CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

D02. 20251113 RIB Warmteprogramma_met bijlage.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 15 januari 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken18.804 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3 alinea's met “uitwisseling”: 107 173 174

3.2.3 Inpasbaarheid in de ondergrond en de openbare ruimte Een alternatief voor aardgas moet inpasbaar zijn in de ondergrond en de openbare ruimte. Zo is het aanleggen van een warmtenet niet altijd mogelijk door de complexe ondergrond die bijvoorbeeld voorkomt in een historische dijklint of binnenstad. All-electric vraagt vaak om extra verzwaring van het elektriciteitsnet, wat impact heeft op de openbare ruimte in de vorm van extra transformatorhuisjes in de wijk. De inpasbaarheid van warmteopties is meegenomen in de afweging.

21

3.3 Criteria voor volgorde buurten Naast het bepalen van de beste warmteoptie per buurt is er ook een volgordelijkheid tussen de buurten. De buurten waar al gestart is met de aanleg van een warmtenet zijn meestal buurten met woningcorporatiebezit en/of nieuwbouw. Woningcorporaties fungeren als startmotor in de warmtetransitie onder andere door de inzet van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH). Er kunnen ook koppelkansen zijn, zoals bijvoorbeeld riolering die moet worden vervangen in de komende paar jaar, dan hoeft de straat slechts één keer te worden opengebroken in plaats van twee keer. Of een nieuwbouwproject dat wordt aangesloten op het warmtenet. Ook speelt de ligging van de buurt ten opzichte van de duurzame bron een rol en/of er al een warmtenet is aangelegd in omliggende buurten. Vanwege netcongestie wordt er bewust nog niet gestart met een buurtaanpak in buurten waar all-electric de beoogde warmteoptie is.

Dit is een overzicht in willekeurige volgorde van criteria die meespelen om prioritering tussen buurten aan te brengen: • Haalbaarheid • Betaalbaarheid • Netcongestie • Woningvoorraad • Investeringsagenda infrastructuur • Investeringsagenda vastgoed • Buurtontwikkeling • Sociale karakteristieken van de buurt • Contracteerbaarheid Daarnaast wordt de uitrol van het warmtenet bepaald door een combinatie van de kennis van het gebied, de expertise van alle betrokken partijen, de warmtenettracés die al gerealiseerd zijn en het aardgasvrije perspectief dat eerder ontwikkeld is.

22

3.4 Perspectiefkaart per buurt Voor het bepalen van de warmteoptie per buurt worden de uitgangspunten uit paragraaf 2.4, de afwegingscriteria uit paragraaf 3.2 en de prioriteringscriteria uit paragraaf 3.3 meegenomen. Buurten met een hoge dichtheid aan woningequivalenten en corporatiebezit zijn aantrekkelijk voor de aanleg van het warmtenet. Door de hoge dichtheid zijn er veel aansluitingsmogelijkheden (volloop) op het warmtenet. Dat zorgt voor een goedkoper warmtenet ten opzichte van een warmtenet in een dun bebouwd gebied. In de Transitievisie Warmte zijn enkele gebieden voor een warmtenet aangewezen die relatief ver van elkaar vandaan liggen met daartussen geen kansrijk warmtenetgebied. Het is dan erg kostbaar om deze gebieden met elkaar te verbinden. De positionering van de duurzame bron en mogelijke koppelkansen zijn dan bepalend voor welke gebieden uiteindelijk daadwerkelijk worden aangesloten op het warmtenet. In dit warmteprogramma is voor de perspectiefkaart deze slag gemaakt met de kennis die wij nu voor handen hebben. In bijlage 4 vind u een toelichting op het warmteperspectief per buurt .

23

3.5 Uitnodigingskader De perspectiefkaart is het perspectief van de gemeente en stakeholders op de korte en lange termijn warmtetransitie. Echter staat de gemeente open voor andere initiatieven via het uitnodigingskader. Voor het regionale warmtekavel in de Drechtsteden is HVC de beoogde partij voor het publieke warmtebedrijf. Dit is de partner waar de Drechtsteden met stakeholders afgelopen jaren stappen hebben gezet in het zelfstandig ontwikkelen van een haalbaar regionaal warmtenet. Voor bronnetten en andere kleinschalige duurzame warmteoplossingen bestaat binnen de Drechtsteden het uitnodigingskader. Dit uitnodigingskader nodigt initiatiefnemers uit om met de gemeente in gesprek te gaan voor deze ontwikkelingen. Dit uitnodigingskader geldt voor zowel bewonersinitiatieven (die kunnen uitgroeien naar warmtegemeenschappen) als kleinschalige initiatieven die gebruik maken van de uitzonderingspositie in de Wcw. Dit gaat ook om initiatieven die eventueel gebruik willen maken van het toegangsmodel voor derden (nTPA) voor het warmtenet van HVC.

3.6 Energiesysteem toets Een energiesysteem is het samenspel tussen de vraag en het aanbod van energie, en het transport en opslaan van energie. Onze vraag naar energie verandert. Het huidige systeem is daar niet meer goed op ingericht. Het stoppen met aardgas als belangrijkste bron voor het verwarmen van onze huizen heeft ook impact op het energiesysteem. Om de gevolgen in beeld te brengen, maken we gebruik van een digital twin. De digital twin is een online simulatiemodel met daarin de energiehuishouding per buurt voor alle sectoren (gebouwde omgeving, industrie, land- en tuinbouw, mobiliteit en transport), en de energie-uitwisseling tussen de buurten in de regio, en tussen de regio en de rest van het land. De twin is al toegepast voor het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) en perspectiefscenario’s voor de transitie, en is daarnaast ook geschikt voor het warmteprogramma. Met de twin kunnen analyses worden uitgevoerd op regio-, gemeente-, en buurtniveau.

3.6.1 Uitgangspunten De warmte perspectiefkaarten van alle zes de gemeenten zijn ingeladen in de Digital Twin. Om het effect van de gewenste warmteopties goed in beeld te brengen, is het belangrijk om alle sectoren, zoals vervoer en opwek van duurzame energie, te modelleren. Voor deze analyses zijn wij uitgegaan van een duurzaam toekomstbeeld met gemiddelde groeiprognoses voor duurzame energie en besparing. De belangrijkste aannames hierin zijn dat alle RES-doelstellingen zijn behaald, transport en personenvervoer grotendeels elektrisch zijn, en er flinke percentages zon op dak en thuisbatterijen zijn geïnstalleerd. Daarnaast zijn we uitgegaan van de aansluitpercentages op het warmtenet zoals gehanteerd in de volloopscenario’s van het warmtebedrijf (HVC). Hiermee heeft een buurt die is aangegeven als warmtenetbuurt dus niet een aansluitpercentage van 100%, maar een deel hiervan. Dit deel is gebaseerd op een aangenomen aansluitpercentage per type woning en eigenaarschap (sociale huur, particulieren, grondgebonden, meergezinswoning), bijvoorbeeld 35-60% bij grondgebonden woningen in particulier eigendom en 85% bij appartementen in eigendom van een woningcorporatie.

24

Scenario’s We hebben de huidige situatie in beeld gebracht. Hierbij maakt warmte ongeveer 30% uit van de totale vraag naar energie, naast motorbrandstoffen en elektriciteit. Vervolgens zijn er twee toekomstscenario’s doorgerekend: 1. Het eerste scenario is als de warmte perspectiefkaart, zoals in dit warmteprogramma is beschreven wordt gerealiseerd. 2. Het tweede scenario laat zien wat er gebeurt als het warmtenet in de Drechtsteden blijft steken op het huidige niveau, en alle andere buurten kiezen voor warmtepompen. Voor beide scenario’s geldt dat aardgas voor een klein deel als warmtebron wordt meegenomen. Dit komt door hybride warmteoplossingen in de industrie en een aantal buurten.

