CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

D02. 20251113 RIB Warmteprogramma_met bijlage.pdf

Oordeelsvormende vergadering Papendrecht 15 januari 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken18.804 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Aan de gemeenteraad datum behandeld door

11 november 2025 Mw. A. Groffen

ons kenmerk doorkiesnummer Onderwerp

14-078 Warmteprogramma Papendrecht 2025-2030

Geachte mevrouw, heer, Het ontwerp Warmteprogramma Papendrecht en de bijbehorende aanmeldnotitie van de plan-MER beoordeling hebben zes weken ter inzage gelegen. Om alle inwoners, gebouweigenaren, ondernemers en organisaties de gelegenheid te geven kennis te nemen van de stukken zijn deze pas na de zomervakantie ter inzage gelegd, van 1 september tot 13 oktober 2025. Er zijn geen zienswijzen ingediend waarna wij het Warmteprogramma en de aanmeldnotitie van de plan-MER beoordeling definitief hebben vastgesteld. Het is de basis om samen met onze inwoners en ondernemers richting 2050 stapsgewijs de gebouwde omgeving in Papendrecht zonder aardgas te verwarmen. Wij vertrouwen erop u hiermee voor dit moment voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris, de burgemeester,

J.M. Ansems

M.J.M. van Driel

Warmteprogramma Papendrecht 2025-2030

1

Voorwoord Wethouder Arno Janssen Beste inwoners van Papendrecht, In 2050 moeten alle gebouwen in Nederland op een duurzame manier worden verwarmd. Dat is belangrijk om minder CO2 uit te stoten en ons land klaar te maken voor de toekomst. Ook in Papendrecht gaan we stap voor stap onze huizen en overige gebouwen op een duurzame manier verwarmen. Hoe we dat gaan doen, leggen we elke vijf jaar vast in een Warmteprogramma. Dat zijn we ook verplicht. In dit Warmteprogramma staat in welke buurten we de komende tien jaar willen beginnen met een warmtenet. Dat zijn: de Erasmusbuurt, Den Briel, Centrum, Kraaihoek-Zuid en de Schrijversbuurt. In elke buurt maken we een plan op maat. Dat doen we samen met u. En we starten pas als het kan. Voor de andere buurten of wijken geven we, als we dat nu al weten, aan welke warmteoplossing we daar na 2035 verwachten. Wat de best passende oplossing ook wordt: isoleren blijft altijd belangrijk! Veel mensen zijn daar gelukkig al mee begonnen. . Voor een groot deel van Papendrecht is een warmtenet waarschijnlijk de beste oplossing. Dat is goed nieuws. Het is duurzaam, betrouwbaar en uiteindelijk de meest betaalbare keuze. Via leidingen onder de grond komt er warmte in huis, afkomstig van een duurzame warmtebron: een geothermie centrale in Sliedrecht. Uw huis wordt dan warm zonder aardgas.

De aanpassingen in huis zijn vaak beperkt, alleen koken wordt dan wel elektrisch. We zijn al goed onderweg. Woonkracht10 en HVC hebben in de afgelopen jaren al meerdere huurwoningen aangesloten op een warmtenet. Misschien heeft u de werkzaamheden in de Constantijn Huijgenslaan wel gezien. Dat was soms even spannend voor de bewoners, maar leverde uiteindelijk veel positieve reacties op. We willen deze stap ook mogelijk maken voor woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) in onze gemeente. Met dit warmteprogramma geven we meer duidelijkheid over de plannen in uw buurt en of we voor of na 2035 aan de slag gaan, zodat u zich goed kunt voorbereiden. We kunnen dit niet alleen. In de beginfase is steun van de landelijke overheid hard nodig, duidelijke regels en voldoende subsidies zijn essentieel. Daar blijven we als gemeente bij het Rijk op aandringen. Tot slot: we kijken verder dan alleen techniek. Als we in een buurt aan de slag gaan, zoeken we ook naar kansen om de leefbaarheid en openbare ruimte te verbeteren. Met dit Warmteprogramma zetten we een belangrijke stap richting een duurzame toekomst. Dat doen we samen met u en voor u. Arno Janssen, wethouder Duurzaamheid

2

Inhoudsopgave Voorwoord Wethouder Arno Janssen........................................................................................2 Samenvatting ...........................................................................................................................5 1. Inleiding................................................................................................................................8 1.1 Context (landelijk, regionaal, lokaal) ...................................................................................8 1.1.1 Drechtsteden: regionale samenwerking aan 100% procent aardgasvrij ......................8 1.1.2 Ambitie regionaal warmtenet....................................................................................8 1.2 Ambitie van de gemeente ..................................................................................................8 1.3 Doel van dit warmteprogramma .........................................................................................9 1.4 Veranderingen ten opzichte van de Transitievisie Warmte ......................................................9 1.5 Proces warmteprogramma .............................................................................................. 10 2. Regie, samenwerking en participatie ......................................................................................

11 2.1 Invulling regierol ............................................................................................................. 11 2.2 Partnersamenwerking ..................................................................................................... 11 2.3 Visie op inwonerparticipatie ............................................................................................. 13 2.4 Uitgangspunten .............................................................................................................. 14 3. Transitiepaden en fasering .................................................................................................... 16 3.1 Duurzame warmteopties ................................................................................................. 16 3.1.1 Isolatie .................................................................................................................. 16 3.1.2 Warmtenet ............................................................................................................ 17 3.1.3 All-electric ............................................................................................................. 17 3.1.4 Besparingsbuurt ....................................................................................................

