CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

D04. 20210430 RIB Dagvaarding Chemours, DuPont en Corteva.pdf

Commissie Ruimte Papendrecht 19 mei 2021, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Lijst ingekomen stukken en mededelingen29.170 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

70/132

3.15

Vervolgens is, op pag. 2 van Annex E, van het ondertekende splitsingsvoorstel een omschrijving opgenomen van

3.16

Uit hetgeen is opgenomen op pag. 8 van Annex E van het getekende splitsingsvoorstel volgt dat hier ook het volgende onder valt:

3.17

De verwijzing in dit deel van het splitsingsvoorstel naar aansprakelijkheidsrisico’s die gerelateerd zijn aan nu juist de Performance Polymers, Packaging & Industrial Polymers maakt dit deel van het splitsingsvoorstel bijzonder lastig te begrijpen. Uit hetgeen is opgemerkt op pag. 1 van het voorstel volgt immers dat alleen “Non-Performance Chemicals Vermogensbestanddelen” worden overgedragen aan Du Pont de Nemours (nieuw) en niet de “Performance Chemicals Vermogensbestanddelen”, maar dat is gezien hetgeen op pag. 8 – van het splitsingsvoorstel kennelijk toch onjuist want daar wordt – onder het kopje “Vermogensbestanddelen die overgaan op de verkrijgende vennootschap” - verwezen naar “The risks and benefits of any legal dispute that relates [..] tp [..] Performance Polymers, Packaging & Industrial Polymers. En daar wordt, op dezelfde pagina, dan weer een uitzondering op gemaakt voor zover het betreft “the Performance Chemical Assets & Liabilities”.

3.18

Het is de Gemeenten gezien het gehanteerde taalgebruik niet helder wat Chemours en Du Pont de Nemours (nieuw) hebben beoogd en waar nu aansprakelijkheidsrisico’s zijn ondergebracht die gerelateerd zijn aan de uitstoot die is ontstaan in de periode vanaf 1967.

3.19

Daar komt nog bij dat uit het splitsingsvoorstel volgt dat alleen die aansprakelijkheidsrisico’s zouden zijn ondergebracht bij Du Pont de Nemours (nieuw) die “uitsluitend” (onderstr. toegev.) betrekking hebben op Performance Polymers, Packaging & Industrial Polymers,

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

71/132

maar het ontbreekt de Gemeenten aan kennis om dit kunnen te beoordelen. De Gemeenten hebben ook niet een zodanige kennis van de bedrijfsprocessen van Chemours/Du Pont dat redelijkerwijs verwacht mag worden dat de Gemeenten dit kunnen beoordelen.

Chemours heeft in reactie op een vraag van de Gemeenten over het voorgaande, de Gemeenten bij brief van 5 november 2020 bericht dat alle aansprakelijkheidsrisico’s verband houdende met claims ten aanzien van de uitstoot van PFOA en/of GenXstoffen vanaf de Inrichting in Dordrecht, zijn ondergebracht in Chemours (productie G.54). Omdat het getekende splitsingsvoorstel op dit punt echter onvoldoende helder is hebben de Gemeenten moeten beslissen ook Du Pont de Nemours (Nederland) B.V. (Nieuw), in rechte te betrekken en te dagvaarden.

3.20

Het voorgaande betekent dat Chemours als gevolg van de 2012-Afsplitsing volledig en primair aansprakelijk is geworden voor alle (milieu)aansprakelijkheidsschulden die voortvloeien uit de uitstoot van Du Pont de Nemours (oud) in de periode van 1967 tot aan de 2012-Afsplitsing. Op grond van artikel 2:334t BW is Du Pont de Nemours (oud) daarnaast, subsidiair, aansprakelijk gebleven voor die schulden, tot maximaal het beloop van het vermogen dat zij bij de 2012-Afsplitsing heeft behouden. Uiteraard is Chemours ook aansprakelijk voor de (milieu)aansprakelijkheidsschulden die zijn ontstaan als gevolg van de uitstoot door Chemours zelf in de periode vanaf de 2012-Afsplitsing tot heden. Voor die schulden is Du Pont de Nemours (oud) niet medeaansprakelijk op grond van artikel 2:334t BW.

3.21

Als gevolg van de onduidelijkheid in het splitsingsvoorstel ten aanzien van de vraag waar de schulden uit hoofde van (milieu)aansprakelijkheid van Chemours over de periode van 1967 tot aan de Afsplitsing-2015 zijn geland, geldt op grond van artikel 2:334s lid 3 BW dat deze niet zijn overgegaan naar Du Pont de Nemours (nieuw) en dus dat deze bij Chemours zijn verbleven. Dit is kennelijk in overeenstemming met de bedoeling van Chemours, zie hetgeen is opgemerkt achter randnummer 3.19 van deze dagvaarding.

3.22

Als gevolg van de Afsplitsing-2015 geldt op grond van artikel 2:334t BW dat Du Pont de Nemours (nieuw) daarnaast, subsidiair, aansprakelijk is voor die schulden, tot maximaal het beloop van het vermogen dat zij bij de 2015-Afsplitsing heeft verkregen. Du Pont de Nemours (nieuw) is niet ook aansprakelijk voor de (milieu)aansprakelijkheidsschulden die zijn ontstaan als gevolg van de uitstoot door Chemours vanaf de 2015-Afsplitsing tot heden.

3.23

Verder wijzen de Gemeenten op het volgende. De waarde van de Non-Performance Chemical Assets & Liabilities, waar kennelijk ook de Performance Chemical Assets & Liabilities onder vallen, wordt in het splitsingsvoorstel ingeschat op EUR 79.603.000,(boekwaarde 1 augustus 2014).

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

72/132

Zie pag. 2 van Annex E van het splitsingsvoorstel. 3.24

Dat komt de Gemeenten voor het totaal aan overgedragen vermogensbestanddelen, en kennelijk inclusief alle aansprakelijkheidsrisico’s die zijn gerelateerd aan het gebruik van PFOA en GenX-stoffen door Chemours/Du Pont door de jaren heen, als zeer laag over. De Gemeenten zijn mogelijk niet de enige partijen die schade hebben geleden ten gevolge van het handelen of nalaten van Chemours/Du Pont. De Gemeenten wijzen in dat kader ook op een procedure die aanhangig is gemaakt in de Verenigde Staten door Chemours VS, een afsplitsing van DuPont VS, tegen DuPont VS omdat de door splitsing aan Chemours VS overgedragen milieuaansprakelijlkheidsrisico’s, een veel hogere financiële waarde hebben dan DuPont VS bij de splitsing heeft doen voorkomen.

Zie US Court of Chancery of the State of Delaware, 13 augustus 2019, C.A. No. 20190351-SG, (Chemours Company v. DowDuPont en E.I. Du Pont de Nemours and Company c.s.), rov. 1.54

3.25

Tot slot wijzen de Gemeenten erop dat Du Pont de Nemours (Nieuw) (nog steeds) eigenaar is van een deel van het Fabrieksterrein aan de Baanhoekweg in Dordrecht, alsook de installaties die zich daar bevinden. De Gemeenten kunnen niet beoordelen of het niet (ook) Du POnt de Nemours (Nieuw) is die installaties exploiteert die (restanten van) PFOA naar de lucht emitteren dan wel GenX-stoffen emitteren of hebben geëmitteerd.

3.26

Gezien het voorgaande hebben de Gemeenten moeten beslissen Du Pont de Nemours (oud), Chemours en Du Pont de Nemours (nieuw) in rechte te betrekken. Chemours is (primair) volledig aansprakelijk voor alle schulden die voortvloeien uit de uitstoot in de periode van 1967 tot heden. Du Pont de Nemours (oud) is, subsidiair, medeaansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de uitstoot in de periode van 1967 tot 2012 tot maximaal het vermogen dat zij bij de 2012-Afsplitsing heeft behouden. Du Pont de Nemours (nieuw) is, subsidiair, medeaansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de uitstoot in de periode van 1967 tot 2015. Eén en ander staat hieronder schematisch weergegeven:

54

1967-2012

2012-2015

vanaf 2015

Du Pont de Nemours (oud)

Subsidiair & met maximum

-

-

Chemours

Primair volledig

Primair volledig

&

&

Primair volledig

&

Te raadplegen via: https://www.chemours.com/en/-/media/files/corporate/fayetteville-works/chemours-amended-complaint.pdf.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

73/132

Du Pont de Nemours (nieuw)

3.27

Subsidiair & met maximum

Subsidiair & met maximum

-

In het navolgende wordt ingegaan op het juridisch kader. De nadruk zal daarbij liggen op het handelen of nalaten van Chemours/Du Pont, de vennootschappen die feitelijk ZZS-stoffen hebben geëmitteerd en Chemours die dat nog steeds doet.

