CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-040 03 Toelichting BP Dr. Poelsplein Panningen.pdf

Raad 6 juli 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan voormalige VMBO Dr. Poelsplein Panningen (2021-040)18.560 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ontwerp

23

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Bij de revitalisatie van het plangebied dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Vanwege de beoogde nieuwe woonfunctie is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek2 conform de NEN 5740 uitgevoerd. Asbest Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Bij de uitvoering van de proefgaten zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen. De analyse van de grondmonsters tonen aan dat er geen sprake is van een asbestverontreiniging. De hypothese “asbest onverdacht” wordt gehandhaafd. De locatie kan beschouwd worden als asbest onverdacht. Grond De bovengrond is licht verontreinigd met PAK, PCB en minerale olie. Ter plaatse van monster 02 is de lichte verontreiniging met minerale olie te herleiden door de bodemvreemde bijmenging met asfalt.

De lichte verontreiniging met minerale olie van (meng)monster 03 en 06 zijn niet te herleiden aan enige (bedrijfs)activiteiten die hebben plaatsgevonden. Voor de overige bovengrond wordt (indicatief) voldaan aan de klasse Industrie en klasse Achtergrondwaarde (altijd toepasbaar). In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Grondwater Er is geen grondwateronderzoek uitgevoerd. Boring 01 en 02 zijn doorgezet tot 5,0 m-mv waarbij geen freatisch grondwater is aangetroffen. Derhalve is grondwateronderzoek komen te vervallen.

2

BKK Bodemadvies bv, Verkennend bodemonderzoek Dr. Poelsplein 16 te Panningen, 4 september 2019, rapportnummer: 19494.BKK

Ontwerp

24

Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de bodem als “onverdacht” kan worden beschouwd, wordt op basis van de analyseresultaten verworpen. De aangetoonde verontreinigingen zijn echter van dien aard dat deze geen beperkingen opleveren voor het (huidig) gebruik van het plangebied. Vanuit dat oogpunt bestaat er dan ook geen belemmering voor de bestemmingswijziging van het plangebied. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven.

Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden deze twee verschillende omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die standaard uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Aan de Raadhuisstraat bevinden zich, als ontsluitingsweg naar c.q. uitloper van het centrumgebied van Panningen, diverse milieubelastende functies naast de woonfunctie. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving.

Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Woonzorgcomplex op de locatie Dr. Poelsplein 15 (maakt onderdeel uit van het plangebied); ▪ Een assurantiekantoor op de locatie Raadhuisstraat 160; ▪ Centrum voor jeugd en gezin op de locatie Nijverheidsstraat 16; ▪ Detailhandel op de locatie Raadhuisstraat 142; ▪ Een kantoorpand op de locatie Raadhuisstraat 166; ▪ Een kantoorpand op de locatie Raadhuisstraat 168. De milieuruimte van milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (zie navolgende tabel). Functie Maatschappelijk

Adres Dr. Poelsplein 16

SBI-2008 9491, 94991

Kantoor

Raadhuisstraat 160

63, 69 t/m 71, 73, 74,

Ontwerp

Aan te houden afstanden ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 10 meter ▪ Gevaar 0 meter ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter

Afstand tot plangebied 0 meter

8 meter

25

77, 78, 80 t/m 82 9491, 94991

Maatschappelijk

Nijverheidsstraat 16

Detailhandel

Raadhuisstraat 142

47

Kantoor

Raadhuisstraat 166

Kantoor

Raadhuisstraat 168

63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar

0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 10 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter

10 meter

50 meter

65 meter

100 meter

Behoudens het aspect geluid van de functie welke is gelegen aan het Dr. Poelsplein 16 wordt aan alle richtafstanden van milieubelastende functies in de omgeving voldaan. Deze maatschappelijke functie betreft het woonzorgcomplex, welke onderdeel uitmaakt van het plangebied. Het woonzorgcomplex betreft een wooncomplex waar tevens zorg verleend wordt. Vanuit het woonzorgcomplex is derhalve geen sprake van geluiduitstraling naar de nieuwe woningen. Wel kan er op het buitenterrein sprake zijn van geluid afkomstig van verkeer. Dit verkeer behoort thuis in een woonomgeving en leidt op een dusdanige kleine schaal niet tot geluidoverlast in een gemengd gebied. Er is thans sprake van de aanwezigheid van verkeer. Hieruit volgt dat: a. binnen het plangebied een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd wat betreft omliggende functies; b. de bedrijfsvoering van de omliggende functies wordt niet geschaad door de bestemmingswijziging. 5.1.3

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van wegverkeerslawaai op geluidsgevoelige functies. Woningen zijn aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Op basis van artikel 77 van de Wgh dient bij een nieuwe woning een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidbelasting aan de gevel van de woning die vanwege de aanwezigheid van een weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de woning binnen de wettelijke geluidszone van een weg gelegen is. In artikel 7.4.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg: 1. in stedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; 2. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; 2. in buitenstedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken 600 meter; 2. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; 3. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. De wettelijke geluidszone is niet van toepassing op wegen die aan te merken zijn als woonerf of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.