18 3.1.5 Klimaatneutraal gas ............................................................................................... 18 3.2 Criteria voor warmteoptie per buurt .................................................................................. 20 3.2.1 Laagste nationale kosten ....................................................................................... 20 3.2.2 Duurzaamheid ....................................................................................................... 20 3.2.3 Inpasbaarheid in de ondergrond en de openbare ruimte .......................................... 21 3.3 Criteria voor volgorde buurten .......................................................................................... 22 3.4 Perspectiefkaart per buurt ............................................................................................... 23 3.5 Uitnodigingskader........................................................................................................... 24 3.6 Energiesysteem toets ..................................................................................................... 24 3.6.1 Uitgangspunten ..................................................................................................... 24 3.6.2 Effecten op het energiesysteem.............................................................................. 25 4.

Juridisch kader .................................................................................................................. 29

3

4.1 Ontwikkelingen uit de Wgiw .......................................................................................... 29 4.2 Vooruitblik overgangsregeling en aanwijzingen na invoering Wcw ................................... 31 4.3 Plan-MER-beoordeling.................................................................................................. 32 5. Aanpak tot en met 2035 ..................................................................................................... 33 5.1 Erasmusbuurt .............................................................................................................. 34 5.2 Den Briel ...................................................................................................................... 34 5.3 Centrum ...................................................................................................................... 35 5.4 Kraaihoek-Zuid ............................................................................................................. 35 5.5 Schrijversbuurt............................................................................................................. 36 6. Warmtetransitie per doelgroep ...........................................................................................

37 6.1 Utiliteit ......................................................................................................................... 37 6.2 Sociale woningbouw .................................................................................................... 38 6.3 Overige huurwoningen .................................................................................................. 38 6.4 Vereniging van Eigenaren (VvE’s) ................................................................................... 38 6.5 Eigenaar grondgebonden woning .................................................................................. 39 6.6 Bedrijventerreinen ........................................................................................................ 39 6.7 Nieuwbouw.................................................................................................................. 41 6.8 Warmtegemeenschap .................................................................................................. 42 7. Monitoring en evaluatie ...................................................................................................... 43 7.1 Monitoring....................................................................................................................

43 7.2 Evaluatie en herijking .................................................................................................... 44 Bijlagen ................................................................................................................................. 45 Bijlage 1. Blauwdruk participatiestrategie ............................................................................... 45 Bijlage 2. Uitkomsten enquête inwoners ................................................................................. 45 Bijlage 3. Toelichting op het warmteperspectief per buurt ......................................................... 45 Bijlage 4. Terugblik 2021-2025 ............................................................................................. 49 Bijlage 5 Begrippenlijst ............................................................................................................. 50

4

Samenvatting Alle gemeenten in Nederland moeten uiterlijk in 2026 een zogenoemd warmteprogramma opstellen. Het warmteprogramma is een programma onder de Omgevingswet. Dit programma beschrijft hoe wij als gemeente Papendrecht onze buurten en wijken de komende 10 jaar gaan verduurzamen en op termijn van het aardgas af willen halen. De warmteprogramma’s stellen we samen met andere Drechtstedengemeenten op: Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-IdoAmbacht, Sliedrecht en Zwijndrecht. We werken hierbij nauw samen met de woningcorporaties, warmtebedrijf HVC, netbeheerder Stedin en in Dordrecht ook met de energiecoöperatie Drechtse Stromen. Wat is het warmteprogramma? Het warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie Warmte uit 2021. In dit nieuwe programma staat: • • • • •

Wat we als gemeente willen bereiken; Welke buurten we als eerste aanpakken; Wat de mogelijkheden zijn voor andere buurten; Wat inwoners, ondernemers en organisaties kunnen verwachten; En hoe we verder werken aan de overstap naar aardgasvrij.

Het warmteprogramma geeft een duidelijke koers en vormt de basis voor de uitvoeringsplannen per buurt. Die plannen werken we later verder uit. Elke vijf jaar bekijken we of het programma nog actueel is, en passen we het aan als dat nodig is. Terugblik 2021-2025 De afgelopen jaren is vooral veel aandacht geweest voor isolatie van woningen. Dat blijft ook de komende jaren belangrijk. Tot nu toe zijn er nog maar weinig particuliere woningen aangesloten op het warmtenet. Dat blijft een uitdaging onder andere omdat landelijke regels en financiële steun nog onvoldoende zijn geregeld. Daarover lees je meer in paragraaf 2.4 van het volledige rapport. Daarnaast is het belangrijk dat inwoners goed worden geïnformeerd en dat ze weten wat ze kunnen doen. Omdat er veel factoren zijn die van invloed zijn op de plannen, moeten we soms bijsturen. Er zijn ook al belangrijke stappen gezet: • • • •

Het warmtenet in Oostpolder is begin 2024 overgenomen van Eneco door HVC. In het centrum zijn nieuwe warmtenetten aangelegd, waarmee flats van Woonkracht10 (WK10) zijn aangesloten. WK10 is hiermee de startmotor van de uitbreiding van het warmtenet als duurzame warmtebron. In 2024 zijn de flats aan de Constantijn Huijgenslaan aangesloten op een tijdelijk warmtenet. In 2025 volgde het complex aan de Markt en de nieuwbouwwijk Kraaihoek-Zuid.

Deze projecten zijn uitgevoerd in samenwerking met HVC, WK10 en de gemeente Papendrecht. Verder zijn er gesprekken over de aanleg van een backbone voor het warmtenet vanuit Sliedrecht door Papendrecht en de oversteek naar Zwijndrecht of Hendrik Ido Ambacht, onder de naam Grand Design Drechtsteden. Doel is: een groot warmtenet in de Drechtsteden met

