2021-020 03 Rapport Toelichting inclusief bijlagen (versie 03-12-2020).pdf
Tekst van het document
De normen uit de Wgv blijven op beide geurgevoelige objecten van toepassing voor veehouderijen. Met het oprichten van de woningen op deze locatie worden veehouderijen derhalve niet anders gehinderd in hun bedrijfsvoering dan reeds het geval. Effect van veehouderijen De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in de bebouwde kom, is door de Wgv vastgesteld op 3 OU/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 3 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). Het plangebied kan wel geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving.
Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich echter de volgende (intensieve) veehouderij: ▪ Een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, aan de Eelserstraat 22, afstand tot het plangebied 230 meter; ▪ Een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, aan de Kaumeshoek 16, afstand tot het plangebied 250 meter; ▪ Een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, aan de Kaumeshoek 17, afstand tot het plangebied 310 meter. ▪ Een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, aan de Eelserstraat 30, afstand tot het plangebied 430 meter. Van de alle veehouderijen waar dieren worden gehouden met geuremissiefactoren, is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bijlage 1). Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen punt van het agrarische bouwvlak. Tabel 3. Rekenresultaten voorgrondbelasting
Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt
Ontwerp
Xcoördinaat 193907 194052 194096 193994 194005
Ycoördinaat 372400 372483 372447 372349 372411
Eelserstraat 22 0,7 1,3 1,6 0,9 1,0
Kaumeshoek 16 0,6 0,9 0,8 0,5 0,6
Kaumeshoek 17 0,7 1,1 1,0 0,6 0,8
Eelserstraat 30 1,2 1,7 2,0 1,7 1,6
23
De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 2,0 OU/m3. Op basis van de Wgv is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 3,0 OU/m3. Er wordt daarmee ruimschoots aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Tabel 4. Rekenresultaten achtergrondbelasting
Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt
X-coördinaat 193907 194052 194096 193994 194005
Y-coördinaat 372400 372483 372447 372349 372411
Berekende waarde 4,8 5,2 5,7 5,2 5,2
De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 4,8 en 5,7 OU/m3. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgv geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de Wgv geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv (welke gaat over de beoordeling van ruimtelijke plannen, aanvulling 23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling 1 mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen. Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van de verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is. Tabel 5. Beoordeling milieukwaliteit
Milieukwaliteit
Geur gehinderden
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
< 5% 5-10% 10-15% 15-20% 20-25% 25-30% 30-35% 35-40%
Voorgrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 1,5 1,5-3,8 3,8-6,6 6,6-10 10-14,2 14,2-19,2 19,2-25,3 25,3-32,8
Achtergrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 3,1 3,1-7,4 7,4-13,1 13,1-20 20-28,3 28,3-38,5 38,5-50,7 > 50,7
Concluderend kan derhalve het volgende gesteld worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt toetsing plaats aan de wettelijke norm van 3 OU/m3 voor binnen de bebouwde kom.
Ontwerp
24
De norm voor binnen de bebouwde kom valt in de milieukwaliteitsklasse “goed” (1,5 tot 3,8 OU/m3). Op grond hiervan wordt afgeleid dat in de bebouwde kom een milieukwaliteit “goed” aanvaardbaar is. Als deze wettelijke normen worden doorgetrokken naar de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat binnen de bebouwde kom bij een norm gelegen in de klasse 3,1 tot 7,4 OU/m3 (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “goed”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 5,7 OU/m3. Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een milieukwaliteitsklasse “goed”, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. 5.1.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn voorts regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De normen voor het risico dat burgers mogen lopen als gevolg van een ongeval met transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi.
De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. Zoals al aangegeven is, wordt getoetst aan een plaatsgebonden- en een groepsrisiconorm die bepalen wat de maximale kans op dodelijke slachtoffers mag zijn in geval van een incident. Deze normen hebben het karakter van grenswaarden (zijnde het maximaal toelaatbaar risico) en richtwaarden in het milieubeleid. Voor ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het invloedsgebied van de risicovolle activiteit geldt een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico. Deze verantwoordingsplicht geldt ongeacht of normen worden overschreden. Uitgangspunt voor het beleid is dat burgers voor de veiligheid in hun woonomgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico): er mogen zich dus geen kwetsbare bestemmingen bevinden binnen de zone van het maximaal toelaatbaar risico. De kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers (groepsrisico) moet expliciet worden afgewogen en verantwoord.
Ontwerp
25
Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg ligt het plangebied in de nabijheid van de provinciale weg N275. Risicovol transport kan plaatsvinden over de N275, welke circa 60 meter ten noorden van het plangebied ligt. Op basis van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van de N275 zich bevindt op de weg zelf en dat de overschrijdingsfactor van het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde en de 10% van de oriëntatiewaarde niet. De ligging ten opzichte van de N275 vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de N275. Op basis van artikel 7 van het Bevt, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied van de N275, ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een eventuele ramp met gevaarlijke stoffen. Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft op 1 oktober 2020 advies uitgebracht, zie bijlage 2. Het advies gaat in op het mogelijke scenario’s verbonden aan het vervoer van gevaarlijke stoffen, namelijk ▪ Het vrijkomen van een toxische wolk uit een tankwagen die een giftige vloeistof vervoert; ▪ Het vrijkomen van een brandbaar gas, dat explodeert. Brandbare vloeistoffen worden naar verwachting voldoende (snel) in de ondergrond opgevangen.