Ontwerp

26

Omliggende wegen zijn ingericht voor een maximum snelheid van 30 km/uur, alleen op de John F. Kennedylaan geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. De afstand van deze weg, welke bestaat uit twee rijstroken, bedraagt circa 130 meter. Het plangebied valt zodoende binnen de wettelijke geluidszone van de John F. Kennedylaan. Uit het akoestisch onderzoek3 blijkt dat wat betreft de gevelbelasting van de John F. Kennedylaan voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde en dus voldaan wordt aan de eisen uit de Wgh. De totale ongecorrigeerde geluidbelasting (incl. wegen met maximum snelheid van 30 km/uur) bedraagt ten hoogste 61 dB. Hiermee wordt zelfs zonder correctie voldaan aan de ontheffingswaarde uit de Wgh. Omdat de grenswaarden uit de Wgh gerelateerd zijn aan het akoestisch woon- en leefklimaat, wordt gesteld dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd is. Om te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit aangaande het maximaal toelaatbare binnengeluidniveau is bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB aanvullend onderzoek nodig naar eventueel te treffen akoestische maatregelen aan de woningen. In de planregels is geborgd dat dit aanvullend onderzoek daadwerkelijk benodigd is bij een aanvraag om omgevingsvergunning. 5.1.4

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5 ) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Effect op luchtkwaliteit Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ▪ Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 μg/m3). Voor woningbouwlocaties geldt een NIBM-grens (3% criterium) van ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het initiatief heeft betrekking op de realisatie van 50 woningen. Dit betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het initiatief draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek 3

HMB Groep, Akoestisch onderzoek (t.b.v. ruimtelijke onderbouwing) Dr. Poelsplein (ong.) Panningen, 1 oktober 2020, kenmerk: 20304001N

Ontwerp

27

in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3 40 μg/m3 25 μg/m3

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het initiatief. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse 11,5 µg/m³, de concentratie PM10 18,3 µg/m³ en de concentratie NO2 14,4 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbetert door voortschrijdende technologie. Conclusie De herontwikkeling van het plangebied is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 5.1.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelig objecten.

Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Peel en Maas beschikt niet over een dergelijke geurverordening. De Wgv vormt derhalve het toe te passen toetsingskader. Het toetsingskader is als volgt: ▪ voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; ▪ voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Panningen. Uitsluitend in het buitengebied rondom Panningen zijn veehouderijen gelegen die geur veroorzaken. De afstand tussen het plangebied en de meest dichtbij gelegen veehouderij in het buitengebied bedraagt bijna 900 meter. De afstand van het plangebied tot de veehouderijen is dusdanig groot dat geur afkomstig van deze veehouderijen deze niet van invloed kunnen zijn op de herontwikkeling.

Ontwerp

28

Afbeelding 14. Uitsnede kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder – huidige situatie’ uit de ‘Structuurvisie en Plan MER intensieve veehouderij en glastuinbouw’

Uit afbeelding 14. blijkt dat op dit moment het woon- en leefklimaat ten aanzien van geurhinder dan ook goed is. Tenslotte liggen tussen het plangebied en de veehouderijen in het buitengebied de woningen van de bebouwde kom van Panningen en Helden. Aangezien deze bestaande woningen tussen beide zijn gelegen worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen door de revitalisatie niet belemmerd. Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan het bepaalde in de Wgv en dus binnen het plangebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd wat betreft het aspect geur en de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen niet wordt aangetast. 5.1.6

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Ontwerp

29

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente).

Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg liggen er in het plangebied en directe omgeving geen risicobronnen. Conclusie Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de herontwikkeling van het plangebied.

5.2 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.