5

duurzame bronnen en met overal dezelfde warmteprijs. We zijn er trots op hoe wij hierin met alle partijen goed samenwerken en elkaar blijven ondersteunen. Waar gaan we naartoe? Samen met de andere deelnemende Drechtstedengemeenten en de betrokken samenwerkingspartners hebben we afspraken gemaakt voor dit warmteprogramma. Belangrijk uitgangspunt is dat de overstap naar aardgasvrij voor iedereen haalbaar en betaalbaar moet zijn. Dat is nu nog niet overal het geval omdat niet alle randvoorwaarden op orde zijn. We pakken de warmtetransitie stap voor stap aan en gaan aan de slag waar dit kan. Daar waar de overstap naar aardgasvrij nog niet haalbaar en betaalbaar is, gaan we op zoek naar tussenstappen. Een belangrijke eerste stap is het toepassen van isolatie en andere vormen van energiebesparing. Warmte perspectiefkaart: wat is waar mogelijk? Op basis van de bovengenoemde uitgangspunten, afwegingscriteria en lokale context hebben we voor elke buurt in kaart gebracht wat op dit moment de beste warmte-oplossing is en op welk moment we daarmee aan de slag kunnen. We hebben hierbij gekeken naar de laagste nationale kosten volgens de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving 2025, duurzame warmtebronnen in de buurt, wat het betekent voor de openbare ruimte, mogelijkheden om werkzaamheden te combineren en hoe duurzaam de oplossing is.

Soms wijkt ons oordeel af van het beeld in de Startanalyse omdat wij als gemeente de lokale situatie beter kennen.

Sommige opties zijn vervallen, zoals het gebruik van klimaatneutraal gas als eindoplossing (dat is nu nog te onzeker). Alle buurten waar alleen elektrische oplossingen mogelijk zijn, krijgen voorlopig 2050 als richtjaar. Dit heeft te maken met overbelasting van het stroomnet. In de Transitievisie Warmte werd hier nog het onderscheid gemaakt tussen 2040 en 2050.

6

De Warmte perspectiefkaart laat zien wat onze voorkeuren en dat van onze partners zijn per buurt op de korte en lange termijn. Tegelijk staan we open voor andere ideeën, zoals initiatieven van bewoners of kleine duurzame projecten. Hiervoor is het zogenaamde uitnodigingskader opgezet: dat is bedoeld voor iedereen die met een goed alternatief komt. Bijvoorbeeld buurtinitiatieven of kleine aanbieders van duurzame warmte. Wat gaan we doen tot en met 2035 We verwachten tot 2035 aan de slag te gaan in de Erasmusbuurt, Den Briel, Centrum, Kraaihoek-Zuid en de Schrijversbuurt. Voor deze buurten kunnen we alleen een goed aanbod doen als het Rijk voldoende subsidie beschikbaar stelt om een haalbaar en betaalbaar aanbod te kunnen doen. Deze buurten zijn op de kaart op pagina 6 aangegeven in donkergroen. Wat kunt u verwachten? We hebben een enquête gehouden onder inwoners. Daaruit blijkt dat mensen graag op buurtniveau betrokken willen worden. Dus niet in grote lijnen voor de hele gemeente, maar specifiek voor hun eigen wijk/buurt. Die wens nemen we mee bij de uitwerking van het warmteprogramma en de ontwikkeling van de uitvoeringsplannen. Tot slot: we houden de voortgang naar een aardgasvrije gemeente in 2050 goed in de gaten. Door te monitoren kunnen we straks zorgvuldig beoordelen wat goed gaat, en wat beter kan en zo nodig ons programma bijstellen.

7

1. Inleiding In dit hoofdstuk is de context rondom het warmteprogramma geschetst, wat de veranderingen zijn ten opzichte van de Transitievisie Warmte en hoe dit programma tot stand is gekomen.

1.1 Context (landelijk, regionaal, lokaal) In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over het verduurzamen van de gebouwde omgeving. In 2050 zijn alle Nederlandse gebouwen verduurzaamd. We gebruiken dan geen aardgas meer in onze woningen en bedrijven. De ambitie van het Klimaatakkoord is om in 2030 1,5 miljoen woningen van het aardgas of aardgasvrij-ready te hebben. Ook is afgesproken dat de regierol voor deze warmtetransitie bij de gemeenten ligt. Hoe de gemeenten deze transitie vormgeven, is in de Transitievisie Warmte voor het eerst vastgelegd. In 2021 ontbrak het wettelijk kader en de instrumenten om gemeenten ook daadwerkelijk de bevoegdheden te geven die nodig zijn om regie te voeren in de warmtetransitie.

1.1.1 Drechtsteden: regionale samenwerking aan 100% procent aardgasvrij In de afgelopen jaren is in de Drechtsteden verder gewerkt aan het gezamenlijk groeien naar 100% aardgasvrij, uiterlijk in 2050. Deze belangrijke opgave kan alleen worden gerealiseerd met samenwerking en collectieve inzet van alle partijen op de warmtetransitie. De samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, HVC, provincie en Stedin loopt al geruime tijd en is geborgd in het Versnellingsprogramma Drechtsteden uit 2024. We zijn trots op deze basis en de al behaalde resultaten in het aardgasvrij maken van de Drechtsteden. We concluderen ook dat de huidige inzet nog niet leidt tot de benodigde snelheid voor de realisatie van de lokale-, regionale- of landelijke doelstellingen . De regio Drechtsteden zet daarom, tezamen met onze samenwerkingspartners actief in op lobby richting het Rijk.

1.1.2 Ambitie regionaal warmtenet Het warmtenet in Papendrecht is onderdeel van het gezamenlijke Drechtsteden warmtenet. De ambitie van dit gezamenlijke warmtenet is om tenminste 60.000 aansluitingen op het warmtenet te realiseren in 2050, dit is exclusief bedrijventerreinen. Anno februari 2025 zijn er in heel de Drechtsteden ruim 12.000 warmtenetaansluitingen gerealiseerd. Daarnaast is in de Regionale Energiestrategie (RES) Drechtsteden opgenomen dat er tenminste een aanvullende 12.000 woningequivalenten (WEQ) aardgasvrij wordt gemaakt voor 2030 met een warmtenet. Liever nog sluiten we voor 2030 tenminste 25.000 WEQ op een warmtenet aan. Deze doelstelling komt bovenop de 7.500 WEQ die toen al waren aangesloten. De RES Drechtsteden is vastgesteld in 2021. Momenteel is er nog veel onduidelijkheid en onzekerheid over de wet- en regelgeving voor de warmtetransitie. Deze wet- en regelgeving is essentieel voor het behalen van onze ambitie. In dit warmteprogramma zijn de randvoorwaarden zoals betaalbaarheid en subsidies opgesteld die nodig zijn om onze ambitie te halen, zie paragraaf 2.4.