De effecten van een plasbrand op het plangebied zijn daarom buiten beschouwing gelaten. Mogelijkheden ter bestrijding van een incident Voor het effectief kunnen bestrijden van de effecten van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is de N275 tweezijdig bereikbaar voor hulpverleningsvoertuigen. Nabij de N275 zijn onvoldoende bluswatervoorzieningen beschikbaar om een tankwagen te kunnen koelen en een explosie te voorkomen. Mogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen De aanwezige personen zijn voldoende zelfredzaam. In het geval dat de personen binnen moeten schuilen tegen de effecten van een toxische wolk, zullen zij worden gewaarschuwd door de sirenes van het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) of via NL-Alert. Met het nieuwe alarmmiddel NL-Alert wordt tevens bekend gemaakt waaruit de dreiging bestaat. Het is van belang, dat de nieuwe woningen goed afsluitbaar zijn, zodat er geen toxische gassen kunnen binnendringen. Eventueel aanwezige mechanische ventilatie moet daartoe op een goed bereikbare plaats kunnen worden uitgeschakeld. Als het nodig is om te vluchten, helpt het als de nieuwe woningen een uitgang hebben aan de zuidzijde, van het gevaar af. De Veiligheidsregio adviseert verder extra bouwkundige eisen te stellen aan de nieuwe woningen en om actief te communiceren over de risico’s ter bevordering van het handelingsperspectief van de aanwezigen.
5.2 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.
Ontwerp
26
5.3 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bouw van de woningen hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie3 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Ook dient de poel bij voorkeur te worden gedempt in de periode 15 juli t/m 31 oktober (Unie van Waterschappen, 2012), zodat er zo min mogelijk sterfte onder amfibieën zal optreden. Vleermuizen De houtwal ten noordwesten van het plangebied dient mogelijk als vast vliegroute- en/of foerageergebied van verschillende soort vleermuizen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de houtwal alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
5.3.2 Natura2000 In de omgeving van het plangebied zijn twee Natura 2000-gebieden gelegen. Dit betreffen de gebieden Deurnsche peel & Mariapeel (4,5 km) en Groote Peel (6,3 km). In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. . In het kader van het initiatief is gekeken naar de Handreiking woningbouw en Aerius die is opgesteld door de Rijksoverheid. Met behulp van de handreiking kan een beeld worden gegeven van de totale stikstofdepositie in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase. In de handreiking wordt voor 50 woningen op een afstand van 5 km van een Natura 2000-gebied uitgegaan van een indicatieve depositie van 0,01 mol/ha/jaar. Wanneer deze informatie geëxtrapoleerd wordt naar 12 woningen op 4,5 kilometer afstand, kan worden geconcludeerd dat een stikstofdepositie boven de 0,00 mol/ha/jaar hier niet te verwachten is. Volledige zekerheid omtrent het aspect stikstof is echter alleen verkrijgbaar middels een berekening in AERIUS Calculator. 3
Faunaconsult, Quickscan natuurwetgeving aan de Bèr Vullingsstraat te Beringe, 8 juni 2020
Ontwerp
27
Door middel van een onderzoek stikstofdepositie zijn de mogelijke effecten van de voorliggende ontwikkeling in beeld gebracht door middel van een AERIUS-berekening. Aanlegfase Het voornemen bestaat om woningbouw mogelijk te maken aan de Ber Vullingsstraat te Beringe. Ter plaatse is de bouw van 12 woningen voorzien. Tevens wordt de omliggende openbare ruimte ingericht, met onder andere groen, waterberging, interne ontsluitingswegen en parkeerplaatsen. Bij de realisatie van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof, deze emissie is berekend. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen (tabel 6). Tabel 6. Mobiele werktuigen
Werktuig
Bouwjaar
Brandstof
Betonpomp Mobiele hijskraan Tractor Graafmachine Graafmachine Laadschop Laadschop Asfaltfreesmachine Asfaltwerkinstallatie Wals Trilplaat
va. 2014 va. 2015 va. 2015 va. 2015 va. 2014 va. 2015 va. 2014 va. 2014 va. 2015 va. 2013 va. 2008
Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Benzine
Vermogen (kW) 200 100 100 100 200 100 200 150 60 50 10
Belasting (%) 50 50 40 60 60 60 60 60 55 40 40
Draaiuren 28 28 105 35 35 35 35 7 7 10 35
Totale emissie 2,8 1,4 3,8 1,7 3,4 1,9 3,8 0,6 0,2 0,8 0,2
Ten tijde van de aanlegfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 24 bedrijfsbusjes per etmaal (2 bedrijfsbusjes per woning). Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 20 vrachtwagens aanwezig zijn.
