CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-020 03 Rapport Toelichting inclusief bijlagen (versie 03-12-2020).pdf

Raad 20 april 2021, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “Bestemmingsplan De Groene Pijl Beringe” ten behoeve van de bouw van in totaal 12 starters- en levensloopbestendige woningen (2021-020)18.573 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN “De Groene Pijl Beringe” NL.IMRO.1894.BPL0234-ON01 Ontwerp

Document:

Bestemmingsplan “De Groene Pijl Beringe”

IDN:

NL.IMRO.1894.BPL0234-ON01

Status:

Ontwerp

Datum:

3 december 2020

Aanvrager:

Gemeente Peel en Maas

Auteur:

Ing. P.W.M. van de Ligt Ing. N.A.H van den Ekker

Bureau Leefomgeving Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3

1.2

Plangebied en begrenzingen ...................................................................................................................................................................... 4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 4

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED...................................................................................................6 2.1

Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 6

2.2

Ruimtelijke structuur.................................................................................................................................................................................... 6

2.3

Functionele structuur................................................................................................................................................................................... 7

PLANBESCHRIJVING .......................................................................................................................................8 3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan................................................................................................................................. 8

3.2

Beschrijving plan ............................................................................................................................................................................................. 8

3.3

Landschappelijke inpassing ......................................................................................................................................................................... 9

BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 10 4.1

Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 10

4.2

Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 12

4.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 17

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ............................................................. 19 5.1

Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 19

5.2

Kabels en leidingen..................................................................................................................................................................................... 26

5.3

Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 27

5.4

Waterhuishouding...................................................................................................................................................................................... 30

5.5

Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 31

5.6

Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 33

JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 35 6.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 35

6.2

Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 35

HANDHAVING ................................................................................................................................................ 37

Ontwerp

1

8.

UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE ................................................................................................... 38 8.1

Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 38

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 38

8.3

Procedure....................................................................................................................................................................................................... 39

BIJLAGEN Bijlage 1: Geurberekening Bèr Vullingsstraat Beringe Bijlage 2: Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord Bijlage 3: AERIUS-berekening aanlegfase Bijlage 4: AERIUS-berekening gebruiksfase Separate bijlagen ▪ Quickscan natuurwetgeving (Faunaconsult) ▪ Verkennend bodemonderzoek (BKK Bodemadvies bv) ▪ Akoestisch onderzoek (Target advies) ▪ Advies archeologie (ArchAeO)

Ontwerp

2

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan In Beringe is een dringende behoefte aan starters- en seniorenwoningen. In 2014 is daarom het nieuwbouwwijkje “Achter de Kerk” aangelegd. Ook in 2017 is hier invulling aangegeven met het herontwikkelen van de St. Josephschool. Hierbij zijn in totaal 20 woningen opgericht. Het is echter voor jongeren en senioren in Beringe nog steeds moeilijk gebleken om aan een woning te komen. Ook blijkt deze behoefte uit het in 2019 uitgevoerde gemeentelijke woonbehoefteonderzoek. Eind 2018 is bij de gemeente Peel en Maas de vraag gekomen om mee te denken aan het ontwikkelen van meer startersen seniorenwoningen in de kern van Beringe. De gemeente is op zoek gegaan naar een geschikte woningbouwlocatie voor starters- en seniorenwoningen en heeft deze gevonden achter de kerk, bij het kerkhof. De woningbouwlocatie zal een noordelijke uitbreiding zijn van het nieuwbouwwijkje “Achter de Kerk”. Bij de ontwikkeling van het woningbouwplan “Achter de Kerk” is destijds al gesproken over een mogelijke (kleine) uitbreiding aan deze zijde van Beringe.

Afbeelding 1. Locatie woningbouwlocatie “De Groene Pijl”

De gronden achter de kerk zijn in eigendom van de gemeente Peel en Maas. Het nieuwe woningbouwplan heeft de naam “De Groene Pijl” gekregen. De Groene Pijl zal voorzien in de ontwikkeling van maximaal 12 woningen die met name bedoeld en geschikt zijn voor starters en senioren. Op basis van de vigerende bestemmingsplannen “Kernen Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust” en “Buitengebied Peel en Maas” is de voorgenomen ontwikkeling van de woningbouwlocatie niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling van deze locatie in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend nieuw bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld waarmee een woonbestemming aan de locatie wordt toegekend. De realisatie van de gewenste woningen is dan wél toegestaan.

Ontwerp

3

1.2 Plangebied en begrenzingen De woningbouwlocatie is gelegen aan de noordelijke rand van de kern Beringe. De locatie wordt aan de noordelijke zijde begrensd door een aanvoerleiding van de Everlose Beek met daarachter de Noorderbaan (N275). In het noordoosten wordt de locatie begrenst door een begraafplaats. Verder in oostelijke richting is landbouwgrond gelegen, zijnde akkers. In het zuiden grenst de locatie aan de Bèr Vullingsstraat. De Bèr Vullingsstraat is een woonwijkje bestaande uit woningen en groen. De woningbouwlocatie staat kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie N en perceelnummer 626 en wordt in onderhavig bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”.

