring van een in-situ partij grond plaatsgevonden.5 Aanleiding voor deze keuring betreft de afvoer c.q. toepassing van de grond op een andere locatie. Uit het onderzoek volgt dat de in-situ partij grond conform het Besluit Bodemkwaliteit (generiek beleid) voldoet aan de achtergrondwaarde. Aangezien het gehalte aan PFAS de bepalingsgrens overschrijdt is de partij niet geschikt om toegepast te mogen worden in oppervlaktewater. Aangezien in de in-situ partij grond geen van de zware metalen de emissietoetswaarde overschrijdt kan de partij zonder aanvullend uitloogonderzoek worden hergebruikt in een grootschalige bodemtoepassing. Beide onderzoeken zijn als bijlage 2 en 3 aan deze toelichting toegevoegd en voor verdere informatie wordt dan ook verwezen naar de volledige onderzoeksraportages. Conclusie Uit het voorgaande volgt dat er voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen zijn om medewerking te kunnen verlenen aan de onderhavige planvorming.

4.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai bevindt de projectlocatie zich binnen het regime van de Baarskampstraat en de Beeselseweg (50km/u). Gelet op de ligging van het gebied is het conform 5

Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV, In-situ partijkeuring grond Molengaerde te Kessel, Projectnummer: 0385KUY/19/R1, d.d. 9 december 2019

Hoofdstuk 4

28

de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie van de nieuwe woningen. Door Econsultancy is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd.6 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. In het uitgevoerde onderzoek is de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening met de projectie van woningen opgesteld. Voor elke zijde van de woningen zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 2 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2020.0. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraag ten hoogste 54 dB. Alleen ten gevolge van de Baarskampstraat treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Deze wordt met maximaal 6 dB overschreden op woning 01. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Baarskampstraat is conform de Wet geluidhinder een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Ten gevolge van de Baarskampstraat wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting overschreden.

Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig. Voor woning 01 dienen hogere waarden te worden aangevraagd. Daarnaast dient voor woning 01 het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woning is derhalve een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. De onderhavige kavel is niet gelegen in de nabijheid van een spoorweg, zodat nader onderzoek op dit onderdeel niet benodigd is. Industrielawaai In de nabije omgeving zijn bedrijven of functies gelegen die qua geluid van invloed kunnen zijn op de onderhavige woningen. Een en ander wordt nader aan de orde gesteld in hoofdstuk 5.2.5 “Bedrijven en milieuzonering”. Conclusie Uit het voorgaande volgt dat er geen belemmeringen zijn om medewerking te verlenen aan onderhavige ontwikkeling. Wel moeten voor één woning hogere waarden aangevraagd worden en bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de bouw van de desbetreffende woning moet een onderzoek naar de geluidwering van de gevels worden uitgevoerd. 6

Econsultancy, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Woningbouwontwikkeling Molengaerde te Kessel, Rapportnummer: 12866.001, versienummer D1, d.d. 10 juli 2020

Hoofdstuk 4

29

4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).

Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen en kantoren gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Onderhavig besluit biedt de planologische mogelijkheid om acht woningen op te richten. Het aantal verkeersbewegingen dat hierdoor wordt gegenereerd is beduidend lager dan de verkeersbewegingen die worden gegenereerd door 1500 woningen. Dit betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBMgrens gebleven wordt. Het project draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

30

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de toevoeging van een woning. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland is de concentratie PM 2,5 ter plaatse 11,2 µg/m³ en de concentratie PM 10 ter plaatse 17,6 µg/m³. De concentratie NO2 is 19,4 µg/m³. Uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland volgt dan ook dat de luchtkwaliteit ter plaatse de toevoeging van woningen niet in de weg staat. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Ook in de toekomst zal de locatie dus niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteit. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=d2a61f18-5d14-4d8e-b8ee-0f84533a486a