Afbeelding 11. Uitsnede berekening aanlegfase AERIUS Calculator
Ontwerp
28
Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief tijdens de aanlegfase (zie bijlage 3: AERIUS-berekening aanlegfase). Gebruiksfase Als gevolg van onderhavig initiatief kan de emissie van stikstof vanuit het plangebied toenemen vanwege het gebruik van de woningen en de toename van verkeer van en naar de locatie. Hierom is het exacte effect van de realisatie van de woningen door middel van AERIUS Calculator berekend op de Natura2000-gebieden (zie bijlage 4). Om de effecten te berekenen is uitgegaan vier twee-onder-een-kap woningen, vier tussen woningen en vier hoekwoningen. Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van 12 woningen tot een standaard emissie NOx van 22,2 kg/jaar (worstcase: vrijstaande woningen). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. In totaal worden twaalf woningen opgericht.
Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: - 4x Koop, huis, twee-onder-een-kap - 8x Koop, huis, tussen/hoek ▪ Gebiedstype: Rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert één twee-onder-één-kap woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Op basis van de kencijfers genereert één tussen / hoekwoning per etmaal minimaal 7,0 en maximaal 7,8 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 95,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 47,6 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 1,2 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.
Afbeelding 12. Uitsnede berekening AERIUS Calculator
De stikstofemissie neemt door het initiatief toe met 23,4 kg NOx per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden.
Ontwerp
29
5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de Provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als hoge zwarte enkeerdgronden, bestaande uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand beneden de 250 cm onder maaiveld is gelegen.
Ontwerp
30
Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied zelf geen oppervlaktewater ligt. Op enige afstand bevinden zich de aanvoerleiding Everlose Beek, Gommesveld en Kaumeshoek. De aanvoerleiding Everlose beek en de Kaumeshoek betreffen beide primaire watergangen van het waterschap. Gommesveld betreft een secundaire watergang van het waterschap. De Keur van het waterschap is op al deze watergangen van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zone. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal voor de nieuwe woningen te zijner tijd een aansluiting gemaakt worden op het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel. Water in relatie tot ontwikkeling Onderhavig bestemmingsplan heeft tot doel het oprichten van 12 woningen. Met het initiatief is sprake van nieuw verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden.
Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van een initiatief, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand. Ten tijde van de realisatie van het nieuwbouwwijkje “Achter de Kerk” is een gemeenschappelijke infiltratievoorziening gerealiseerd. Overtollig hemelwater afkomstig van de nieuwbouwwijk wordt opgevangen in de bovengrondse retentievoorziening (wadi), alwaar het hemelwater de mogelijkheid krijgt in de bodem te infiltreren. De wadi is reeds aanwezig en ligt tegen de Bèr Vullingsstraat aan. Voor de nieuwbouwwijk “De Groene Pijl” zal even eens gebruik worden gemaakt van de reeds aanwezige wadi.
5.5 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.
Ontwerp
31
De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Conform de vigerende bestemmingsplannen is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ toegekend.
Afbeelding 13. Uitsnede archeologische waardenkaart
In 2004 heeft in het reeds gerealiseerde (zuidwestelijke) bouwplan en het plangebied dat nu in voorbereiding is, een archeologisch bureau- en booronderzoek plaatsgevonden (Vestigia) dat vervolgd is met een archeologisch proefsleuvenonderzoek (ADC 2015). Naar aanleiding van de resultaten uit het proefsleuvenonderzoek is in 2015 door archeologisch onderzoeksbureau ADC geadviseerd om het plangebied archeologisch vrij te geven. Bij het opstellen van de archeologische verwachtingenkaart en de beleidskaart van de gemeente Peel en Maas is dit advies per abuis niet overgenomen. Vandaar dat in de vigerende bestemmingsplannen de dubbelbestemming is gehandhaafd. Vanwege de onduidelijke situatie t.a.v. archeologie is het rapport proefsleuvenonderzoek ter beoordeling nogmaals doorgenomen4. De resultaten en het advies dat daaruit volgt kunnen door ArchAeO worden bevestigd. Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat binnen het met proefsleuven onderzochte gebied geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Ten aanzien van het plangebied kan geconcludeerd worden dat de verbeelding op de archeologische beleidskaart en de dubbelbestemming in de vigerende bestemmingsplannen ten onrechte uitgaan van een hoge verwachtingswaarde. Deze verachting kan worden bijgesteld. Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie.
