D10. 20220322 RIB Bestemmingsplan P.C. Hooftlaan 180.pdf
Tekst van het document
Het aantal benodigde parkeerplaatsen is afhankelijk van het daadwerkelijk aantal te realiseren woningen. Bij vermindering/vermeerdering van het aantal woningen dient het aantal parkeerplaatsen naar rato te worden aangepast. Het parkeren voor bewoners wordt op eigen terrein ingevuld. Het parkeren zal deels onder het gebouw plaatsvinden en deels op maaiveld, op het binnenterrein van de beoogde woonbebouwing. Uitwerking hiervan vindt op termijn plaats, rekening houdend met de Parkeernormennota en het daadwerkelijk aantal te realiseren woningen. Daarnaast verdwijnt de huidige parkeerplaats. Deze parkeervoorziening doen nu vooral dienst als parkeerplaats voor een snel bezoek aan het centrum van Papendrecht. Deze behoefte kan echter worden opgevangen in de parkeergarages van Papendrecht. Ook fungeert de huidige parkeerplaats als parkeerplek voor bezoekers van de Elimkerk. Met de aanleg van een beperkt aantal parkeerplaatsen op eigen terrein van de Elimkerk (tenminste 5), het realiseren van een doorgang naar de Schoolstraat en de beschikbare parkeerruimte binnen het centrum van Papendrecht voorzien we hier geen toekomstige problemen. Deze manier van denken past binnen de kaders van de Omgevingsvisie Papendrecht. Fietsparkeren In de parkeerkelder is ruimte voor de stalling van fietsen voorzien.
Hoofdstuk 4
24
4.3 Geluid 4.3.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.2: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient via een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel 4.3: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffingswaarde
Artikel
Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
Hoofdstuk 4
25
4.3.2 Onderzoek Spoorweggeluid De Betuweroute ligt op circa 2 kilometer van het plangebied en is de dichtst bij het plangebied gelegen spoorlijn. Gezien de ruime afstand is het aspect spoorweggeluid niet van toepassing voor dit bestemmingsplan. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzones van de gezoneerde industrieterreinen “De Staart” en “Oosteind”. Akoestisch onderzoek vanwege industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de P.C. Hooftlaan en de Veerweg. Door Kragten is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De geluidbelasting op de te realiseren bebouwing is getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de relevante 30 km/uur-wegen in de directe nabijheid meegenomen.
Hieronder worden enkel de conclusies van dit onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is als bijlage opgenomen. Wegverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder is de geluidbelasting ten gevolge van de P.C Hooftlaan en de Veerweg inzichtelijk gemaakt. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de P.C. Hooftlaan bedraagt maximaal 49 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder niet gerespecteerd. Maatregelen ten einde het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren. Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel zal moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel [G A;k] voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Veerweg bedraagt maximaal 35 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder gerespecteerd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelasting vanwege de omliggende 30 km/uur-wegen en de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van alle wegen inzichtelijk gemaakt. Voor de 30km/uur-wegen zijn de normen uit de Wet geluidhinder niet van toepassing. Ter vergelijk worden de geluidbelastingen wel beoordeeld aan de hand van het toetsingskader uit de Wet geluidhinder (voorkeurswaarde 48 dB en maximale ontheffingswaarde 63 dB).
De geluidbelasting ten gevolge van de Markt bedraagt 55 dB (inclusief aftrek) en de P.C. Hooftlaan (30 km/uur) 49 dB (inclusief aftrek). Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt wel gerespecteerd. Maatregelen ten einde het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren.
Hoofdstuk 4
26
Voor de overige wegen bedraagt de maximale geluidbelasting minder dan 48 dB. De voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd. De cumulatieve geluidbelastingen (exclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder) bedragen ten hoogste 61 dB. Maatregelen voor het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren. Geadviseerd wordt om middels een aanvullend akoestisch onderzoek aan te tonen dat de gevels met een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 53 dB wel een voldoende geluidwering [GA;k] hebben zodat een binnen niveau van 33 dB gerespecteerd blijft. Hogere waarde Voor het verlenen van een hogere waarde moet worden voldaan aan het gemeentelijke geluidbeleid. Na het verlenen van een hogere waarde voor de woningen met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vanwege de P.C. Hooftlaan (50 km/uur-deel) vormt het aspect geluid vanwege de omliggende wegen geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.3.3 Conclusie Er wordt een hogere waarde aangevraagd bij de gemeente Papendrecht. Voor het concept besluit hogere waarde wordt verwezen naar de bijlagen. Deze zal zijn verleend voor vaststelling van dit bestemmingsplan. Geluid zorgt niet voor belemmeringen.