3.6.2 Effecten op het energiesysteem Regionaal De hoeveelheid benodigde energie voor warmte neemt zowel in scenario 1 als 2 af, met respectievelijk 57% en 71%, zie figuur 1. Dat komt deels door isolatie en besparing. Het grootste deel wordt veroorzaakt door de efficiëntie van warmtepompen ten opzichte van Cv-ketels. Warmtepompen kunnen van 1 kilowattuur elektriciteit ongeveer 4 kilowattuur warmte produceren, gebruikmakend van de omgevingswarmte. Dit is ook de reden dat het energiegebruik voor warmte in scenario 2 lager is dan in scenario 1. Het warmtenet wordt hierin vervangen door warmtepompen, waarvan het elektriciteitsgebruik lager is om dezelfde hoeveelheid warmte mee te creëren. Dit leidt wel tot een veel hogere elektriciteitsvraag ten behoeve van warmte. Dit leidt samen met de toegenomen elektriciteitsvraag, voornamelijk veroorzaakt door het elektrificeren van vervoer, tot problemen met netcongestie.

Figuur 1: Energiegebruik naar sector in de Drechtsteden

25

Belangrijke kanttekening is dat in een toekomstbestendig energiesysteem voor elektriciteitsgebruik van warmtepompen in de winter veel opslag nodig zal zijn. De huidige (thuis)batterijen zijn hier te klein voor. Veel technieken voor seizoensopslag (denk bijvoorbeeld aan waterstof) hebben erg hoge verliezen, vaak wel tot twee derde van de origineel opgewekte elektriciteit. Als we kijken naar een uitsplitsing van het energiegebruik voor warmte, figuur 2, zien we dat op dit moment aardgas verreweg de meest dominante warmtebron is. In het warmteprogramma scenario (scenario 1) zien we dat het warmtenet voor de zes deelnemende Drechtsteden gemeenten 46% van het energiegebruik van warmte voor zijn rekening neemt. Kijkend naar de totale warmtevraag wordt zelfs in dit scenario meer warmte geleverd door warmtepompen dan door het warmtenet, echter door de eerder benoemde efficiëntie van warmtepompen is de elektriciteitsvraag kleiner dan de vraag van warmte uit het warmtenet. In scenario 2 zijn warmtepompen de dominante warmtebron, met als gevolg een stijging van 28% van de huidige elektriciteitsvraag alleen al ten behoeve van warmte.

Figuur 2: Uitsplitsing energiegebruik voor warmte naar bron Scenario 1 heeft twee grote voordelen ten opzichte van het scenario 2. De eerste is de eerder genoemde betere seizoensbalans en dus minder verliezen in opslag en conversie. De tweede is het verlagen van de piekbelasting op het elektriciteitsnet, momenteel een van de grootste bottlenecks in het energiesysteem. In beide toekomstscenario’s neemt de piekbelasting op het elektriciteitsnet enorm toe (zie figuur 3). Dit komt voornamelijk door het elektrificeren van vervoer en transport, en door warmtepompen. Ondanks dat er in beide toekomstscenario’s veel extra verzwaring nodig is, is de piekbelasting in scenario 1 13% lager dan in scenario 2. Hiermee is het warmtenet een van de meest effectieve middelen tegen netcongestie.

26

Figuur 3: Piekbelasting afname elektriciteitsnet. Let op, dit is de piekbelasting van het volledige systeem, waarin naast warmte ook een flinke toename in de piekbelasting t.b.v. elektrische mobiliteit en andere elektrische apparaten is te zien. Lokaal In Papendrecht zal het warmtenet flink uitbreiden. Dit leidt tot een daling van 46% energiegebruik voor warmte. Dit is relatief weinig vergeleken met andere gemeentes door de beperktere inzet van warmtepompen. Dit is opnieuw wel zonder de verliezen voor de opslag van elektriciteit die in een geheel duurzaam energiesysteem nog meegenomen moeten worden voor warmtepompen. Het grote aandeel warmtenet leidt wel tot een flinke vermindering van maximale netbelasting op afname van 17%.

Figuur 1: Energiegebruik naar sector in de Drechtsteden

27

Figuur 2: Uitsplitsing energiegebruik voor warmte naar bron

Figuur 3: Piekbelasting afname elektriciteitsnet. Let op, dit is de piekbelasting van het volledige systeem, waarin naast warmte ook een flinke toename in de piekbelasting t.b.v. elektrische mobiliteit en andere elektrische apparaten is te zien.

28

4. Juridisch kader In dit hoofdstuk zijn de ontwikkelingen uit de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (Wgiw) toegelicht en is er een vooruitblik gegeven op de stappen na invoering van de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Tot slot is de uitgevoerde plan-MER-beoordeling toegelicht. Het warmteprogramma is de eerste stap van een aantal instrumenten die vereist zijn vanuit verschillende wetgeving. Het warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Dit programma verplicht de gemeente om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de doelen uit het programma worden gehaald. De Transitievisie Warmte blijft wel van kracht, maar het warmteprogramma gaat “voor” bij eventuele tegenstrijdigheden. In onderstaand processchema is weergegeven hoe de volgorde van stappen eruit zou kunnen zien vanuit de Omgevingswet, de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie en de Wet Collectieve Warmte. Van dit processchema kan worden afgeweken.

4.1 Ontwikkelingen uit de Wgiw In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regie krijgen in de wijkgerichte aanpak om de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken. Deze regierol is wettelijk verankerd in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en voor collectieve warmtesystemen ook in de Wet Collectieve Warmte (Wcw). De Wgiw treedt naar verwachting 1 januari 2026 in werking. Vanuit de Wgiw wordt de regierol geconcretiseerd in de beschrijving van de stappen van het planproces die uiteindelijk kunnen leiden tot de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Met de aanwijsbevoegdheid kunnen gemeenten vanuit hun regierol gebieden aanwijzen die binnen een bepaalde termijn aardgasvrij moeten worden en overgaan op een duurzame warmtevoorziening. De stappen in het planproces bestaan uit: 1) Warmteprogramma – de eerste stap is een verplicht programma onder de Omgevingswet (warmteprogramma). Gemeenten worden verplicht om het warmteprogramma uiterlijk 31 december 2026 vast te stellen en deze elke 5 jaar te actualiseren. In het warmteprogramma wordt het voornemen beschreven van de wijken waar mogelijk binnen 10 jaar de aanwijsbevoegdheid zal worden ingezet. Verder wordt (voor zover bekend) het handelingsperspectief van alle buurten of wijken beschreven.

29

2) Buurt- of wijkuitvoeringsplan – Als tweede stap in het planproces in de Drechtsteden wordt het (vrijwillige) buurt of wijkuitvoeringsplan gemaakt. In het buurt- of wijkuitvoeringsplan werken we de volgende 6 stappen uit in samenspraak met de buurt of wijk. De verwachting is dat de totstandkoming van een uitvoeringsplan minimaal 2 jaar duurt. 1. Samen starten – kaders, uitgangspunten en procesplan voor besluitvorming vaststellen. 2. Onderzoeken – variantenstudie warmteoplossingen en een wijkbesluit over de optimale aanpak nemen. 3. Uitwerken- de gekozen aanpak uitwerken in een definitief ontwerp en uitvoeringsplan. 4. Besluiten – go/no go om tot uitvoering van het plan over te gaan. 5. Aanbieden – aanbod aan bewoners en contracten voor werkzaamheden. 6. Uitvoeren – het uitvoeren van het plan voor een aardgasvrije wijk. 3) Wijzing omgevingsplan – Het daadwerkelijk aanwijzen van een gebied waar de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet, gebeurt in het omgevingsplan. In het warmteprogramma (stap 1) bereiden we het besluit om een gebied aan te wijzen beleidsmatig voor en geven we de begrenzing van het gebied aan. Daarnaast moet de motivatie van de inzet van de aanwijsbevoegdheid en de wijziging van het omgevingsplan aan een aantal vereisten voldoen: • De haalbaarheid van de gekozen warmteoplossing en de aanpak, voor bewoners, ondernemers en andere gebouweigenaren.