Ontwerp

30

5.3 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna en het effect van de revitalisatie hierop te onderzoeken is een flora- en faunaonderzoek4 uitgevoerd. Floristisch zijn in de te slopen gebouwen geen bijzonderheden aangetroffen. De beplanting rondom de gebouwen bestaat uit cultivars en een aantal mooie bomen. Bijzonder zijn de bomen op en rondom de voormalige fietsenstalling in de zuidoosthoek van het plangebied. Heel bijzonder is een meerstammige witte esdoorn tussen de gebouwen. Op het plein staan een viertal prachtige platanen, een groep van 3 moeraseiken en langs het hek een aantal Noorse esdoorns. Al deze bomen vormen een groene oase in deze omgeving en zijn een mogelijke slaapgelegenheid voor vleermuizen. Het is daarom aan te raden deze bomen te sparen. Deze bomen worden gespaard en worden planologisch beschermd door de aanduiding ‘waardevolle boom’ toe te kennen aan deze bomen. Faunistisch is in en rondom de te slopen gebouwen gekeken. In de gebouwen zijn geen nesten en/of vogels aangetroffen.

De gevelafsluitingen van de gebouwen zijn dan dien aard dat vogelnesten en slaapplaatsen voor vleermuizen niet goed mogelijk zijn. Echter met name de zolder van de gymnastiekzaal kan een geschikte locatie voor verblijf vleermuizen zijn. In beide topgevels zijn mogelijke invliegopeningen. Uit buurtonderzoek blijkt wel dat er in de zomerdag activiteit van vleermuizen rondom de te slopen gebouwen is. Met name de aanwezige bomen kunnen in zomerdag slaapplaatsen van vleermuizen zijn. Geadviseerd wordt om eventuele verstoringen van vleermuizen te voorkomen door de gebouwen te slopen en/of vleermuisonvriendelijk te maken na de winterslaapperiode en niet in de broedperiode. Dat wil zeggen slopen tussen 15 maart en 15 mei en daarna tussen 15 augustus tot 15 november. Natura2000 Binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen: ▪ Deurnsche Peel en Mariapeel, afstand 7 km ▪ Leudal, afstand 7,8 km ▪ Swalmdal, afstand 8 km ▪ Groote Peel, afstand 8,8 km In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 7 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting.

Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. 4

IVN Helden, Flora en fauna quickscan t.b.v. sloop panden LTS (ged.) te Panningen, 20 oktober 2019

Ontwerp

31

In het kader van dit initiatief is gekeken naar de Handreiking woningbouw en AERIUS die is opgesteld door de Rijksoverheid. Met behulp van de handreiking kan een beeld worden gegeven van de totale stikstofdepositie in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase. In de handreiking wordt voor 50 woningen op een afstand van minimaal 7 km van een Natura2000-gebied uitgegaan van een indicatieve depositie van 0,00 mol/ha/jaar. Omdat er in dit geval maximaal 50 woningen worden gerealiseerd, op een afstand van meer dan 7 km van de Natura2000-gebieden kan worden aangenomen dat negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn uit te sluiten.

5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de Provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in

Ontwerp

32

de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. 5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Uit beoordeling van de bodemkaart van Nederland is gebleken dat tektonisch gezien het plangebied in de Roerdalslenk ligt. Deze slenk wordt aan de zuidwestzijde begrensd door de Feldbiss en aan de noordoostzijde door de Peelrandbreuk. Beide breuken zijn noordwest-zuidoost gericht. Het eerste watervoerend pakket wordt gevormd door de Pleistocene, grof zandige en grindige formaties van Beegden en Sterksel. Boven het eerste watervoerend pakket bevindt zich een dunne laag van de formatie van Boxtel met daarboven een Holocene afzetting. Het tweede watervoerend pakket bestaat uit fijne en grove zanden en grinden, behorende tot de Sterksel Formatie. Het plangebied ligt op circa 34 meter +NAP en volgens de isohypsenkaart bevindt zich het freatisch grondwaterniveau op een diepte van circa 3 m-mv. Tijdens de veldwerkzaamheden van het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1.1) is het grondwater tot een diepte van 5 m-mv niet aangetroffen. De regionale grondwaterstroming van het freatisch grondwater is volgens de gegevens van de Dienst grondwaterverkenning van TNO zuidelijk gericht.

Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Ter plaatse is een infiltratieonderzoek5 uitgevoerd om inzicht te krijgen in de algehele bodemsamenstelling tot 5 m-mv en de waterdoorlatendheid van de ondergrond. De bovengrond van de locatie betreft overwegend een matig fijn, matig siltige zandlaag. De ondergrond binnen de locatie betreft eveneens een matig fijn, zwak tot matig siltig zandlaag. De k-waarde in de ondergrond op een diepte van 1,5 mmv is overwegend als goed beoordeeld. Aan de hand van de korrelverdelingsanalyse is theoretisch berekend dat de kwaarde van de matig fijn, matig siltige zandlaag eveneens als goed doorlatend wordt beoordeeld. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op basis van de leggerkaarten van Waterschap Limburg zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving geen oppervlaktewateren gelegen. Afvalwater In de rondom het plangebied gelegen wegen is een traditioneel gemengd vrij verval rioolstelsel gelegen. Het vuilwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in een later stadium exact bekeken worden.