4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Toetsingskader Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. In de Regeling NIBM is met betrekking tot woningen het volgende opgenomen: 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2).
Hoofdstuk 4
27
4.4.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Derhalve kan het initiatief als NIBM worden aangemerkt. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2020 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2020. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 23,0 µg/m³ en voor PM10 19,2 µg/m³. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 11,8 µg/m³. Tabel 4.4: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id NO2 PM10 μg/m3 PM10 overschrijdingsdaμg/m3 gen Rekenpunt 15478076 22.9 19.2 7.0 Rekenpunt 15478071 23.0 19.2 7.0 Rekenpunt 15477852 22.8 19.2 7.0 Norm 40 40 35
PM2.5 μg/m3
Jaar
11.8 11.8 11.8 25
2020 2020 2020
Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden. 4.4.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de NSL-Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.
4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Hoofdstuk 4
28
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 1. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.5.2 Onderzoek Het plangebied en diens directe omgeving kunnen worden getypeerd als omgevingstype ‘gemengd gebied’ vanwege de ligging direct tegen het centrum van Papendrecht aan en de verschillende omliggende functies. Omdat er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' kan de richtafstand terug worden gebracht met één afstandsstap. De gedachtegang hierachter is dat er sprake is van een zekere verstoring van het gebied ten opzichte van een rustige woonwijk. Dit betekent dat voor de activiteiten met een milieucategorie 1 en 2 sprake is van een richtafstand van respectievelijk 0 en 10 meter.
1
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
29
In de directe omgeving van het plangebied komen – naast woonfuncties – de volgende functies voor: Tabel 4.5: Omliggende bedrijven Bedrijf
Bestemming
Adres
Milieuca-
Richtafstand bin-
Afstand tot
tegorie
nen gemengd ge-
plangebied (m)
bied (m) Diverse centrum-
Centrum (o.a. detail-
Diverse (centrum
functies
handel, dienstverle-
Papendrecht)
1
0
23
ning, horeca cat. 1 en 2, kantoren, wonen op de verdiepingen) Kerk
Maatschappelijk
P.C. Hooftlaan 180
2
10
12
Basisschool
Maatschappelijk
Noordersingel 1
2
10
54
Woon-zorg com-
Maatschappelijk
Markt 24
2
10
78
plex
De omliggende bedrijven liggen op voldoende afstand van de beoogde woningen. 4.5.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Geur agrarisch 4.6.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.6.2 Onderzoek In en nabij het plangebied bevinden zich geen belemmerende veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geurbelastende werking. Dit onderdeel is dan ook niet van belang. 4.6.3 Conclusie Het aspect ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
30
4.7 Kabels en leidingen In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied liggen geen kabels of leidingen die planologisch relevant zijn. Er zijn uit dit oogpunt derhalve geen belemmeringen voor de realisering van de woningen.
4.8 Externe veiligheid 4.8.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.8.2 Onderzoek
Hoofdstuk 4
31
Eventuele externe veiligheidsrisico’s kunnen worden achterhaald met behulp van de Risicokaart. Een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied en haar omgeving zijn opgenomen in onderstaande figuur.
Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met aanduiding van het plangebied in paars
Binnen het plangebied worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Woningen zijn kwetsbare objecten waardoor getoetst is aan het Bevi, het Bevb en het Bevt. In de directe omgeving van het plangebied komen meerdere risicobronnen voor. Het gaat om: transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A15; transport van gevaarlijke stoffen over de N3 (A15 – Burg. Keijzerweg); transport van gevaarlijke stoffen over de Beneden Merwede; transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Betuweroute; DuPont/Chemours BV, Baanhoekweg 22 Dordrecht; Fokker Aerostructures, Industrieweg 4 Papendrecht; Slurink, Merwedestraat 48 Dordrecht. Transport van gevaarlijke stoffen over de A15 en N3 Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,97 kilometer van de A15 en op 1,65 kilometer van de N3. Over de A15 en N3 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De A15 heeft ter hoogte van het plangebied een veiligheidszone van 46 meter, gemeten vanaf het midden van de weg en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten vanaf de buitenste rijstrook. Deze contouren reiken niet tot het plangebied. Omdat het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van de A15 en de N3, behoeft het groepsrisico op basis van het Bevt niet berekend te worden. Het
Hoofdstuk 4
32
plangebied is ook gelegen buiten het invloedsgebied van de A15 en de N3. Zodoende is een verantwoording van het groepsrisico niet nodig. Transport van gevaarlijke stoffen over de Beneden Merwede Over de Beneden Merwede, gelegen op circa 738 meter van het plangebied, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op grond van het Basisnet Water is de Beneden Merwede een zwarte vaarroute (belangrijke binnenvaartweg). Voor deze classificatie geldt dat de PR 10-6 contour niet verder reikt dan de oever en dat een groepsrisicoberekening alleen benodigd is indien sprake is van hoge personendichtheden (meer dan 1.500 personen per hectare). De bevolkingsdichtheid van de kern Papendrecht ligt ruimschoots onder de 1.500 personen per hectare, waardoor geen verantwoordingsplicht noodzakelijk is. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 25 meter vanuit de kade en reikt niet tot het plangebied. Een verantwoording, waarbij wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, is op grond van het Bevt wel benodigd, omdat het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen reikt tot het plangebied. Voor de verantwoording hoeft enkel rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Spoorlijn Betuweroute Ten noorden van het plangebied loopt de ‘Betuweroute’. Deze spoorlijn kent een invloedsgebied van het groepsrisico van > 4 kilometer. Het plangebied ligt hierbinnen.
Gezien de ruime afstand van het plangebied tot aan deze spoorlijn (circa 2,1 kilometer) is een berekening niet noodzakelijk. Wel moet een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. DuPont/Chemours Aan de Baanhoek 22 te Dordrecht is de Brzo-inrichting DuPont/Chemours gevestigd. Deze inrichting, waarvan de opslag van gevaarlijke stoffen op circa 2,96 kilometer van het plangebied is gelegen, vervaardigt onder andere kunstharsen, koel- en koudemiddelen en fluorproducten en slaat derhalve gevaarlijke stoffen op. Het bedrijf heeft een PR 10-6 contour, welke niet tot het plangebied reikt. Naar aanleiding van aanvullende getroffen mitigerende maatregelen is voor Chemours Netherlands B.V. (d.d. 7 maart 2017) een QRA uitgevoerd, en daaruit blijkt dat het invloedsgebied van deze inrichting 3.150 meter bedraagt. Het plangebied ligt dus binnen het invloedsgebied van DuPont/Chemours. Het in die QRA berekende groepsrisico is lager dan de oriënterende waarde. Het plangebied is gelegen buiten de PR10-6 contour van DuPont/Chemours. Derhalve kan gesteld worden dat het plan niet significant zal bijdragen aan het groepsrisico. Het uitvoeren van een berekening van het groepsrisico wordt daarom niet zinvol geacht. Volledigheidshalve dient in de verantwoording groepsrisico wel rekening gehouden te worden met het toxisch scenario van een incident bij DuPont/Chemours.
Fokker Aerostructures Aan de Industrieweg 4 in Papendrecht is Fokker Aerostructures gevestigd, een bedrijf in de vervaardiging van vlieg- en ruimtevaartuigen. Het gaat hier met name om giftige vloeistoffen. Het plangebied ligt op circa 265 meter van deze inrichting. De risicoafstand voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6) van Fokker bedraagt 71 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Het plangebied ligt ook buiten het invloedsgebied van dit bedrijf. Zodoende vormt dit bedrijf geen belemmering.