• De betaalbaarheid van de gekozen warmteoplossing, zowel de nationale kosten als de eindgebruikerskosten. • De totale kosten voor de maatschappij die de realisatie van de energie-infrastructuur met zich meebrengt. • De gevolgen voor de aanleg en het beheer van de energie-infrastructuur.3 Hiermee ontstaat de juridische bevoegdheid om de levering van gas te beëindigen. Deze vereisten hebben als doel dat inwoners, bedrijven, maatschappelijke instellingen, verhuurders en netbeheerder duidelijkheid over het beoogde tijdspad naar aardgasvrij krijgen. De redelijke termijn die nu als minimaal wordt gezien voor dit tijdspad is 8 jaar. De gemeenteraad is bevoegd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tegen het wijzigingsbesluit zelf staat beroep open bij de Raad van State. Daarmee is dit instrument vatbaar voor beroep. Het wijzigen van het omgevingsplan is een nieuw instrument. Op dit moment bestaat er nog geen duidelijkheid over de inhoud van een wijziging van het omgevingsplan voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Voordat de Drechtsteden gemeenten de aanwijsbevoegdheid kunnen inzetten, zal het Rijk eerst duidelijkheid moeten geven via de uitwerking van de Wgiw in lagere uitvoeringsregelgeving: het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw).

Het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) is (anno april 2025) een concept algemene maatregel van bestuur (AMvB). De Drechtsteden zullen met deze versie van het warmteprogramma dan ook de aanwijsbevoegdheid niet kunnen inzetten. Een (partiele) herijking van het warmteprogramma zal bij meer duidelijkheid als eerste stap ingezet worden, alsook het voldoen aan de uitgangspunten van dit warmteprogramma, zoals de beschikbaarheid van een haalbaar en betaalbaar aanbod voor alle bewoners.

30

4.2 Vooruitblik overgangsregeling en aanwijzingen na invoering Wcw Voor de uitwerking van de stappen volgend uit de invoering van de Wcw zijn op moment van schrijven de volgende stappen voorzien. 1. Vaststellen (voorlopig) warmtekavel De Drechtsteden bepalen met elkaar de grootte van een of meerdere warmtekavels. De inrichting van de warmtekavel is voor een groot deel afhankelijk van de lokaal beschikbare warmtebronnen en de verbondenheid daarvan. De grootschalige warmtebronnen in de regio worden op termijn met elkaar verbonden (Dordrecht, Sliedrecht, Papendrecht, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht). Voor de uitwerking van de kavelstrategie wordt gezamenlijk met de gemeenten in de regio en de betrokkenen bij het warmteprogramma een proces opgestart om de opties en definitieve keuze rondom kavels te bepalen. Een warmtekavel kan na verdere uitwerking gewijzigd worden (Wcw artikel 2.8). Dit proces is op dit moment qua termijn en inhoud nog niet verder te bepalen omdat de ontwikkeling van de Wcw nog niet is afgerond en het onduidelijk is wanneer de wet wordt ingevoerd. 2. Aanwijzen publiek warmtebedrijf De hoofdregel uit de Wcw is dat alleen warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang kunnen worden aangewezen als publiek warmtebedrijf. In een publiek warmtebedrijf heeft een overheidsorganisatie, zoals de gemeente, de meerderheid van de aandelen.

Door medeeigenaar te zijn, heeft de gemeente invloed op de kosten en opbrengsten. Ook kan de gemeente zo beter bepalen uit welke bron de warmte voor het warmtenet komt en voorrang geven aan lokale duurzame bronnen. Een publiek warmtebedrijf biedt voordelen. Een publiek bedrijf kan goedkoper geld lenen, omdat de overheid garant staat. Het kan beter laten zien hoe de kosten ontstaan en waar het geld naartoe gaat. En het heeft niet het doel om winst te maken, maar om warmte te leveren tegen zo laag mogelijke kosten. Dit maakt warmtenetten haalbaar én betaalbaar. In de regio is op basis van vrijwilligheid al meer dan 10 jaar met HVC gewerkt aan de ontwikkeling en de totstandkoming van het huidige warmtenet. De insteek is daarbij altijd geweest om een publiek warmtebedrijf neer te zetten. Daarmee loopt de regio voor op de invoering op de vereisten van de Wcw waarbij een warmtebedrijf in publieke handen voorgeschreven wordt. De inschatting is dan ook dat invoering van de Wcw voor het aanwijzen van een warmtebedrijf en de kavelstrategie een pragmatisch proces wordt. Overgangsrecht De Wcw geldt straks voor bestaande warmtenetten en warmtebedrijven.

Warmtebedrijven die momenteel een warmtenet exploiteren dat onder het overgangsrecht valt, worden op grond van de Wcw voor maximaal 30 jaar aangewezen als warmtebedrijf en het gebied waarover het warmtenet zich uitstrekt wordt aangemerkt als een warmtekavel. 3. Visie betaalbaarheid Als gemeente doen we er alles aan om de overstap naar aardgasvrij wonen betaalbaar te maken voor onze inwoners. We weten dat er zorgen zijn over de kosten van de overstap en dat inwoners verschillend denken over het begrip betaalbaarheid. Daarom willen we dat er duidelijkheid komt, zodat iedereen precies weet wat we met betaalbaarheid bedoelen. Papendrecht bepaalt niet zelfstandig wat betaalbaar is. Het Rijk is bezig om dit uit te werken. De verwachting is dat er eind 2025 meer duidelijkheid over komt.

31

Dat betekent niet dat we nu niets kunnen doen. Ook wij houden ons bezig met dit vraagstuk. De gemeente Dordrecht heeft meegedaan aan een landelijk onderzoek met vijftien andere gemeenten over wat inwoners betaalbaar vinden en welke randvoorwaarden daarbij gelden. Zie voor de achtergronden paragraaf 2.3. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder verwoord in onze visie. Bij het bepalen of een warmteperspectief betaalbaar is voor een buurt of wijk hanteren we, in ieder geval tot er duidelijkheid is vanuit het Rijk, de volgende uitgangspunten: • We streven ernaar dat zoveel mogelijk inwoners hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als de huidige maandelijkse kosten, of minder. We werken dit het liefst uit op basis van de verwachte eindverbruikerskosten op buurt- of wijkniveau. We kunnen gelijkblijvende of lagere kosten niet in individuele situaties garanderen. We houden bij het bepalen van de eindverbruikerskosten natuurlijk rekening met eventuele subsidies voor inwoners, maar ook voor het warmtebedrijf. • Voor zover dat binnen onze bevoegdheden ligt, zorgen we ervoor dat een warmtebedrijf transparant is over de opbouw van de te hanteren tarieven. We streven ernaar om samen met het warmtebedrijf op buurt- of wijkniveau te onderzoeken onder welke voorwaarden individuele inwoners willen overstappen.

Aspecten zoals mate van ontzorging, de timing, de verdeling van de lusten en de lasten in de wijk kunnen hierbij een rol spelen. We zijn duidelijk over welke andere voordelen overstappen op duurzame warmte er zijn en over de duurzaamheid van de warmtetechniek op buurt- of wijkniveau. • Betaalbaarheid is niet hetzelfde als financierbaarheid. Toegang tot financiële instrumenten, zoals subsidies en leningen met geen of een lage rente, zijn in sommige situaties noodzakelijk om de overstap te kunnen financieren.

