D11. 20251216 RIB Ontwerp omgevingsvergun. Het realiseren van één tweedelijns woning achter Westeind 210 Papendrecht.pdf
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad datum
16 december 2025
behandeld door
M.C. van den Berg
ons kenmerk
2025-0079445
doorkiesnummer
078 770 6353
Onderwerp
Ontwerp omgevingsvergunning 'Het realiseren van één tweedelijns woning achter Westeind 210, Papendrecht'
Geachte mevrouw, heer, Met deze brief informeren wij u over de ontwerpprocedure voor het realiseren van één tweedelijns woning achter Westeind 210 te Papendrecht (PPD00, sectie A, perceel 8264). Hiervoor is een aanvraag omgevingsvergunning inclusief buitenplanse afwijking ingediend bij de gemeente Papendrecht. Wat houdt het initiatief precies in? De aanvraag betreft het realiseren van één schuurwoning op het tuinperceel achter Westeind 210. Het bouwplan gaat over het slopen van de bestaande schuur en enkele kleine opstallen (ca. 40 m2) en het realiseren van één schuurwoning ter plaatse. Binnen het plangebied worden drie parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien in de parkeerbehoefte. Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande in-/uitrit vanaf het Westeind. Voor onderhavig plan is in het voortraject op 7 januari 2020 een positief collegebesluit genomen om in principe medewerking te verlenen aan het realiseren van één woning op het perceel gelegen achter Westeind 210. Er is vervolgens voor gekozen onder de oude wetgeving op 21 december 2023 een aanvraag in te dienen. De aanvraag heeft een lange doorlooptijd gehad doordat het ontwerp meerdere keren niet voldeed aan de stedenbouwkundige uitgangspunten. Daarnaast zijn er diverse aanpassingen doorgevoerd naar aanleiding van negatief advies van het waterschap.
Uiteindelijk zijn op 23 oktober 2025 de stukken ingediend met een definitief ontwerp dat voldoet aan de gestelde eisen en waarvoor toetsing heeft plaatsgevonden. Wat is de strijdigheid met het tijdelijk omgevingsplan? Voor voorliggend perceel geldt het bestemmingsplan 'Dijklint', dat onder het tijdelijk omgevingsplan valt. In dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming 'Wonen'. Op grond van deze bestemming is de bouw van een woning niet toegestaan, vanwege het ontbreken van een bouwvlak. Op grond van artikel 2.12 lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het mogelijk om buitenplans af te wijken, mits wordt aangetoond dat het bouwplan past binnen een goede ruimtelijke ordening. Om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening is een ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag omgevingsvergunning gevoegd. Deze is door alle relevante adviseurs van binnen en buiten de gemeentelijke organisatie beoordeeld en akkoord bevonden. Daarnaast is in de aanloop van de aanvraag participatie toegepast. De initiatiefnemer is met omwonenden in gesprek gegaan over het plan. Op het participatiemoment zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt door deze buren aan de initiatiefnemer. Is er een verklaring van geen bedenkingen nodig? Uw raad moet in beginsel een verklaring van geen bedenkingen afgeven voor uitgebreide buitenplanse afwijkingen.
In de vergadering van 23 september 2010 heeft uw raad echter categorieën van gevallen aangewezen waarvoor dat niet hoeft. Ontwikkelingen die passen binnen de structuurvisie vallen hieronder. Op 31 mei 2022 heeft uw raad de structuurvisie vrijwel volledig ingetrokken en mag zij alleen nog gebruikt
worden in het kader van de beoordeling van buitenplanse afwijkingen, zoals in voorliggend geval. Deze ontwikkeling past binnen de structuurvisie, omdat zij een bijdrage levert aan de woningbouwopgave. Wat is het vervolg van deze procedure? Op donderdag 1 januari 2026 wordt de ontwerp omgevingsvergunning samen met de ruimtelijke onderbouwing en andere bijbehorende stukken voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Deze is in te zien op de leestafel in het gemeentehuis en via https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris, de locoburgemeester,
J.M. Ansems
A.M.J.M. Janssen
Bijlage 1. Ontwerp omgevingsvergunning ‘Het realiseren van één tweedelijns woning achter Westeind 210; 2. Ruimtelijke onderbouwing ‘Papendrecht, achter Westeind 210’.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Papendrecht, achter Westeind 210’
Gecontroleerd datum:
25-11-2025
paraaf:
Ruimtelijke onderbouwing ‘Papendrecht, achter Westeind 210’
Identificatie NL.IMRO.0590.pb20westeind210-2001 Datum 22-10-2025
2
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .................................................................................................. 5
1.2
Plangebied .................................................................................................. 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan......................................................................... 6
1.4
Leeswijzer................................................................................................... 6
Bestaande situatie ................................................................................................................... 7 2.1
Algemeen ................................................................................................... 7
2.2
Ruimtelijke structuur .................................................................................. 7
Planbeschrijving ....................................................................................................................... 8 3.1
Plan ............................................................................................................ 8
3.2
Architectuur & landschap ............................................................................ 8
3.3
Verkeer en parkeren ................................................................................... 9
Beleidskader............................................................................................................................ 11 4.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 11
4.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 13
4.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 16
4.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 20
4.5
Conclusie .................................................................................................. 22
Omgevingsaspecten ............................................................................................................ 23 5.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 23
5.2
Watertoets ................................................................................................ 24
5.3
Geluid ....................................................................................................... 30
5.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 32
5.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 33
5.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 34
5.7
Kabels en leidingen................................................................................... 36
5.8
Natuur ...................................................................................................... 37
5.9
Bodem ...................................................................................................... 39
5.10 Archeologie .............................................................................................. 40 5.11 Duurzaamheid .......................................................................................... 42 6.