Hoofdstuk 4
33
Slurink Aan de Merwedestraat 48 in Dordrecht, aan de zuidzijde van de Nieuwe Merwede is Slurink gelegen, een groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten (brandbare vloeistoffen). Het betreft geen BEVI-inrichting. Volgens de gevarenkaart uit Leidraad is er geen PR 10-6 beschikbaar. Er zijn geen generieke risicoafstanden voor brandbare vloeistoffen van klasse 3 en 4. Dit vanwege de beperkte kans op ontsteking. De afstand van Slurink tot het plangebied bedraagt 950 meter. Dit is ruim voldoende zodat dit bedrijf geen belemmering vormt. 4.8.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico Voor de Beneden Merwede ende Betuweroute dient in de verantwoording van het groepsrisico een beschrijving gegeven te worden van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het toxisch scenario. In de verantwoording groepsrisico wordt rekening gehouden met de volgende scenario’s. een ongeval met toxisch scenario op de Beneden Merwede; een ongeval met toxisch scenario op de Betuweroute; Scenario Door een incident op de Betuweroute met een tankwagon met toxische vloeistof scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind.
Door een incident op het water met een binnenvaarttanker met een toxische vloeistof (bijvoorbeeld acrylnitril) scheurt de tankwand boven de waterlijn. Een deel van de toxische vloeistof stroomt gedurende een half uur uit. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. De vloeistof vormt een toxische plas die langzaam oplost in het water. Bij een toxisch gas (bijvoorbeeld ammoniak) ontstaat een toxische damp die met de wind meevoert. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor toxische stoffen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied. Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bronbestrijding is op het water niet mogelijk, aangezien de brandweer na afloop van de uitstroom ter plaatse komt (op het water). De brandweer zal zich daarom richten op het verdunnen van toxische dampen. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn.
De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Het plangebied wordt ontsloten door een brug vanaf de P.C. Hooftstraat en de Markt. Via deze wegen is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. De bereikbaarheid voor hulpdiensten is dan ook goed te noemen.
Hoofdstuk 4
34
Zelfredzaamheid Door middel van verschillende maatregelen kan de zelfredzaamheid in het gebied verbeterd worden: In het kader van de zelfredzaamheid verdient het aanbeveling bij de realisatie van het bouwplan ventilatie te creëren die door de gebruikers centraal in de objecten buiten werking kunnen worden gezet. Hiermee kan een safe haven worden gecreëerd waar mensen tijdelijk kunnen schuilen; De omwonenden, gebruikers en andere betrokkenen dienen geïnformeerd te worden over een drietal zaken. Ten eerste over de plannen/bestemmingen in hun directe omgeving en de mogelijke risico's als gevolg daarvan. Vervolgens over de maatregelen die de overheid treft om de risico's te beperken. Tot slot over de handelingsperspectieven voor de burger zelf om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op een eventueel incident. Dit kan door middel van het publiceren van teksten op de website of in de gemeenterubriek. Maar hiertoe kunnen ook andere communicatiemiddelen worden ingezet. De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor risicocommunicatie. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) heeft de paragraaf ‘externe veiligheid’ van het plan beoordeeld en akkoord bevonden mits de opmerking verwerkt wordt. Op dit moment is nog onduidelijk wat deze opmerking betreft. Dit wordt nog nagegaan bij de Veiligheidsregio en later verwerkt in voorgaande paragraaf.
Daarnaast wordt de Veiligheidsregio graag betrokken bij het inrichtingsplan. 4.8.4 Conclusie In de omgeving komen meerdere risicobronnen voor. Het plangebied is gelegen binnen de invloedsgebieden van de Beneden Merwede, de Betuweroute en DuPont/Chemours. Geen van de PR 10-6 contouren reikt tot het plangebied, waardoor er geen wettelijke belemmeringen gelden voor het plan. Voor de genoemde risicobronnen is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid heeft de paragraaf externe veiligheid beoordeeld en akkoord bevonden. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.