4.3 Plan-MER-beoordeling In het kader van het warmteprogramma is een zogeheten plan-MER-beoordelingsprocedure doorlopen. In de plan-MER-beoordelingsprocedure moet het bevoegde gezag (in dit geval de gemeente Papendrecht) nagaan of de ontwikkelingen in het warmteprogramma kunnen leiden tot aanzienlijk (negatieve) milieueffecten, die het doorlopen van een (uitgebreide) plan-MERprocedure voor het warmteprogramma noodzakelijk maken. De gemeente heeft een plan-MERbeoordelingsprocedure doorlopen, hieruit is gebleken dat naar verwachting de ontwikkelingen in dit programma niet zullen leiden tot aanzienlijke (negatieve) milieueffecten. Er is voor de Drechtsteden gekozen voor een plan-MER-beoordelingsprocedure in plaats van een plan-MER-procedure. Deze keuze komt voornamelijk voort uit praktische redenen, zo was het streven om in mei 2025 een ontwerp-warmteprogramma aan te bieden aan de colleges. Deze planning is te krap voor een plan-MER-procedure, die kost minimaal een half jaar. Er is daarnaast geen meerwaarde gezien voor een plan-MER-procedure en het brengt ook veel meer kosten met zich mee. De warmtestrategieën zijn redelijk logisch en geven geen aanleiding voor alternatievenonderzoek. Een plan-MER-beoordeling geeft ook inzicht in milieueffecten, alleen op een hoger abstractieniveau dan een plan-MER-procedure.

Daarnaast worden er geen juridische risico’s verwacht, het warmteprogramma is alleen bindend voor de overheid die het opstelt en daarmee niet voor anderen voor hoger beroep vatbaar. Ook het plan-MERbeoordelingsbesluit is niet voor hoger beroep vatbaar, het is alleen bindend voor diegene die wel of geen plan-MER moet opstellen, in dit geval de gemeente.

32

5. Aanpak tot en met 2035 De komende 10 jaar gaan de gemeente en haar partners in vijf buurten aan de slag. Namelijk de Erasmusbuurt, Den Briel, Centrum, Kraaihoek-Zuid en de Schrijversbuurt. Met als belangrijkste randvoorwaarde ruimhartige subsidies vanuit het rijk om een haalbaar en betaalbaar aanbod te kunnen doen. Deze buurten zijn donker groen gearceerd op de kaart hieronder. Het is niet mogelijk om in alle buurten tegelijkertijd aan de slag te gaan en daarom wordt er gestart in een aantal buurten, een toelichting op de volgordelijkheid is te lezen in paragraaf 3.3. In het volgende warmteprogramma wordt opnieuw bepaald welke buurten logisch zijn om in de 10 daaropvolgende jaren mee aan de slag te gaan. In de paragrafen van dit hoofdstuk wordt de aanpak per buurt beschreven, deze aanpak ligt nog niet vast. De aanpak in het warmteprogramma vormt het startpunt voor het buurtproces. Samen met bewoners, ondernemers, onze partners en andere belangrijke organisaties in de buurt werken we aan een uitvoeringsplan waarin we deze aanpak vertalen naar de praktijk. De inbreng van bewoners heeft een bepalende rol in de aanpak per buurt, waardoor de hierna beschreven plannen nog kunnen wijzigen. Per buurt:

33

5.1 Erasmusbuurt

Haalbaarheid In de Erasmusbuurt is al een warmtenet aanwezig wat aangesloten is op een tijdelijke warmtecentrale. Daarnaast zijn de woningen technisch gezien, met de huidige kennis, geschikt om aan te sluiten op een warmtenet. Samen met de buurt wordt een mogelijke aansluiting op het warmtenet nader onderzocht, met als doel om te komen tot een haalbaar en betaalbaar alternatief voor aardgas. Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 zijn haalbaarheid en betaalbaarheid belangrijke randvoorwaarden. Zolang ruimhartige subsidies vanuit het rijk ontbreken, zullen er geen woningen worden aangesloten op een warmtenet. Tot die tijd zullen wij bewoners helpen en adviseren op welke wijze zij hun woning aardgasvrij ready kunnen maken en waar nodig de technische haalbaarheid gezamenlijk verder onderzoeken. Einddatum gaslevering We voorzien voor de levering van aardgas nog geen einddatum.

5.2 Den Briel

De buurt Den Briel valt onder de wijk Westpolder en heeft een woningvoorraad van 208 woningen. Ruim 99% (204 woningen) hiervan zijn corporatiebezit. De meeste woningen hebben het woningtype appartement. Het overige deel van de gebouwen zijn (bedrijfs-)panden. De meeste gebouwen, 86%, komen uit de bouwperiode 1965-1975, ongeveer 14% komt uit de bouwperiode van na 2000.

Haalbaarheid Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 zijn haalbaarheid en betaalbaarheid belangrijke randvoorwaarden. Uitdagingen lagen vooral bij het behalen van de 70% draagvlagregeling en de persoonlijke ondersteuning van de bewoners vanwege de hogere leeftijd. Het warmtenet is inmiddels gerealiseerd bij het corporatiebezit en omvat 204 aansluitingen. Einddatum gaslevering We voorzien voor de levering van aardgas nog geen einddatum.

34

5.3 Centrum De buurt Centrum ligt in de wijk Westpolder en heeft een woningvoorraad van 673 woningen. Het merendeel, 54% hiervan zijn koopwoningen, 23% van de woningcorporatie en 32% overige huurwoningen. 567 woningen zijn appartementen en het overige deel van de gebouwen zijn voornamelijk tussen- of geschakelde woningen en enkele vrijstaande woningen. De gebouwen komen uit een zeer gevarieerde bouwperiode van 1917-2021.

Haalbaarheid In het centrum is al een warmtenet aanwezig wat aangesloten is op een tijdelijke warmtecentrale. Samen met de buurt wordt een mogelijke aansluiting op het warmtenet nader onderzocht, met als doel om te komen tot een haalbaar en betaalbaar alternatief voor aardgas. Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 zijn haalbaarheid en betaalbaarheid belangrijke randvoorwaarden. Zolang ruimhartige subsidies vanuit het rijk ontbreken, zullen er geen woningen worden aangesloten op een warmtenet. Tot die tijd zullen wij bewoners helpen en adviseren op welke wijze zij hun woning aardgasvrij ready kunnen maken en waar nodig de technische haalbaarheid gezamenlijk verder onderzoeken. Einddatum gaslevering We voorzien voor de levering van aardgas nog geen einddatum.

5.4 Kraaihoek-Zuid

De buurt Kraaihoek Zuid ligt in de wijk Kraaihoek en heeft een woningvoorraad van 975 woningen. Het merendeel hiervan, 77% , in deze buurt is corporatiebezit, 20% zijn koopwoningen en 3% valt onder overige huur. Er zijn 525 adressen met het woningtype tussenwoning en het overige deel van de gebouwen in de buurt zijn voornamelijk appartementen of hoekwoningen. Vrijwel alle gebouwen komen uit de bouwperiode 1933-1962.

Haalbaarheid In Kraaihoek-Zuid is al een warmtenet aanwezig wat aangesloten is op een tijdelijke warmtecentrale. Samen met de buurt wordt een mogelijke aansluiting op het warmtenet nader onderzocht, met als doel om te komen tot een haalbaar en betaalbaar alternatief voor aardgas. Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 zijn haalbaarheid en betaalbaarheid belangrijke randvoorwaarden. Zolang ruimhartige subsidies vanuit het rijk ontbreken, zullen er geen woningen worden aangesloten op een warmtenet. Tot die tijd zullen wij bewoners helpen en adviseren op welke wijze zij hun woning aardgasvrij ready kunnen maken en waar nodig de technische haalbaarheid gezamenlijk verder onderzoeken. Einddatum gaslevering We voorzien voor de levering van aardgas nog geen einddatum.