5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) De gemeente Peel en Maas streeft naar het afkoppelen van hemelwater. Nieuwbouwwoningen in de gemeente worden standaard niet meer op het riool aangesloten voor de afvoer van hemelwater. Bij de nieuwe verhardingen zal het hemelwater dan ook binnen het plangebied zelf worden opgevangen. Hiervoor is voldoende ruimte.

5

BKK Bodemadvies bv, Infiltratieonderzoek Dr. Poelsplein (ong.) te Panningen, 19 december 2020, rapportnummer: 200768.BKK

Ontwerp

33

Om goed in te kunnen spelen op hevige buien is gekozen voor een ruimtelijke opzet, waarbij het water altijd goed kan worden afgevoerd. De verharding wordt zoveel mogelijk beperkt en waar mogelijk wordt open bestrating (grasbetonstenen of profielstenen) toegepast. De exacte omgang met hemelwater zal worden uitgewerkt bij de definitieve bouwplannen in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor betreffende woning(en), de bijgebouwen en andere verhardingen. Hiervoor dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd: ▪ Bij een infiltratievoorziening zonder een overloop op het oppervlaktewater moet boven de infiltratievoorziening een dynamische buffer worden gerealiseerd die geschikt is om een bui van 100 mm te infiltreren waarbij de infiltratiecapaciteit van de bodem in 24 uur meegenomen mag worden. ▪ Geadviseerd wordt geen uitlogende materialen zoals zink, koper of lood toe te passen. Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen zullen de benodigde voorzieningen voor de omgang met hemelwater nader worden uitgewerkt.

5.5 Archeologie en cultuurhistorie 5.5.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ toegekend.

Ontwerp

34

Afbeelding 15. Uitsnede archeologische waardenkaart

In de archeologische dubbelbestemming zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 250 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van te voren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 250 m² bedraagt. Volgens de landelijke archeologische database van de RCE is in het verleden geen archeologisch onderzoek uitgevoerd en van het plangebied zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. Evenmin maakt het plangebied deel uit van een archeologisch monument. Binnen een straal van 500 meter is het gebied bekeken op aanwezige Archis-meldingen. Deze straal is gehanteerd omdat voor dit gebied nagenoeg dezelfde landschappelijke kenmerken gelden. Deze meldingen zijn bekeken en vastgesteld kan worden dat deze weinig zeggingskracht hebben voor het onderhavige plangebied. Vanwege het verschil in archeologische context – ze liggen bijna allemaal in de historische (lint)bebouwingskern – zijn deze als niet representatief/niet relevant te beschouwen.

Gezien de ligging van het plangebied binnen ‘moderne’ woonwijken – en dus veelal een hoge mate van verstoring kennen – is het ook maar de vraag wat archeologische (voor)onderzoeken aan bruikbare informatie zal/kan opleveren. De hoge archeologische verwachting (op het aantreffen van archeologische resten) volgens de beleidskaart is gebaseerd op met name de landschappelijke, alsook archeologische en historische gegevens. Aan de hand van geëxtrapoleerde, landschappelijke gegevens (dekzandrug/dekzandwelving; hoge zwarte enkeerdgrond die mogelijke oude bewoningslagen heeft afgedekt) is (eerder was) voor het plangebied sprake van een archeologische verwachting voor met name sporenarcheologie van boerensamenlevingen uit vooral de IJzertijd tot en met de Volle Middeleeuwen.

Ontwerp

35

Ofschoon het gebied op grond van de oorspronkelijke landschappelijke kenmerken een hoge archeologische verwachting heeft gehad, kan uit de aangeleverde en verzamelde informatie worden afgeleid dat de bodem dusdanig is geroerd dat de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische resten thans nagenoeg is uit te sluiten. Het overgrote deel van het plangebied is bebouwd, is bebouwd geweest of zal voorzien zijn van kabels en leidingen. Van de bestaande bebouwing staat vast dat deze voorzien was van relatief diepe kruipruimtes of diepe kelders. Omdat de kans uitermate klein is dat de graafwerkzaamheden voor sloop en nieuwbouw leiden tot een aantasting van het (eventueel nog resterende) archeologisch bodemarchief ter plaatse – voor zover dit niet al geheel is verdwenen – wordt het volgende geconcludeerd (zie bijlage 1): ▪ de sloop- en bouwwerkzaamheden ten behoeve van het initiatief toe te staan zonder archeologisch onderzoek; ▪ omdat behoudenswaardige archeologische resten ook niet meer te verwachten zijn, kan het plangebied archeologisch worden vrijgegeven. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ is op basis hiervan van het plangebied verwijderd en is het aspect archeologie niet langer van toepassing.