4.9 Natuur 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4
35
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Hoofdstuk 4
36
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.2 Onderzoek Quickscan Er is door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Beschermde gebieden Het plangebied ligt op 4,6 kilometer afstand van Natura 2000-gebied de ‘Biesbosch’ en dat ten zuidoosten van het plangebied ligt. Het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’ ligt op ongeveer 5,3 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Natura 2000-gebied de ‘Donkse Laagten’ ligt ten noordoosten op 7,1 kilometer van het plangebied.
Vanwege de grotere afstand tot Natura 2000-gebieden worden er geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, licht en andere storingsfactoren. Mogelijk is er voor de voorgenomen plannen wel een stikstofberekening nodig. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland. Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig Beschermde soorten Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het leegstaande pand kan niet met zekerheid uitgesloten worden. Daarnaast kan het aanwezige plantsoen binnen het plangebied mogelijk fungeren als (essentieel) foerageergebied. Vanwege de lage bouw van het te slopen pand en de grote raampartijen in de gevels is het aannemelijk dat het pand niet wordt gebruik als massawinterverblijfplaats door de gewone dwergvleermuis. Vermoedelijk wordt de hoogbouw ten oosten van het pand gebruikt als massawinterverblijfplaats. De kasten die tegen deze gevel zijn gehangen worden al gebruikt door vleermuizen. Aanvullend onderzoek kan uitsluitsel geven of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. Grondgebonden zoogdieren De bebouwing in het plangebied is vanwege de afwezigheid van openingen ongeschikt als verblijfplaats voor marterachtigen.
Wel zou het struweel en de haag binnen het plangebied onderdeel kunnen uitmaken van de functionele leefomgeving van kleine marterachtigen zoals de bunzing, wezel en de hermelijn. Deze soorten zijn beschermd binnen de Drechtsteden waardoor er gewerkt dient te worden volgende de Uitwerking Gedragscode Stadswerk.
Hoofdstuk 4
37
Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Het plangebied zou daarnaast ook geen essentieel onderdeel kunnen uitmaken van de functionele leefomgeving van soorten zoals de huismus of de gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek zijn er geen huismussen waargenomen en in de omgeving bevindt zich voldoende alternatief in de vorm van stedelijk groen en tuinen. De sloop- en bouwwerkzaamheden zullen geen negatieve effecten hebben op de functionele leefomgeving, waardoor er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen voor deze soorten bestaan. Algemene (broed)vogels De aanwezige vegetatie binnen het plangebied biedt broedgelegenheid voor algemene vogelsoorten. Deze nesten zijn beschermd op het moment dat ze in gebruik zijn. Door de voorgenomen groenverwijdering kan mogelijk verstoring of vernieling van legsels optreden. Om overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd de vegetatie buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor het broedseizoen kan globaal de periode maart tot en met augustus worden aangehouden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient vóór aanvang een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige.
Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen. In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd. Vervolgonderzoek Ecoresult B.V. heeft een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd in het plangebied Schoolstraat 1-102, Papendrecht. In dit onderzoek is het plangebied van voorliggend plan (P.C. Hooftlaan 180) ook meegenomen. Zodoende wordt dit onderzoek ook toepasbaar geacht voor voorliggend plan. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste conclusies worden hieronder toegelicht. De activiteiten kunnen schadelijke effecten hebben op vleermuizen. De Wet natuurbescherming kan hierdoor worden overtreden. Het onderzoek is uitgevoerd onder de condities en methodiek van de relevante kennisdocumenten en het Vleermuisprotocol 2017.
Hierna volgen de conclusies uit het nader vleermuisonderzoek die betrekking hebben op voorliggend plan (P.C. Hooftlaan 180): Gewone dwergvleermuis Aan de noordgevel van het complex Schoolstraat is een paarverblijf van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Langs de noordgevel van het complex Schoolstraat en gedeeltelijk ter plaatse van het plangebied ligt het baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis.
Hoofdstuk 4
38
Langs het plangebied (tussen het te slopen gebouw P.C. Hooftlaan 180 en de Elimkerk) loopt een vliegroute van gewone dwergvleermuis. Er is buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden echter reeds een alternatieve vliegroute van vergelijkbare kwaliteit aanwezig, waardoor deze niet als essentieel wordt beoordeeld. Essentieel foerageergebied is binnen het plangebied afwezig. In het te slopen gebouw P.C. Hooftlaan 180 zijn geen vleermuizen aangetroffen.