35

5.5 Schrijversbuurt De buurt Schrijversbuurt ligt in de wijk Westpolder en heeft een woningvoorraad van 846 woningen. Het merendeel van de woningvoorraad zijn koopwoningen met 77%, verder is 16% van de woningcorporatie en 7% overige huurwoningen. Er zijn hier 356 woningen met het woningtype tussenwoning, het overige deel kan worden opgesplitst in appartementen en hoekwoningen. De meeste gebouwen komen uit de bouwperiode van 1950-1970.

Haalbaarheid In de Schrijversbuurt is nog geen warmtenet aanwezig, deze buurt grenst echter wel aan het beoogde warmtenet tracé wat nog in ontwikkeling is. Zodra de planvorm van dit stuk tracé concreter wordt, kan ook hier samen met de buurt een mogelijke aansluiting op het warmtenet nader worden onderzocht, met als doel om te komen tot een haalbaar en betaalbaar alternatief voor aardgas. Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 zijn haalbaarheid en betaalbaarheid belangrijke randvoorwaarden. Zolang ruimhartige subsidies vanuit het rijk ontbreken, zullen er geen woningen worden aangesloten op een warmtenet. Tot die tijd zullen wij bewoners helpen en adviseren op welke wijze zij hun woning aardgasvrij ready kunnen maken en waar nodig de technische haalbaarheid gezamenlijk verder onderzoeken. Einddatum gaslevering We voorzien voor de levering van aardgas nog geen einddatum.

36

6. Warmtetransitie per doelgroep Tot nu toe is er in dit warmteprogramma steeds per buurt gekeken, maar in een buurt bevinden zich verschillende doelgroepen. In dit hoofdstuk is per paragraaf het perspectief geschetst per doelgroep.

6.1 Utiliteit Het Klimaatakkoord heeft voor utiliteitsbouw dezelfde ambitie vastgelegd als de woningbouw. Dit betekent dat ook voor utiliteitsbouw geldt dat deze in 2050 aardgasvrij zijn. Gemeenten zijn ook voor deze verduurzamingsopgave verantwoordelijk. Het gaat daarbij om commercieel en maatschappelijk vastgoed, zoals kantoren, bedrijfspanden, winkels, scholen, musea, zorg- en sportaccommodaties. Er zijn een aantal losse initiatieven met name op het gebied van verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. Verder benadert HVC actief utiliteit voor het aansluiten van het warmtenet. Daarnaast lopen er 3 sporen op specifieke doelgroepen: • Convenant zorg (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) • (Toekomstig) convenant scholen (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) • Ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed (Provincie Zuid- Holland) De landelijke kaders waaruit verder doelgroepgericht de utiliteit benaderd worden: • Energiebesparingsplicht geldt voor bedrijven en maatschappelijke instellingen, met een jaarlijks energieverbruik boven de grens van 50.000 kWh of 25.000 m3. Deze bedrijven en instellingen moeten alle maatregelen voor verduurzaming van het energiegebruik treffen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder. Potentieel wordt dit naar 7 jaar uitgebreid. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de energiebesparingsplicht.

• Financiering loopt via verschillende landelijke regelingen onder andere voor sportclubs, maatschappelijk vastgoed en investeringssubsidies voor duurzame energie, en verschillende fiscale regelingen voor ondernemers voor milieu- en energie investeringen4. Wat zijn de uitdagingen? • Er bestaat momenteel geen regionale aanpak voor utiliteit buiten bedrijventerreinen, dus alle gemeenten zijn individueel aan zet voor deze aanpak. De Provincie ondersteunt alleen op verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. • Gebiedsgericht versus doelgroep gericht – lopende initiatieven zijn met name op specifieke doelgroepen gericht. Dit is een andere aanpak dan de gebiedsgerichte aanpak van de uitvoeringsplannen. Het is zinvol om de synergie tussen deze sporen te gaan zoeken. De bedrijventerreinen aanpak (paragraaf 6.6) is hier een goed voorbeeld van. • Gemeentelijk vastgoed als voorbeeldfunctie – idealiter is het gemeentelijk vastgoed koploper en het voorbeeld voor het aardgasvrij maken van de utiliteit. De voorbeeldfunctie van gemeentelijk vastgoed voor het bereiken van de diverse doelgroepen is een belangrijke stap in het creëren van draagvlak voor de warmtetransitie in de directe omgeving van inwoners.

37

Uitgangspunten voor dit Warmteprogramma • Iedere gemeente werkt met HVC een uitvoeringsplan uit voor het aansluiten van gemeentelijk vastgoed, waarin gewerkt wordt naar het aansluiten onder redelijke voorwaarden en binnen een tijdspad dat past in de natuurlijke vervanging van installaties. • Uitbouwen ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed vanuit de provincie met de kaders en perspectieven van de warmte perspectiefkaarten.

6.2 Sociale woningbouw De woningcorporaties in de Drechtsteden werken met de gemeenten en HVC gezamenlijk aan het aansluiten van woningen op het warmtenet. De woningcorporaties hebben de afgelopen jaren de rol van startmotor op zich genomen, zoals beschreven in het Klimaatakkoord van 2019 en de Nationale Prestatieafspraken van 2022. Dit betekent dat de woningcorporaties de eerste partij zijn in een wijk of buurt waar het warmtenet wordt aangesloten. Ook worden de belangen van de huurders meegenomen in deze trajecten door waardevolle samenwerkingen met huurdersverenigingen. De woningcorporatie is het aanspreekpunt voor huurders bij het aansluiten van het warmtenet en informeert huurders zodra de woning aan de beurt is. HVC is verantwoordelijk voor afhandeling van de contracten met de huurders en de realisatie van de aansluitingen. In de perspectiefkaarten is te zien op welke termijn verwacht wordt dat dit gaat spelen. Is de aardgasvrije oplossing nog niet gekozen, dan is de woningcorporatie dit nog met de gemeente aan het onderzoeken. Ondertussen kunnen huurwoningen wel transitie gereed of voorbereid worden op de aardgasvrije oplossing door isolatie, ventilatie en elektrisch koken aan te passen of te verbeteren in de woning.

6.3 Overige huurwoningen Ook voor huurwoningen in de vrije sector van woningcorporaties, institutionele beleggers, zakelijke verhuurders en particuliere verhuurders is de overstap naar aardgasvrij belangrijk. De eigenaren van deze woningen maken ook aanspraak op subsidie zoals de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH). Er zijn binnen de Drechtsteden geen collectieve afspraken voor de verduurzaming van deze woningen. Wel worden al deze woningen ook in het buurt- of wijkuitvoeringsplan meegenomen door de gemeente.

6.4 Vereniging van Eigenaren (VvE’s) Vereniging van Eigenaren moeten gezamenlijk besluiten over de verduurzaming van hun gebouw. De voorbereiding van deze besluitvorming kost veel tijd en begeleiding. Het is te adviseren minimaal 3 jaar voor de feitelijke uitvoering te starten met het proces rondom de besluitvorming. Voor VvE's die niet actief zijn (geen beslissingen maken over onderhoud) is een veel langer traject nodig en kan de doorlooptijd tussen de 7 en 10 jaar variëren. De Rijksoverheid heeft een aantal belemmeringen in beeld gebracht om de verduurzaming van VvE's te versnellen. Met name de opkomsteis en een verhoogde meerderheid bij VvEvergaderingen met besluitvorming zijn aangemerkt als vertragende factor.

