CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

D11. 20251216 RIB Ontwerp omgevingsvergun. Het realiseren van één tweedelijns woning achter Westeind 210 Papendrecht.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 15 januari 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken11.213 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

32

5.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien er sprake is van een historisch dijklint in de nabijheid van bedrijven. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd.

De richtafstanden voor gemengd gebied mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de directe omgeving zijn voornamelijk woonfuncties gelegen. Enkel ten zuiden van de Papendrechtse Geul is het bedrijf Fokker Aerostructures gevestigd. Ter plaatse zijn deels cat. 2.0, cat. 3.1 en cat. 3.2 bedrijfsactiviteiten toegestaan. De afstanden tot het plangebied betreffen meer dan 120m, 140m en 200m tot de bedrijf categorieën. De richtafstanden van respectievelijk 30m, 50m en 100m worden daarmee ruimschoots gehaald. Hiermee is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en wordt het bedrijf niet beperkt in de bedrijfsvoering. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen.

33

5.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Gezien de ligging van het plangebied nabij transportroutes en inrichtingen welke voor de externe veiligheid van belang zijn is door dgmr een inventarisatie gemaakt van deze aspecten en naar aanleiding daarvan een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Deze verantwoording is toegevoegd in de bijlage. Alvorens de verantwoording is in het rapport zichtbaar gemaakt dat het plangebied is gelegen nabij Seveso-bedrijf Fokker en transport van geklasseerde stoffen over de Noord. ‘Bestrijdbaarheid De planlocatie ligt op relatief grote afstand van de risicobronnen en vormt geen belemmering voor de hulpdiensten om de rivier of het bedrijf te bereiken in geval van een calamiteit. Bij een brand in het pand moet voldoende bluswater aanwezig zijn. De Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid gaat voor een nieuwe woning van minder dan 20 meter hoog uit van 30 m3/uur binnen 6 minuten beschikbaar. Om hieraan te voldoen, wordt de toegangsweg van het terrein geschikt gemaakt voor blusvoertuigen [(lees: verhard)], zodat deze hierover kunnen rijden om bij de woning te komen. Nabij de woning komt een put die de brandweer kan gebruiken voor bluswater.

Met betrekking tot externe veiligheid zijn er geen aanvullende maatregelen nodig ten aanzien van bestrijdbaarheid: een externe brand als gevolg van de beschouwde risicobronnen is op deze afstand uitgesloten.

34

Zelfredzaamheid De planlocatie ligt op een zodanige afstand van de risicobronnen, dat men bij een calamiteit inpandig veilig kan schuilen. De kans op ruitbreuk op deze afstand is al zeer beperkt. De drukgolf van een explosie op de Noord is op deze locatie al afgezwakt door tussenliggende bebouwing. Daarnaast is niet aannemelijk dat een gastanker in de inham geraakt en binnen 200 meter van het gebouw komt. De meeste ruiten aan de bronzijde (achterzijde gebouw) lopen door tot aan de grond en moeten daarom doorvalveilig zijn. Deze aanvullende eis zorgt dat deze ruiten ook sterker zijn in geval van een drukgolf. In geval van een toxische wolk moet men inpandig schuilen, ramen en deuren sluiten en ventilatie uitschakelen. Het kunnen uitschakelen van mechanische ventilatie is verplicht vanuit het Bbl. Een gifwolk kan worden veroorzaakt door een brand in de opslagvoorziening van Fokker, een ongeval met transport over de Noord of door de in paragraaf 3.4 aangegeven bedrijven Chemours, ATM Moerdijk en de aangegeven transportroutes. Men kan worden gewaarschuwd met sirenes of met een NL-alert. Daarnaast worden branden opgemerkt door bijvoorbeeld rook, stank of een brandlucht. Afweging bouwkundige maatregelen Hoewel we de procedure doorlopen volgens de Wabo, maken we hierin ten aanzien van bouwkundige maatregelen een vergelijkbare afweging als onder de Omgevingswet.

De planlocatie komt niet in een brandaandachtsgebied, maar wel in het explosieaandachtsgebied van het transport over de Noord. Rekening houdend met het zeer lage risico van het transport over deze transportroute, dat de drukgolf op deze afstand al voldoende is afgezwakt en een groot deel van het glas al doorvalveilig is, stellen we voor om vanuit externe veiligheid geen aanvullende bouwkundige maatregelen te nemen. De maatregel met betrekking tot een eventuele gifwolk, het kunnen uitschakelen van mechanische ventilatie, is vanuit het Bbl al verplicht.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen.