J. Artikel 6:175 BW J.1 Risicoaansprakelijkheid PFOA en GenX-stoffen 3.28

Op grond van artikel 6:175 lid 1 BW is degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Onder degene die een bedrijf uitoefent, wordt – zo volgt uit dezelfde bepaling – mede begrepen elke rechtspersoon die de stof in de uitoefening van zijn taak gebruikt of onder zich heeft.

3.29

Vast staat dat Chemours/Du Pont voor de productieactiviteiten in Dordrecht PFOA en GenXstoffen hebben gebruikt en daar ook economisch voordeel of in ieder geval profijt van hebben gehad. Deze stoffen zijn gedurende de uitvoering van deze productieactiviteiten naar de lucht geëmitteerd (en zijn overigens ook op het oppervlaktewater geloosd). Chemours/Du Pont hebben deze stoffen derhalve in de uitoefening van het bedrijf gebruikt dan wel onder zich gehad zodat de Gemeenten een beroep toekomt op artikel 6:175 BW. Overigens is, zo volgt uit het vierde lid van artikel 6:175 BW, voor de toepassing van artikel 6:175 BW niet bepalend dat Chemours/Du Pont de stoffen vanwege de emissie in de lucht niet meer onder zich hebben, nu Chemours/Du Pont aan de aanvang van de tot verontreiniging leidende gebeurtenissen staan.

3.30

Artikel 6:175 BW kent een risicoaansprakelijkheid voor de beroeps- of bedrijfsmatige gebruiker van een gevaarlijke stof. Indien zich door een stof een gevaar verwezenlijkt zoals bedoeld in artikel 6:175 lid 1 BW, hoeft voor de vestiging van aansprakelijkheid in beginsel niet te zijn voldaan aan de vereisten van onrechtmatigheid of schuld/toerekening. De aansprakelijkheid bestaat als een stof, waarvan bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard oplevert voor personen of zaken, schade veroorzaakt. Het is vervolgens degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft op wie de aansprakelijkheid rust.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

74/132

3.31

Het criterium ‘bijzonder gevaar van ernstige aard’ is een open norm. In de derde zin van artikel 6:175 lid 1 BW is bepaald: als bijzonder gevaar van ernstige aard geldt in elk geval dat de stof ontplofbaar, oxiderend, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, dan wel vergiftig of zeer vergiftig is indien de stof als zodanig is ingedeeld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 en titel II van de CLP-verordening.55 Het gaat hier om een niet-limitatieve opsomming. Ook een stof die niet is ingedeeld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 en titel II van de CLP-verordening dan wel op een andere manier is ingedeeld of geplaatst op een lijst in de zin van het zesde lid van artikel 6:175 BW kan onder de werking van artikel 6:175 BW vallen.

Ten overvloede merken de Gemeenten nog op dat het begrip ‘stof’ in de zin van artikel 6:175 BW niet alleen vaste stoffen omvat, maar ook vloeistoffen, gassen en levende micro-organismen. Ook is sprake van een ‘stof’ in de zin van deze bepaling als de stof niet (meer) voor menselijke beheersing vatbaar is, zoals mogelijk het geval is bij het emitteren van PFOA en GenX-stoffen naar de lucht.

3.32

Zoals eerder opgemerkt is PFOA bioaccumulerend, niet afbreekbaar in het milieu, reprotoxisch en mogelijk kankerverwekkend. Op 2 december 2011 is PFOA vervolgens door het ECHA Committee for Risk Assesment geclassificeerd als onder andere kankerverwekkend. Sinds 2013 is PFOA op Europees niveau aangemerkt als een ZZS en als zodanig toegevoegd aan de door het RIVM opgestelde Nederlandse ZZS-lijst. Voorts is in 2017 een wijziging van bijlage XVII van de REACH-verordening in werking getreden, die het vanaf 4 juli 2020 verbiedt om PFOA, de zouten daarvan en aanverwante stoffen te vervaardigen of in de handel te brengen. GenX-stoffen zijn op 2 februari 2018 op nationaal niveau aangemerkt als een potentiële ZZS en zijn op 26 juni 2019 door de ECHA aangemerkt als een ZZS.

3.33

Al ruim voordat PFOA en GenX-stoffen zijn toegevoegd aan de Nederlandse ZZS-lijst waren Chemours/Du Pont bekend of hadden zij bekend moeten zijn met het bijzondere gevaar van ernstige aard van PFOA en GenX-stoffen. Zoals uitvoerig wordt beschreven achter randnummers 3.65 e.v. van deze dagvaarding waren de gevaren van ernstige aard uiterlijk sindshet begin van de jaren ‘80 van de 20e eeuw bekend bij Chemours/Du Pont en zelfs al sinds halverwege de 20e eeuw bekend bij de (Amerikaanse) moedermaatschappij(en) van Chemours/Du Pont, DuPont VS. Deze kennis dient aan Chemours/Du Pont te worden toegerekend (zie randnummers 3.76 e.v.). Voor de toepassing van art. 6:175 BW is overigens niet vereist dat de kennis bij Chemours/Du Pont aanwezig was of behoorde te zijn. Bekendheid met het gevaar in de zin van artikel 6:175 BW dient slechts te bestaan in de kring 55

Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353).

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

75/132

van personen (of bedrijven) waartoe de aansprakelijke behoort, niet speciaal bij de aansprakelijke zelf. Zie: Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 743 en 750.

3.34

Zodra het bijzondere gevaar van een gevaarlijke stof zich verwezenlijkt, wordt degene die de stof in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf gebruikt of onder zich heeft op grond van artikel 6:175 BW aansprakelijk voor de ontstane schade. Chemours/Du Pont zijn derhalve aansprakelijk voor de schade als gevolg van de decennialange emissie van PFOA en GenXstoffen. J.2 Overgangsrecht art. 6:175 BW

3.35

Uit artikel V lid 1 Wijzigingswet Boeken 3, 6 en 8 van het Burgerlijk Wetboek (aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen en verontreiniging lucht, water of bodem) (hierna: Wijzigingswet) volgt dat artikel 6:175 BW niet van toepassing is indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt voor 1 februari 1995 heeft plaatsgevonden. Uit artikel V lid 2 van de Wijzigingswet volgt dat in geval van milieuschade het moment van ontstaan van de verontreiniging van lucht, water of bodem moet worden aangemerkt als de ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’. De wetgever wijkt middels deze bepaling voor een beperkt aantal situaties af van het overgangsrecht van artikel 173 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek.

3.36

De Gemeenten merken op dat artikel V Wijzigingswet Boeken 3, 6 en 8 van het Burgerlijk Wetboek geen regeling bevat ten aanzien van voortdurende emissies, zoals hier aan de orde is. De Gemeenten wijzen op de decennialange voortdurende emissie van PFOA, die vanaf 1967 tot september 2012 heeft voortgeduurd, en de emissie van GenX-stoffen die nog steeds voortduurt.

3.37

De Gemeenten stellen zich op het standpunt dat in geval van een voortdurende emissie het moment dat de emissie is beëindigd moet worden aangemerkt als de schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van de wet. De Gemeenten wijzen in dat kader op het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 inzake de Parkeergarage Zandvoort (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412). In dat arrest was, net als in het onderhavige geval, sprake van een voortdurende gebeurtenis waardoor de schadeveroorzakende gebeurtenis niet tot één moment kan worden herleid. Hierdoor bestond onzekerheid over het aanvangsmoment van de twintigjarige verjaringstermijn. Gezien het belang van rechtszekerheid heeft de Hoge Raad overwogen dat het einde van een voortdurende gebeurtenis moet worden aangemerkt als tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond en derhalve de verjaringstermijn van – in dit geval – 30 jaar gaat lopen (art. 3:310 lid 2 BW).