38

De overheid werkt daarom aan wetgeving en trajecten voor: • • • •

Eenvoudigere besluitvorming Betere ondersteuning bij verduurzaming Aanstellen van procesbegeleiders en landelijk vve-verduurzamingsloket Verbeterde subsidies en leningen

Er zijn binnen de Drechtsteden geen collectieve afspraken voor de verduurzaming van deze woningen. Wel zullen al deze woningen ook in het buurt- of wijkuitvoeringsplan worden meegenomen door de gemeente. Vereniging van Eigenaren zijn een belangrijke doelgroep om tot een bijna energieneutraal Papendrecht te komen. Via het platform Duurzaam-Drechtsteden.nl/Papendrecht kunnen VvE’s en hun leden informatie vinden over verduurzamingsmogelijkheden, energiebesparing en landelijke regelingen voor VvE’s. In 2026 wordt er vanuit de gemeente procedurele hulp geboden aan VvE's om tot verduurzaming te komen. VvE's die kansrijk zijn om op een warmtenet aan te sluiten krijgen voorrang, mits dit de haalbaarheid van de aanleg van een warmtenet vergroot. De mogelijkheden om VvE’s extra te ondersteunen met betrekking tot informatie over verduurzaming, de organisatie en procedures wordt verder onderzocht. Als aansluiting van de VvE’s op een warmtenet kansrijk wordt geacht, zal de VvE in contact worden gebracht met het warmtebedrijf.

6.5 Eigenaar grondgebonden woning Voor particuliere eigenaren van grondgebonden woningen is er minder complexiteit in de besluitvorming om over te stappen naar een andere warmteoptie. Daarentegen is de betaalbaarheid een groter punt omdat de kosten niet collectief kunnen worden gedeeld. Iedere woningeigenaar bepaalt voor zich. Echter zorgt dit er meteen ook voor dat het tempo waarin dit gebeurt niet te sturen valt. De ervaring, ook met isolatieaanpak, leert dat een blok voor blok aanpak bij eengezinswoningen niet werkt. De natuurlijke momenten voor besluitvorming binnen een blok wisselen daarvoor te veel. Wel is uiteraard gebruik te maken van eigen inzet en groepsvorming van bewoners zelf (bottom-up). Voor eigenaar-bewoners is individuele ondersteuning te krijgen via het Energieloket van de Drechtsteden (duurzaamdrechtsteden.nl).

6.6 Bedrijventerreinen De aanpak voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen is deels een andere opgave dan die van woonwijken. Dit is de reden dat in de perspectiefkaart deze terreinen een ander label krijgen. Er zijn verschillende redenen waarom bedrijventerreinen een ander label krijgen: • De warmtebehoefte is anders. Bedrijventerreinen hebben een grotere verscheidenheid in energiegebruik en warmtebehoefte. Een lagere warmtevraag voor kantoren en specifieke temperatuurvereisten voor industriële processen maken bijvoorbeeld een standaard aanpak minder geschikt. Dit maakt een uniforme aanpak complexer dan in woonwijken.

39

•

De verduurzaming van bedrijven, kantoren en de industrie vallen vaak onder andere beleidskaders en regelgeving ten aanzien van bijvoorbeeld aardgasvrij en energiebesparing.

Het is echter belangrijk om te kijken naar bedrijventerreinen, vooral als er kansen zijn voor uitwisseling van restwarmte met de omgeving of collectieve warmteoplossingen. Geen perspectief bieden aan bedrijven, leidt tot situaties van een ‘stilstand’ of bedrijven besluiten te elektrificeren en dat moeten we willen voorkomen. Collectieve oplossingen hebben de voorkeur boven individuele oplossingen in verband met netcongestie. De kans die er speelt voor bedrijventerreinen is het volgende: In de gehele Drechtsteden bevinden zich 64 bedrijventerreinen en in 2025 zijn 17 daarvan al gestart met het opzetten van energiecoöperaties. De regio werkt in de komende vier jaar toe om op nog 45 bedrijventerreinen energiehubs op te richten. Daarvoor werkt de regio nauw samen met de Werkgevers Drechtsteden. De ondernemers zijn hierbij in de lead en zetten een zogeheten Innovatietafel Energiedelen op. De gemeenten zijn faciliterend door het beschikbaar stellen van een energie-expert en digital twin (zie paragraaf 3.6). Energiecoöperaties zijn lokale samenwerkingen tussen gebruikers en producenten van energie. In een energiehub wordt energieopwek, -transport, -opslag, -conversie en -verbruik op elkaar afgestemd. Deze afstemming wordt in eerste instantie gebruikt om netcongestie tegen te gaan, maar energiecoöperaties gaan niet alleen over elektriciteit.

Een energiecoöperatie kan bijvoorbeeld ook worden gebruikt om samen warmte en duurzame gassen te verbruiken, uit te wisselen en/of te produceren. De uitgangspunten voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen: • Het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen gaat fasegewijs. Hierbij doorlopen we de volgende stappen: o Het identificeren van kansen o Het creëren van betrokkenheid van ondernemers o Het (nader) onderzoeken van warmtealternatieven o Het organiseren van financiering en ondersteuning • We starten met een onderzoek naar het identificeren van kansen voor de warmtetransitie op bedrijventerreinen. Welke bedrijven hebben restwarmte en/of kunnen bijvoorbeeld aansluiten bij het warmtenet? Of zijn er bedrijventerreinen die naast woonwijken liggen waar mogelijke synergie in uitwisseling van energie kan worden gerealiseerd? • We sluiten aan bij lopende projecten en initiatieven. • In de aanpak van de energiecoöperaties wordt warmtetransitie als een vast onderdeel meegenomen. • Nieuwe bedrijventerreinen worden sinds 1 juli 2018 gasloos opgeleverd. Op elk nieuw bedrijventerrein dat wordt gerealiseerd is de ambitie om aan de voorkant te starten met een energiecoöperatie en hier ook meteen de warmtevraag in mee te nemen.

40

6.7 Nieuwbouw Sinds 2018 moet alle nieuwbouw aardgasvrij worden opgeleverd. De eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zorgen ervoor dat nieuwbouw goed geïsoleerd is en een lage warmtevraag heeft. Het uitgangspunt om nieuwbouw wel of niet op een warmtenet aan te sluiten, wordt door een gemeente bepaald op basis van het beleid in haar warmteprogramma. Als een initiatiefnemer van woningbouw de kosten van de aansluiting op het warmtenet te hoog vindt, moet de initiatiefnemer dit aantonen door een vergelijkende berekening tussen warmtenet en warmtepomp (of gelijkwaardig). Deze berekening dient gemaakt te worden door een onpartijdige deskundige derde partij. Het nadeel van nieuwbouwwoningen is dat de koelbehoefte bij goed geïsoleerde woningen groter is. Met name bij woningen gebouwd voor 2021 want toen was de TOjuli eis, de indicator die sinds 2021 geldt voor het risico voor temperatuuroverschrijding in de maand juli, nog niet in werking. Ontwerpen met deze indicator zorgen voor een woning die beter bestand zijn tegen hittestress en hebben als voordeel dat actieve koeling (die de energievraag van woningen vergroten) voorkomen kan worden. Uitgangspunten voor de technische oplossing: • Netbewust – Dit betekent dat energiesystemen worden gezocht die minder elektriciteit verbruiken (met name op piekmomenten) en dus het elektriciteitsnet minder belasten.