5.5.2 Cultuurhistorie De cultuurhistorische waarden van een locatie vallen uiteen in meerdere deelaspecten die betrekking hebben op de ontwikkelingsgeschiedenis van: ▪ bouwkunst; ▪ historisch landschap; ▪ geomorfologie. Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn er binnen het plangebied of directe omgeving zelf geen beschermde (Rijks/gemeentelijke) monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plangebied maakt tot slot geen onderdeel uit van een historisch landschappelijk waardevol gebied.

5.6 Verkeer en parkeren Het initiatief zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen van en naar het plangebied en de parkeersituatie. Er dient daarom te worden aangetoond dat met de revitalisatie de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. 5.6.1 Parkeren Als leidraad voor het bepalen de parkeerbehoefte wordt de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 gehanteerd. Uit deze nota blijkt ook dat het plangebied niet tot het centrum van Panningen behoort met betrekking tot de parkeernormen. Daaruit volgen de onderstaande parkeernormen. ▪ Woonzorgcomplex: parkeernorm is 0,6 per wooneenheid ▪ Woonhuis: parkeernorm is 2,0 per woning ▪ Appartement: parkeernorm is 1,8 per appartement. In totaliteit zijn er derhalve in dit geval 106 parkeerplaatsen benodigd. Dit is als volgt bepaald: ▪ Woonzorgcomplex 30 zorgwoningen x 0,6 = 18 parkeerplaatsen 1 bedrijfswoning x 2,0 = 2 parkeerplaatsen ▪

Gebouw C 12 appartementen

Ontwerp

x

1,8

=

21,6 parkeerplaatsen

36

▪

▪

▪

Hoogbouw 4 laags 22 appartementen

x

1,8

=

39,6 parkeerplaatsen

Zijde Dr. Ariënsstraat 4 rijwoningen x

2,0

=

8

Hoek Nijverheidsstraat 8 patiowoningen x

2,0

=

16 parkeerplaatsen

parkeerplaatsen

In het stedenbouwkundig plan staan 84 parkeerplaatsen op eigen terrein ingetekend, exclusief de parkeerplaatsen bij het woonzorgcomplex. Het woonzorgcomplex zal parkeren op de 19 haaksparkeerplaatsen voor de huidige bebouwing en op de 7 langsparkeerplaatsen aan de Nijverheidsstraat. Er zijn dus in totaal 110 parkeerplaatsen beschikbaar. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm. In de directe omgeving, met name op de Raadhuisstraat is nog extra parkeercapaciteit aanwezig, omdat de woningen met hun voordeur niet aan de Raadhuisstraat staan worden deze parkeerplekken echter niet toegerekend aan het plan. 5.6.2 Verkeersgeneratie Afhankelijk van het type woning, huur of koop, hoort een bepaalde verkeersgeneratie. Omdat op dit moment nog niet bekend hoe die verdeling exact is wordt voor woningen een verkeersgeneratie van gemiddeld 7 aangehouden en voor de zorgwoningen 2. De totale verkeersgeneratie wordt dan 47 x 7 + 30 x 2 = 389 voertuigbewegingen per dag. Uitgaande van een verdeling 7/11 via de Dr. Ariënsstraat en 4/11 via de Nijverheidsstraat (40 parkeerplaatsen bereikbaar via de Nijverheidsstraat en 70 via de Dr Ariensstraat). Betekent dit voor de Dr Ariënsstraat een toename van 256 voertuigen per dag en voor de Nijverheidsstraat 147 voertuigen per dag. In de spitsuren is dat respectievelijk 26 en 15 voertuigen per uur.

Deze toenames hebben geen invloed op de verkeersveiligheid en afwikkeling van het verkeer op de kruisingen met de Raadhuisstraat. Ter vergelijking met toen de school nog in gebruik was gaf dit een verkeersgeneratie van 14 per 100 leerlingen. Uitgaande van 300 leerlingen was dat 42 voertuigen per dag. Ongeveer een factor 10 ten opzichte van de nieuwe situatie.

Ontwerp

37

6. JURIDISCHE ASPECTEN Het voorliggende bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan “Dubbelkern Helden-Panningen”.

6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is bestemd tot ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’, ‘Groen’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Wonen’. Binnen de bestemmingen ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’, ‘Groen’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Wonen’ zijn bouwvlakken toegekend waarbinnen gebouwen opgericht kunnen worden c.q. gehandhaafd kunnen worden. In het kader van het bouwen zijn tevens de opgenomen bouw- en maatvoeringsaanduidingen relevant. Ter plaatse van de waardevolle bomen is de functieaanduiding ‘waardevolle boom’ toegekend.