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................. 43 6.1
Exploitatie ................................................................................................ 43
6.2
Maatschappelijk draagvlak ........................................................................ 43
6.3
Vooroverleg ex. Art. 3.1.1 Bro................................................................... 43
6.4
Zienswijzen............................................................................................... 43 3
Bijlage Omschrijving 1 Situatietekening 2 Civieltechnische tekeningen 3 Akoestisch onderzoek 4 Externe veiligheid 5 6 7
Ecologische quickscan Stikstof Verkennend bodemonderzoek
Auteur Brand BBA / Adcim Adcim
Referentie 23021 20240217
Datum 30-04-2025 21-10-2025
Voortman Ingenieurs
10-07-2024
Blom Ecologie
R-2318572047-V1 M.2025.0267. 00.N001 2025-0525
BRO Aeres Milieu
P05150 AM21631
27-01-2022 03-03-2022
DGMR
16-10-2025 10-04-2025
4
1.
Inleiding
1.1 Aanleiding Het perceel PPD00 – A – 8264, achter Westeind 210 te Papendrecht, is gelegen aan de westkant van de kern van Papendrecht. Het betreft een woon/tuinperceel met daarop enkele tuinen en bijbehorende schuurtjes (zie afbeelding 1). Aan de zuidzijde is de oude dijk, het Westeind, gelegen met daaraan voornamelijk burgerwoningen. Aan de noordzijde is achter het water de kern van Papendrecht gelegen. De initiatiefnemers zijn voornemens een schuurwoning te realiseren ter plaatse. Het onderhavige plan valt in de omgeving met de ‘Beheersverordening Woongebied’ welke door de gemeente Papendrecht is vastgesteld op 26 januari 2017. De gronden betreffen hierin de bestemming ‘Wonen - 2’ en deels ‘Tuin - 1’, waarop het realiseren van een woning enkel is toegestaan binnen een bouwvlak. Ter plaatse is geen bouwvlak gelegen. Daarom is een vooroverleg gestart met de gemeente Papendrecht. De gemeente heeft naar aanleiding van dit vooroverleg en de eerste schetsplannen aangegeven medewerking te willen verlenen aan het plan (d.d. 13 mei 2024). Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure nodig conform artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3 van de Wabo. In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt het plan nader onderbouwd. De onderbouwing maakt onderdeel uit van de hiervoor genoemde procedure.
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de westkant van de kern van Papendrecht. Deze wordt aan de zuidwestkant ontsloten aan de openbare weg en aan de noordoostkant begrensd door water. Aan de zuidoostkant zijn volkstuinen aanwezig.
Afbeelding 1: Uitsnede luchtfoto plangebied (plangebied indicatief)
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Dijklint’ (zie afbeelding 2). Op 12 december 2013 is de Dijkvisie voor het Papendrechtse dijklint door de gemeenteraad van Papendrecht vastgesteld. Het dijklint is de oorsprong van Papendrecht en is vanuit historisch oogpunt van groot belang. Dit wordt in de Dijkvisie tot uitdrukking gebracht door het benoemen van 10 karakteristieken met als doel deze elementen te beschermen. De regels in de voorgaande bestemmingsplannen en beheersverordeningen zijn divers en niet gebaseerd op het beleid zoals geformuleerd in de Dijkvisie. Daarom is met dit bestemmingsplan één actuele en uniforme regeling voor het gehele dijklint gevormd. Voor zover als mogelijk krijgen de 10 karakteristieken een vertaling in het bestemmingsplan door middel van een op het gebied toegesneden bestemmingsregeling. Het bestemmingsplan 'Dijklint' is recent in december 2024 vastgesteld (zie afbeelding 2). Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming ‘Recreatie’.