Zie HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412, r.o. 3.5.1-3.5.2.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

76/132

3.38

De Gemeenten stellen zich op het standpunt dat de onderhavige situatie grote gelijkenissen vertoont met het arrest van 22 maart 2019. Naar de opvatting van de Gemeenten dient dezelfde methode daarom in het kader van het overgangsrecht bij artikel 6:175 BW toegepast te worden, nu dit artikel niet in een regeling voorziet voor de omgang met de situatie waarin geen eenduidig moment kan worden aangewezen waarop de gebeurtenis plaatsvindt.

3.39

Voor zover hieraan wordt voorbijgegaan merken de Gemeenten op dat een stringentere regeling ertoe kan leiden dat het enkele feit dat een tot verontreiniging leidende emissie voor 1995 is aangevangen, ertoe zou kunnen leiden dat de schuldenaar ook na 1995 aan de werking van art. 6:175 BW ontkomt. Dit leidt tot de situatie waarin, zolang de emitterende partij onafgebroken blijft emitteren, zonder einddatum aan de werking van art. 6:175 BW kan worden ontkomen. Dit is evident in strijd met de redelijkheid en billijkheid, het doel en strekking van de wet en met het ‘vervuiler betaalt’-beginsel.

3.40

Indien en voor zover voorbij zou worden gegaan aan hiervoor opgemerkte, stellen de Gemeenten zich op het standpunt dat ter zake van de aan het handelen van Chemours/Du Pont toe te rekenen verontreiniging en daarmee samenhangende schade, de pro rata temporis-methode moet worden gehanteerd.

3.41

Deze methode brengt met zich dat Chemours/Du Pont ingevolge art. 6:175 BW slechts naar rato aansprakelijk zijn voor de door Chemours/Du Pont veroorzaakte schade en wel voor zover deze verontreiniging na de inwerkingtreding van art. 6:175 BW is veroorzaakt. Zonder op de details in te gaan, omdat dit primair relevant is voor een eventuele schadestaatprocedure, merken de Gemeenten op dat hier de ‘pro rata temporis' uitkomst kan bieden.

3.42

Tot slot wijzen de Gemeenten op artikel 6:184 BW waarin wordt bepaald dat onder de schadevergoedingsverplichting op grond van artikel 6:175 BW onder meer vallen: 1) de kosten van redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van schade door wie dan ook genomen, nadat een ernstige en onmiddellijke dreiging is ontstaan dat schade zal worden veroorzaakt die krachtens die artikelen voor vergoeding in aanmerking komt, en; 2) schade en verlies veroorzaakt door zulke maatregelen.

3.43

Het is evident dat tenminste een deel van de door de Gemeenten geleden en nog te lijden schade valt onder de in artikel 6:184 BW aangegeven vormen van schade.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

77/132

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

78/132

J.3 Samenloop artikel 6:175 BW en artikel 6:162 BW 3.44

De Gemeenten merken op dat, voor zover uw rechtbank van oordeel is dat de Gemeenten geen beroep toekomen op artikel 6:175 BW of slechts voor een beperkte periode, de Gemeenten tevens een beroep doen op artikel 6:162 BW. Immers, als artikel 6:175 BW slechts voor een bepaalde periode van toepassing is, kan voor de periode waarop artikel 6:175 BW niet van toepassing zou zijn, een beroep worden gedaan op artikel 6:162 BW. Overigens is ook los hiervan artikel 6:162 BW een voor de Gemeenten relevante grondslag en baseren de Gemeenten hun vorderingen ook op deze grondslag.

K. Artikel 6:162 BW K.1 Toerekenbaar onrechtmatig handelen jegens Gemeenten 3.45

Chemours/Du Pont hebben de op hen rustende zorgplicht met betrekking tot het gebruik van de gevaarlijke stoffen PFOA en GenX-stoffen geschonden. Naar het oordeel van de Gemeenten is om de navolgende redenen sprake van een onrechtmatig handelen van Chemours/Du Pont jegens de Gemeenten: -

-

-

i) het nalaten de Gemeenten en de omgeving van de Inrichting te informeren over en te waarschuwen voor de risico’s van de emissie van PFOA en GenXstoffen voor mens en milieu; ii) het nalaten de emissie van PFOA en GenX-stoffen aanzienlijk te beperken dan wel te staken, ondanks de bij Chemours/Du Pont aanwezige kennis over de milieu- en gezondheidsrisico’s van de emissie van PFOA en GenX-stoffen; iii) het uitblijven van maatregelen om de door de emissie van PFOA en GenXstoffen veroorzaakte schade, waaronder de verontreiniging van percelen in eigendom bij de Gemeenten, ongedaan te maken door aldaar PFOA-deeltjes en GenX-stofdeeltjes te verwijderen.

De Gemeenten lichten het voorgaande hieronder toe. 3.46

Chemours/Du Pont hebben stoffen uitgestoten, en stoten deze nog steeds uit, die een evident risico opleveren voor diegenen die in de omgeving van de Inrichting woonachtig zijn, de inwoners van de Gemeenten. Chemours/Du Pont hebben derden derhalve blootgesteld aan gevaarlijke stoffen – en doen dat nog steeds –, ook in de periode dat Chemours/Du Pont op de hoogte waren of hadden behoren te zijn van de risico’s die deze stoffen opleveren voor mens en milieu. Doordat Chemours/Du Pont hebben nagelaten zich de belangen van omwonenden aan te trekken, heeft een verontreiniging van de omgeving van de Inrichting – bedoeld zijn hier de Gemeenten toebehorende percelen – kunnen ontstaan. Indien Chemours/Du Pont acht hadden geslagen op de op hen vanwege de gezondheidsrisico’s van de uitstoot van gevaarlijke stoffen rustende verhoogde zorgvuldigheidsnorm jegens omwonenden, waren de omwonenden niet op deze wijze blootgesteld aan deze stoffen en

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

79/132

hadden deze percelen niet verontreinigd geraakt, althans in veel mindere mate dan nu het geval is.56 Door dit na te laten is in strijd gehandeld met de zorgplicht, waarbij de Gemeenten opmerken dat juist vanwege de uitstoot van gevaarlijke stoffen er een verhoogde zorgplicht geldt.

Zie nader randnummers 3.9090 e.v.

3.47

Ook is nagelaten de omwonenden en de Gemeenten te waarschuwen tegen de gevolgen van de uitstoot van PFOA en GenX-stoffen, waardoor de Gemeenten niet de mogelijkheid hebben gehad maatregelen te nemen ter bescherming van de eigen bevolking en van de eigendommen van de Gemeenten. Dit terwijl een waarschuwing wordt beschouwd als een voor de hand liggende en weinig kostbare maatregel, en ook niet bezwarend is.57 Zeker gezien de kennis die al lang bij Chemours/Du Pont aanwezig was ter zake van de risico’s van PFOA – en later GenX-stoffen – is het niet waarschuwen naar het oordeel van de Gemeenten ernstig verwijtbaar.

Ten overvloede merken de Gemeenten nog op dat indien en voor zover Chemours/Du Pont zouden willen betogen dat de milieu- en gezondheidsrisico’s waarvan hiervoor melding is gemaakt nog onvoldoende bewezen waren, dit Chemours/Du Pont niet vrijwaart van de bedoelde waarschuwingsplicht. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat géén absolute of verregaande mate van zekerheid over het bestaan van een risico noodzakelijk is. Indien er op grond van de bestaande kennis en inzichten vermoedens zijn dat er een verband bestaat tussen een blootstelling en het mogelijke intreden van negatieve gezondheidseffecten, kan een verplichting tot handelen bestaan.58 Bovendien was vanaf ongeveer 1981 evident dat PFOA risico’s oplevert en vanaf 2011 geldt voor GenX-stoffen hetzelfde.