De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. 4
ArchAeO, Advies archeologie, 11 maart 2020, Kernmerk P 20024
Ontwerp
32
Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de nabijheid van het plangebied enkele panden uit het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Het gaat om de volgende gebouwen: ▪ Kanaalstraat 88. Dit is een pastorie dit is gebouwd in de traditionele bouwstijl. De pastorie staat via de sacristie in directe verbinding met de kerk; ▪ Kanaalstraat 90. Dit is een Rooms-katholieke parochiekerk die is gebouwd in de traditionele bouwstijl. De kerk is in 1927 gebouwd. Bij de kerk staat ook een H. Hart-beeld op bakstenen voet die is opgenomen in het MIP; ▪ Kanaalstraat 94. Dit is een gemeenschapshuis dat van oorsprong een Patronaat was. Het gemeenschapshuis is in de traditionele stijl gebouwd en heeft een zadeldak. Het oprichten van de woningen aan de Bèr Vullingsstraat heeft geen nadelige gevolgen op de (belevings-)waarde van deze gebouwen. Ten zuidoosten van het plangebied is een Kerkhofpad gelegen. Het Kerkhofpad heeft een karakteristieke uitstraling en wordt geflankeerd door karakteristieke bomen.
De karakteristieke waarden van het Kerkhofpad en de bomen bij zowel het Kerkhofpad zijn beschermd middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’. Het oprichten van de woningen aan de Bèr Vullingsstraat heeft geen nadelige gevolgen voor de karakteristieke waarden van het Kerkhofpad en de bomen die de weg sieren. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.6 Verkeer en parkeren Het initiatief zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen van en naar de locatie en de parkeersituatie. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het oprichten van de woningen de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid. Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de woningen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Met onderhavig initiatief worden vier twee-onder-een-kap woningen en acht tussen/ hoekwoningen opgericht. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van 4x de functie ‘Koop, huis, tweeonder-een-kap’ en 8x de functie ‘Koop, huis, tussen/hoek’ en het gebiedstype ‘Rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied’. Op basis van de kencijfers genereert één twee-onder-één-kap woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Op basis van de kencijfers genereert één tussen / hoekwoning per etmaal minimaal 7,0 en maximaal 7,8 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 95,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 47,6 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). De woningen zullen worden ontsloten middels de Bèr Vullingsstraat, die in verbinding staat met de Kanaalstraat.
De Bèr Vullingsstraat reikt momenteel tot aan het plangebied maar loopt niet verder in het plangebied. Om de woningen te ontsluiten zal de Bèr Vullingsstraat moeten worden verlengd tot in het plangebied. Gezien het profiel van de Bèr Vullingsstraat en andere wegen in de omgeving zal deze verkeersstroom niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling.
Ontwerp
33
Parkeren Op 19 juni 2018 is het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas vastgesteld. Dit plan heeft tot doel de (beperkte) ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten en in het openbaar gebied parkeeroverlast zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Daartoe legt het plan als algemeen uitgangspunt vast dat een concreet initiatief op eigen terrein kan voldoen aan de parkeervraag. Verder bevat het plan een norm voor een veelheid aan functies, gerelateerd aan de locatie (centrum, rest bebouwde kom en buiten bebouwde kom). Om de parkeerbehoefte te bepalen is gebruik gemaakt van het ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas’. In het worst-case scenario worden binnen het plangebied 12 woningen opgericht. Gekeken is naar een woonhuis in de rest bebouwde kom. Per woning dienen 2 parkeerplaatsen te worden opgericht. In totaal dienen 24 parkeerplaatsen te worden opgericht. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte ten behoeve onderhavig initiatief.
Ontwerp
34
6. JURIDISCHE ASPECTEN Het bestemmingsplan “De Groene Pijl Beringe” is vervat in een verbeelding, de planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan “Kernen Beringe, Egchel,, Grashoek en Koningslust.
6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemmingen voor de gronden gelden. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Voor de gronden kunnen meerdere tekens gelden, dit betreffen aanduidingen of dubbelbestemmingen. Als een aanduiding of dubbelbestemming is opgenomen zijn daarvoor in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welke gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, in dit geval voor de locatie Bèr Vullingsstraat ongenummerd. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is voor het grootste deel bestemd als ‘Woongebied’ met twee bouwvlakken waarbinnen de woningen beoogd zijn. Het plangebied is voor een klein deel bestemd als ‘Groen’. Bij de bestemming ‘Groen’ is tevens de functieaanduiding ‘waterberging’ opgenomen.
6.2 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied zijn voorzien van een bestemming. Een bestemming geeft de functie(s) aan die voor een gebied zijn toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. De bevoegdheid om bestemmingen toe te kennen is voorbehouden aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming toekennen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening” redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruik om die bestemming te realiseren. De bestemming en regels gelden voor 10 jaren te rekenen vanaf het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers, bedrijven en de overheid.
Ontwerp
35
Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van de SVBP2012 en het vigerende bestemmingsplan “Kernen Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust”. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels en algemene wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving 2. Bouwregels 3. Nadere eisen 4. Afwijken van de bouwregels 5. Specifieke gebruiksregels 6. Afwijken van de gebruiksregels 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8. Wijzigingsbevoegdheid Een bestemming hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie gegeven.