Afbeelding 2. Luchtfoto en begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is grotendeels gelegen in het bestemmingsplan ““Buitengebied Peel en Maas”, vastgesteld op 5 februari 2013 en gedeeltelijk opnieuw vastgesteld bij besluit van 5 november 2013. Het plangebied is daarin bestemd als ‘Agrarisch’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en / of hobbymatig gebruik. Op deze gronden mogen geen bouwwerken en geen gebouwen worden gebouwd met uitzondering van bestaande paardrijbakken en erf- en terreinafscheidingen met open constructie. Binnen het plangebied zijn ook de gebiedsaanduidingen ‘kernrandzone’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wro-zone – wijzigingsgebied 1 ob’ van toepassing.

Ontwerp

4

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplannen met plangebied rood omcirkeld

Een smal strookje aan de westzijde van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan “Kernen Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust”, zoals vastgesteld op 7 februari 2012. Het plangebied is daarin bestemd als ‘Groen’ en voor een klein deel als ‘Verkeer’. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere parken, nutsvoorzieningen, paden en speelvoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen. Voor de grond bestemd als ‘Groen’ is tevens de functieaanduiding ‘waterberging’ opgenomen. Het gehele plangebied is in beide bestemmingsplannen voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Het oprichten van 12 woningen binnen het plangebied is op basis van de vigerende bestemmingsplannen niet mogelijk.

Ontwerp

5

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Algemeen In dit hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hierbij komen de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving aan bod. Het plangebied is gelegen in het noorden van de kern Beringe. Tot en met 2009 maakt de kern Beringe deel uit van de voormalige gemeente Helden, die per 1 januari 2010 samen met de voormalige gemeenten Kessel, Maasbree en Meijel is opgegaan in de gemeente Peel en Maas. De gemeente Peel en Maas is gelegen in het noorden van Limburg. De kern Beringe is gelegen in het westelijk deel van de gemeente. Ruim 2.100 inwoners bevolken de kern.

2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen aan de Bèr Vullingsstraat, aan de rand van het buitengebied. De Bèr Vullingsstraat vormt ter hoogte van het plangebied de grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Het plangebied bestaat thans grotendeels uit een verruigd grasland en een poel. De poel is aangelegd als waterberging voor de woonwijk ‘Achter de Kerk’. De Bèr Vullingsstraat vormt een zijweg van de Kanaalstraat, die de kernen Panningen en Beringe met elkaar verbindt. De Kanaalstraat vormt samen met de Hoogstraat en de Meijelseweg de oorsprong van Beringe. Beringe is oorspronkelijk ontwikkeld langs de Kanaalstraat, waarna uitbreiding heeft plaatsgevonden in noordelijke, zuidelijke en zuidoostelijke richting. Kenmerkend voor Beringe is de ligging aan het uiteinde van het door Napoleon aangelegde 'Grand Canal du Nord', de huidige Noordervaart. Dit kanaal werd aangelegd als Rijn-Schelde verbinding, maar werd nooit voltooid. De weg (N275) langs de Noordervaart vormt een belangrijke verbinding met Weert en Venlo.

Afbeelding 4. en 5. Impressie plangebied

Het landschap van het buitengebied is te kenmerken als oud bouwland, dit zijn van oorsprong grote open akkerbouwgebieden. Kenmerkend voor dit type land zijn onregelmatige grote percelen, (hoofd)wegen rondom het veld en bomenrijen langs de wegen.

Ontwerp

6

2.3 Functionele structuur In de bebouwde kom van Beringe overheerst voornamelijk de woonfunctie. De kern bevat overwegend halfvrijstaande en vrijstaande woningen in één tot twee bouwlagen. De oudste bebouwing in de vorm van lintbebouwing bevindt zich langs de Kanaalstraat. In de omgeving van het plangebied zijn enkele maatschappelijke voorzieningen gelegen, zoals de kerk, het gemeenschapshuis en enkele commerciële functies. Ook zijn er groenvoorzieningen binnen Beringe waaronder het Kerkhofpad. Het Kerkhofpad heeft een karakteristieke uitstraling en wordt geflankeerd door karakteristieke bomen. Het Kerkhofpad is gelegen ten zuidoosten van het plangebied.