Afbeelding 2: Uitsnede vigerende beheersverordening kaart (plangebied indicatief)
1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • • • • •
Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; Hoofdstuk 3: Planbeschrijving; Hoofdstuk 4: Beleidskader; Hoofdstuk 5: Omgevingsaspecten; Hoofdstuk 6: Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6
2.
Bestaande situatie
2.1 Algemeen De gemeente Papendrecht ligt in het zuidwestelijke deel van de Alblasserwaard en maakt deel uit van de regio Drechtsteden. Het plangebied betreft het kadastrale perceel PPD00 – A – 8264 en is 999 m2 groot.
2.2 Ruimtelijke structuur 2.2.1 Ontstaansgeschiedenis Westeind Papendrecht is ontstaan als een typisch dijkdorp aan de Merwede, waarschijnlijk rond het jaar 1000. Papendrecht wordt voor het eerst officieel genoemd in een document uit 1105. Vanaf 1277 werden de rivierdijken en kades in de Alblasserwaard met elkaar verbonden en ontstond een echt dorp. Tot 1816 was Papendrecht een heerlijkheid en in het bezit van adellijke families. Pas daarna kreeg het dorp een eigen gemeentebestuur. Behalve Papendrecht zijn binnen de gemeente geen andere kernen gelegen. Aan het dorpse karakter van Papendrecht kwam in de tweede helft van de 20e eeuw ruimtelijk gezien een einde, toen begonnen werd met de aanleg van grootschalige nieuwbouwwijken. Hierbij hoorde ook de realisatie van een duidelijk centrumgebied, met voldoende ruimte voor voorzieningen voor het snelgroeiende inwonertal. Aan de oostzijde van Papendrecht is de wijk ‘de Oostpolder’ gelegen. De Oostpolder is de meest recente uitbreidingswijk gelegen tussen de oostzijde van de voormalige bebouwing in Papendrecht en de A15. Het plangebied is gelegen in het oude dijklint Westeind, benedendijks. 2.2.2 Huidige gebruik Het plangebied is momenteel in gebruik als tuingrond, waarop een kleinschalige privéschuur is gelegen. Op onderstaande afbeelding een impressie van de huidige situatie, zie ook afbeelding 1.
Afbeelding 3: Impressie huidige situatie
7
3.
Planbeschrijving
3.1 Plan Het plan betreft het slopen van de bestaande schuur en het realiseren van een schuurwoning. De ontwerpen van de woning zijn toegevoegd in de bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing, op onderstaande afbeelding een uitsnede van de situatie. Er wordt beoogd de woning in overeenstemming met het karakter van de directe omgeving te realiseren, zie volgende paragraaf.
Afbeelding 4: Situatietekening
3.2 Architectuur & landschap Het plangebied is gelegen in het historisch dijklint langs het Westeind. De karakteristieken welke benoemd staan in de dijkvisie (zie paragraaf 4.4.2) zijn als basis gebruikt voor het onderhavige plan en het ontwerp van de woning. Gezien het onderhavige plan benedendijks is gelegen en niet direct aan de dijk zijn niet al deze karakteristieken van toepassing op het onderhavige plan. Desondanks worden de karakteristieken zoveel mogelijk gevolgd. Daarnaast is het plan meermalen besproken met de afdelingen stedenbouw en de welstand. Uit dit alles zijn een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden gekomen, waarop het plan is ontworpen. Deze zijn onderstaand uiteengezet: • Een schuurwoning;
8
• • • • • • • • • •
Maximaal 20% bebouwingspercentage; Een groenachtererf; Hoofdvolume van 85 m² (footprint); Hoofdvolume prominent aanwezig (goothoogte tot maximaal 4m en nokhoogte tot maximaal 8m); Duidelijke voorgevel van het hoofdvolume (aanbouw(en) niet te dicht bij de voorgevel); Aanbouw(en) ondergeschikt aan het hoofdvolume (hoogte aanbouwen lager dan de goothoogte hoofdvolume); Dakkapellen voorstelbaar zolang deze in zink worden uitgevoerd en het dak duidelijk zichtbaar blijft; Materialisatie van de aanbouwen kan anders dan hoofdvolume; Materialisatie passend bij een schuurwoning; Materialisatie ingetogen bij tweedelijns bebouwing.