• Collectieve oplossingen hebben daarin de voorkeur (vanwege het beheersen van de piekbelasting). • Passief koelen heeft de voorkeur, inclusief warmtewering, nachtventilatie en de inrichting van de buitenruimte. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van de ladder van koeling. Bij nieuwe ontwikkelingen verwachten we dat deze een bijdrage leveren aan de doelen uit de Omgevingsvisie 2.0. Eén van die doelen is dat Papendrecht in 2040 klimaatbestendig en bijna energieneutraal is. We werken toe naar het vervangen van energie die is opgewekt met fossiele brandstoffen door schone energie. Daar waar mogelijk gaan we verder dan de landelijke regelgeving mits prestaties in de praktijk haalbaar zijn. Ook is er aandacht voor koeling, waarbij we verdere elektrificatie van de gebouwde omgeving proberen te voorkomen, onder andere via de 3-30-300 regel. Voorkeursvolgorde voor warmte In de Regionale Energiestrategie 1.0 en de Omgevingsvisie heeft Papendrecht een voorkeursvolgorde voor warmte opgenomen (zie ook 3.2.2.). 1. Aanwezige warmte: restwarmte van bedrijven, zoals HVC. Dit is een duurzaam alternatief en maatschappelijk gezien de goedkoopste. 2. Op te waarderen warmte: warmte uit bodem, lucht of water die wordt opgewaardeerd via een warmtepomp. Een goed alternatief voor wijken met relatief jonge bebouwing en daar waar het warmtenet niet komt. 3. Te maken warmte: duurzaam gas.

Een mogelijke bron op de zeer lange termijn en dan met name voor de historische binnenstad met monumenten waar het warmtenet niet komt en die niet voldoende geïsoleerd kunnen worden.

41

Bij nieuwbouw ontwikkelingen in warmtenet buurten zoals aangegeven in de warmtekaart van Papendrecht wordt er in de planfase onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van aansluiting op het warmtenet alvorens er naar alternatieven wordt gekeken. Dat sluit aan bij de gemeentelijke doelstellingen voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving en het beperken van de elektriciteitsvraag. In het onderzoek van de planfase moeten de onderstaande aspecten worden onderzocht: • De haalbaarheid van aansluiting op het warmtenet. • De betaalbaarheid van de aansluiting op het warmtenet.

6.8 Warmtegemeenschap In het uitnodigingskader van dit warmteprogramma en ook de nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) wordt nadrukkelijk de rol van lokale initiatieven benadrukt. Deze initiatieven kunnen groeien naar de status van officiële warmtegemeenschap zoals bedoeld in de Wcw of energiegemeenschap zoals bedoeld in de Energiewet. We denken hierbij aan buren die met elkaar een eigen warmtebron of bronnet willen aanleggen of een onderzoek willen doen naar de alternatieven. Ook een bestaande energiecoöperatie van bedrijven valt onder deze definitie. Financiële ondersteuning in de aanloopfase van deze initiatieven wordt o.a. verzorgd door Provincie Zuid-Holland via de Lokale initiatieven regeling (2023). Deze regeling is beschikbaar tot medio 2027. Vereisten voor deze aanvraag zijn onder andere: er is draagvlak in de buurt of wijk voor het initiatief, naast de gemeente en het initiatief is er een andere privaatrechtelijke partij bij de samenwerking betrokken en er is aandacht voor inclusiviteit. Organisatorisch kunnen bewonersinitiatieven via verschillende instanties zoals Energiesamen Zuid-Holland en LSA bewoners ondersteuning ontvangen in kennis, proces en organisatie voor het initiatief.

42

7. Monitoring en evaluatie Om de voortgang naar een aardgasvrije gemeente in 2050 te kunnen bijhouden is het belangrijk om te monitoren. Dit is verplicht voor buurten waar in de komende 10 jaar het voornemen is de Wgiw in te zetten. Men moet zeker weten dat een alternatief voor aardgas voor alle gebouweigenaren daadwerkelijk beschikbaar en toegepast is voordat de levering van aardgas stopt. Dit heet de vergewisplicht. Ook is het belangrijk om de aanpak te evalueren en waar nodig bij te stellen. In dit hoofdstuk is de monitorings- en evaluatieaanpak toegelicht.

7.1 Monitoring

Om de voortgang van de warmtetransitie goed te kunnen monitoren worden een aantal indicatoren bijgehouden, deze zijn toegelicht in de volgende tabel. Indicator Isolatiegraad

Uitwerking Frequentie Bron/actiehouder Zie toelichting onder deze Jaarlijks Gemeente tabel HoofdverwarmingsSamenvatting per buurt (cv- Jaarlijks CBS installatie ketel, warmtenet, warmtepomp, anders) Betaalbaarheid van de Actualisatie van de Incidenteel Gemeente warmtetechnieken inschatting van eindgebruikerskosten voor de gekozen warmtetechnieken per buurt Gasverbruik gebouwen Gemiddeld gasverbruik per Jaarlijks CBS buurt bewonersbewustzijn Bewonersenquête Tweejaarlijks Gemeente Aantal aansluitingen Aantal aangesloten Halfjaarlijks HVC warmtenet* gebouwen op het warmtenet voor gebieden waar een warmtenet wordt gerealiseerd, zie toelichting onder deze tabel Opt-out* Aantal gebouweigenaren dat Jaarlijks Gemeente gemeld heeft een alternatieve warmteoplossing te willen realiseren en het aantal dat dit al gerealiseerd heeft in een gebied waar een collectieve oplossing wordt gerealiseerd Aantal aardgasvrije Aantal gebouwen zonder Jaarlijks Stedin gebouwen* aardgasaansluiting * Alleen in gebieden waar de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet, moet deze data gedeeld worden.

43

Isolatiegraad De wens is om op termijn voor iedere woning de isolatiegraad inzichtelijk te hebben, dit is een grote opgave. De focus ligt daarom in eerste instantie op de buurten die nu een besparingsbuurt perspectief hebben. Voor deze buurten wordt de komende 5 jaar actief de isolatiegraad gemonitord zodat bij de herijking van het warmteprogramma het perspectief voor deze buurt kan worden geactualiseerd. Het monitoringsplan hiervoor moet nog verder worden vormgegeven. Aantal aansluitingen warmtenet Om de voortgang van het warmtenet goed te kunnen monitoren is er allereerst een startpunt nodig, zie de warmtenetaansluitingen per buurt in bijlage 5 (peildatum 20 februari 2025).

7.2 Evaluatie en herijking De uitkomsten van de monitoring worden jaarlijks besproken met het ambtelijk projectteam. Daarbij betrekken we onze partners en de regio. We maken een monitoringsverslag dat wordt gedeeld met de gemeenteraad. Hierin doen we ook een aanbeveling voor het uitvoeringstempo in relatie tot de risico’s en kansen met betrekking tot betaalbaarheid, netcongestie en draagvlak. Bij de vaststelling van het volgende warmteprogramma in 2030 beschrijven we de voortgang van de periode 2025-2030. Het huidige warmteprogramma kijkt terug op de periode 2021-2025, zie bijlage 5. De plannen in dit warmteprogramma worden aangepast als de evaluaties daar aanleiding tot geven. Als dit gevolgen heeft voor budget, planning of doelen neemt het managementteam van de gemeente hierover een besluit. In andere gevallen besluit het projectteam. Het is denkbaar dat de evaluatie ertoe leidt dat dit warmteprogramma gewijzigd moet worden. Bijvoorbeeld om een volledig andere warmteoplossing mogelijk te maken dan hier is beschreven. Voor een dergelijke wijziging van het warmteprogramma is een nieuw besluit van het college van B&W nodig.