1.2 Ambitie van de gemeente We hebben de verplichting om als gemeente in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. Samen met de andere Drechtsteden hebben wij de ambitie om de warmtetransitie als geheel te versnellen. In dit warmteprogramma is een perspectiefkaart opgenomen waar de aardgasvrije voorkeursoplossing per buurt is aangegeven, zie hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens ingezoomd op de buurten waar de komende 10 jaar mee aan de slag wordt gegaan. Uiterlijk

8

iedere 5 jaar wordt dit warmteprogramma herijkt. En worden de perspectiefkaart en de plannen voor de komende 10 jaar geactualiseerd.

1.3 Doel van dit warmteprogramma Het warmteprogramma is een programma onder de Omgevingswet. Grote inhoudelijke thema's zoals de warmtetransitie worden onder de Omgevingswet uitgewerkt in een programma, waarmee de gemeente haar taken en bevoegdheden voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving concretiseert. In het warmteprogramma beschrijft een gemeente haar plannen voor de verduurzaming van de buurten voor de komende 10 jaar. Het warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie Warmte (TVW) die gemeenten in 2021 hebben vastgesteld. In de Transitievisie Warmte van 2021 zijn de sporen naar een aardgasvrij Papendrecht voor het eerst vastgelegd. In dit warmteprogramma zijn deze sporen geactualiseerd en is aangegeven waar we de komende 10 jaar aan de slag gaan met warmtenet. Met dit nieuwe warmteprogramma willen we het onderstaande bereiken: • Duidelijkheid en handelingsperspectief voor bewoners, professionele partners, ondernemers en andere gebouweigenaren. Onder andere door het benoemen van buurten of wijken die voor en na 2035 worden aangepakt richting aardgasvrij. • Een zorgvuldige basis voor de wijk- of buurtgerichte aanpak, de uitvoeringsplannen. • Heldere rapportages over de plannen van de lokale warmtetransitie en de voortgang daarvan doormiddel van monitoring. Dit warmteprogramma legt een basis voor de buurtgerichte aanpak met de kennis van nu.

De uiteindelijke aanpak kan afwijken van wat in dit warmteprogramma is opgeschreven. De oplossingen gepresenteerd in dit warmteprogramma kunnen veranderen. Dit kan bijvoorbeeld komen door een initiatief van bewoners voor een alternatieve duurzame warmtebron, doordat alternatieven haalbaarder en betaalbaarder worden. Of door toekomstige ontwikkelingen die we nu nog niet voorzien, zoals technische innovaties en veranderend beleid vanuit het Rijk.

1.4 Veranderingen ten opzichte van de Transitievisie Warmte De veranderingen tussen de Transitievisie Warmte en het Warmteprogramma zijn zowel inhoudelijk als juridisch. Juridisch Juridisch betekent dit dat het warmteprogramma een verplicht programma onder de Omgevingswet is. Dit programma verplicht de gemeente om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de doelen uit het programma worden gehaald. Die verplichting gold niet voor de Transitievisie Warmte omdat de TVW een beleidsstuk is zonder de bindende verplichtingen van een programma. Daarnaast krijgt de gemeente uit de toekomstige Wet collectieve warmte (Wcw) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) de instrumenten in handen die noodzakelijk zijn om de warmtetransitie te versnellen. De Wcw geeft de gemeente de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen die van aardgas overstappen naar een collectieve warmteoplossing en om te bepalen wie dat exploiteert. Met de Wgiw krijgt de gemeente de aanwijsbevoegdheid voor het beëindigen van het aardgastransport binnen een bepaalde termijn. In hoofdstuk 4 geven we duidelijkheid over de toepassing van de Wgiw en Wcw in onze gemeente.

9

Inhoudelijk In de Transitievisie Warmte werd gesproken over maatschappelijke kosten. In het warmteprogramma is dit aangepast naar nationale kosten. Onder nationale kosten worden alle kosten en baten verstaan die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Niet-financiële en indirecte effecten zoals luchtvervuiling en geluidshinder zijn geen onderdeel van deze nationale kosten. Onder maatschappelijke kosten vallen ook deze indirecte effecten die niet meetbaar zijn. Vandaar dat in dit warmteprogramma wordt gerekend met de nationale kosten. In de Transitievisie Warmte werd voor de perspectiefkaart uitgegaan van CBS-wijken. Papendrecht heeft vijf grote wijken. Voor de perspectiefkaart in dit warmteprogramma is uitgegaan van buurten. Dit maakt het specifieker en meer inzichtelijk wat het perspectief is per buurt. Een wijk kan hiermee meerdere perspectieven hebben. De locatie van de duurzame warmtebron en mogelijke koppelkansen zijn bepalend voor welke gebieden daadwerkelijk worden aangesloten op het warmtenet. In dit warmteprogramma is voor de perspectiefkaart deze slag gemaakt met de kennis die anno 2025 voor handen is. Er zijn wel minder perspectieven dan op de perspectiefkaart in de Transitievisie Warmte. Zo is er nog maar één variatie van de besparingsbuurt, namelijk dat bij de volgende herijking de warmteoptie opnieuw beoordeeld wordt.