Afbeelding 6. Groenvoorziening in de omgeving van het plangebied

Afbeelding 7. Impressie karakteristieke bomen bij het Kerkhofpad

In het buitengebied van Beringe overheerst de agrarische functie. In het buitengebied van Beringe zijn onder andere (intensieve) veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en andere agrarisch bedrijven gelegen. De onbebouwde agrarische percelen zijn in gebruik als akker- of weiland. Daarnaast liggen in het buitengebied verspreid liggende woningen. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als verruigd grasveld met een poel.

Ontwerp

7

3. PLANBESCHRIJVING

3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken van het nieuwe woningbouwplan “De Groene Pijl”. De Groene Pijl zal voorzien in de ontwikkeling van maximaal 12 woningen in de kern Beringe. De woningen zijn bij uitstek geschikt zijn voor starters en senioren, waaraan aantoonbare behoefte is binnen de kern van Beringe. Onderhavig bestemmingsplan dient een flexibele insteek te hebben, aangezien de definitieve verkaveling van “De Groene Pijl” nog niet beschikbaar is. Hierom hebben de uitgangspunten geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied voor het grootste deel bestemd is als ‘Woongebied’ met twee bouwvlakken waarbinnen de woningen beoogd zijn en voor een klein deel als ‘Groen’. Binnen de bestemming ‘Groen’ is tevens de functieaanduiding ‘waterberging’ opgenomen.

3.2 Beschrijving plan Tot aan 2030 zijn in de gemeente Peel en Maas 805 tot 1.060 woningen benodigd om te voorzien in de woningbehoefte. Naar verwachting zijn in de kern Beringe 25 tot 60 woningen benodigd. Ook in de kern Beringe is veel vraag naar kleinere levensloopbestendige woningen voor onder andere senioren. De komende jaren zal de groep eenpersoonshuishoudens en stellen zonder kinderen toenemen waardoor ook veel vraag is naar kleinere starterswoningen. Om te voldoen aan de vraag naar starters- en seniorenwoningen in Beringe heeft de gemeente Peel en Maas een nieuw woningbouwplan opgesteld. Dit woningbouwplan zal voorzien in de ontwikkeling van 12 woningen die bij uitstek geschikt zijn voor starters en senioren. Het woningbouwplan vormt een uitbreiding in noordelijke richting van het bestaande woongebied in de kern Beringe en sluit aan bij het eerder gerealiseerde woningbouwplan “Achter de Kerk”. De definitieve verkaveling van het woningbouwplan “De Groene Pijl” is nog niet beschikbaar. Wel is een voorlopige verkaveling opgezet (afbeelding 8). Bij de voorlopige verkaveling wordt in het midden van het plangebied een hofje aangelegd met in het midden van het hofje een groenvoorziening. In het noordwesten van het plangebied worden acht bouwkavels opgericht en in het zuidoosten worden vier bouwkavel opgericht.

Om ervoor te zorgen dat binnen het plangebied 12 woningen kunnen worden opgericht is gekozen voor een flexibele insteek. De woningbouwlocatie is dan ook bestemd als ‘Woongebied’ en voorzien van twee bouwvlakken. Met deze vorm van bestemmen ligt niet exact vast wel type woningen en waar in de bouwvlakken gebouwd kan worden. Het type woningen zijn daardoor afhankelijk van de uiteindelijke belangstelling vanuit de beoogde doelgroepen. Binnen de bestemming ‘Woongebied’ mogen in totaal maximaal 12 woningen worden opgericht, uitsluitend binnen de twee bouwvlakken, met een bouwhoogte van maximaal 10 meter en een goothoogte van maximaal 6 meter.

Ontwerp

8

Afbeelding 8. Voorlopige verkaveling De Groene Pijl

3.3 Landschappelijke inpassing In het kader van deze woningbouwontwikkeling en het feit dat deze voor een deel is geprojecteerd in het buitengebied is het noodzakelijk dat het plangebied zal worden voorzien in een passende landschappelijke inpassing. De woningbouwontwikkeling zal plaatsvinden inclusief een landschappelijke inpassing. Het is echter aan de toekomstig bewoners hun wensen aangaande de landschappelijke inpassing aan te geven. Een landschappelijk inpassingsplan is om die reden nog niet voorhanden, maar zal zodra de definitieve verkaveling bekend is, en daarmee de toekomstige bewoners, worden opgesteld.

Ontwerp

9

4. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Peel en Maas.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt steeds meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ de bereikbaarheid verbeteren; ▪ zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte.

Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed. Deze aspecten zullen in paragraaf 5.4, respectievelijk paragraaf 5.1 en 5.5 aan de orde komen. Verder heeft het gestelde in dit bestemmingsplan betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. In Beringe zijn tot aan 2030 nog 25 tot 60 woningen benodigd om te voorzien in de woningbehoefte. De komende jaren zal voornamelijk vraag zijn naar kleinere en levensloopbestendige woningen voor met name ouderen en starters.