44

Bijlagen Bijlage 1. Blauwdruk participatiestrategie Participatieblauwdruk Warmteprogramma's Drechtsteden.pdf

Bijlage 2. Uitkomsten enquête inwoners Concept Rapportage Warmteprogramma.pdf

Bijlage 3. Toelichting op het warmteperspectief per buurt Achterdijk warmtenet na 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Alblasserbos Oost all-electric Buitengebied, waarbij een warmtenet niet haalbaar zal zijn en het gasnet zoveel mogelijk uitgefaseerd zal worden. De meeste woningen zijn ongeveer 20 jaar oud en lenen zijn goed voor een all-electric oplossing. Het betreft een klein cluster woningen in het gebied. Bedrijventerrein Nieuwland Molenvliet bedrijventerrein Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties. Bedrijventerrein Oosteind en Ketel bedrijventerrein Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties. Bedrijventerrein Slobbengors De Werven bedrijventerrein Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties. Buitengebied Wilgendonk bedrijventerrein Deze buurt bestaat voor een deel uit bedrijfsfuncties. Centrum warmtenet voor 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren. In deze buurt is reeds gestart met het aansluiten van corporatiewoningen van Woonkracht10 op het warmtenet met behulp van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH).

Ook is gestart met een uitvoeringsplan om de rest van de buurt op termijn aan te sluiten op het warmtenet, bewoners hebben zelf de keuze om aan te sluiten op het warmtenet of te kiezen voor een opt-out. Het aansluiten zal waarschijnlijk plaatsvinden vanaf 2028. Op termijn zal voor deze wijk eventueel de Wgiw worden ingezet, zie paragraaf 4.1. De Boezem warmtenet na 2035 Deze buurt is deels uniform als we kijken naar bouwjaren en gebouwtypen, dit biedt veel kansen voor aansluitingen op het warmtenet. Ook ligt de buurt naast andere buurten waar op termijn een warmtenet wordt aangelegd. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

45

De Kooy warmtenet na 2035 Deze buurt ligt naast andere buurten waar op termijn een warmtenet wordt aangelegd. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Den Briel warmtenet voor 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren. In deze buurt is reeds gestart met het aansluiten van corporatiewoningen van Woonkracht10 op het warmtenet met behulp van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH), circa 99% betreft corporatie woningen in deze buurt. Ook is gestart met een uitvoeringsplan om enkele naastgelegen buurten op termijn aan te sluiten op het warmtenet. Bewoners hebben zelf de keuze om aan te sluiten op het warmtenet of te kiezen voor een opt-out. Het aansluiten zal waarschijnlijk plaatsvinden vanaf 2028. Op termijn zal voor deze wijk eventueel de Wgiw worden ingezet, zie paragraaf 4.1. Dijkwoningen besparingsbuurt Dijklint zelf is grotendeels vooroorlogs. Voor een deel van de dijk is het vanwege de werking als primaire waterkering niet mogelijk om in de lengterichting een warmtenet te plaatsen. Een vrij groot deel van de dijk in Papendrecht is geen onderdeel meer van de primaire waterkering omdat er buitendijks een nieuwe primaire waterkering is aangelegd.

Het betreft de dijkgedeelten Westeind, Bosch, Kraaihoek, westelijk deel van de Kerkbuurt tot aan de Van Speijkstraat, Oosteind en Matena. De lage woningdichtheid op het dijklint maakt het warmtenet hier nog steeds geen logische optie. Het perspectief voor alle woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld. Erasmusbuurt warmtenet voor 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren. In deze buurt is reeds gestart met het aansluiten van corporatiewoningen van Woonkracht10 op het warmtenet met behulp van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH). Ook is gestart met een uitvoeringsplan om de rest van de buurt op termijn aan te sluiten op het warmtenet, bewoners hebben zelf de keuze om aan te sluiten op het warmtenet of te kiezen voor een opt-out. Het aansluiten zal waarschijnlijk plaatsvinden vanaf 2028. Op termijn zal voor deze wijk eventueel de Wgiw worden ingezet, zie paragraaf 4.1. Het Eiland besparingsbuurt Een deel van deze buurt is aangesloten op een warmtenet van Eteck. De buurt bevindt zich tussen een oude- en nieuwe dijk met zeer divers bezit.

Daarnaast zijn het woningen van verschillende bouwjaren wat zorgt dat het eindbeeld van de warmtetransitie hier niet eenduidig te kiezen is. Het perspectief voor alle woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld. Het Zand besparingsbuurt Deze buurt bestaat uit ongeveer 80% uit corporatiebezit van Woonkracht10. De woningen in deze buurt zijn relatief oud en slecht geïsoleerd. Hierdoor is hier een hoge temperatuuroplossing nodig. Woonkracht10 gaat aan de slag om haar bezit te verduurzamen naar label B. Het perspectief voor alle woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

46

Kraaihoek Noord warmtenet na 2035 De buurt ligt naast andere buurten waar op termijn een warmtenet wordt aangelegd. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Kraaihoek Zuid warmtenet voor 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren. Ook de geplande nieuwbouw wordt aangesloten op het warmtenet. Met het huidige marktsegment is het momenteel niet mogelijk om ook de particuliere woningen aan te sluiten op dit warmtenet. De voorwaarden die nodig zijn om ook particulieren een aanbod te doen om aan te sluiten op het warmtenet zijn dat er een betaalbaar aanbod ligt. Land van Matena all-electric Deze buurt bestaat enkel uit woningen uit 2019 of ouder en is voor 97% van de bebouwing al allelectric. Het perspectief voor de overige woningen is daarom ook all-electric. Landschapspark Tiendzone (warmtenet na 2035): Een deel van deze buurt bestaat uit dijklint dat niet geschikt is voor het warmtenet. De meeste woningen bevinden zich vlak naast de buurt Zuidkil kwartier, deze woningen zijn hierdoor mogelijk wel geschikt om aan te sluiten op het warmtenet. Molenbuurt warmtenet na 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren.

Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Noordkil Kwartier warmtenet na 2035 Een groot deel van de bebouwing in deze buurt is reeds aangesloten op een warmtenet, dit warmtenet kan op dit moment niet verder worden uitgebreid. De rest van de buurt heeft een bouwtypologie die zich ook goed leent voor een warmtenet. Er zijn geen kansen om hiermee op korte termijn te starten en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Oostdonk warmtenet na 2035 De buurt ligt naast andere buurten waar potentie is voor een warmtenet. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Pontonniersbuurt besparingsbuurt Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren, echter is het de vraag of dit mogelijk is gezien de ligging van de dijk. De woningen in deze buurt zijn relatief oud en slecht geïsoleerd. Hierdoor is hier een hoge temperatuuroplossing nodig. Het perspectief voor alle woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Schildersbuurt warmtenet na 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

47

Schrijversbuurt warmtenet voor 2035 In deze buurt wordt nieuwbouwontwikkeling van woningcorporatie Woonkracht10 aangesloten op het warmtenet. Met het huidige marktsegment is het momenteel niet mogelijk om ook de particuliere woningen aan te sluiten op dit warmtenet. De voorwaarden die nodig zijn om ook particulieren een aanbod te doen om aan te sluiten op het warmtenet zijn dat er een betaalbaar aanbod ligt. Op termijn zal voor deze wijk eventueel de Wgiw worden ingezet, zie paragraaf 4.1. Sportpark Oostpolder bedrijventerrein Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit sportaccommodaties. Sportpark Slobbengors bedrijventerrein Deze buurt bestaat uit sportaccommodaties en bedrijfsfuncties. Staatsliedenbuurt warmtenet na 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Westdonk warmtenet na 2035 De buurt ligt naast andere buurten waar potentie is voor een warmtenet. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Zeeheldenbuurt warmtenet na 2035 De buurt ligt naast andere buurten waar potentie is voor een warmtenet.

Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Zuiddonk warmtenet na 2035 Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet voor deze buurt als beste oplossing naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035. Zuidkil Kwartier warmtenet na 2035 In deze buurt is een deel van de bebouwing reeds aangesloten op een warmtenet, dit warmtenet kan op dit moment niet verder worden uitgebreid. De rest van de buurt heeft een bouwtypologie die zich mogelijk ook goed leent voor een warmtenet of all-electric. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1217/documents/16859