Afbeelding 5: Impressie
3.3 Verkeer en parkeren Ontsluiting In de huidige situatie kan het plangebied worden bereikt vanaf het Westeind. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd (zie afbeelding 4). Parkeren Het college heeft begin februari 2018 de 'Parkeernormennota Papendrecht 2018' vastgesteld. Uitgaande van het type ‘koop, vrijstaand’ liggend in de rest bebouwde
9
kom van een sterk stedelijk gebied wordt uitgegaan van een parkeernorm van 1,7 2,5 parkeerplaatsen voor de woning (waarvan 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers). Binnen het plangebied worden er drie parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien in deze parkeerbehoefte (zie afbeelding 4). Verkeer Het aantal verkeersbewegingen neemt volgens het ASVV 2021 van het CROW toe met minimaal 7,3 en maximaal 8,1 verkeersbewegingen. De toename van het aantal verkeersbewegingen is dermate laag dat dit geen invloed heeft op de doorstroming en de verkeersveiligheid.
10
4.
Beleidskader
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt 11
gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en voorziet in de realisatie van een schuurwoning, hiermee per saldo de toevoeging van een enkele wooneenheid. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
12
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) Conform het provinciaal beleid van Zuid-Holland vinden nieuwe ontwikkelingen bij voorkeur plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft echter te worden opgevangen binnen BSD. Conform het provinciaal beleid kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte). Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Daarbij zet de provincie Zuid-Holland in op het beter benutten van de bebouwde ruimte. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plan sluit hiermee aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair te realiseren binnen bestaand stedelijk en bebouwd gebied.
De nieuwe woning wordt gebouwd conform de huidige bouweisen.
13
Ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en voorziet in de realisatie van een schuurwoning. De ruimtelijke impact is nihil. De nieuwe schuurwoning wordt op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast, aansluitend op het (groene) karakter van de directe omgeving. De schuurwoning zal gasloos en waar mogelijk met enkele duurzame toepassingen (zonnepanelen) worden gerealiseerd.
De initiatiefnemers willen het perceel zo groen mogelijk houden (gelijk de huidige situatie) en overbodige verharding wil men voorkomen. Met dit alles wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse zo min mogelijk aangetast en blijft deze behouden. Het plan zorgt voor een toekomstbestendige en duurzame situatie voor het perceel en de woonsituatie van de initiatiefnemers. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.
De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; 14
c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard onder de categorie ‘inpassen’. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en voorziet in de realisatie van een schuurwoning. Hierbij is er geen sprake van wijzigingen op structuurniveau. De bestaande gebiedsidentiteit blijft ongewijzigd. Het plan is qua aard en schaal passend in het gebied. Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.
Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en voorziet in de realisatie van een schuurwoning, hiermee per saldo de toevoeging van een enkele wooneenheid. Vanuit jurisprudentie (zie paragraaf 4.1.3) is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
15
4.3 Regionaal beleid 4.3.1 Regionale ruimtelijke strategie Drechtsteden Op 14 januari 2014 is de geactualiseerde structuurvisie ‘Ruimtelijke strategie Drechtsteden’ vastgesteld. In deze Strategie wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de Drechtsteden. De regio Drechtsteden heeft een belang bij 6 grote thema’s: 1. Aantrekkelijk leefklimaat: a. Koesteren en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, door toetsen en stimuleren. b. Op peil houden en incidenteel aanvullen van het voorzieningenniveau, onder meer door regulering en goede afstemming van programma’s. c. Verhogen van de aantrekkingskracht van de historische binnenstad van Dordrecht en delen van de S, vooral door te stimuleren en coördineren waar het gaat om culturele voorzieningen en detailhandel. d. Verbeteren van de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van de regio als woongebied, door in te zetten op: - een groter aanbod van rustig groene en blauwe woonmilieus; aan de rivier en aan de stadsranden. 2. Economische ontwikkeling: a. Het aanbieden van voldoende aanbod en kwaliteit voor bestaande en te vestigen maritieme bedrijven in de Drechtsteden. b. Het versterken van de bijbehorende kennisstructuur en een aanpak van het tekort aan vakkrachten. c. Goede afstemming tussen de vraag naar kantoorruimte en het bestaande aanbod, incl. de plancapaciteit. 3. Externe veiligheid: a.