Met onderhavig initiatief worden in totaal 12 woningen opgericht die bij uitstek geschikt zijn voor starters en senioren. De woningen passen dan ook binnen de woningbehoefte en sluiten aan bij de vraag maar starter- en seniorenwoningen. Gezien de aard en omvang van het initiatief en het regionale c.q. gemeentelijke karakter heeft het initiatief geen invloed op de gestelde doelen van het Rijk en bovendien voorziet de SVIR niet in onderwerpen die op de locatie van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het initiatief geen beperkingen vanuit de SVIR gelden.

Ontwerp

10

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.

De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen. Met het initiatief worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Indien niet meer dan 11 woningen binnen een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is er volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen sprake van de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro (zie uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Het onderhavige plan voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen moet derhalve bestempeld worden als een stedelijke ontwikkeling. De realisatie van de woningen dient daarom getoetst te worden aan de regionale en gemeentelijke woningbouwprogrammering. Deze toets vindt plaats in de paragrafen 4.2 en 4.3. Hieruit blijkt dat in de kern van Beringe een grote behoefte bestaat aan starters- en seniorenwoningen. Onderhavig initiatief voldoet juist aan deze behoefte. Geconcludeerd kan worden dat de voorliggende ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Ontwerp

11

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend MER, de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. De provinciale ruimtelijke ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg; om er naar toe te gaan en vooral ook om er te blijven. In het nieuwe POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderende opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Aan het provinciaal omgevingsbeleid ligt een aantal principes ten grondslag: kwaliteit staat daarbij centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.

Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.

Afbeelding 9. Zonering POL2014 (locatie plangebied rood omlijnd)

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL2014 zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Het plangebied is gelegen in de zone ‘Buitengebied’ en voor een deel in de zone ‘Bronsgroene landschapszone’.

Ontwerp

12

De zone ‘Buitengebied’ omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ Kwaliteit en functioneren ondergrond. Het initiatief past binnen de provinciale uitgangspunten zoals gesteld in het POL2014. De ligging in de zone ‘Buitengebied’ betekent dat er sprake is van een sterke functiemenging, waarbij de agrarische functie de boventoon voert. De agrarische functie is dan ook de belangrijkste functie binnen deze zone. Een verdere functiemenging en aansluiting bij de bestaande woonfuncties is toegestaan binnen deze zone, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de agrarische waarden. Hiervan is geen sprake, zo blijkt uit hoofdstuk 5. De zone ‘Bronsgroene landschapszone’ betreffen de beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap en omvat ook het winterbed van de Maas.

Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Kwaliteit en functioneren regionaal watersysteem; ▪ Ontwikkeling landbouw in balans met omgeving; ▪ Versterken kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie; ▪ Recreatief medegebruik. Bij een ruimtelijke ontwikkeling binnen de bronsgroene landschapszone dienen de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten beschreven te worden, alsmede een motivering hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijke karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Deze zijn aangeduid in het Landschapskader Noord- en Midden Limburg. Blijkens de bij het Landschapskader behorende kaart ligt het plangebied in ‘velden’. De velden zijn de oudste bouwlanden. Deze gronden behoren tot de vroegste ontginningen, waarbij mensen stukken land geschikt maakten voor landbouw. De verkaveling in deze gebieden is onregelmatig en niet al te grootschalig. Het gebied heeft een open karakter. Het contrast in schaal en maat tussen het open landschap en de omringende bebouwing en dorpen in de directe nabijheid maakt deze gebieden bijzonder waardevol. Tegelijkertijd is de verstedelijkingsdruk vanuit de nabijgelegen kernen op deze gebieden hoog als gevolg van die openheid, zo ook in dit geval.

De oude bouwlanden staan sterk onder (verstedelijkings)druk door de nabijheid van dorpen en kernen. Voor een groot deel zijn deze reeds bebouwd. Binnen de verdichte rand, in de bestaande bebouwingslinten kan op een enkele plek nog ruimte gevonden worden voor verdichting.

Ontwerp

13

Afbeelding 10. Uitsnede kaart Landschapskader Noord- en Midden-Limburg

Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen, aan de noordelijke rand van de kern Beringe. De beoogde ontwikkeling vindt plaats tussen de aanvoerleiding van de Everlose Beek en de bebouwing van de kern Beringe. Het verdichten van de bebouwingsconcentratie tast de landschapskarakteristiek voor het oude bouwland niet aan, doordat slechts sprake is van een beperkte uitbreiding van de kern Beringe. Daarnaast is met het initiatief sprake van een uitbreiding van het eerder gerealiseerde woningbouwplan “Achter de Kerk”. Onderhavig plan is dan ook een logische afronding van het noordelijke deel van de kern. Bij een ontwikkeling in de bronsgroene landschapszone moet het landschap er in ieder geval op vooruit gaan. Met de aanwezige landschappelijke kwaliteiten wordt rekening gehouden met de inrichting en inpassing van het plangebied. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd.