35

5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

36

5.8 Natuur Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage voor deze quickscan). De conclusie uit de quickscan is als volgt: ‘Conclusie Het mogelijk kappen van één boom ten behoeve van de realisatie van de woning aan de Westeind 210 te Papendrecht wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels.

Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). 37

•

•

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’

Stikstof In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens een stikstof onderzoek uitgevoerd (zie bijlage voor deze quickscan). De conclusie hieruit is als volgt: ‘Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen.

38

5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstig gebruik in kaart te brengen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage). De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium, koper, kwik, nikkel, lood, zink en PAK (10-VROM). In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden.

Uit de analyseresultaten blijkt dat de gehalten aan PFOA en PFOS overeen komen met de lokale verwachtingswaarde binnen pluimzone 1. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling met woningbouw. In het kader van dit onderzoek is geen onderzoek verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Visueel zijn op het maaiveld en in de vrijkomende bodem geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De onderzoekslocatie is derhalve als onverdacht beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem. (…) Indien er werkzaamheden plaatsvinden waarbij grond vrijkomt en afgevoerd wordt, kan de grond niet zonder meer afgevoerd of elders toegepast worden. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond overeenkomt met de verwachte lokale bodemkwaliteit ‘Industrie Heterogeen’. Bij grondafvoer dient hiermee rekening gehouden te worden (herschikken grond binnen zone B conform de Bodembeheernota Zuid-Holland Zuid of conform het Besluit Bodemkwaliteit en de tijdelijk handelingskades voor het toepassen van PFAS houdende grond.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.

39

5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Papendrecht is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een middelhoge archeologische verwachting (zie afbeelding 11). Bij bodem verstorende ingrepen dieper dan 0,3 meter en groter dan 500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De nieuwe woning (bebouwingspercentage van 20%) blijft ver onder de maximale grenswaarde. Hierdoor is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

40

Afbeelding 11: Uitsnede archeologische beleidskaart

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

41

5.11 Duurzaamheid De gemeente Papendrecht heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De nieuwe woning wordt geïsoleerd conform de huidige bouweisen van het bouwbesluit. Er wordt daarnaast geïnventariseerd of er mogelijkheden zijn voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit, wateropvang is met een groene inrichting sprake van een klimaatbestendige situatie dan in geval er veel terreinverharding wordt gerealiseerd. Het plangebied wordt groen ingericht.

42

6. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen nieuwbouw, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke hierbij aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Er wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt en wat de plankosten zijn. Er wordt dan ook geen exploitatieplan vastgesteld met de procedure, omdat het verhaal van kosten anderszins is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

6.2 Maatschappelijk draagvlak In het kader van participatie en een goede relatie met de buren heeft de initiatiefnemer de directe buren van het plangebied geïnformeerd. Het plan is op 1012 februari 2024 persoonlijk toegelicht aan de buren die op ca. 40-100 meter tot de woonachtig zijn. Tijdens de gesprekken is het eerste schetsontwerp getoond. Er is ingegaan op de ligging van het gebouw. Ook de afmetingen zijn doorgenomen. Daarnaast is toegelicht dat de contouren staan, maar dat er nog wordt gewerkt aan de materialisatie en dat de bijgebouwen duidelijk zichtbaarder worden door een hogere goothoogte en ander materiaal gebruik. De buren van de nummers 159, 159a, 161, 202, 204, 206, 210, 210B, 212, 212A en 216 zijn geïnformeerd. Op het participatiemoment zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt door deze buren aan de initiatiefnemer.

6.3 Vooroverleg ex. Art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het plan wordt daarom opgestuurd aan de overlegpartners.

6.4 Zienswijzen Op de voorbereiding van de procedure is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbesluit en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd. De terinzagelegging wordt bekend gemaakt in de Staatscourant, de Klaroen en op de gemeentelijke website www.papendrecht.nl. Het ontwerpbesluit kan worden ingezien in het gemeentehuis van Papendrecht, op de gemeentelijke site en de website www.ruimtelijkeplannen.nl. 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1217/documents/16868