Laatvlieger In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied afwezig. Ruige dwergvleermuis Aan de noordgevel van het complex Schoolstraat is een paarverblijfplaats van ruige dwergvleermuis aanwezig in een vleermuiskast op de derde verdieping. Foerageergebied of (essentiële) vliegroutes zijn afwezig. In het te slopen gebouw P.C. Hooftlaan 180 zijn geen vleermuizen aangetroffen. Ontheffing en maatregelen In het kader van de ontwikkeling aan de P.C. Hooftlaan 180 wordt een ontheffing worden aangevraagd. Aanbevelingen Los van de onderzoeksresultaten, maar als duurzame inrichtingsmaatregel “inclusief bouwen voor vleermuizen en vogels, heeft het de ecologische voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp. Anders gezegd: door inclusief te bouwen voor vleermuizen en vogels wordt bijvoorbeeld een (nieuw) gebouw of kunstwerk toegankelijk voor vleermuizen en vogels of blijft een potentiële vliegroute intact. Reeds uitgevoerde maatregelen Aan het complex Schoolstraat zijn in het kader van de aangevraagde ontheffing voor complex Schoolstraat vleermuiskasten opgehangen aan de noordgevel van het complex Schoolstraat, zie onderstaande afbeelding.
Hoofdstuk 4
39
Figuur 4.2: Reeds opgehangen vleermuiskasten aan de noordgevel van complex Schoolstraat
Ontheffing Er wordt een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd en er zullen tijdig mitigerende maatregelen getroffen worden. Deze procedure loopt ten tijde van het opstellen van het ontwerp bestemmingsplan. Voor vaststelling van het bestemmingsplan zal hier duidelijkheid over zijn. De verwachting is dat deze ontheffing verleend wordt. Hierna zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. AERIUS-berekening Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Biesbosch’ is gelegen op circa 4,5 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling het realiseren van maximaal 30 woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Daarom is er door BRO een AERIUS-berekening uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage.
Voor het plan wordt uitsluitend het projecteffect van de uiteindelijke gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Voor de aanlegfase wordt aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling, welke per 1 juli 2021 in werking is getreden.
Hoofdstuk 4
40
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. 4.9.3 Conclusie Er wordt een ontheffing aangevraagd en indien nodig worden mitigerende maatregelen getroffen. Na het verlenen van de ontheffing zijn er vanuit het aspect flora en fauna geen belemmeringen.
4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.10.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies beschreven. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kwik, zink, minerale olie, PCB en/of lood. In eerste instantie was grondmengmonster MM01 sterk verontreinigd met PAK. Na analyse van de separate grondmonsters bleek enkel boring 08 (traject 0,07-0,40 m -mv) sterk verontreinigd te zijn met PAK.
Bij de overige grondmonsters is geen verontreiniging met PAK aangetoond. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik. Ter plaatse van de gedempte sloot is de ondergrond licht verontreinigd met kwik, nikkel en lood. Mogelijk zijn deze lichte verontreinigingen het gevolg van de bijmengingen die zijn aangetroffen ter plaatse van deze boringen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte en sterke verontreinigingen, verworpen. Ter plaatse van de sterke verontreiniging met PAK in de bovengrond, wordt geadviseerd om een nader bodemonderzoek uit te voeren, zodat de omvang en aard van de verontreiniging kan worden vastgesteld. Echter, op basis van de huidige analyseresultaten wordt verwacht dat de PAK-verontreiniging beperkt van omvang zal zijn. Dergelijke verontreinigingen kunnen bovendien eenvoudig gesaneerd worden conform het Besluit Uniforme Saneringen middels het aanbrengen van een isolatielaag (leeflaag of aaneengesloten,
Hoofdstuk 4
41
duurzame verhardingslaag) al dan niet in combinatie met een open ontgraving. Gelet op het voorgaande wordt dan ook niet verwacht dat deze PAK-verontreinigingen en de overige aangetoonde verontreinigingen een milieuhygiënische belemmering zullen vormen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.10.3 Conclusie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er op de locatie een bodemverontreiniging aanwezig is. Het gaat om een sterke verontreiniging met PAK in de grond. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek wordt niet verwacht dat de PAK-verontreinigingen en de overige aangetoonde verontreinigingen een milieuhygiënische belemmering zullen vormen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. De OZHZ heeft het verkennend bodemonderzoek beoordeeld en aangegeven dat in het kader van de bestemmingsplanwijziging de rapportage voldoende is. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning dient er nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Dit nader onderzoek zal uitgevoerd worden bij de vergunningaanvraag.