6.2 Toelichting op de planregels Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het bestemmingsplan “Dubbelkern Helden-Panningen” van de gemeente Peel en Maas. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de regels is om de bouw- en gebruiksregels van de nieuwe bestemmingen aan te geven.

Ontwerp

38

6.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP2012. Wijze van meten (artikel 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels Ter verkrijging van een logische opbouw wordt de navolgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden voor de opgenomen bestemmingen: 1. Bestemmingsomschrijving 2. Bouwregels 3. Afwijken van de bouwregels (indien noodzakelijk) 4. Specifieke gebruiksregels (indien noodzakelijk) 5. Afwijken van de gebruiksregels (indien noodzakelijk) 6. Wijzigingsbevoegdheid (indien noodzakelijk) In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen.

Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Van de bouwregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning voor meer bouwmogelijkheden (afwijken van de bouwregels). In de specifieke gebruiksregels staat aangegeven welke gebruik in ieder geval strijdig is met de bestemmingsomschrijving. Van de gebruiksregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning voor meer gebruiksmogelijkheden (afwijken van de gebruiksregels). In de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen onder welke voorwaarden een bestemming omgezet kan worden naar een andere bestemming. Voor onderhavig bestemmingsplan is een stedenbouwkundigplan opgesteld waarin beeldkwaliteitseisen zijn opgenomen. Dit plan is als bijlage 2 gevoegd bij de regels. Het geeft inzicht in de gewenste identiteit van het plangebied en de vertaling ervan in de uitstraling van de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Dit is verwoord en verbeeld door middel van een set spelregels.

Deze spelregels gaan onder andere over stedenbouwkundige aspecten, bebouwingstypologie, architectonische uitstraling, kapvorm, rooilijn, bouwhoogte, positionering en oriëntatie van de bebouwing, kleurstelling en materiaalgebruik en erfafscheidingen. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij wordt, conform SVBP2012, een alfabetische volgorde aangehouden. Artikel 3 Bedrijf – Nutsvoorziening In het plangebied bevindt zich een openbare nutsvoorziening, welke een grotere oppervlakte dan 15 m2 heeft. Deze is daarom afzonderlijk bestemd. Op de betreffende gronden is uitsluitend bebouwing ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 meter.

Ontwerp

39

Artikel 4 Groen Het openbare groen, parkeerterreinen en wegen en paden zijn in het onderhavig bestemmingsplan bestemd als ‘Groen’. Naast groenvoorzieningen zijn de gronden binnen deze bestemming dus ook bestemd voor parkeervoorzieningen en wegen en paden en voor de aanleg en instandhouding van speelvoorzieningen, parken en waterpartijen en -lopen. Er mag binnen de bestemming ‘Groen’ enkel worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen. Bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van terrassen, jongerenontmoetingsplaatsen en overkappingen zijn niet rechtstreeks toegestaan. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van terrassen en jongerenontmoetingsplaatsen is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn evenementen rechtstreeks toegestaan voor de duur van maximaal 10 aaneengesloten dagen, inclusief op- en afbouw. De voor ‘Groen’ bestemde gronden mogen niet worden gebruikt voor kamperen, het plaatsen van onderkomens en/ of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens en materialen, voor evenementen, anders dan rechtstreeks toegestaan, voor het beproeven van en/ of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband en voor buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik.

Artikel 5 Maatschappelijk Bij de bestemming ‘Maatschappelijk’ gaat het om het uitoefenen van activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening. De toegestane functies (zie ook het begrippenkader) zijn niet op perceelsniveau vastgelegd, zodat een verandering in de gebruiksfunctie van de percelen mogelijk is. Dit geeft de nodige flexibiliteit. Wel is de kas als zodanig aangewezen door middel van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – kas’ en is ter plaatse van het woonzorgcomplex een functieaanduiding opgenomen dat specifiek hier één bedrijfswoning is toegestaan. Het woonzorgcomplex is ten slotte voorzien van een maatvoeringsaanduiding dat ter plaatse maximaal 30 wooneenheden zijn toegestaan. Gebouwen mogen enkel worden gebouwd in het bouwvlak. De maatvoering ten aanzien van goot- en bouwhoogten is op de verbeelding weergegeven. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Voor bouwmogelijkheden van bijbehorende bouwwerken wordt aangesloten bij de woonbestemming. Ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden en de afwijkingsbevoegdheden is geheel aangesloten bij de gebruiksmogelijkheden van de bestemming ‘Wonen’. Artikel 3 Wonen Aan de nieuwe woningen binnen het plangebied, alsook in het te behouden gebouwdeel C, is de bestemming ‘Wonen’ toegekend.