3.48

De uitstoot van deze stoffen heeft overigens niet alleen geleid tot een verontreiniging van aan de Gemeenten toebehorende percelen, waarmee inbreuk is gemaakt op de Gemeenten toebehorende eigendomsrechten, hetgeen onrechtmatig is. Ook is onzorgvuldig gehandeld

56

HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782. Zie hierover E. de Kezel, ‘Asbest, gezondheid en veiligheid. Ontwikkelingen in het aansprakelijkheidsrecht’, Antwerpen: Intersentia 2013, p. 311-313. Zie voorts Gerechtshof Arnhem 27 februari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:AZ9763, Gerechtshof Arnhem 5 juni 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA6364; Gerechtshof Arnhem 9 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5350 (Klein Teeselink/Eternit) en Hof Arnhem 20 december 2011, ECLI:NL:GHARN:2007:BA6364 (Rietman/Eternit), Rb. Almelo 2 oktober 2007, ECLI:NL:RBALM:2007:BB4632, LJN BB4632 (Freriksen-Kolkman/Eternit).

57

HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782, r.o. 3.3 en Gerechtshof Arnhem 9 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5350 (Klein Teeselink/Eternit).

58

Zie bijv. de conclusie van A-G Verkade bij HR 25 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT8782, NJ 2009/103 (Eternit/Horsting), sub 5.44. Zie verder bijv. Gerechtshof Arnhem 11 mei 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM5180, r.o. 4.16. Zie hierover K.J.O. Jansen, ‘Informatieplichten: over kennis en verantwoordelijkheid in contractenrecht en buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht’, Deventer: Wolter Kluwer 2020, p. 378-381.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

80/132

omdat ondanks de kennis van Chemours/Du Pont ter zake van de milieu- en gezondheidsrisico’s die verbonden zijn aan het gebruik van PFOA en GenX-stoffen59, is nagelaten emissies te staken dan wel aanzienlijk te beperken. Chemours/Du Pont waren sinds 1981 via de Amerikaanse moedermaatschappij op de hoogte geraakt van de risico’s van PFOA, en in 2011 van GenX-stoffen. Dit heeft echter niet geleid tot het staken van emissies of het aanzienlijk beperken ervan. 3.49

Verder is door Chemours/Du Pont nagelaten om overeenkomstig de ‘omgevallen-bomenjurisprudentie’ en het ‘afvalstoffenrecht’ maatregelen te nemen gericht op de verwijdering van de PFOA-deeltjes en GenX-deeltjes die Chemours/Du Pont hebben uitgestoten en zich derhalve van hebben ontdaan, en die terecht zijn gekomen binnen de Gemeenten, onder meer ter plaatse van de hen in eigendom toebehorende percelen.

3.50

De gemeenten verwijzen ter zake van het voorgaande allereerst op de uitspraak van de Hoge Raad van 7 mei 1982, ECLI:NL:PHR:1982:AG4377, NJ 1983/478 m.nt. Brunner, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat een eigenaar van een omgevallen boom onrechtmatig handelt door na te laten deze boom onverwijld te verwijderen, en voorts dat voor deze gehoudenheid het niet noodzakelijk is dat de aanwezigheid van de boom in de tuin van de buren aan een gedraging van de eigenaar van de boom kan worden toegeschreven: “De zorgvuldigheid die Trechsel [de eigenaar van de boom] in het maatschappelijk verkeer jegens de goederen van Lameris [de buurman] in acht behoorde te nemen, bracht immers mee dat hij terstond, nadat hij van de situatie op de hoogte was, maatregelen behoorde te nemen om aan deze situatie die een inbreuk op de eigendom van Lameris insloot, een einde te maken door de hem toebehorende boom te verwijderen.” (rov. 3.2) “[..] voor een gehoudenheid tot verwijdering van de boom [..], niet nodig is dat de aanwezigheid van de boom in de tuin van Lameris 'aan een gedraging van Trechsel kan worden toegeschreven. (rov. 3.3)

Zie in vergelijkbare zin: -

59

HR 4 november 1988, NJ 1989/854, m.nt Brunner; HR 8 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8170, AB 2004/53 m.nt. G.A. van der Veen (gifcontainer Danah); Rb. Gelderland 15 februari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:647.

Zie in deze zin hetgeen achter randnummer 3.65 e.v. van deze dagvaarding is opgemerkt.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

81/132

3.51

Vervolgens wijzen de Gemeenten op de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG (zoals gewijzigd)) en bijbehorende jurisprudentie. Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De richtlijn kent een regeling voor de wijze van omgaan met afvalstoffen waarbij onder ‘afvalstof’ wordt verstaan “elke stof of voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens zich te ontdoen of moet ontdoen” (art. 3 Richtlijn 2008/98/EG en art. 1.1 lid 1 Wet milieubeheer). Het is vaste rechtspraak dat het toepassingsgebied van het begrip ‘afvalstof’ voornamelijk afhangt van het gedrag van de houder en de betekenis van de uitdrukking ‘zich ontdoen van’ en dat deze uitdrukking - en daarmee het afvalstoffenbegrip – om het milieu en de volksgezondheid te beschermen, niet restrictief mag worden uitgelegd.60 Het verdient bijzondere aandacht dat de stof in kwestie voor de houder geen nut heeft of meer heeft, zodat de stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen. Als dit het geval is, bestaat er een risico dat de houder zich van de stof in zijn bezit ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bijvoorbeeld door de stof onbeheerd achter te laten of ongecontroleerd te lozen of te verwijderen. Dergelijke stoffen vallen onder het begrip afvalstof in de zin van richtlijn 2008/98/EG.61

3.52

De richtlijn is blijkens het in artikel 2 bepaalde niet van toepassing op “gasvormige effluenten die in de atmosfeer worden uitgestoten”. Deze uitzondering is overgenomen in artikel 10.1a Wet milieubeheer. Daarmee is echter niet gezegd dat gasvormig effluenten geen afvalstof zijn en voorts - en dat is van groter belang voor de onderhavige procedure - dat de PFOAdeeltjes en GenX-deeltjes die met de uitstoot van gassen worden geëmitteerd naar de omgeving geen afvalstof zijn. Naar het oordeel van de Gemeenten zijn de PFOA-deeltjes en GenX-deeltjes die in de Gemeenten terecht zijn gekomen wel aan te merken als afvalstof. Immers, dit zijn stoffen die voor Chemours/Du Pont geen nut meer hadden en Chemours/Du Pont hebben zich hiervan dan ook ontdaan of moeten ontdoen, met als resultaat de aantasting van het milieu; in dit geval percelen grond in eigendom bij de Gemeenten. De Gemeenten wijzen er in dit kader op dat uitgangspunt van de richtlijn is dat een stof een afvalstof is tenzij expliciet daarvan uitgesloten.62 Daarvan is sprake in de situaties als bedoeld in artikel 5 (bijproducten) en artikel 6 (einde-afvalfase). Beide situaties zijn echter duidelijk niet van toepassing op de PFOA-deeltjes en GenX-deeltjes die met de uitstoot van gassen naar de omgeving zijn geëmitteerd.

3.53

Ter zake van deze afvalstoffen bepaalt artikel 10.1 lid 1 Wet milieubeheer dat degene “die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, [..] verplicht [is] alle maatregelen te nemen [..] die redelijkerwijs van hem kunnen worden

60

Zie bijvoorbeeld HvJ 15 juni 2000, C-418/97 en C-419/97, ECLI:EU:C:2000:318 (ARCO Chemie Nederland e.a); HvJ 24 juni 2008, C188/07, ECLI:EU:C:2008:359 (Commune de Mesquer); HvJ 12 december 2013, C-241/12 en C-42/12, ECLI:EU:C:2013:821 (Shell Nederland). Zie voorts ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:192, AB 2016/336 m.nt. J. Tieman. Vgl. ook para (6) van de considerans van Richtlijn 2008/98/EG.

61

Idem.

62

A.M.C.C. Tubbing, Op weg van afvalstoffenbeheer naar materiaalketenbeheer? Implementatie van de nieuwe Kaderrichtlijn Afvalstoffen in de Wet milieubeheer, Milieu & Recht 2011, afl. 2, p. 27-49.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

82/132

gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.” Volgens artikel 10.1a lid 1 is de zorgplicht van artikel 10.1 Wm eveneens van toepassing op ‘gasvormige effluenten’. De reden hiervoor is dat “vanuit milieuoogpunt [het] ongunstig zou zijn dat de genoemde bepalingen en titel niet van toepassing zijn op de in artikel 10.1a, eerste lid, genoemde afvalstoffen”.63

3.54

Aldus zijn de PFOA-deeltjes en GenX-deeltjes die met de uitstoot van de gassen zijn geëmitteerd naar de omgeving afvalstoffen en geldt met betrekking tot de geëmitteerde deeltjes de zorgplicht uit artikel 10.1 lid 1 Wet milieubeheer. Chemours/Du Pont hebben geen gehoor gegeven aan deze verplichting, ondanks het verzoek hiertoe van de Gemeenten.