Indien nodig worden vervolgens de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Voor de categorieën waarbij bebouwing voorkomt zijn regels opgenomen over de oppervlakte, hoogte etc. Alle solitaire functies zijn voorzien van een bestemmingsvlak met daarbinnen al dan niet een bouwvlak. Binnen het bouwvlak wordt de maximaal toelaatbare bebouwde oppervlakte opgenomen, de exacte locatie van de bebouwing binnen het bouwvlak is minder bepalend. Bij het agrarische bouwvlak mag het bouwvlak volledig worden bebouwd, mits binnen het bestemmingsvlak voldoende ruimte blijft voor realisering van allerlei overige voorzieningen. Indien een bouwaanvraag wordt ingediend zijn in eerste instantie de bestemming met bijbehorende regels van belang. Als het nieuwe bouwwerk past binnen het toegekende bouwvlak en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming dan kan een omgevingsvergunning worden verleend. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
Woongebied Het deel van het plangebied waarbinnen realisering van woningen met tuinen is gepland, is bestemd als 'Woongebied'. Binnen deze bestemming mogen woningen met bijbehorende tuinen en erven worden opgericht. Binnen de bestemming ‘Woongebied’ mogen in totaal maximaal 12 woningen worden opgericht binnen de twee aangegeven bouwvlakken met een bouwhoogte van maximaal 10 meter en een goothoogte van maximaal 6 meter. Groen Het overige deel van het plangebied wordt bestemd als ‘Groen’. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere parken, nutsvoorzieningen, paden en speelvoorzieningen. Op de deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen. Voor de grond bestemd als ‘Groen’ is tevens de functieaanduiding ‘waterberging’ opgenomen.
Ontwerp
36
7. HANDHAVING Het handhavingstoezicht ten aanzien van bestemmingsplannen wordt uitgevoerd door medewerkers van de gemeente Peel & Maas. Met betrekking tot dit handhavingstoezicht wordt gestreefd naar samenwerking tussen de gemeentelijke afdelingen en diensten die een controlerende functie hebben zoals de inspecteurs omgevingsvergunningen en naar samenwerking met niet-gemeentelijke instanties, o.a. de politie. Deze samenwerking komt tot uiting in het periodieke handhavingsoverleg waaraan verschillende gemeentelijke afdelingen en de politie deelnemen. De samenwerking moet uiteindelijk leiden tot een integraal handhavingsbeleid.
Ontwerp
37
8. UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE
8.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente ontwikkelt zelf dit woningbouwplan en alle gronden zijn in eigendom van de gemeente. Kosten worden terug verdient door uitgifte van bouwrijpe grond. Kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd. Voor de planlocatie is een grondexploitatie opgesteld, waarin de kosten en baten tegen elkaar zijn afgezet. Uit de grondexploitatie blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.
8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog Direct vanaf het begin van het woningbouwplan zijn in 2018 diverse acties ondernomen om het plan af te stemmen met de omgeving. Al vanaf het begin van het woningbouwplan is overleg geweest met de bewoners van drie aangrenzende woningen (drie woningen die direct uitzicht hebben op het plangebied). In samenspraak met deze bewoners is het plan verder ontwikkeld. Deze buurtbewoners hebben aangegeven dat zij veel waarde hechten aan een groenstrook aan de voorzijde van hun woningen. Met onderhavig plan is hiermee rekening gehouden door de WADI dusdanig te plaatsen zodat er een vrij uitzicht blijft voor de drie aanliggende huizen. In totaal is het plan 3 á 4 keer naar deze buurtbewoners opgestuurd. In totaal hebben er twee overleggen plaatsgevonden met deze buurtbewoners.
In November 2019 is een open inloopavond georganiseerd voor buurtbewoners, geïnteresseerde en eventuele bezwaarhebbers. De open inloopavond is bekend gemaakt middels de Facebookpagina van Steingood Beringe, via een flyer en via de lokale krant “Hallo Peel en Maas”. Het doel van de open inloopavond was iedereen informeren over het woningbouwplan. Daarnaast is contact opgenomen met het kerkbestuur aangezien de woningbouwlocatie is gelegen naast het kerkhofpad. Het kerkbestuur heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen woningbouw naast het kerkhofpad. Met onderhavig plan is uit voorzorg wel rekening gehouden met het kerkhofpad. Langs het kerkhofpad is een aantal meter vrij gehouden zodat er tijdens een eventuele begrafenis geen hinder wordt ondervonden van de nieuwe buurt. Vooroverleg PM
Ontwerp
38
Zienswijzen PM
8.3 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij
de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ontwerp
39
Gegenereerd op: 8-06-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.