Eerst was hier ook de variant met een perspectief voor groen gas, door de onzekerheden rondom klimaatneutraal gas wordt dit nu niet meer als eindperspectief gezien. Voor een verdere toelichting zie paragraaf 3.1.5. Daarnaast is door (dreigende) netcongestie besloten alle buurten met een all-electric perspectief de einddatum 2050 te geven. In de Transitievisie Warmte werd hier nog onderscheid gemaakt tussen 2040 en 2050.

1.5 Proces warmteprogramma Bij het opstellen van het warmteprogramma zijn verschillende partijen betrokken. Samen met woningcorporaties, netbeheerder Stedin en warmtebedrijf HVC, gemeenteambtenaren en de regio Drechtsteden is dit warmteprogramma in samenspraak opgesteld. Ook is er een enquête uitgezet onder inwoners om op te halen hoe zij geïnformeerd willen worden bij het vervolg van de warmtetransitie en hoe zij willen meedenken over de uitvoeringsplannen, zie paragraaf 2.3. Uit de enquête blijkt dat de huidige visie op participatie (inwoners uitgebreid betrekken op buurt- of wijkniveau in plaats van op gemeentelijk niveau) de voorkeur heeft. In de uitvoering van het warmteprogramma en de ontwikkeling van de uitvoeringsplannen wordt hier verder vorm aangegeven. Om de plannen in dit warmteprogramma tot uitvoering te brengen wordt een strategie opgesteld. Om deze uitvoeringsstrategie succesvol te laten zijn moet aan voorwaarden voldaan worden. Dat houdt in dat de Wgiw en de Wcw in werking zijn getreden, dat er een definitie is bepaald voor betaalbaarheid en dat de beschikbare warmteoplossingen betaalbaar zijn.

10

2. Regie, samenwerking en participatie In dit hoofdstuk lichten we toe hoe de gemeente invulling geeft aan haar regierol. Ook wordt er ingegaan op de samenwerking met partnerorganisaties en op inwonerparticipatie. Het hoofdstuk eindigt met de uitgangspunten, deze punten vormen de basis voor de warmtetransitie van de zes genoemde gemeenten in de Drechtsteden.

2.1 Invulling regierol

Met het opleveren van de Transitievisie Warmte in 2021 heeft de gemeente Papendrecht haar regierol opgepakt in de warmtetransitie. Hoewel wettelijk (nog) niet is vastgelegd hoe de regierol er precies uitziet, hebben we samen met de andere gemeenten in de Drechtsteden in onze uitgangspunten wel gekozen voor een strategische visie op deze regierol. Onze visie: • We willen voor inwoners en stakeholders helderheid scheppen over de opties voor aardgasvrij en de volgorde wanneer buurten of wijken van het gas afgaan. Het eerlijke verhaal staat centraal in de aanpak voor het Warmteprogramma. • We willen tempo maken met de warmtetransitie en vinden het versnellen van de resultaten belangrijk. De uitrol van het warmtenet zien we daarbij als belangrijke motor om het elektriciteitsnet te ontlasten en de gehele energietransitie te versnellen. • We werken in samenspraak met vele partners aan het warmteprogramma. Deze partnersaanpak borgt een zorgvuldige belangenafweging in de gekozen aardgasvrij oplossing per buurt of wijk. • We pakken de warmtetransitie aan in samenhang met ruimtelijke en sociaaleconomische opgaven. We werken hierin samen met partners en andere afdelingen van de gemeente. We streven met deze aanpak naar het beperken van kosten, werk en hinder voor inwoners door opgaven slim te combineren.

• We kiezen voor daadkrachtig sturen om leiding te geven aan deze complexe en maatschappelijke opgave. Dit is de regio waar we het waar kunnen maken, wij zijn er klaar voor en leveren het voorbeeld voor heel Nederland. De regio neemt daarin zijn verantwoordelijkheid en werkt heel goed samen voor het realiseren van de warmtetransitie. We pakken deze rol ook in de landelijke lobby onder andere op het gebied van betaalbaarheid en subsidieregelingen omdat we relatief veel praktijkervaring hebben met de inzet hiervan.

2.2 Partnersamenwerking In de Drechtsteden wordt er op veel vlakken met elkaar samengewerkt zoals bijvoorbeeld met deze warmteprogramma’s. Ook zijn er verschillende samenwerkingsovereenkomsten gesloten zoals het Energieakkoord Drechtsteden en het Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij. Warmteprogramma’s Zes van de zeven Drechtsteden, naast onze gemeente zijn dat Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Sliedrecht en Zwijndrecht, hebben in een gezamenlijk regionaal traject gewerkt aan de warmteprogramma’s 2025. Net als ook bij het opstellen van de Transitievisies Warmte in 2021. Door dit gezamenlijke proces wordt optimale afstemming binnen de regio verzekerd. De Drechtsteden groeien met elkaar naar een 100% aardgasvrije regio in uiterlijk 2050. Deze belangrijke opgave kan alleen worden gerealiseerd met samenwerking en collectieve inzet op de warmtetransitie. De samenwerking tussen gemeenten,

11

woningcorporaties, warmtebedrijf HVC, Provincie Zuid-Holland, Stedin en Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) loopt al geruime tijd. Energieakkoord Drechtsteden In de regio Drechtsteden werken ruim 35 partners aan het Energieakkoord Drechtsteden. De partners vertegenwoordigen organisaties die elk hun eigen ambities en planning hebben als het gaat om de energietransitie, maar die samen meer kunnen bereiken. Met elkaar zijn we bereid om kennis, mensen en middelen in te zetten om het gebruik van fossiele energiebronnen terug te dringen. De doelstelling van de regio Een betaalbare, betrouwbare, duurzame en rechtvaardige energievoorziening. Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij In het Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij is vastgelegd dat zowel individuele oplossingen als het collectieve spoor in de warmtetransitie versnelling nodig heeft. Anders wordt het doel om in 2050 energieneutraal te zijn niet gehaald. Dit Versnellingsprogramma is ondertekend in januari 2024 door alle gemeenten en woningcorporaties in de regio Drechtsteden, de provincie Zuid-Holland, HVC en Stedin. Met het Versnellingsprogramma onderstrepen we de urgentie en ambitie om de warmtetransitie in de Drechtsteden op basis van solidariteit en samenwerking tijdig te realiseren. Waarbij we ons nadrukkelijk inzetten om de uitvoering van de warmtetransitie fors te versnellen.