3.55

Naar het oordeel van de Gemeenten brengt de weigering van Chemours/Du Pont om de percelen grond die in eigendom zijn bij de Gemeenten te saneren – en derhalve de PFOAdeeltjes en GenX-stofdeeltjes die ter plaatse ten gevolge van de gedragingen van in ieder geval Chemours/Du Pont terecht zijn gekomen te verwijderen -, met zich dat onrechtmatig is en wordt gehandeld jegens de Gemeenten. Er wordt in strijd gehandeld met de omgevallenbomen-jurisprudentie, het afvalstoffenrecht, er is sprake van een schending van zorgplichten en van een aantasting van eigendommen.

3.56

Zoals zal worden betoogd achter randnummer 3.96-3.112 van deze dagvaarding hebben de Gemeenten door het onrechtmatig handelen van Chemours/Du Pont schade geleden. Deze schade dient voor rekening te komen van degene door wiens activiteiten de schade is ontstaan, waarbij tevens van belang is dat diegene ook economisch profijt heeft en heeft gehad van de vervuilende activiteit, hier Chemours/Du Pont. De Gemeenten wijzen in dit kader op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 juli 2019: “Wat betreft de aansprakelijkheden voor gevaarlijke stoffen en mijnbouwwerken komt daar nog bij dat het bij deze aansprakelijkheden gaat om gevaren die zich hierdoor kenmerken dat zij zich weliswaar zelden verwezenlijken, maar dat, indien dat gebeurt, de mogelijkheid bestaat van zeer omvangrijke schade. In dergelijke gevallen is het te meer onaanvaardbaar dat de gevolgen daarvan niet zouden behoeven te worden gedragen door de onderneming waarvan de activiteiten tot schade hebben geleid en die van deze activiteiten profijt heeft gehad.” Zie HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.4.3.

3.57

In bovenstaande passage wordt verwezen naar de risicoaansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (artikel 6:175 BW). Naar de opvatting van de Gemeenten dient het profijtbeginsel ook 63 Kamerstukken II 2013/14, 33919, nr. 3, p. 6.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

83/132

bij de beoordeling van de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW te worden betrokken. Ook ten aanzien van aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:162 BW geldt immers dat de emissie van PFOA en GenX-stoffen aan Chemours/Du Pont economisch profijt oplevert en heeft opgeleverd. Bovendien moet betekenis worden toegekend aan de samenhang tussen de artikelen 6:162 en 6:175 BW, waarbij een beroep op artikel 6:162 BW kan functioneren als vangnet voor zover – naar het oordeel van de Gemeenten ten onrechte – artikel 6:175 BW op grond van het overgangsrecht (gedeeltelijk) buiten toepassing zou worden gelaten.

K.2 Vergunning vrijwaart niet van aansprakelijkheid 3.58

Indien en voor zover noodzakelijk merken de Gemeenten op dat het uitgangspunt in het Nederlands burgerlijk recht is dat een vergunning niet vrijwaart van aansprakelijkheid.

Zie in deze zin o.a.: - HR 10 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC1311 (Vermeulen/Lekkerkerker); - Rb. Midden-Nederland 22 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5339; - Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3392.

3.59

Het feit dat Chemours/Du Pont beschikten – en tot op zekere hoogte beschikken – over vergunningen op basis waarvan Chemours/Du Pont PFOA en GenX-stoffen hebben kunnen emitteren, heeft derhalve niet als gevolg dat Chemours/Du Pont van iedere aansprakelijkheid zijn gevrijwaard. Een vergunninghouder mag er uiteraard in het algemeen op vertrouwen dat een vergunning overeenkomstig de wet is verleend en de relevante belangen bij de beoordeling van de vraag of een vergunningaanvraag kan worden gehonoreerd juist zijn afgewogen. Uit de jurisprudentie volgt echter ook dat de vraag of een verstrekte vergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad afhangt van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de vergunning die is verleend en het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust. Zie o.a. HR 10 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC1311.

3.60

Verder is uiteraard van belang welke informatie de aanvrager heeft verstrekt bij het indienen van de vergunningaanvraag. Met andere woorden, wist het bevoegd gezag destijds wel dat een vergunning werd verleend voor de emissie van stoffen die een risico opleveren voor mens en milieu en inmiddels worden aangemerkt als (potentieel) Zeer Zorgwekkend? Zoals achter randnummers 3.63-3.95 van deze dagvaarding wordt uiteengezet, waren Chemours/Du Pont al vroeg bekend met de risico’s van PFOA en GenX-stoffen, althans

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

84/132

Chemours/Du

Pont

behoorden

met

deze

informatie

bekend

te

zijn.

3.61

Desondanks hebben Chemours/Du Pont lange tijd niet, en later onvoldoende, gewezen op deze risico’s bij het aanvragen van vergunningen ten einde PFOA en GenX-stoffen te mogen emitteren naar het milieu (zie randnummers 2.25-2.33). Op Chemours/Du Pont rust een bijzondere zorgplicht, hetgeen voortkomt uit de expertise die nodig is bij het toepassen van gevaarlijke stoffen. Chemours/Du Pont waren naar hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, gehouden bij het aanvragen van de vergunningen voor de emissie van PFOA en GenX-stoffen te wijzen op de (potentiële) risico’s van deze stoffen. Chemours/Du Pont hebben echter nagelaten op deze risico’s te wijzen, terwijl de risico’s bij Chemours/Du Pont bekend waren of behoorden te zijn. Desondanks hebben Chemours/Du Pont lange tijd niet, en later onvoldoende, gewezen op deze risico’s bij het aanvragen van de vergunningen. Chemours/Du Pont hebben daarmee hun bijzondere zorgplicht geschonden.

3.62

Uit het voorgaande volgt dat de aan Chemours/Du Pont verleende vergunningen geenszins vrijwaren van aansprakelijkheid. Daar merken de Gemeenten nog bij op dat omdat zij voor lange tijd niet op de hoogte waren van de emissie van PFOA en GenX-stoffen en daaraan verbonden risico’s, de Gemeenten ook geen gebruik hebben kunnen maken van de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen besluiten tot verlening van vergunningen. K.3 Kennis Chemours/Du Pont gevaar PFOA en GenX-stoffen voor mens en milieu

3.63

Achter randnummers 2.15 e.v. van deze dagvaarding hebben de Gemeenten reeds geïllustreerd dat de onderhavige procedure niet op zichzelf staat. In de Verenigde Staten zijn meer dan 3.500 zaken aanhangig gemaakt tegen DuPont VS en Chemours VS en deze hebben geresulteerd in een schikking van meer dan $ 600 miljoen. Daarnaast is in 2005 door de EPA een boete opgelegd vanwege het onvoldoende informeren van de EPA en de omgeving over de risico’s verbonden aan PFOA.

3.64

In het navolgende wordt ingegaan op de kennis die bij Chemours/Du Pont – in Dordrecht – aanwezig was of had behoren te zijn ter zake van de (potentiële) gevaren van PFOA en GenX-stoffen voor mens en milieu. De Gemeenten zetten dit hierna voor zowel PFOA als GenX-stoffen uiteen.