Naam van de berekening: Eelserstraat 22 Gemaakt op: 3-12-2020 Rekentijd:
10:58:38
0:00:01
Naam van het bedrijf: De Groene Pijl
Berekende ruwheid: 0,28 m Meteo station: Eindhoven
Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
1
194 331
372 252
6,0
6,0
0,50
4,00
11 333
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
2
Hoekpunt 1
193 907
372 400
3,0
0,7
3
Hoekpunt 2
194 052
372 483
3,0
1,3
4
Hoekpunt 3
194 096
372 447
3,0
1,6
5
Hoekpunt 4
193 994
372 349
3,0
0,9
6
Middelpunt
194 005
372 411
3,0
1,0
Gegenereerd op: 8-06-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.
Naam van de berekening: Eelserstraat 30 Gemaakt op: 3-12-2020 Rekentijd:
11:01:41
0:00:01
Naam van het bedrijf: De Groene Pijl
Berekende ruwheid: 0,29 m Meteo station: Eindhoven
Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
1
194 512
372 458
6,0
6,0
0,50
4,00
38 211
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
2
Hoekpunt 1
193 907
372 400
3,0
1,2
3
Hoekpunt 2
194 052
372 483
3,0
1,7
4
Hoekpunt 3
194 096
372 447
3,0
2,0
5
Hoekpunt 4
193 994
372 349
3,0
1,7
6
Middelpunt
194 005
372 411
3,0
1,6
Gegenereerd op: 8-06-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.
Naam van de berekening: Kaumeshoek 16 Gemaakt op: 3-12-2020 Rekentijd:
11:04:04
0:00:01
Naam van het bedrijf: De Groene Pijl
Berekende ruwheid: 0,29 m Meteo station: Eindhoven
Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
3
194 121
372 715
6,0
6,0
0,50
4,00
6 682
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
2
Hoekpunt 1
193 907
372 400
3,0
0,6
3
Hoekpunt 2
194 052
372 483
3,0
0,9
4
Hoekpunt 3
194 096
372 447
3,0
0,8
5
Hoekpunt 4
193 994
372 349
3,0
0,5
6
Middelpunt
194 005
372 411
3,0
0,6
Gegenereerd op: 8-06-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.
Naam van de berekening: Kaumeshoek 17 Gemaakt op: 3-12-2020 Rekentijd:
11:05:21
0:00:01
Naam van het bedrijf: De Groene Pijl
Berekende ruwheid: 0,28 m Meteo station: Eindhoven
Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
4
194 125
372 783
6,0
6,0
0,50
4,00
11 385
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
2
Hoekpunt 1
193 907
372 400
3,0
0,7
3
Hoekpunt 2
194 052
372 483
3,0
1,1
4
Hoekpunt 3
194 096
372 447
3,0
1,0
5
Hoekpunt 4
193 994
372 349
3,0
0,6
Gemeente Peel en Maas t.a.v. De heer R. Janssen Wilhelminaplein 1 5981 CC Panningen
datum
1 oktober 2020
uw kenmerk
behandeld door
Bram van den Ende
telefefoonnummer
0031881190653
bijlage(n)
0
ons kenmerk
2020-001957
onderwerp
Realisatie van 15 woningen in Beringe (plan De Groene Pijl)
Geachte heer Janssen, Op 11 augustus 2020 hebben wij een aanvraag ontvangen voor het project Realisatie van 15 woningen op de locatie Achter de Kerk te Beringe. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Provinciale weg N275, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op grond van artikel 7 uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) voorzien wij u graag van advies over deze ontwikkeling. De gemeente Peel en Maas heeft in de locatie 'Achter de Kerk' een geschikte woningbouwlocatie voor starters- en seniorenwoningen gevonden. De woningbouwlocatie zal een noordelijke uitbreiding zijn van het nieuwbouwwijkje “Achter de Kerk”. Op basis van de vigerende bestemmingsplannen “Kernen Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust” en “Buitengebied Peel en Maas” is de voorgenomen ontwikkeling van de woningbouwlocatie niet toegestaan. Een woning is op grond van de definities in het Bevi te classificeren als een kwetsbaar object. Relevante aspecten externe veiligheid Risicobronnen en groepsrisico De Provinciale weg N275 ligt op een afstand van ongeveer 60 meter van de toekomstige woningen. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde en de 10% van de oriëntatiewaarde niet. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
In het kader van de verantwoording zijn onderstaande scenario's maatgevend. Optreden van een koude of een warme BLEVE op de N275 Over de N275 vindt transport plaats van brandbare gassen behorend tot de stofcategorie GF3 met een maximale effectafstand van 355 meter. Voorbeeldstof voor deze categorie is propaan/LPG. Bij een ongeval met het vervoer van een GF3-stof (een tot vloeistof verdicht brandbaar gas) over de weg, kan een koude of warme BLEVE optreden. Een koude BLEVE kan veroorzaakt worden door een externe beschadiging van de tankwand, bijvoorbeeld bij een botsing, waardoor deze direct openscheurt Het brandbare gas komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Een koude BLEVE is een snel scenario wat direct plaatsvindt. Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. Het brandbare gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Een warme BLEVE voltrekt zich binnen 20 minuten, afhankelijk van de opwarmingstijd tot de explosie. Effecten De effecten van een koude en warme BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking door rondvliegende brokstukken. Na de explosie voltrekt het scenario BLEVE zich snel en duurt de vuurbal niet langer dan 10 tot 20 seconden. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken.