De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Bronsgroene landschapszone.

Ontwerp

14

Bronsgroene landschapszone 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden ( kernkwaliteit “Groene karakter”) stelt de Gedeputeerde Staten de wijze vast waarop de compensatie dient de worden uitgevoerd. 2. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. In paragraaf 4.2.1 zijn de kernkwaliteiten van het landschap waarbinnen het plangebied ligt beschreven. Met de aanwezige landschappelijke kwaliteiten is rekening gehouden bij de inrichting en inpassing van het plangebied. 4.2.3 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg In april 2016 hebben de bestuurders van de gemeente Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray, Peel en Maas en de provincie Limburg de Regionale Structuurvisie 2016- 2020 vastgesteld. Met de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg hebben de acht regiogemeenten voor het eerst een gezamenlijke visie en koers vastgelegd op het gebied van wonen.

Op 20 oktober 2020 is de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024 in werking getreden. De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 vormt een herijking van de Regionale Structuurvisie wonen uit 2016. Naast een vernieuwde gezamenlijke regionale visie op het thema wonen maken de acht regiogemeenten opnieuw regionale afspraken welke vervolgens door worden gevoerd in het lokaal te voeren beleid. Een belangrijke onderlegger voor woonbeleid vormt de bevolkingsontwikkeling en de huishoudensontwikkeling. In totaal zijn acht pijlers geïdentificeerd op basis van de verwachte bevolkingsontwikkeling. De acht pijlers vormen de koers die de regiogemeenten de komende jaren willen gaan varen. De inhoudelijke pijlers zijn: 1. Kwalitatief vraagstuk- mismatch woningvoorraad en toekomstige bevolkingssamenstelling Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Om richting te geven aan de benodigde aantallen maakt de regio gebruik van huishoudensprognoses. Prognoses geven richting aan de toekomst. Een goede onderbouwing van de woningbehoefte blijft leidend, daarom kiest de regio ervoor om te werken met een kwalitatieve richtlijn. De regio heeft uitgangspunten geformuleerd waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen (ook Ruimte voor Ruimte plannen worden hieraan getoetst) 2.

Liefde voor de bestaande voorraad De regio bekijkt nadrukkelijk of sprake is van de juiste kwaliteit woning op de juiste plek voor de juiste doelgroep. Toekomstbestendigheid en in sommige gevallen flexibiliteit staan hierbij voorop. Voor woningen in de bestaande voorraad (in de wijken, maar ook in het buitengebied) onderzoekt de regio of het instellen van een fonds kan helpen in de transformatieopgave. Hierbij maakt de regio zoveel mogelijk gebruik van goede praktijkvoorbeelden en kan het van belang zijn om de samenwerking met (uiteenlopende) marktpartijen te intensiveren. 3. Kwalitatief vraagstuk op de lange termijn: wat doen we na de huishoudenspiek? De regio verkent samen met de provincie de mogelijkheden ten aanzien van het ontwikkelen van instrumentarium om op termijn woningen uit de bestaande voorraad te halen. Enerzijds omdat ze niet meer nodig zijn (na het bereiken van de huishoudenspiek) en anderzijds om ook na de huishoudenspiek ruimte te maken voor de toevoeging van kwalitatief goede woningen. Daarnaast zet de regio in op het faciliteren en stimuleren van tijdelijke en experimentele woonvormen waarmee kan worden ingespeeld op de periode na de huishoudenspiek. 4. Huisvesting voor specifieke doelgroepen Bijzondere aandacht is nodig voor de huisvesting van specifieke doelgroepen.

Hieronder vallen woonwagenbewoners, internationale werknemers, woonurgenten, zorgdoelgroepen, ouderen, starters, economische dak- en thuislozen en vergunningshouders.

Ontwerp

15

5.

6.

7.

8.

Thuis in je huis, straat, buurt en wijk De regiogemeenten zijn ervan bewust dat zij samen met inwoners, woningcorporaties, onderwijs, maatschappelijke instellingen (zoals zorg- en welzijnsorganisaties) en bedrijven aan de lat staan om de leefbaarheid te bewaken. Het gezamenlijke doel is om de leefbaarheid te behouden of waar nodig te versterken. Samenwerking en het maken en samen uitvoering geven aan (prestatie-) afspraken is daarbij van groot belang en daar zit ook de kracht. Sociale huursector en toewijzingsbeleid corporaties Sturen op de sociale huurmarkt is vooral een samenspel tussen woningcorporaties, huurdersbelangenverenigingen en gemeenten. Op gemeenteniveau wordt gekeken of de voorraad sociale huurwoningen voldoende is, of dat moet worden toegevoegd. Middenhuur De regio constateert dat er een opgave ligt om het aantal middenhuur woningen te vergroten. Daarom onderzoekt de regio de mogelijkheden om regionale ‘mandjes’ te maken, waarbij de mogelijkheden om te bouwen op aantrekkelijke locaties worden gekoppeld aan het bouwen op minder voor de hand liggende locaties. Om de bouw van middenhuurwoningen te kunnen stimuleren, wordt door de provincie gekeken om hiervoor het Stimuleringsregeling Wonen mede in te richten (bijvoorbeeld door leningen, garantstellingen en subsidies) als onderdeel van de nieuwe Limburgse Agenda Wonen.