 3.65

PFOA

Zoals eerder opgemerkt maakte Chemours/Du Pont vanaf 1967 tot en met september 2012 gebruik van PFOA als dispergeermiddel bij de productie van onder meer Teflon. De Amerikaanse moedermaatschappij - DuPont VS - maakte al vanaf 1951 gebruik van PFOA.64

64

Zie de ‘Consent Agreement and Proposed Final Order to Resolve DuPont’s Alleged Failure to Submit Substantial Risk Information Under the Toxic Substances Control Act (TSCA) and Failure to Submit Data Requested Under the Resource Conservation and Recovery Act (RCRA)’ van de United States Environmental Protection Agency van 14 december 2005, p. 2.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

85/132

3.66

De Gemeenten sommen hierna puntsgewijs en in chronologische volgorde op welke kennis en vanaf welk moment bij Chemours/Du Pont – in Dordrecht – aanwezig was dan wel had kunnen of behoren te zijn. Daarbij wordt verwezen naar een aantal primaire bronnen, waaronder faxberichten of brieven. Hieruit volgt niet alleen dat er contacten zijn geweest tussen DuPont VS en Chemours/Du Pont over de risico’s die PFOA oplevert voor in ieder geval de gezondheid van mensen, maar ook dat Chemours/Du Pont hiervan op de hoogte was:

-

Zo zijn er op 28 januari en 12 februari 1981 voordrachten gehouden bij Chemours/Du Pont in Dordrecht waarbij medewerkers zijn geïnformeerd over onder andere de risico’s van PFOA. Deze voordrachten zijn in een document van 17 februari 1981 vastgelegd (productie G.55). Hieruit blijkt dat Chemours/Du Pont in Dordrecht op de hoogte was van de ontwikkelingen in de Verenigde Staten ten aanzien van de risico’s van PFOA. Aan de medewerkers in Dordrecht is het volgende medegedeeld:

[..]

-

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

In zowel het document gedateerd 3 april 1981, met bijgevoegd een mededeling – met vragenlijst – bedoeld voor het personeel en gedateerd 2 april 1981, (productie G.56) wordt deze link met DuPont VS bevestigd. Zo wordt in het eerstgenoemde document gesproken over “onze zusterfabriek in de U.S.A.” en wordt aangegeven dat de vragenlijst die is bijgevoegd “dan ook een vertaling [is] van de lijst gebruikt in de U.S.A.” Meer inhoudelijk wordt in de mededeling opgemerkt dat deze gaat over de risico’s van PFOA en verder dat het personeel in Dordrecht hierover vanaf 3 april 1981, 13:00 uur, moet worden geïnformeerd.

86/132

Verder bevestigt de mededeling dat Chemours/Du Pont reeds in 1978 kennis had van de bij DuPont VS aanwezige kennis over de risico’s van PFOA:

[…]

-

Ook een brief van 25 maart 1981 (productie G.57) bevestigt dat er contacten zijn tussen DuPont VS en Chemours/Du Pont en dat data over de risico’s van PFOA worden uitgewisseld:

[..]

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

87/132

-

Uit de brief gedateerd 30 juli 1981, met plaats van verzending Dordrecht en opschrift ‘Personal & Confidential’, volgt wederom dat er contact is geweest met DuPont VS over het gebruik van PFOA en daaraan gerelateerde gezondheidsrisico’s (productie G.58), waarbij nog relevant is te melden dat wordt verwezen naar het Nederlandse onderzoeksinstituut TNO. Zie o.a.:

[..]

-

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

In de ‘Final Communication Package’ van DuPont VS, gedateerd 6 april 1981 (productie G.59) en gericht aan onder meer Chemours/Du Pont in Dordrecht, blijkt uit de vermelding W.C. Evans uit Dordrecht op de lijst van geadresseerden – nogmaals – dat sprake is van regelmatige contacten tussen de DuPont VS en Chemours/Du Pont. In het document wordt, voor zover hier relevant, het navolgende opgemerkt, waaruit blijkt dat Chemours/Du Pont is geïnformeerd over de risico’s die zijn verbonden aan het gebruik van PFOA:

88/132

[..]

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

89/132

[..]

-

Ook uit de brief van DuPont VS aan Dr. A. Binnerts van Chemours/Du Pont in Dordrecht, gedateerd 16 juli 1981, inzake de analyseresultaten van bloedmonsters die zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van PFOA, volgt dat er een regelmatige uitwisseling is van data over de aan het gebruik van PFOA verbonden risico’s (productie G.60).

-

In de daaropvolgende jaren blijven DuPont VS en Chemours/Du Pont informatie uitwisselen over de gevaren van PFOA. Uit informatie die voor werknemers van Chemours/Du Pont in Dordrecht was bestemd, daterend van 17 november 1993, volgt dat DuPont VS haar dochtermaatschappij onverminderd op de hoogte houdt van de ontwikkelingen in kennis over de risico’s van PFOA (productie G.61):

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

90/132

-

3.67

Het extensieve contact tussen Chemours/Du Pont in Dordrecht en DuPont VS blijkt bovendien uit de vergunningaanvraag van 20 juni 1994 (productie G.20) waarin – onder andere – wordt gewezen op een project van DuPont VS om PFOA af te vangen en terug te winnen:

Voor zover in het navolgende wordt verwezen naar secundaire bronnen, benadrukken de Gemeenten dat deze bronnen allemaal nagenoeg dezelfde feiten benoemen en gebaseerd zijn op (interne) documenten die ofwel door Chemours/Du Pont ter zake zijn aangeleverd, ofwel afkomstig zijn uit de rechtszaken die zich in de Verenigde Staten tegen DuPont VS hebben afgespeeld.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

91/132

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

92/132

3.68

De Gemeenten halen uit deze - openbare - bronnen de volgende feiten:

In 1954 wijst een werknemer van DuPont VS op de mogelijke gevaren van PFOA.65

In 1956 wijst onderzoek van Stanford University uit dat PFAS zich bindt aan eiwitten in menselijk bloed (productie G.62).

In 1961 komen interne onderzoekers van DuPont VS tot de conclusie dat PFOA de lever van ratten en konijnen vergroot, giftig is en derhalve met zorg moeten worden toegepast. Het hoofd van de toxicologische afdeling van DuPont VS heeft in deze conclusie aangegeven dat “it is recommended that all of these materials (…) be handled with extreme care” (productie G.63).66

In 1962 voert DuPont VS rattenproeven uit, waaruit een verband naar voren komt tussen PFOA-blootstelling en de vergroting van de testikels, bijnieren en nieren van ratten.67

In 1965 ontvangen veertien werknemers van DuPont VS een memo waarin staat dat uit voorlopige onderzoeken blijkt dat zelfs een kleine dosis van een stof, vergelijkbaar met PFOA, de grootte van de lever van ratten kan vergroten.68

In 1969 raakte DuPont VS bekend met de verhoogde toxiciteit van PFOA bij inademing ten opzichte van de orale toxiciteit van dezelfde stof (productie G.65, p. 2), hetgeen later in 1970 (productie G.66) en 1975 (productie G.67) werd bevestigd.

In 1978 licht DuPont VS zijn werknemers in dat uit een studie van 3M – de Amerikaanse producent van PFOA – blijkt dat PFOA zich in het bloed ophoopt. Naar aanleiding hiervan onderzoekt DuPont VS de medische dossiers van zijn werknemers. Ook wordt het gehalte PFOA in het bloed van de werknemers van DuPont VS gemeten. Hieruit blijkt dat de werknemers in de vestiging te Deepwater een verhoogd gehalte endocrine disorders hebben. Daarnaast hebben de werknemers van DuPont VS vaker abnormale liver function tests na blootstelling aan

65

Zie https://theintercept.com/2015/08/11/dupont-chemistry-deception/; https://www.typeinvestigations.org/investigation/2015/08/18/case-dupont/; https://www.ecowatch.com/teflons-toxic-legacy-dupontknew-for-decades-it-was-contaminating-wate-1882142514.html.

66

Zie R. Shapira en L. Zingales, ‘Is pollution Value-Maximizing? The DuPont Case’, p. 8. Dit rapport is toegevoegd als productie G.64. Zie ook https://theintercept.com/2015/08/11/dupont-chemistry-deception/.

67

Zie https://theintercept.com/2015/08/11/dupont-chemistry-deception/. Zie ook https://www.nytimes.com/2016/01/10/magazine/thelawyer-who-became-duponts-worst-nightmare.html?hp&action=click&pgtype=Homepage&clickSource=storyheading&module=photo-spot-region&region=top-news&WT.nav=top-news.