Binnen de woonbestemming zijn naast het wonen zelf, onder voorwaarden ook aan huis gebonden beroepen en kleinschalige aan huis gebonden bedrijven rechtstreeks toelaatbaar. Bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken is uitgesloten. Het gebruik van de woning voor een kamerverhuurbedrijf, mantelzorg en inwoning of bed & breakfast zijn alleen middels een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan toegestaan. Evenementen zijn rechtstreeks toegestaan voor de duur van maximaal drie aaneengesloten dagen per evenement, inclusief op- en afbouw. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het op de verbeelding als bouwvlak aangewezen gebied. Daarbij dienen de bouw- en maatvoeringsaanduidingen in acht te worden genomen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – patiowoning’ is het bijvoorbeeld uitsluitend toegestaan patiowoningen te realiseren en dus geen ander type woningen. Voor wat betreft de situering en oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is aangesloten bij de Wabo / het Bor: bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd in het achtererfgebied, met uitzondering van overkappingen voor de voorgevelrooilijn. De totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied

Ontwerp

40

bedraagt maximaal 200 m², met dien verstande dat maximaal 75% van het achtererfgebied bebouwd mag worden, met inbegrip van bestaande bebouwing. Onder het begrip achtererfgebied wordt in dit plan verstaan het erf op meer dan 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn. Overkappingen voor de voorgevel gebouwd aan andere bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan, mits de afstand aan de voorzijde van de overkapping tot aan de bestemmingen 'Verkeer' of 'Verkeer - Verblijfsgebied' minimaal 3,5 meter bedraagt 6.2.3

Algemene regels

In artikel 7, de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In artikel 8 zijn algemene bouwregels opgenomen, met daarin regels voor ondergrondse bouwwerken en ondergeschikte bouwdelen. In artikel 7 tot en met 10 algemene gebruiksregels en algemene wijzigingsregels opgenomen. Deze verschaffen Burgemeester en Wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. 6.2.4 Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht (artikel 11) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel (artikel 12) is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Ontwerp

41

7. HANDHAVING Het handhavingstoezicht ten aanzien van bestemmingsplannen wordt uitgevoerd door medewerkers van de gemeente Peel & Maas. Met betrekking tot dit handhavingstoezicht wordt gestreefd naar samenwerking tussen de gemeentelijke afdelingen en diensten die een controlerende functie hebben zoals de inspecteurs omgevingsvergunningen en naar samenwerking met niet-gemeentelijke instanties, o.a. de politie. Deze samenwerking komt tot uiting in het periodieke handhavingsoverleg waaraan verschillende gemeentelijke afdelingen en de politie deelnemen. De samenwerking moet uiteindelijk leiden tot een integraal handhavingsbeleid.

Ontwerp

42

8. UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE 8.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Het voorliggende initiatief heeft betrekking op gronden in eigendom van de gemeente Peel en Maas. Derhalve hoeft er geen overeenkomst met betrekking tot het kostenverhaal te worden gesloten.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 8.2.1 Inspraakprocedure Het bestemmingsplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure. 8.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. PM 8.2.3 In gesprek met Peel en Maas Een analyse van de brede omgeving van de VMBO wees uit dat het kansrijk kon zijn om deze omgeving te betrekken. Niet alleen vanwege het belang als ‘omwonende van een ontwikkeling’, maar ook als ‘potentiële bewoner’ van het gebied. Deze analyse liet namelijk een aantal belangrijke kenmerken van de wijk zijn, namelijk: ▪ de sociale cohesie is naar verwachting groot, gezien het feit dat een substantieel deel van de bewoners hier gemiddeld meer dan 35 jaar woonachtig zijn; ▪ de huidige bewoners behoren overwegend tot de doelgroep ‘ouderen’, waarvan een groot aandeel 75+.

Er is ook een groot aantal bewoners met een actuele zorgbehoefte; ▪ een groot deel van de woningen is niet (direct) geschikt of op termijn niet geschikt voor de doelgroep. Het zijn nietlevensloopbestendige woningen met grote tuinen. Het antwoord op maatschappelijke thema’s als langer zelfstandig thuis wonen en zorgen voor elkaar kan gegeven worden op deze VMBO-locatie door een het realiseren van de goede mix van het juiste type woningen in een ambiance die aansluit op de behoefte van deze omgeving. Een invulling van deze locatie als aanvulling op de bestaande omgeving. Wanneer de betreffende doelgroep ouderen in de bestaande omgeving ook nog te bewegen is om te verhuizen naar een toekomstbestendige woonplek in de nabije omgeving, komt daar vervolgens ook nog de gewenste doorstroming op de woningmarkt op gang: tenslotte zijn de woningen in de omgeving zeer geschikt voor starters, spoedzoekers, instromers en jonge gezinnen. Kortom: een zorgvuldig proces voor en met de omgeving en doelgroepen werd gekozen.