Het Versnellingsprogramma beschrijft hoe wij elkaar in deze opgave vasthouden en ons individueel en gezamenlijk inzetten om deze ambitie en versnelling tot stand te brengen. De inzet heeft zowel betrekking op collectieve oplossingen zoals een warmtenet, als op het collectief organiseren van individuele oplossingen zoals warmtepompen. Een van de afspraken uit het Versnellingsprogramma is dat de gemeenten in 2025 de warmteprogramma’s hebben opgesteld. Dit is eerder dan de wettelijke actualisatietermijn van 31 december 2026. Met deze planning wordt voldaan aan het zo snel mogelijk inzichtelijk maken van de gewenste duidelijkheid waar welke warmteoptie de voorkeur heeft. Warmtebod Op initiatief van het Uitvoeringsoverleg Gebouwde Omgeving en het Nationaal Klimaat Platform is in het voorjaar van 2024 een aantal partijen bij elkaar gebracht om te doorgronden waarom de ontwikkeling van warmtenetten stagneert. Deze partijen, verzameld in de Warmtealliantie, zijn zich gaan verdiepen in de analyse en het vinden van oplossingen om de ontwikkeling van warmtenetten weer op de rails te krijgen. Dit heeft geleid tot het Warmtebod. In het Warmtebod beschrijft de Warmtealliantie de positieve impact op de warmtemarkt als aan de juiste randvoorwaarden wordt voldaan. De belangrijkste randvoorwaarden volgens de Warmteallantie zijn: 1. Beheersing van de betaalbaarheid van het warmtenet. 2.

Meer toegesneden financiering en optimalisering van subsidiesystemen voor warmtenetten. 3. Snelle duidelijkheid over de marktordening. Alle Drechtsteden gemeenten hebben zich aangesloten bij deze Warmtealliantie en steunen het Warmtebod. Het op orde krijgen van alle randvoorwaarden zoals beschreven in het Warmtebod vraagt tijd en aanvullende Rijksmiddelen.

12

2.3 Visie op inwonerparticipatie De warmtetransitie raakt vroeg of laat iedere inwoner in de gemeente. Het is een grote en ingrijpende opgave om de gehele bebouwde omgeving aardgasvrij te maken. De warmtetransitie is alleen succesvol als iedereen meedoet en de nodige stappen zet naar een aardgasvrije woning of gebouw. Regionaal hebben de Drechtsteden een participatieblauwdruk opgesteld om invulling te geven aan het participatietraject voor de warmteprogramma’s. In twee sessies waarbij alle gemeenten, de regio en HVC vertegenwoordigd waren, is deze blauwdruk opgesteld, zie bijlage 1. Vervolgens heeft de gemeente deze blauwdruk verder uitgewerkt tot een participatiestrategie. Een onderdeel van deze participatiestrategie is een gemeentelijke landingspagina over het warmteprogramma op het platform duurzaam-drechtsteden.nl, zie een verdere toelichting van deze strategie in bijlage 2. Het warmteprogramma is nog een vrij abstract document voor (de meeste) inwoners, omdat hier de plannen voor de komende 10 jaar worden geduid, maar nog niet wordt ingezoomd op buurtniveau. Uit de huidige trajecten in buurten en wijken, weten we inmiddels dat de uitvoeringsplannen meer invloed op de directe leefomgeving van inwoners, bedrijven en organisaties hebben. Voor de meeste inwoners is het daarom relevanter om vanaf buurtniveau actief mee te denken.

Er is daarom gekozen om inwoners niet te laten meedenken over de regionale en gemeente brede keuzes die zijn gemaakt in de warmteprogramma’s, maar om uit te vragen hoe zij bij het vervolg van de warmtetransitie geïnformeerd en betrokken willen worden. En de uitgebreide warmteopties te bespreken in het buurt- of wijkuitvoeringsplan, waar inwoners kunnen meedenken over de verschillende warmteopties. Uiteindelijk bepaalt en kiest de woningeigenaar welke oplossing de voorkeur heeft. Inwoners hadden van 17 februari tot en met 9 maart 2025 de mogelijkheid om dit door middel van een enquête aan te geven. Uit de enquête kwam naar voren dat de meeste deelnemers op de hoogte willen worden gehouden via e-mail of huis-aan-huisbladen. Jongeren (18-35 jaar) hebben vaker een voorkeur voor communicatie via sociale media. Bijna een kwart van de deelnemers aan het onderzoek geeft aan zeker mee te willen denken over de keuzes die gemaakt worden in een uitvoeringsplan. Veel bewoners zijn bereid om mee te denken over het uitvoeringsplan, mits hun inbreng daadwerkelijk invloed heeft. Er heerst een sterke behoefte aan transparantie en keuzevrijheid, vooral op financieel gebied. Mensen willen niet alleen op de hoogte worden gehouden, maar ook actief kunnen meebeslissen over de kosten en de warmteoplossingen die worden aangeboden.

De grootste zorg ligt bij de betaalbaarheid (zie ook paragraaf 2.4) bewoners willen niet verplicht worden tot dure systemen zonder voldoende alternatieven. Daarnaast is er ook behoefte aan betere informatie. Bewoners vragen om duidelijke en toegankelijke uitleg over de verschillende mogelijkheden, kosten en gevolgen, zodat ze goed geïnformeerd kunnen deelnemen aan het proces. Zie bijlage 2 voor alle resultaten van deze enquête.