Leefbaarheid kleine kernen Door een sterke vergrijzing in kleine kernen kan de leefbaarheid onder druk komen te staan. Woningbouw kan nooit alleen de oplossing zijn voor leefbaarheidsvraagstukken. Op kleine schaal woningbouw toevoegen blijft mogelijk. De toevoeging van woningen is vooral gericht op het bevorderen van de doorstroming.

Onderhavig initiatief sluit aan bij pijler 1, ‘Kwalitatief vraagstuk- mismatch woningvoorraad en toekomstige bevolkingssamenstelling’. Binnen deze pijler zijn uitgangspunten opgesteld voor de kwalitatieve richtlijn die leidend is. De uitgangspunten zijn: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Koppelkansen (het realiseren van een woning gebruiken voor het aanpakken van andere opgaven zoals leegstand); ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regie streeft sociaal duurzame woonconcepten na; ▪ De regio zoekt aansluiting op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn. De beoogde ontwikkeling betreft het oprichten van 12 woningen als uitbreiding van de kern Beringe. Uit het woonbehoefteonderzoek van de gemeente Peel en Maas blijkt in de kern Beringe tot aan 2030 een behoefte aan 25 tot 60 woningen. De woningen passen binnen deze woningbehoefte. In de regionale structuurvisie is opgenomen dat vraag is naar levensloopbestendige woningen. Uit het woonbehoefteonderzoek van de gemeente Peel en Maas blijkt dat niet alleen vraag is naar levensloopbestendige woningen maar dat ook vraag is naar woningen die geschikt zijn voor eenpersoonshuishoudens en stellen zonder kinderen (starters).

De woningen worden levensloopbestendig ingericht en voorzien in de behoefte aan senioren en starterswoningen. Het initiatief sluit aan bij de woningbehoefte van de gemeente Peel en Maas en sluiten aan bij de uitgangspunten van pijler 1. Het initiatief is hiermee niet strijdig met de visie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg.

Ontwerp

16

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Op 15 december 2015 is de gewijzigde versie vastgesteld. In de structuurvisie is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan Buitengebied Peel en Maas 2008, Structuurvisie Intensieve Veehouderij en Glastuinbouw, Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas en Archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. Daarnaast zijn er enkele aanvullingen en uitwerkingen opgenomen, waardoor het beleid beter aansluit bij de recente ontwikkelingen in het buitengebied. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid. Het beleid voor het buitengebied is grotendeels vastgelegd in het Structuurplan Buitengebied Peel en Maas 2008. In het structuurplan is opgenomen dat het uitgangspunt van het provinciaal beleid is dat oprichting van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied is uitgesloten.

De belangrijkste voorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen buiten de vigerende contour, maar wel aansluitend aan de contour of binnen linten en clusters, is het realiseren van kwaliteit, zowel op de te ontwikkelen plek zelf als in breder verband. Het initiatief betreft het oprichten van 12 woningen als uitbreiding van de kern Beringe. Het plangebied is voor een deel gelegen in de kern van Beringe en voor de rest tegen de kern van Beringe aan. Hiermee ligt het plangebied voor een deel in het buitengebied. Met het oprichten van de woningen is sprake van een uitbreiding van de kern Beringe. Hierom is het initiatief getoetst aan zowel de structuurvisie kernen en bedrijventerreinen als aan de structuurvisie buitengebied. In de structuurvisie Buitengebied Peel en Maas is opgenomen dat nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, tegen de kern aan, zijn toegestaan indien hierbij ook een kwaliteitsbijdrage wordt geleverd. Voor onderhavig initiatief zal in een later stadium dan ook een landschappelijk inpassingsplan worden opgesteld, zodat een kwaliteitsbijdrage wordt geleverd. Doordat de locatie is gelegen tegen de kern Beringe aan en doordat een kwaliteitsbijdrage wordt geleverd sluit het initiatief aan bij de structuurvisie buitengebied Peel en Maas.