68

Zie https://theintercept.com/2015/08/11/dupont-chemistry-deception/.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

93/132

PFOA.69 In een intern schrijven wordt ook de Nederlandse vestiging genoemd. Gesteld wordt dat PFOA in Dordrecht in kleine hoeveelheden wordt gebruikt, dat er procedures zijn om blootstelling door inademing te voorkomen en hierin geen wijzigingen hoeven te worden aangebracht (productie G.68, p. 12). Dit roept vragen op bij het Nederlandse personeel, waarbij de wens ontstaat om bij een onafhankelijke instelling informatie in te winnen over PFOA. Het rapport ‘PFOA en DMAC in de productie van Teflon en Lycra bij Dupont’ citeert in dit kader uit door Chemours/Du Pont aangeleverde stukken het volgende: “Het management van de Nederlandse vestiging antwoordt dat DuPont ‘vanuit de eigen veiligheidsfilosofie’ “in veel gevallen eerder op de hoogte is van bepaalde problemen dan andere onafhankelijke instellingen.” Bovendien zijn er geen bekendmakingen van onafhankelijke instellingen over PFOA.”70

In 1979 concludeert DuPont VS dat aanwijzingen bestaan dat PFOA tot een verhoogde leverfunctionaliteit bij mensen leidt (productie G.69).

Uit een verslag van DuPont VS ‘C-8 Communications Meeting’ van 31 juli 1980 (productie G.65) blijkt dat binnen DuPont VS bekend is dat PFOA giftig is. Vooralsnog wordt door het bedrijf tot de conclusie gekomen dat PFOA op een veilige manier kan worden gebruikt, waarvoor in de vergadering maatregelen worden besproken. Reeds in 1980 bleek DuPont VS bekend met de bio-accumulatieve eigenschappen van PFOA.

In de vergadering wordt voorts een vergelijking gemaakt met tetrachloormethaan en chloroform. Beide stoffen hadden lange tijd een nuttige toepassing, maar bleken later schadelijk te zijn. Vergelijkbare verhalen zouden ook bij andere chemicaliën opgaan. DuPont VS stelde echter dat: “The difference between the ending of the C-8 story and the others is that Du Pont is reacting while C-8 levels in the blood are low and before any damage is done in the body.”71

Vanaf 1980 voeren Chemours/Du Pont luchtmetingen in Dordrecht uit om de concentraties PFOA vast te stellen. Uit de luchtmetingen trekken Chemours/Du Pont

69

Zie https://theintercept.com/2015/08/11/dupont-chemistry-deception/, https://www.triplepundit.com/story/2016/case-duponts-pollutionand-importance-csr/29241

70

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ‘PFOA en DMAC in de productie van Teflon en Lycra bij Dupont’ (productie G.68), p. 13.

71

Productie G.65, p. 6.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

94/132

de conclusie dat de eerste voorlopige indicatie is dat er nauwelijks overdracht van PFOA aan de omgeving plaatsvindt (productie G.68, p. 14). 

In 1981 stelt 3M DuPont VS op de hoogte van een proef waaruit blijkt dat bij ratten die een dosis PFOA binnenkrijgen birth defects optreden. Ook de vestiging in Dordrecht wordt op de hoogte gesteld van deze resultaten. Uit voorzorg heeft DuPont VS, op basis van de resultaten van 3M, alle vrouwelijke werknemers die mogelijk worden blootgesteld aan PFOA overgeplaatst naar andere afdelingen (productie G.70 en G.71).72 Voorts start Chemours een bloedonderzoek in Dordrecht (productie G.72, p. 2).

Naar aanleiding van voornoemde rattenproef onderzoekt DuPont VS vanaf 1981 vrouwelijke werknemers die zijn blootgesteld aan PFOA en zwanger zijn of zijn geweest. In het bloed in de navelstreng wordt PFOA gedetecteerd, hetgeen erop duidt dat de stof door de placenta heen kan reizen (productie G.64, p. 8-9).73 Twee van de zeven gemonitorde baby’s blijken aangeboren afwijkingen te hebben (productie G.64, p. 9).74 In Dordrecht zijn er in deze periode geen vrouwelijke werknemers blootgesteld aan PFOA (productie G.73, p.2).75

In 1982 herroept Chemours/Du Pont, in een mededeling aan haar werknemers, de conclusies uit de 3M studie die geboorteafwijkingen bij dieren had geconstateerd. Er zou een verkeerd toegepaste techniek gebezigd zijn (productie G.68, p.17).

In de periode 1981 tot en met 1984 worden bij werknemers van Chemours/Du Pont bloedmonsters afgenomen om te kijken of blootstelling aan PFOA heeft geleid tot een verhoogd gehalte van organische fluorides in het bloed (productie G.68, p. 18-19).

In 1984 onderzoekt DuPont VS hoe wijdverspreid het PFOA-gehalte in het water in de omgeving nabij de fabriek in Parkersburg is. Sommige samples blijken een verhoogd gehalte PFOA te bevatten. Uit de onderzoeken volgt dat PFOA niet alleen

72

Zie ook R. Shapira en L. Zingales, ‘Is pollution Value-Maximizing? The DuPont Case’ (productie G.64), p. 8.

73

Zie ook: https://theintercept.com/2015/08/11/dupont-chemistry-deception/ en https://www.nytimes.com/2016/01/10/magazine/thelawyer-who-became-duponts-worst-nightmare.html. Zie ook: de ‘Consent Agreement and Proposed Final Order to Resolve DuPont’s Alleged Failure to Submit Substantial Risk Information Under the Toxic Substances Control Act (TSCA) and Failure to Submit Data Requested Under the Resource Conservation and Recovery Act (RCRA)’ van de United States Environmental Protection Agency van 14 december 2005, p. 43 (productie G.16).

74

Zie R. Shapira en L. Zingales, ‘Is pollution Value-Maximizing? The DuPont Case (productie G.64)’, p. 8-9. Zie ook https://theintercept.com/2015/08/11/dupont-chemistry-deception/ en https://www.nytimes.com/2016/01/10/magazine/the-lawyer-whobecame-duponts-worst-nightmare.html.]

75

Zie ook: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ‘PFOA en DMAC in de productie van Teflon en Lycra bij Dupont’ (productie G.68), p. 20.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

95/132

via het water, maar ook via de lucht in de publieke watervoorzieningen terecht is gekomen, de (productie G.64, p. 9).76 

Op 5 mei 1984 bespreekt DuPont VS in een vergadering of de PFOA-emissie verminderd of zelfs gestopt zou moeten worden (productie G.74). Hiertoe wordt niet besloten. Een reden hiervoor is dat het verminderen of stoppen van de emissie niet “economically attractive” is:

In 1988 licht de bedrijfsleiding van Chemours/Du Pont het personeel in over een tweejarig onderzoek op proefdieren van 3M. Hieruit blijkt dat PFOA geringe leverschade oplevert bij de proefdieren en zorgt voor goedaardige zwellingen in de teelballen. De blootstelling van PFOA in de omgevingslucht blijkt geen gevolgen voor de gezondheid te hebben. Ook worden er geen afwijkingen gevonden in embryo’s (productie G.75).77

In 1993 ontvangt Chemours/Du Pont informatie over de resultaten van een onderzoek van 3M naar sterfte bij werknemers die ten minste zes maanden werkzaam zijn geweest in de productie van PFOA. Uit het onderzoek blijkt dat er bij werknemers die meer dan negen jaar werkzaam zijn in de productie van PFOA een geringe, maar statistisch significante toename van overlijden is als gevolg van prostaatkanker. Het is volgens de onderzoekers mogelijk dat dit het gevolg is van andere factoren dan PFOA-blootstelling. (productie G.68, p. 24).

In 1993 en 1994 worden samples grondwater en drinkwater afgenomen nabij Chemours/Du Pont. Het PFOA-gehalte verschilt per sample (productie G.76).

76

Zie ook R. Shapira en L. Zingales, ‘Is pollution Value-Maximizing? The DuPont Case’ (productie G.64), p. 9. Ook latere rapporten bevestigen dat PFOA door emissies in de lucht elders verontreiniging kunnen veroorzaken. Zie in deze zin: Groundwater Investigation Steering Team, Ammonium perfluorooctanoate (C-8), Consent Order No. GW-2001-019, augustus 2003, p. 1 (productie G.77).