Voor de middellange termijn inzetten op de bouw van de Boog bij Meteren (verbindingsboog tussen de Betuweroute en de spoorlijn Utrecht den Bosch), waardoor er minder treinen door Dordrecht en Zwijndrecht rijden. b. Voor de lange termijn zijn andere oplossingen noodzakelijk, bijvoorbeeld een dedicated goederenlijn. 4. Klimaatadaptatie: a. Veiligheid voor bewoners en bedrijven heeft de hoogste prioriteit. b. De regio wil zich in deze projecten manifesteren als proeftuin, waarin de aanwezige expertise op het gebied van waterbouw, watermanagement en waterbeheer (o.a. Urban Flood Management en MARE) kan worden toegepast. c. Voorkomen van een negatief effect op de ruimtelijke kwaliteiten van de regio, zoals dijklinten, zicht op het historische waterfront of de beleving van het water. d. De bereikbaarheid van de natte bedrijventerreinen of de uitbreidingsmogelijkheden daarvan. 5. Bereikbaarheid: a. Versterken en verbeteren van de positie van de fiets. b. Versterken van de positie van het openbaar vervoer.
16
c. Voor het gemotoriseerd verkeer heeft de doorstroming op het hoofdwegennet en de directe aansluitingen op het onderliggend wegennet prioriteit. 6. Duurzaamheid: a. De regionale doelstelling is 2% energiebesparing per jaar en 20% duurzame energie in 2020 (conform het Klimaatakkoord Gemeenten en Rijk 2007-2011). Papendrecht is een suburbane woongemeente met een kleine stedelijke kern. Onderscheidend in het hoogwaardige voorzieningenaanbod dat Papendrecht herbergt, zijn de sport en het onderwijs. Papendrecht heeft een duidelijk gezicht naar de rivier en is een trots en welvarend dorp met een bloeiend bedrijfsleven. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en voorziet in de realisatie van een schuurwoning. Hierbij wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse gekoesterd en ingezet op een groen en blauw woonmilieu. Het plan houdt rekening met de kwaliteit en de kernpunten van het historisch dijklint ter plaatse. De schuurwoning wordt ingepast naar het karakter van de omgeving en op een passende wijze landschappelijk ingericht. 4.3.2 Regionale woonvisie 2017-2031 ‘Goed wonen in de Drechtsteden’ De afgelopen jaren lag de focus van het woonbeleid van de regio Drechtsteden op de kwaliteit van het wonen in de Drechtsteden. Doelstellingen hadden betrekking op het realiseren van aansprekende woonmilieus en bijzondere woningen.
Daarnaast was er aandacht voor de toekomstwaarde van bestaande wijken in het algemeen, en de kwaliteit en spreiding van de sociale voorraad in het bijzonder. Als gevolg van het economisch herstel is de woningmarkt in 2015 weer in beweging gekomen. Inmiddels is duidelijk dat er in de zuidvleugel van de Randstad een forse nieuwbouwopgave ligt. De regio Drechtsteden is voornemens hier een bijdrage aan te leveren. In deze woonvisie worden de kwalitatieve ambities verbonden met een kwantitatieve groeidoelstelling. De centrale ambitie is vertaald in 20 kernpunten: 1. De zeven Drechtstedengemeenten verplichten zich gezamenlijk tot realisatie van woningen voor de autonome opgave door groei van het aantal huishoudens met 9.560 tot 2031. 2. Door alle zeven gemeenten wordt naarstig gezocht naar locaties/mogelijkheden om de plancapaciteit te verhogen tot het per gemeente gewenste aantal. Zo gewenst leidt dit tot uitwisseling van woningbouwopgaven tussen de gemeenten. 3. De zeven gemeenten gaan een inspanningsverplichting aan om naast de autonome groeiopgave te zoeken naar locaties om zo’n 15.000 woningen te realiseren. Hierbij is de opgave op zich meer van belang dan het jaartal van realisatie (2031). 4. In 2035 is de gebouwde omgeving in de Drechtsteden energieneutraal.
De maatregelen die hiervoor nodig zijn, worden vastgesteld in de regionale en lokale energiestrategieën en uitwerkingsplannen en worden bij de realisatie van de Woonvisie toegepast. 5. De Drechtstedengemeenten werken met alle relevante partners samen op het gebied van ‘langer en passend thuis’.