4.3.2 Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen Op 31 maart 2015 is de structuurvisie Kernen en Bedrijventerreinen vastgesteld door de raad van gemeente Peel en Maas. Deze structuurvisie is de eerste structuurvisie voor de kernen en bedrijventerreinen na de gemeentelijke herindeling in 2010. De structuurvisie bevat het beleid voor de bebouwde kom van alle elf kernen en de bedrijventerreinen in Peel en Maas, met uitzondering van Klavertje 4. Het doel van deze structuurvisie is een nieuwe ambitie neerzetten en de kernwaardes verder uitwerken. De structuurvisie geeft een ruimtelijke vertaling van de kernwaarden van de gemeente Peel en Maas. Daarnaast draagt de structuurvisie bij aan het vormgeven van de regionale ambities, werkt ze uit en concretiseert deze voor wat betreft het ruimtelijke domein. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid. De structuurvisie kernen en bedrijventerreinen behandeld een aantal voor de kernen ruimtelijk relevante (gebiedsgerichte) thema’s en heeft ten aanzien van deze thema’s beleidsuitgangspunten geformuleerd.

Ontwerp

17

De beleidsuitgangspunten ten aanzien van woningbouw zijn: ▪ Woningbouw vindt primair plaats in de kernen; ▪ Elke kern mag minimaal bouwen voor de eigen behoefte. Daarnaast is er ruimte voor maatwerk, zeker bij initiatieven uit de kernen zelf. In leef- en centrumdorpen is (beperkte) extra groei mogelijk; ▪ Stimuleren van levensloopbestendig en duurzaam bouwen; ▪ Belangrijkste doelgroepen zijn starters en ouderen; ▪ Stimuleren van kwalitatief goede huisvesting voor (tijdelijke) arbeidskrachten en woonurgenten. Tot aan 2030 ligt er in Peel en Maas nog een behoorlijke woningbouwopgave om de huishoudensgroei op te vangen. De woningbehoefte tot 2030 bedraagt 805 tot 1.060 woningen in de periode tot 2030. In de kern Beringe is een woningbehoefte van 25 tot 60 woningen tot aan 2030. In de structuurvisie is opgenomen dat aan de noordzijde van Beringe mogelijkheden zijn tot verdere nieuwbouw aansluitend op het project “Achter de Kerk”. Het plangebied is in de structuurvisie dan ook aangeduid als zoekgebied voor wonen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 12 woningen, als uitbreiding van de kern Beringe. In casu is sprake van bouwen naar reële behoefte. In Beringe is een dringende behoefte aan starters- en seniorenwoningen. Onderhavig initiatief voldoet aan de Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen.

4.3.3 Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbeteringen. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing. Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing is er sprake van Basiskwaliteit. Voor onderhavig initiatief wordt een landschappelijke inpassing uitgewerkt (paragraaf 3.3) welke voldoet aan de uitgangspunten van het kwaliteitskader.

Ontwerp

18

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Bij het oprichten van de woningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Vanwege de bestemmingswijziging is derhalve een verkennend bodemonderzoek1 conform de NEN 5740 uitgevoerd. De vooraf gestelde hypothese, dat de bodem als “onverdacht” kan worden beschouwd, wordt op basis van de analyseresultaten aanvaard. Er bestaan dan ook geen belemmering voor de nieuwbouw van woningen. Voor het elders toepassen van boven- en/of ondergrond die vrijkomen bij graafwerkzaamheden zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief is hier sprake van klasse Achtergrondwaarde voor de boven- en ondergrond. De boven- en ondergrond bevat geen verhoogde gehalten aan PFOS en PFOA, boven de toepassingsnorm. Met voorliggende resultaten kan eventueel vrijkomende grond worden aangeboden aan een BRL 9335 erkende acceptant.

5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied (zijnde o.a. het buitengebied).

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden deze twee verschillende omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype.

1 BKK Bodemadvies bv, verkennend bodemonderzoek, Bèr Vullingsstraat (ong.) Beringe, 28 mei 2020, kenmerk: 200409.BKK

Ontwerp

19

De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die standaard uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het plangebied ligt aan de rand van Beringe aan, op de overgang tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Rondom het plangebied liggen dan ook voornamelijk woningen. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies.

In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een begraafplaats aan de Kanaalstraat ong., afstand tot het plangebied 0 meter; ▪ Een autogarage op de locatie Kanaalstraat 108a, afstand tot het plangebied 60 meter; ▪ Een kerk op de locatie Kanaalstraat 88-90, afstand tot het plangebied 78 meter; ▪ Gemeenschapshuis de Wiekslaag op de locatie Kanaalstraat 94, afstand tot het plangebied 123 meter; ▪ Café de Nabber op de locatie Kanaalstraat 94, afstand tot het plangebied 123 meter; ▪ Een agrarisch bedrijf, zijnde telers van asperges, rabarber en heesters, op de locatie Eelserstraat 23, afstand tot het plangebied 230 meter; ▪ Een varkenshouderij op de locatie Eelserstraat 22. Afstand tot het plangebied 230 meter. ▪ Een varkenshouderij op de locatie Kaumeshoek 16. Afstand tot het plangebied 250 meter. ▪ Een varkenshouderij op de locatie Kaumeshoek 17. Afstand tot het plangebied 310 meter. De milieuruimte van milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 1). Tabel 1. Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

Bedrijf Begraafplaats

Adres Kanaalstraat ong.