13

2.4 Uitgangspunten De keuzes die in dit warmteprogramma zijn gemaakt, zijn gebaseerd op de uitgangspunten die samen met bewoners en professionele partners zijn opgesteld in 2021 voor de Transitievisie Warmte. De zes Drechtsteden die onderdeel zijn van het regionale traject om gezamenlijk tot de warmteprogramma’s te komen, hebben samen met hun professionele partners deze uitgangspunten herijkt, wat heeft geleid tot de volgende uitgangspunten: 1. Voortvarend aan de slag met isolatie en andere vormen van energiebesparing Goede isolatie, ventilatie en de overstap naar elektrisch koken zijn essentieel om onze gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier te verwarmen. Het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving is een stapsgewijs proces. Ook in buurten waar nog geen betaalbare of passende oplossing is om van het aardgas af te gaan, kunnen woningen en gebouwen al worden voorbereid op de transitie. In die buurten is het van belang gebouweigenaren te stimuleren en te ondersteunen om gebouwen ‘transitie gereed’ te maken door aan de slag te gaan met tussenstappen zoals isoleren, elektrisch koken en hybride oplossingen. Binnen de Drechtsteden zijn we samen met Alblasserdam, Sliedrecht en Zwijndrecht gestart met het Meerjarige Collectieve Ontzorgingsprogramma (MCO).

Het MCO-Programma heeft als doel om de verduurzamingsimpact te maximaliseren binnen de beschikbare tijd, middelen, expertise en capaciteit. Het MCO-Programma heeft een doorlooptijd tot en met 31 augustus 2028 met de optie om tweemaal te verlengen met 12 maanden. Met deze aanpak worden eigenaren van grondgebonden koopwoningen ontzorgd met het verduurzamen van hun woning. Alle deelnemende woningeigenaren worden ontzorgd in de vorm van een advies en soms ook financieel. In eerste instantie is gekozen voor een doelgroep benadering. Hierbij is vooral gekeken naar gebouwkenmerken en/of er sprake is van energiearmoede. Met het in beeld komen van verschillende transitiepaden in dit warmteprogramma wordt binnen het MCO-Programma gekeken naar een meer gebiedsgerichte aanpak. Immers die gebieden die het eerst aardgasvrij worden gemaakt, moeten ook als eerste transitiegereed zijn voor wat betreft isolatie. In deze aanpak wordt voor alle deelnemende woningen toegewerkt naar de standaard isolatiewaarde. Met deze isolatiewaarde is een woning voldoende geïsoleerd voor zowel warmtenetten als warmtepompen. 2. Iedereen moet mee kunnen doen Betaalbaarheid is voor inwoners van de Drechtsteden een belangrijk vraagstuk. Er is nog veel onzekerheid over de kosten van de warmtetransitie en de verdeling ervan. Er ligt een taak bij de Rijksoverheid om dit op te lossen.

Wat we wel weten is dat de warmtetransitie alleen kan slagen als iedereen mee kan doen, ook mensen met lagere inkomens, en dat daar oplossingen voor moeten komen. Sommige gebouwen, bijvoorbeeld monumenten, zijn moeilijk aardgasvrij te maken, ook deze gebouweigenaren hebben handelingsperspectief nodig. Daarom pakken we de transitie gefaseerd aan en gaan we pas van het aardgas af als het alternatief voor aardgas maatschappelijk aanvaardbaar en voor iedereen toegankelijk is. We erkennen dat deze transitie veel meer is dan een technische operatie. De sociaal-maatschappelijke kant van de transitie is essentieel. Voldoende beschikbaarheid van goede begeleiding en ondersteuning voor gebouweigenaren is daarbij een randvoorwaarde. 3. Bij een collectieve voorkeursoplossing is er altijd een opt -out mogelijkheid Gebouweigenaren en/of bewoners worden altijd betrokken bij de keuze voor de warmtevoorziening in hun buurt of wijk. De gebouweigenaar maakt zelf de keuze over het

14

alternatief voor zijn of haar woning of gebouw. De praktijk zal echter ook uitwijzen dat er niet altijd sprake is van een vrije keuze uit alle oplossingen, vanwege technische of financiële beperkingen. Er is bijvoorbeeld niet overal een grootschalig warmtenet mogelijk. Ook is het niet realistisch om te verwachten dat overal duurzaam gas beschikbaar komt. De verwachting is dat dit zeer beperkt beschikbaar is voor de gebouwde omgeving. Het is belangrijk een balans te vinden tussen keuzevrijheid en betaalbaarheid, want meer van het één betekent soms minder van het ander. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer in een wijk meerdere eigenaren kiezen voor een individuele oplossing in een gebied waar een collectieve oplossing de (nationaal) meest betaalbare optie is. Die keuze maakt de collectieve oplossing minder betaalbaar. In wijken waar een collectieve warmteoplossing voor de hand ligt, is het daarom niet vanzelfsprekend om particulieren aan te moedigen te kiezen voor een individuele warmtepomp. Desalniettemin heeft een gebouweigenaar altijd de optie om niet mee te doen met de eventueel aangeboden collectieve oplossing, de zogenoemde opt-out. Gebouweigenaren kunnen ook samen met buurtgenoten werken aan een gezamenlijke aardgasvrije oplossing, denk hierbij bijvoorbeeld aan een mini-warmtenet. Zie paragraaf 3.5 voor een toelichting op dit uitnodigingskader.