17
6. We hanteren de woningbehoeftetabel 2031 als koers voor de verdeling van de woontypen (bij de autonome groei) over het Drechtstedengebied. 7. Bij de nieuwbouwplannen in de koopsector zorgen we voor voldoende aanbod in het duurdere segment (> € 300.000). 8. We zetten in op groei in het duurdere segment om een meer evenwichtig samengestelde bevolking te realiseren. 9. Tevens geven we meer aandacht aan het vasthouden van jongeren/studenten en het aanboren van nieuwe doelgroepen (nieuwe, innovatieve woonconcepten). 10. Op dit moment wordt de voorraad goedkope koopwoningen (< € 177.400) niet uitgebreid. Er kunnen goede redenen zijn om de vraag naar koopwoningen in het middeldure segment (€ 177.400 - € 250.000) te faciliteren. 11. We kiezen voor de sociale huurvoorraad voor een pas-op-de-plaatsbeleid. We houden vast aan de PALT-afspraken voor wat betreft het goed monitoren van de feitelijke ontwikkelingen. 12. Vanwege de verschillen in de sociale huurvoorraad per gemeente realiseren we een meer evenwichtige spreiding. 13. Het pas-op-de-plaats-beleid kan ook ingevuld worden door reductie van de voorraad in een buurt waar een grote concentratie huurwoningen is, met compenserende nieuwbouw op een andere plek die daarvoor beter geëigend is. 14. De ontwikkeling in de onderscheiden segmenten van de sociale huurvoorraad wordt actief gevolgd.
Zo nodig wordt het beleid aangepast aan gewijzigde omstandigheden binnen de algemene kaders van deze Woonvisie. 15. De uitgangspunten 11, 12, 13 en 14 worden in samenspraak met de woningcorporaties en de huurdersraden verder uitgewerkt. De resultaten worden medio 2018 vastgelegd in de Prestatieafspraken Lange Termijn. 16. We ontwikkelen een gezamenlijke strategie om beleggers te stimuleren om in de vrije huursector te investeren. Daarnaast bespreken we met woningcorporaties wat zij hierbij kunnen betekenen. De verantwoordelijkheid en de uitvoering blijven lokaal. 17. Om recht te doen aan de lokale situatie, kan de vertaling van de uitgangspunten 11 t/m 16 naar een woningbouwprogramma en prestatieafspraken per gemeente verschillen. Gemeenten geven in hun lokale uitvoeringsparagraaf en het lokale deel (III) van de PALT-afspraken aan hoe ze hiermee omgaan. Randvoorwaarde hierbij is dat de optelsom van lokale plannen voldoende is om de regionale opgave te realiseren. 18. De zeven gemeenten geven de bijdrage aan die zij aan de vraag naar onderscheidende woonmilieus leveren. 19. Alle zeven Drechtstedengemeenten verplichten zich om locaties te vinden om de woonopgave van deze Woonvisie te realiseren. Zij verantwoorden zich hierover naar elkaar om na te gaan of de optelsom van de lokale plannen leidt tot een adequate uitvoering van de opgave. 20.
Om de uitgangspunten van deze Woonvisie te kunnen realiseren, werken de zeven gemeenten verplichtend samen; hiervoor verantwoorden zij zich naar elkaar over de lokale keuzes en plannen via een bestuurlijke ‘taskforce uitvoering Woonvisie’. De taskforce faciliteert de gemeenten bij de versnelling van de woningbouwprogrammering.
18
De woonvisie vormt de context voor de invulling van de regionale en lokale woningbouwprogramma's, die tegemoet komen aan de behoeften van de regio en die van de afzonderlijke gemeenten en biedt gemeenten ruimte voor eigen invulling. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en voorziet in de realisatie van een schuurwoning. Hiermee sluit het plan aan op de concrete behoefte van inwoners van Papendrecht en de behoefte in de regio. Er wordt welkom woningaanbod gecreëerd op de markt waar veel vraag is, tevens kan doorstroming worden gestimuleerd.
19
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Papendrecht 2020 De Omgevingsvisie Papendrecht, vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2021, beschrijft strategische ambities en doelen voor de leefomgeving voor de lange termijn en dient daarmee als kapstok voor beleidsdocumenten, programma’s en projecten in de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 2 Identiteit van Papendrecht wordt de ligging aan de rivier als kernkwaliteit benoemd. Papendrecht is van oorsprong ontstaan als dijkdorp met bebouwing langs het water. Vandaag de dag is het historische dijklint nog steeds zichtbaar. Het functioneert als cultuurhistorische ruggengraat en is een belangrijk beeldbepalend element voor Papendrecht. In hoofdstuk 3 kiest de gemeente voor een duurzame koers, een gemeente die investeert in een gezonde en veilige leefomgeving met oog voor de benodigde klimaatadaptatie en energietransitie. Klimaatadaptatie biedt kansen om de leefomgeving te verbeteren, de betrokkenheid van de Papendrechters bij hun leefomgeving te vergroten, de biodiversiteit en ecologie te versterken en de waterbeleving te vergroten. De gemeente wil daarin het voorbeeld geven en inwoners en bedrijven ertoe aanzetten om aanwezige verharding in tuinen en op dakvlakken zo veel mogelijk om te zetten naar groen en water, het liefst in combinatie met zonnepanelen en zonnecollectoren.