4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan ZuidHolland 2016-2021. Conform Europese en nationale wetgeving is tevens een nieuw Stroomgebiedbeheerplan vastgesteld voor de regio Rijn-West voor de periode 2016-2021: het SGBP-2. De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen. Dit Waterplan is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de in de nabije toekomst in werking tredende Omgevingswet. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen.
Het bestuur van Waterschap Rivierenland heeft met ingang van 27 november 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021: Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid vastgesteld. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan
Hoofdstuk 4
42
de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. De watergangen zijn opgenomen in de Legger. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij het oppervlaktewater kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Binnen Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water. Regenwater afkomstig van daken en bestratingen is vaak zo schoon dat zuivering niet nodig is. Dit water kan dus beter worden afgevoerd naar het grond- of oppervlaktewater dan naar de riolering. Dat heeft als voordeel dat de rioolwaterzuiveringsinstallaties minder worden belast. Ook vinden bij hevige buien vinden minder vuile overstortingen plaats vanuit het gemengde riool naar het oppervlaktewater en dat is goed voor de waterkwaliteit in de sloten. Daarom heeft Waterschap Rivierenland in de rioleringsnota “Samen door een buis” (2019) de kaders geschetst om in gezamenlijkheid optimaal de lozingen vanuit riolering te beheersen. Herstructurering van bestaande woonwijken biedt kansen om het aanwezige rioolsysteem aan te passen.
Het is de bedoeling dat schoon hemelwater niet meer onnodig wordt afgevoerd via de riolering, maar in het grond- of oppervlaktewater terechtkomt. De waterschappen werken integraal samen met gemeenten, die vaak het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. De gemeente Papendrecht en Waterschap Rivierenland hebben samen het stedelijk waterplan voor Papendrecht vastgesteld. Het waterplan heeft betrekking op het oppervlaktewater en het grondwater. In het plan wordt een visie gegeven op het stedelijk water en het realiseren van een gezond en veilig functionerend watersysteem. Het maatregelenpakket uit het waterplan is in 2018 afgerond. Ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving hebben geen wijzigingen plaatsgevonden. Daarnaast is een gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 opgesteld. Doel is om klimaatbestendige gemeente te worden. Lokale verwerking / berging van hemelwater wordt gestimuleerd. Vanuit de gemeente Papendrecht wordt bij particuliere nieuwbouw verwacht, dat een particulier 20 mm hemelwater op eigen terrein verwerkt. Indien dit redelijkerwijs niet van hem gevraagd kan worden, kan de particulier zijn hemelwater aanbieden aan de gemeente. Wanneer volop oppervlaktewater aanwezig is, is het niet doelmatig een inzamelriool voor het hemelwater aan te leggen.
Bij projecten in de openbare ruimte en grootschalige woningbouwtrajecten wordt getracht om een (verbeterd) gescheiden stelsel aan te leggen. De gemeente maakt hierbij onderscheid tussen de volgende typen oppervlakken: Schoon oppervlak. Hieronder vallen alle daken, mits de uitlogende materialen niet meer dan 20% van dit oppervlak beslaan. Beperkt schoon oppervlak. Hieronder vallen onder andere vrijliggende voet- en fietspaden, schoolpleinen, parkeergelegenheden voor personenauto’s in woongebieden en tijdelijke parkeerplaatsen. Maatwerk bepaalt of een oppervlak daadwerkelijk tot de beperkt schone of beperkt verontreinigd oppervlak behoort. Beperkt verontreinigd oppervlak. Hieronder vallen oppervlakken waarop PAK, minerale olie of zware metalen worden verwacht zoals bij: gebiedsontsluitingswegen, winkelstraten, marktpleinen, grotere (dag)parkeerterreinen, laad- en losplaatsen.