SBI-2008 96031

Autogarage

Kanaalstraat 108a

451, 454

Kerk

Kanaalstraat 8890

9491

Gemeenschapshuis de Wiekslaag

Kanaalstraat 94

94991

Café

Kanaalstraat 94

563

Agrarisch bedrijf

Eelserstraat 23

011, 013

Ontwerp

452,

012,

Aan te houden afstanden ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 10 meter ▪ Gevaar 0 meter ▪ Geur 10 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 30 meter ▪ Gevaar 10 meter ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 30 meter ▪ Gevaar 0 meter ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 30 meter ▪ Gevaar 0 meter ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 10 meter ▪ Gevaar 10 meter ▪ Geur 10 meter ▪ Stof 10 meter ▪ Geluid 30 meter ▪ Gevaar 10 meter

Afstand tot plangebied 0 meter

60 meter

78 meter

123 meter

123 meter

230 meter

20

Varkenshouderij

Eelserstraat 22

0146

Varkenshouderij

Kaumeshoek 16

0146

Varkenshouderij

Kaumeshoek 17

0146

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar

200 meter 30 meter 50 meter 0 meter 200 meter 30 meter 50 meter 0 meter 200 meter 30 meter 50 meter 0 meter

230 meter

250 meter

310 meter

De begraafplaats ligt tegen het plangebied aan, hierdoor bedraagt de onderlinge afstand 0 meter. Een begraafplaats is een bedrijf / functie uit milieucategorie 1. Bedrijven / functies uit milieucategorie 1 en 2 betreffen weinig milieubelastende bedrijven en worden dan ook passend geacht in de woonomgeving. Gesteld kan worden dat geluidsoverlast van de begraafplaats slechts zelden voorkomt. De begraafplaats zal derhalve geen negatieve effecten hebben op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Aan alle andere richtafstanden van milieubelastende functies in de omgeving wordt ruimschoots voldaan. Omliggende bedrijvigheid heeft zodoende geen negatieve consequenties op het woon- en leefklimaat in de op te richten woningen. 5.1.3 Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie tabel 2), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt.

Tabel 2.Geluidzone in meters van wegen in stedelijk of buitenstedelijk gebied

Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer

Breedte van de geluidszone (m) Stedelijk 200 350 350

Buitenstedelijk 250 400 600

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Voor geluidsgevoelige objecten geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige objecten niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. De woningen worden aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. De woningen zijn gelegen aan de Bèr Vullingsstraat. Voor de Bèr Vullingsstraat geldt aan maximumsnelheid van 30 km/uur. In de omgeving van de woningen zijn ook de Noorderbaan (N275) en de Kanaalstraat gelegen. Door de Kanaalstraat geldt een maximumsnelheid van 50 km/h en voor een deel 30 km/h. Voor de Noorderbaan geldt een maximumsnelheid van 80 km/h.

Ontwerp

21

Om de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd2 (zie separate bijlage). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Noorderbaan, bedraagt 57 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘matig’ en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en dak. Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Bij de in te dienen aanvraag voor de omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat de gevelbelasting op de woningen aan de gestelde eisen voldoet.

5.1.4 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden (als er sprake is van één ontsluitingsweg). Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 12 woningen. Gesteld kan worden dat dit initiatief ruimschoots onder de norm van 1.500 woningen blijft. Het initiatief is veel te kleinschalig om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit.

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 12,3 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 18,4 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 16,0 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.

2 Target advies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Bèr Vullingsstraat Beringe, 19 juli 2019, kenmerk 20190024.01

Ontwerp

22

5.1.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De gebouwen voor huisvesting betreffen derhalve geurgevoelige objecten. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? 2. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? Effecten op bedrijfsvoering veehouderijen De beoogde ontwikkeling betreft het oprichten van 12 woningen aan de noordzijde van Beringe. Met het oprichten van de woningen is sprake van een uitbreiding van de kern Beringe. In de omgeving van het plangebied liggen veel woningen, deze woningen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten. Indien een veehouderij een wijziging wil doorvoeren in hun bedrijfsvoering dient de veehouderij in dat geval de geureffecten op de reeds aanwezige geurgevoelige objecten te toetsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=be284db0-4b4a-4d7e-9a03-e121b8f90ef1