Ontwerp

43

Het animo op een eerste inhoudelijke bijeenkomst in september 2019 was groot. Maar liefst 130 betrokken gingen met elkaar - in kleine groepjes - in gesprek over de eerder genoemde maatschappelijke thema’s, hun eigen woonsituatie en wensen en de vertaling hiervan voor de VMBO-locatie. Het was een eerste bijeenkomst waarin zeer waardevolle input werd gegeven, die later als bouwstenen hebben gediend voor de keuzes van de revitalisatie. Ook werd in deze bijeenkomst een werkgroep van circa 15 leden ‘geboren’ die in het proces meermaals input en advies hebben gegeven aan het projectteam. Het heeft geleid tot een breed gedragen resultaat, zoals beschreven wordt in het stedenbouwkundig plan. In de diverse bijeenkomsten is door de omgeving / doelgroep aangegeven wat ‘prettig wonen en samenleven’ voor hen betekent in relatie tot deze locatie.

Wat werd gedeeld als belangrijke aandachtspunten die WEL moesten worden meegenomen waren (onder andere): ▪ diversiteit in type woningen (jong en oud) en huur en koop; ▪ aandacht voor voldoende groen en beestjes ▪ betaalbaarheid en levensloopbestendigheid; ▪ respect voor elkaars privacy (kleine eigen tuintjes), maar met ruimte ▪ voor gezamenlijke plekken ▪ voldoende parkeergelegenheid Daarnaast was er ook een aantal punten die men nadrukkelijk meegaf als NIET wenselijk, namelijk (onder andere): ▪ niet te hoog (maximaal 3-4 lagen); ▪ niet te vol en massief bebouwen ▪ niet te veel ruimte voor verkeer 8.2.4 Zienswijzenprocedure PM

8.3 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij

de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ontwerp

44

ArchAeO Advies Archeologie Panningen –voormalige VMBO-locatie (gemeente Peel en Maas) Administratieve gegevens NAW-gegevens plan:

Percelen tussen de ‘Nijverheidsstraat’, ‘Doctor Ariënsstraat’, ‘Raadhuisstraat’ en ‘Doctor Poelsplein’ te Panningen (HDN01 - G – 5319 & HDN01 – G - 1508 = Gemeentecode - Sectie – Nr.).

Plan:

Herinrichting

RO-procedure:

Bestemmingsplan procedure?

Opstellers:

drs. M. van der Weele, drs. F.P. Kortlang

Aanvrager:

dhr. K. Vestjens (gemeente Peel en Maas)

Datum:

05-06-2020

ArchAeO projectnummer:

P20053

Inleiding In de bebouwde kern van Panningen (gemeente Peel en Maas) ligt o p twee percelen, tussen de ‘Nijverheidsstraat’, ‘Doctor Ariënsstraat’, ‘Raadhuisstraat’ en ‘Doctor Poelsplein’ , de locatie van de (zie bijlage 1). Het onderwijs vind inmiddels plaats op een andere locatie. De omvang van beide percelen tezamen bedraagt 13.200 m2. De voormalige VMBO-locatie, hierna plangebied genoemd, zal opnieuw moeten worden heringericht, waarbij een gedeelte van de bebouwing blijft behouden voor een andere functie (zie bijlage 2). De resterende bebouwing zal worden gesloopt en men is bezig met een voorbereiding van een nieuwe stedenbouwkundige invulling voor woningbouw. De te bouwen woningen worden gerealiseerd langs de Raadhuisstraat en de Doctor Ariënstraat. De bouwdiepte is nog niet bekend. Bovendien is het de bedoeling om zoveel mogelijk de waardevolle bomen te handhaven. 1 De met de herinrichting gepaard gaande graafwerkzaamheden (sloop, nieuwbouw etc.) kunnen negatieve gevolgen hebben voor de mogelijk aanwezige archeologische resten. Op verzoek van dhr. K. Vestjens is voor het onderhavige plangebied bekeken of er een archeologische verwachting geldt waarmee rekening dient te worden gehouden bij de voorgenomen herinrichting. Het aspect archeologie voor het betreffende plangebied is hierbij kort geëvalueerd en hieronder in woord en beeld beschreven. ArchAeO heeft ontvangen: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=7b6964b7-011a-45af-b024-bcdefe6881ea