Dat zorgt voor een hoger waterbergend vermogen, het draagt bij aan de hittevermindering bij extreem warm weer en biedt kansen voor het vergroten van de biodiversiteit. Hemelwater moet bij voorkeur worden verwerkt op de plek waar het valt. Ook is een kwalitatief en duurzaam afvalwatersysteem van belang. Bij renovatie en nieuwbouw wil de gemeente meer rekening houden met het vergroten van de natuurwaarden in woonen werkgebieden. Denk hierbij aan neststenen en -kasten voor vogels en vleesmuizen, insectenhotels, groene daken en gevels, bloemrijke boomspiegels, ecologische oevers en groene kademuren. Hoofdstuk 4 'Prettig wonen' beschrijft de ontwikkeling van de woningvoorraad: 'In de nabije toekomst (2030) wordt er voor Papendrecht een bevolkingskrimp verwacht. Tegelijkertijd daalt de gemiddelde woningbezetting, waardoor er ondanks de krimp woningen aan de woningvoorraad moeten worden toegevoegd. Naar verwachting zullen er voor 2030 minimaal 460 woningen moeten worden gebouwd. Daarbovenop willen we in het kader van de regionale Groeiagenda voor 2030 200 extra woningen bouwen om bij te dragen aan de versterking van sociaaleconomische positie van de Drechtsteden. Deze bijdrage kan ook de omvang van de verwachte bevolkingskrimp dempen.
Nieuwbouwlocaties zoeken we binnen de bestaande grenzen van Papendrecht.' Hoofdstuk 6 'Sterke verblijfskwaliteit' zegt over herontwikkelingen aan de dijk: 'De beoogde dijkversterking biedt mogelijkheden om bestaande situatie te verbeteren en toekomstbestendiger te maken. Bij toekomstige (her)ontwikkelingen van de dijk kiezen we daarom bewust voor het behouden, versterken en vernieuwen van de ruimtelijke kwaliteit langs de dijken en oevers zodat de rivier en het dijklint beter beleefbaar, herkenbaar en bereikbaar worden. Bij vernieuwing is de randvoorwaarde dat deze past binnen het historische karakter van het dijklint'. De Omgevingsvisie krijgt een vertaling naar het omgevingsplan. Hiertoe bevat hoofdstuk 8.2 'Activiteitenoverzicht' concrete activiteiten met het oog op de 20
verblijfskwaliteit, economische vitaliteit, infrastructuur, milieubelastende activiteiten en bouwen, slopen en aanleg in en van de fysieke leefomgeving. Elke activiteit bevat een korte toelichting en een richtinggevende uitspraak voor het omgevingsplan. Hoofdstuk 8.7 bevat een richtinggevende uitspraak over Bouwen in het dijklint: 'Om het dijklint te ontwikkelen in lijn met de Dijkvisie, is een vertaling hiervan naar het omgevingsplan nodig, gecombineerd met een actualisering van het Welstandsbeleid. We stimuleren huidige eigenaren van het dijklint om kwalitatieve verbeteringen te realiseren.' Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en voorziet in de realisatie van een schuurwoning. Hierbij wordt er optimaal en efficiënt gebruik gemaakt van de ruimte. Het plan koestert het historisch dijklint ter plaatse, welke het dorpse karakter bewaken. Zie onderstaande paragraaf waar het plan in relatie met de dijkvisie wordt uiteengezet. 4.4.2 Dijkvisie Papendrecht Gezien het dijklint de oorsprong is van Papendrecht is er een dijkvisie opgesteld door de gemeente. Middels de visie wordt het koesteren en versterken van het dijklint nagestreefd, zodat iedereen nu en in de toekomst goed kan wonen, leven en werken in Papendrecht. De visie is kaderstellend voor toekomstige ontwikkelingen en biedt samenhangend ruimtelijke en functioneel beleid voor het dijklint.