Het slachtofferbeeld wordt voornamelijk bepaald door de hittestraling en niet door de overdruk. Volgens het scenarioboek externe veiligheid ligt de grens voor 99% letaliteit op 100 meter met een hittestraling van 130 kW/m² en de grens voor 1% letaliteit op 245 meter met een hittestraling van 25 kW/m². Tot op een afstand van 380 meter kunnen onbeschermde personen 1e graad brandwonden oplopen. Gebouwen kunnen een zekere bescherming bieden tegen de hittestraling, maar moeten wel bestand zijn tegen de optredende overdruk. Bestrijdbaarheid Gezien de snelheid waarmee een koude BLEVE plaatsvindt, is dit scenario niet bestrijdbaar. De koude BLEVE wordt daarom niet verder uitgewerkt in deze analyse. Een warme BLEVE kan worden voorkomen door middel van koelen en/of afschermen van de tank. Afhankelijk van de constructie en de intensiteit van brand, vindt binnen 20 minuten een BLEVE plaats. Bij een LPG-tank met een onbeschadigde hitte-werende coating, wordt een mogelijke BLEVE uitgesteld tot 75 minuten. Randvoorwaarde is een snelle alarmering en opkomst van de brandweer, een goede bereikbaarheid van de incidentlocatie en de beschikking over voldoende slagkracht en bluswater. Voor een effectieve bestrijding is een bluswatercapaciteit van 2 maal 90 m³/uur benodigd.
De hulpdiensten zullen bij het optreden van een BLEVE slachtoffers redden en eerste hulp verlenen en ontstane branden in de omgeving blussen. Zelfredzaamheid en handelingsperspectief bij een (dreigende) BLEVE De zelfredzaamheid van personen wordt in grote mate bepaald door de mogelijkheden om van de bron af te vluchten en door de mogelijkheden om te schuilen. De vluchtroutes vanuit de toekomstige woningen moeten zodanig zijn ingericht, dat van de risicobron af vluchten mogelijk is. Indien het gebouw niet tijdig kan worden ontvlucht, moet het gebouw zoveel mogelijk bescherming bieden aan
de aanwezige personen tegen de effecten van een BLEVE. De glasbezetting in een gebouwconstructie is doorgaans de zwakste schakel. Vrijkomen van toxische stoffen op de N275 Over de N275 vindt transport plaats van toxische vloeistoffen behorend tot de stofcategorie LT2 met een maximale effectafstand van 880 meter. Als voorbeeldstof voor dit scenario is ammoniak aangehouden. Door een ongeval met bovengenoemde gevaarlijke stoffen, kan er een lekkage ontstaan waardoor in korte tijd een grote hoeveelheid van een toxisch gas vrijkomt. Er ontstaat vervolgens een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. Effecten De snelheid waarmee het scenario giftige wolk zich voltrekt is afhankelijk van de uitstroomsnelheid van de giftige stof, de windsnelheid en windrichting en de inrichting van de omgeving. Personen die zich buiten begeven in het effectgebied lopen een grote kans gewond te raken dan wel dodelijk slachtoffer te worden. Volgens het scenarioboek externe veiligheid ligt bij het vrijkomen van ammoniak uit een tankwagen (bij neutraal weer, een windsnelheid van 5 m/s en een verstedelijkt gebied), de grens voor 95% letaliteit op 90 meter en de grens voor 5% letaliteit op 280 m. Gebouwen kunnen een zekere bescherming bieden tegen een giftige wolk.
Echter de toxische wolk kan, meegevoerd door de wind, uiteindelijk ook het binnenmilieu van gebouwen binnendringen door ruimtelijke ventilatie en na verloop van tijd ook door natuurlijke ventilatie. Bestrijdbaarheid De inzet van de brandweer richt zich op het neerslaan van een toxische gaswolk. Randvoorwaarde is een snelle alarmering en opkomst van de brandweer, een (bovenwindse) bereikbaarheid via twee verschillende routes vanuit twee tegenovergestelde windstreken en de beschikking over voldoende bluswater om een gaswolk neer te slaan. Voor een effectieve bestrijding is een bluswatercapaciteit van 2 maal 90 m³/uur benodigd. Zelfredzaamheid en handelingsperspectief bij een toxische wolk De zelfredzaamheid van personen wordt in grote mate bepaald door de mogelijkheden om van de bron af te vluchten en door de mogelijkheden om te schuilen. Bij een toxisch scenario is schuilen in een gebouw een effectieve vorm van zelfredzaamheid, als het gebouw voldoende bescherming biedt. Het gebouw moet lucht- en lekdicht dicht zijn, waardoor toxische gassen niet kunnen binnendringen. Een mechanische gebouwventilatie moet direct kunnen worden uitgezet. Indien schuilen niet mogelijk is moet bij voorkeur dwars op de windrichting worden gevlucht.