Hoofdstuk 4
43
Verontreinigd oppervlak: De verontreinigde oppervlakken betreffen busstations, tunnels en overslag en opslagterreinen. Bij schone en beperkt schone oppervlakken kan direct afgekoppeld worden naar oppervlaktewater. Bij de overige oppervlakken zijn mogelijk zuiverende voorzieningen of verwerking via het dwa-stelsel noodzakelijk. 4.11.2 Onderzoek Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. Volgens de eis van het waterschap dient bij een toename van meer dan 500 m2 in het stedelijk gebied water gecompenseerd te worden. Omdat het plangebied reeds geheel verhard is, is er geen toename van het verhard oppervlak. In de nieuwe situatie wordt de parkeerplaats op het binnenterrein (welke minstens 400 m 2 zal beslaan) uitgevoerd met halfverharding (grasbetontegels). In de nieuwe situatie zal daardoor het verhard oppervlak juist afnemen. Direct noordelijk van het plangebied stroomt een A-watergang (001381) in westelijke richting. Het is wenselijk om het water direct naar deze naastgelegen watergang af te voeren. Aan weerszijden van deze primaire watergang is een beschermingszone van 5 meter vanaf de insteek aanwezig. De rooilijn van de bebouwing langs de P.C. Hooftlaan ligt circa 5,5 meter uit de kant van de watergang.
Bij de herinrichting van het plangebied dient rekening gehouden te worden met de bestaande kunstwerken, bruggen en watergangen. Bij werkzaamheden en/of wijzigingen in of nabij het oppervlaktewater dient het waterschap betrokken te worden middels een vooroverleg. Zo zal bijvoorbeeld een rioolontwerp opgesteld moeten worden. Binnen het plangebied bevindt zich een verzamelriool en aan de waterkant bevindt zich een overstort. Deze bevindt zich net voorbij de ingang naar de huidige parkeerplaatsen. Bij realisatie van het plan zal hier mogelijk het een en ander moeten worden verplaatst, en is een rioolontwerp dan ook noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
44
Figuur 4.3: Uitsnede legger water en waterkeringen (bron: Waterschap Rivierenland)
4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen.
4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.
Hoofdstuk 4
45
4.12.2 Onderzoek De gemeente Papendrecht beschikt over een eigen Archeologische Verwachtingskaart en een Archeologische Beleidsadvieskaart. Op de Verwachtingskaart staat aangegeven wat de archeologische verwachting is voor het plangebied. Het plangebied is op de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Papendrecht gelegen in ‘Stroomruggen’ met een hoge verwachting. Voor ‘Stroomruggen’ geldt een onderzoeksgrens bij verstoringen groter dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld. Archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk.
Figuur 4.4: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Papendrecht met aanduiding van het plangebied
Er is door Econsultancy een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met Bronstijd en de Nieuwe tijd, een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de IJzertijd en een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de Romeinse tijd tot en met Late Middeleeuwen. Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat in het gehele plangebied de top van het bodemprofiel is verstoord. Alleen in boring 4 zijn onder het verstoorde dek (waarschijnlijk afgetopte) oeverafzettingen op komafzettingen aangetroffen. Bij de overige boringen zijn onder het verstoorde
Hoofdstuk 4
46
dek alleen komklei en veen aangetroffen. Vermoedelijk zijn de oeverafzettingen hier afgegraven en/of in het verstoorde dek opgenomen bij de bouwwerkzaamheden in de jaren ’80 van de 20e eeuw. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, kan op basis van de aangetroffen bodemprofielen worden bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Selectiebesluit De gemeente Papendrecht heeft, na toetsing van het Econsultancy-rapport 'Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, PC Hooftlaan 180 te Papendrecht, 2021' door een archeologisch deskundige, besloten conform het advies uit dat rapport. 4.12.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.13.2 Onderzoek In het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook zijn er geen overige waardevolle gebouwen of structuren aanwezig. 4.13.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
47
4.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.14.1 Toetsingskader Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.14.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.