77

Zie ook: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ‘PFOA en DMAC in de productie van Teflon en Lycra bij Dupont’ (productie G.68), p. 17.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

96/132

In een intern verslag uit 1994 is een discussiepunt of ook samples genomen moeten worden van de offsite stortplaatsen. Een overweging hierbij is: “If we would start a program to measure C-8 [een benaming voor PFOA, adv.] in groundwater there, we will have to bear the (financial) consequences if any C-8 would be found. The consequences of NOT doing anything are hard to predict. There seems to be no direct hazard for the drinking water, which is taken from the deeper aquifers, where no C-8 was detected. But who knows what may happen long term?” (productie G.78, p.2)

In 1994 wordt naar aanleiding van de samples van het grondwater nabij Chemours/Du Pont intern aanbevolen om de bronnen te beheersen en het bestaande PFOA uit het grondwater te verwijderen. Immers, “Groundwater contamination is very hard to control.” (productie G.79)

78

In 1995 uitten onderzoekers van DuPont VS bezorgdheid over de PFOA-gerelateerde lange termijn gezondheidseffecten (productie G.80).

In 2000 beschikken Chemours/Du Pont over bloedresultaten van hun medewerkers die meedoen in een bloedonderzoek naar PFOA. Er worden bij werknemers met dezelfde functie aanzienlijk verschillende PFOA-gehaltes gedetecteerd. Chemours/Du Pont noemen als mogelijke verklaring hiervoor dat het per persoon kan verschillen hoeveel PFOA het bloed opneemt. Chemours/Du Pont concluderen onder andere dat meer aandacht moet worden geschonken aan het voorkomen van huidcontact met de stof (productie G.81, p. 3).

In 2003 worden nieuwe samples grondwater en drinkwater nabij de Inrichting afgenomen. In het algemeen worden er hogere concentraties PFOA gedetecteerd dan in midden jaren ‘90 (productie G.82).

In 2012 stelt het door DuPont VS gefinancierde C8 science panel na een grootschalig bevolkingsonderzoek een waarschijnlijk verband vast tussen blootstelling aan PFOA en hoge cholesterolwaarden, de auto-immuunziekte colitis ulcerosa, hoge bloeddruk tijdens zwangerschap, schildklierziekte, nierkanker en zaadbalkanker.78

Zie Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ‘PFOA en DMAC in de productie van Teflon en Lycra bij Dupont’ (productie G.68), p. 42-43.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

97/132

3.69

In 2012 besluit Chemours/Du Pont te stoppen met het gebruik van PFOA. In oktober 2012 is PFOA geheel uitgefaseerd.79

Uit dit overzicht volgt dat DuPont VS al snel nadat zij in 1951 begon met het gebruiken van PFOA, door het doen van onderzoek de gevaren van de stof voor mens en milieu leerde kennen (en er overigens voor heeft gekozen deze informatie niet te delen met overheden80). Ook volgt uit het voorgaande dat DuPont VS en Chemours/Du Pont onderling veel contact hadden over de verrichte onderzoeken. Uit openbare bronnen blijkt dat zowel DuPont VS als Chemours/Du Pont vroegtijdig bekend waren met de gevaren van PFOA.

GenX

3.70

Zowel Chemours als DuPont VS maken sinds 2013 gebruik van de GenX-technologie. Vanaf 2015 heeft de Amerikaanse vestiging van Chemours VS de GenX-technologie van DuPont VS overgenomen.81

3.71

Het feit dat GenX-stoffen dezelfde positieve kwaliteiten bezitten als PFOA, roept al snel de vraag op in hoeverre deze stoffen ook dezelfde negatieve kwaliteiten bezitten. DuPont VS werd op grond van Section 8(e) van de Toxic Substances Control Act verplicht hiernaar onderzoek te doen. Deze Section bepaalt dat:

"any person who manufactures [including imports], processes, or distributes in commerce a chemical substance or mixture and who obtains information which reasonably supports the conclusion that such substance or mixture presents a substantial risk of injury to health or the environment shall immediately inform the (EPA] Administrator of such information unless such person has actual knowledge that the Administrator has been adequately informed of such information."82

3.72

Op basis van de door DuPont VS aan de Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA VS) overgelegde rapporten heeft de EPA VS in november 2018 een Public Comment 79

Zie Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ‘PFOA en DMAC in de productie van Teflon en Lycra bij Dupont’ (productie G.68), p. 41.

80

Zie in deze zin ook de schikking waarnaar is verwezen achter randnummer 2.18 van deze dagvaarding. Het betreft de schikking die die DuPont VS met EPA is aangegaan vanwege onder meer het nalaten de hier bedoelde informatie te delen met de EPA zodat het niet mogelijk was voor de autoriteiten om maatregelen te nemen. De schikkingsdocument is te raadplegen vie: https://www.epa.gov/sites/production/files/2013-08/documents/eabmemodupontpfoasettlement121405.pdf.

81

Zie https://theintercept.com/2016/03/03/new-teflon-toxin-causes-cancer-in-lab-animals/.

82

Zie de ‘TSCA Section 8€ Reporting Guide’, p. 1, te raadplegen via de volgende link: https://www.epa.gov/sites/production/files/201509/documents/1991guidance.pdf.

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

98/132

Draft rapport gepubliceerd over de toxiciteit van de GenX-stoffen voor mensen (productie G.83). In dit rapport worden verslagen aangehaald die DuPont VS in het kader van de Toxic Substances Control Act aan de EPA VS heeft overgelegd. Uit het Public Comment Draft rapport lichten de Gemeenten de volgende feiten uit:

in 1996 dient DuPont VS GenX-stoffen in hoge doses toe aan ratten. De ratten die een dosis van ten minste 7.500 mg/kg krijgen toegediend sterven binnen drie uur. De ratten met een dosis van 2.250, 3.400 en 5.000 mg/kg blijken lichtelijk vergrootte levers te hebben en vertonen ongemak, drinken in verhoogde mate water, zijn inactiever en lijden in eerste instantie gewichtsverlies. Ook vertonen de alvleesklieren van deze ratten een verminderde activiteit;

in 2010 is in een tweetal door DuPont VS gefinancieerde verslagen geconcludeerd dat de biologische afbreekbaarheid van GenX-stoffen nihill is:

Report for inherent biodegradation of FRD902, 26 maart 2010 (productie G.84, p. 7).

Report for inherent biodegradation of FRD903, 26 maart 2010 (productie G.85, p. 7).

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V.

in 2013 blijkt uit een door DuPont VS uitgevoerd 2-jarig onderzoek dat ratten die een hoge dosis GenX-stoffen toegediend krijgen tumoren ontwikkelen. Ook bevestigt dit onderzoek dat GenX-stoffen schadelijke effecten hebben op de nieren en de lever.

99/132

3.73

Uit voornoemde bronnen blijkt dat uit de interne onderzoeken genoeg signalen naar voren kwamen dat GenX-stoffen veel van dezelfde negatieve eigenschappen bezitten als PFOA. Dit heeft Chemours er evenwel tot op de dag van vandaag niet van weerhouden om gebruik te maken van de GenX-technologie.

Conclusie kennis van risico’s van PFOA en GenX-stoffen 3.74

Uit het voorgaande volgt dat DuPont VS sinds 1961 – voordat Du Pont de Nemours (Nederland) (Oud) PFOA naar het grondgebied van de Gemeenten emitteerde – bekend was met de risico’s van PFOA. Voorts blijkt DuPont VS sinds 1996 onderzoek te doen naar de risico’s van GenX-stoffen en was in 2010 bij DuPont VS bekend dat de biologische afbreekbaarheid van GenX-stoffen 0% is, terwijl Chemours/Du Pont een vergunning voor de emissie van GenX-stoffen heeft aangevraagd.

3.75

De kennis over de risico’s van PFOA en GenX-stoffen die door DuPont VS is vergaard, heeft Du Pont de Nemours (Nederland) (Oud) en Chemours er echter niet toe bewogen de emissie van PFOA en GenX-stoffen te staken. Ondanks de kennis van DuPont VS heeft Du Pont de Nemours (Nederland) (Oud) in haar vergunningaanvragen lange tijd gezwegen over de risico’s van PFOA, waarna sinds 1994 slechts minimaal – en gezien de kennis van DuPont VS onvoldoende – is gewezen op de risico’s van PFOA. Later, bij de invoering van GenXstoffen in de Inrichting heeft Chemours/Du Pont (wederom) niet gewezen op de risico’s van GenX-stoffen. GenX-stoffen zijn in de vergunningaanvraag van 29 maart 2013 zelfs toegelicht als niet bioaccumaltief voor mens en andere organismen, terwijl DuPont VS reeds in 2010 ermee bekend was dat de biologische afbreekbaarheid van GenX-stoffen 0% is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/265/documents/5168