Hulpverlening De inzet van de brandweer is er op gericht om de escalatie van bovengenoemde scenario’s te voorkomen en de schadelijke effecten hiervan zoveel mogelijk te beperken. Bepalend voor een effectieve inzet, is een goede tweezijdige en veilige bovenwindse bereikbaarheid van een locatie, een snelle alarmering en opkomst van de brandweer en de beschikbaarheid van voldoende bluswater in de directe omgeving. Bereikbaarheid Het plangebied en de omgeving zijn goed bereikbaar via minimaal twee onafhankelijke aanvalswegen,
waardoor ook in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied goed bereikbaar is. De aanvalswegen voorzien verder in een veilige bovenwindse aanrijroute bij een incident met toxische stoffen. Opkomsttijd De opkomsttijd van de 1e tankautospuit van de brandweer naar een ongevalslocatie in en nabij het plangebied bedraagt ongeveer 8 minuten. Vanwege deze opkomsttijd is het aannemelijk dat de brandweer tijdig een effectieve bron- en/of effectbestrijding kan inzetten bij een (dreigende) BLEVE of het vrijkomen van een toxische stof. Het bevorderen van de zelfredzaamheid van aanwezige personen in het plangebied blijft echter van groot belang. De wettelijke opkomsttijd voor een 1e brandweereenheid voor een woonfunctie bedraagt volgens het Besluit Veiligheidsregio’s maximaal 8 minuten. De wettelijke opkomsttijd voor de brandweer wordt voor dit gebouw niet of nauwelijks overschreden. Bluswatervoorzieningen In de Bèr Vullingsstraat zijn openbare primaire bluswatervoorzieningen aanwezig voor gebouwbrandbestrijding, maar vanwege de afstand wordt geadviseerd om de nieuwe woonwijk te voorzien van enkele brandkranen (conform het regionale beleid). Langs de N275 is eveneens geen bluswatervoorziening aanwezig. Parallel aan de N275 ligt het kanaal Noordervaart, maar hiervan is de bereikbaarheid niet optimaal.
Volgens het regionale beleid is een bluswatercapaciteit van 2 maal 90 m³/uur nodig om een scenario BLEVE of ongeval met toxische vloeistoffen of gassen te bestrijden. Gezien de kleinschaligheid van de huidige ontwikkeling wordt geadviseerd om bij een volgende ontwikkeling nabij de N275 twee geboorde putten van 90 m³/uur aan te laten leggen tussen de rotonde Kanaalstraat en de Kaumeshoek (indicatief). De exacte uitvoering en positionering dienen op dat moment nader te worden afgestemd met de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Zelfredzaamheid Personen in de toekomstige woningen zijn naar verwachting overwegend zelfredzaam. De personen in het plangebied kunnen schuilen in hun eigen woning, indien dit gebouw voldoende bescherming biedt. In geval van een toxisch scenario, is het noodzakelijk dat de ventilatie van het gebouw afgeschakeld kan worden door de bewoners. In het plangebied zijn er voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig om bij een incident van de risicobron af te kunnen vluchten. In het bouwkundige en installatietechnische ontwerp moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden voor het schuilen in het gebouw en de ontvluchting van het gebouw bij de bovenstaande externe veiligheid scenario’s. De toekomstige bewoners moeten kennis hebben van de gevaren van de externe veiligheid scenario’s en weten wat te doen bij het optreden van deze scenario’s.
Hierdoor kan het juiste handelingsperspectief gekozen worden, namelijk schuilen of vluchten. Bij de verkoop en/of verhuur van de woningen dient aan de toekomstige bewoners de voorgestelde handelingsperspectieven te worden meegegeven. Waarschuwing en alarmering
Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) is dekkend voor het plangebied. Het gebruik van het WAS, aangevuld met het gebruik van NL-alert, kan er aan bijdragen dat het aantal slachtoffers wordt beperkt. Advies • Bij het optreden van een BLEVE op de N275 ontstaat een drukgolf en hittestraling met scherfwerking en brand tot gevolg. Dit wordt deels opgevangen door aanwezige obstakels in de omgeving, maar niet langs het gehele invloedstraject. Hierdoor vallen er veel slachtoffers en wordt de zelfredzaamheid van aanwezige personen negatief beïnvloed. Om dit te voorkomen adviseren we onderstaande zaken: ◦ Beperk het glasoppervlak aan de risicovolle zijdes; ◦ Voer de beglazing in de gevelconstructie gekeerd naar de N275 uit als gelaagd veiligheidsglas in een flexibele sponning en een daarvoor geschikt kozijn. Het glas dient te voldoen aan klasse P2A conform NEN-EN 356 of gelijkwaardig met als doel dat de effecten van buitenaf worden beperkt. ◦ Het buitenoppervlak van de gevel- en dakconstructie van de woningen gekeerd naar de N275 moet voldoen aan brandklasse B volgens de NEN-EN13501-1.