Voor plannen binnen het historisch dijklint gelden tien karakteristieken als leidraad: 1. Het dijkhuis reageert op het hoogteverschil; 2. De gevel is verticaal ingedeeld; 3. Het dijkprofiel is altijd herkenbaar; 4. Ieder pand is anders; 5. Tussen de bebouwing zijn doorkijkjes; 6. De voorgevelrooilijnen verspringen; 7. Bebouwing aan de dijk is kleinschalig; 8. Aan de dijk wordt gewoond en gewerkt; 9. (Groene) erfinrichting draagt bij aan een landschappelijk dijklint; 10. Stoepen en stegen zijn de basis voor uitbreidingen; De dijkvisie biedt mogelijkheden voor kleine initiatieven met respect voor het karakter van het dijklint. Gezien het onderhavige plan benedendijks is gelegen en niet direct aan de dijk zijn niet al deze karakteristieken van toepassing op het onderhavige plan. Desondanks worden deze karakteristieken zoveel mogelijk gevolgd middels het onderhavige plan (zie paragraaf 3.2). Hoewel de woning door de ligging niet te maken heeft met hoogteverschil dient het huis wel te passen in het gebied. De schuurwoning heeft een rechthoekige opzet en is ontworpen naar de locatie. De doorkijkjes blijven zoveel als mogelijk behouden, door de schuurwoning bewust zoveel als mogelijk achter de bestaande dijkwoningen te positioneren. Er is daarmee geen negatieve invloed op het landschap ter plaatse.
21
4.5 Conclusie Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure noodzakelijk.
22
5
Omgevingsaspecten
5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van een woning, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een zeer kleinschalige woningbouwontwikkeling. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r. beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.
Er wordt daarmee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.
23
5.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.
In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Peilgebied Het plangebied is gelegen in het peilgebied NDW029, zie onderstaande afbeelding. Het peilgebied heeft een zomerpeil- en winterpeil van beide -1,92m NAP. In overleg met de gemeente en het waterschap is het vloerpeil op 0,7m- NAP aangehouden.
Een groot deel van Papendrecht heeft dit vloerpeil.
24
Plangebied
Afbeelding 6: Uitsnede peilgebiedenkaart
Afbeelding 7: Uitsnede legger wateren
Watergangen Op de grens van het plangebied is de B-watergang 073982 gelegen, zie bovenstaande afbeelding. De woning valt buiten de beschermingszone. De woning zal op ca. 1,2m van de watergang worden gerealiseerd. Ten behoeve van de
25
werkzaamheden (beschoeiing) in/aan de (beschermingszone van de) watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. Het plangebied/perceel is 999 m2 groot. Daarvan is in de bestaande situatie 142,5 m2 water en 115 m2 verhard/bebouwd.
Op het perceel staat een schuur met daarbij enkele kleine opstallen, welke bij elkaar een oppervlakte hebben van ca. 40 m2. Daarnaast is ca. 75 m2 van de ontsluiting verhard. In totaal is er daarmee 741,5 m2 onverhard in de bestaande situatie. In de nieuwe situatie blijft de hoeveelheid water ongewijzigd, namelijk 142,5 m2 water. Van de gronden van in totaal 856,5 m2 is de stelregel van het Waterschap dat er moet worden uitgegaan van 70% verharding bij vrijstaande woningen. Daarmee komt de totale verharding in de nieuwe situatie op 599,55 m2 en blijft er 256,95 m2 onverhard. De toename verharding is daarmee 599,55 m2 – 115 m2 = 445 m2. Deze toename blijft onder de particuliere vrijstelling. De initiatiefnemer is voornemens gebruik te maken van deze vrijstelling. Het Waterschap zal beoordelen of de initiatiefnemer gebruik kan en mag maken van de vrijstelling. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het
26
oppervlaktewater. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woning wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Papendrecht. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen.
Afbeelding 8: Indicatieve weergave waterafvoer
Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering, zie onderstaande afbeelding. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zijn zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijke materiaal of explosie- gevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding. Op afbeelding 10 is de woning weergegeven en is te zien dat deze buiten het profiel van vrije ruimte is gelegen. Ten behoeve van de ontgraving van de kelder dient een watervergunning te worden aangevraagd.
27
Afbeelding 9: Uitsnede legger waterkeringen
Afbeelding 10: Woning geprojecteerd in beschermingszone (buiten werkingsgebied profiel van vrije ruimte)
Wegbeheer In de huidige situatie kan het plangebied worden bereikt vanaf het Westeind. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd.
28
Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Wel dient er voor de ontgraving van de kelder en de beschoeiing/damwand langs de watergang een watervergunning te worden aangevraagd.
29
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van toevoeging van een nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs en is toegevoegd in de bijlage. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • ‘De berekende geluidbelasting ten gevolge van het Westeind en de Industrieweg ten hoogste respectievelijk 34 dB en 32 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB incl. aftrek art. 110g Wgh; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van alle 30 km/h wegen, ten hoogste 32 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt. 30 km/uur wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder.
• De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 37 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt; 30
•
De woning beschikt rondom over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. (…)
Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
31
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen invloed heeft op de lucht kwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de luchtkwaliteitseisen zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.