In ieder geval is aardgas op termijn geen optie meer. 4. Randvoorwaarden op orde In uitgangspunt 2 ‘iedereen moet mee kunnen doen’ is het al beschreven: betaalbaarheid is cruciaal. Zolang de warmtetransitie niet betaalbaar en haalbaar is, zal er geen grootschalige uitrol van aardgasvrije woningen plaatsvinden. Bij de Rijksoverheid ligt nu de taak om het betaalbaarheidsvraagstuk op te lossen. Ook wordt door het Rijk gewerkt aan de benodigde weten regelgeving. De regio Drechtsteden zet zich actief in voor de lobby om deze randvoorwaarden op orde te krijgen en neemt daar waar dit mogelijk is het initiatief om zelf oplossingen te vinden. Zo is door de gemeenten gewerkt aan een eigen betaalbaarheidskader, zie paragraaf 4.2. Op deze manier verwachten we de warmtetransitie in het benodigde tempo te realiseren. Voor de warmtetransitie is veel elektriciteit nodig, genoeg ruimte op het elektriciteitsnet is noodzakelijk. Momenteel is dat er niet, daarom wordt gewerkt aan verzwaring en verslimming van het net. Dit kost tijd en vraagt om een slimme fasering van maatregelen voor de energietransitie. De uitkomsten van dit warmteprogramma zijn getoetst aan het energiesysteem, zie paragraaf 3.6.

15

3. Transitiepaden en fasering In dit hoofdstuk zijn de mogelijke duurzame warmteopties voor een buurt toegelicht. Ook zijn de criteria voor het bepalen van de beste warmteoptie en de criteria voor de volgorde van de buurten benoemd. De warmte perspectiefkaart laat de beste warmteoptie zien per buurt. Daarnaast is de warmte perspectiefkaart getoetst aan het energiesysteem.

3.1 Duurzame warmteopties

In deze paragraaf zijn de verschillende mogelijke aardgasvrije perspectieven voor een buurt toegelicht. Dit zegt nog niets over de fasering of planning per buurt, dit is nader toegelicht in paragraaf 3.4. Ook is benoemd hoe koeling wordt meegenomen.

3.1.1 Isolatie Ongeacht de beoogde warmteoptie voor een buurt of wijk is het van belang dat de warmtevraag wordt teruggedrongen en andere noodzakelijke gebouwaanpassingen worden gemaakt. Dit zijn schilmaatregelen, zoals isolatie van de gevel, dak en vloer en vervanging van glas, aanpassingen in de binnen installatie, zoals radiatoren, ventilatie, het dichten van kieren en elektrisch koken. Ook kan er worden gekozen voor een hybridewarmtepomp als tussenoplossing. Bij gebouw gebonden maatregelen is het altijd de vraag hoever er moet worden gegaan om transitie gereed te zijn. In dit warmteprogramma wordt als uitgangspunt genomen dat aan het einde van de warmtetransitie zoveel mogelijk gebouwen het standaardniveau voor isolatie hebben bereikt. Deze zogenoemde isolatiestandaard is een niveau dat als toekomstbestendig kan worden beschouwd. De betreffende woning hoeft dan voor 2050 niet nogmaals geïsoleerd te worden, bij aansluiting op duurzame (warmte)bronnen met een lagere temperatuurwarmte. Voorwaarde is wel dat de temperatuur daarvan ten minste 50°C is (voor vooroorlogse woningen is dat 70°C). Isoleren naar de Standaard zorgt ervoor dat een naoorlogse woning in ieder geval met 70 graden kan worden verwarmd en ook met 50 graden als de binnen installatie daarvoor geschikt wordt gemaakt.

De isolatie 'standaard' is dus een niveau om zonder spijt 'no-regret' transitie gereed te zijn voor (bijna) alle warmteopties. Bovendien is uit onderzoek van TNO en het Centraal Planbureau gebleken dat, in doorsnee, de kosten en baten van isoleren tot de standaard ongeveer overeenkomen. In 2021 zijn op nationaal niveau Standaard en Streefwaarden ingevoerd, die per woningtype inzicht geven in de manier waarop het 'no-regret' niveau kan worden behaald. De isolatiestandaard is voor de ene woning lastiger te bereiken dan voor de andere. Nieuwere woningen zitten vaak al op dit niveau en oude gebouwen, veelal vooroorlogs of monumentaal, zijn zo oud dat je een relatief hoge warmtevraag overhoudt, ook al doe je het maximale binnen de bestaande schil. Voor deze woningen zijn de geschikte warmteopties beperkt. Zodra de gemeente in deze buurt of wijk start met een uitvoeringsplan is maatwerk nodig. Uit ervaring is gebleken dat een blok voor blok aanpak voor isoleren niet werkt, inwoners kiezen zelf wanneer het beste (natuurlijke) moment is voor hen om te isoleren. Het MCO-Programma gaat uit van een continu aanbod voor bewoners. Om urgentie te creëren wordt binnen dit aanbod wel gewerkt met een zogenaamde call to action datum. Dat betekent enerzijds dat inwoners geactiveerd worden om over te gaan tot het nemen van verduurzamingsmaatregelen.

Anderzijds betekent dit dat inwoners op een voor hun natuurlijk moment ontzorgd kunnen worden. Je hoeft niet in één keer je gehele woning te isoleren, je kunt dit ook in stappen doen. Voor zowel isoleren in stappen als in één keer is Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE)

16

beschikbaar. Inwoners kunnen terecht bij het platform duurzaam-drechtsteden.nl voor meer informatie over subsidiemogelijkheden.

3.1.2 Warmtenet Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse, geïsoleerde leidingen die warm water vervoeren naar meerdere gebouwen. Er is dan sprake van een collectieve warmtevoorziening. De woning heeft in vergelijking met all-electric over het algemeen minder ingrepen aan de schil en de binnen installatie nodig. In de woning is technisch alleen een afleverset benodigd. De temperatuur van het via de afleverset aangeleverde warme water moet voldoende zijn om de woningen te kunnen verwarmen en in samenhang zijn met de temperatuur van de bron. Voor veel woningen is een midden temperatuur warmtenet dat 70 graden levert op de koudste dagen van het jaar de oplossing met de laagste nationale kosten. Bij 70 graden aanvoer en een isolatieniveau van de ‘standaard’ wordt een optimaal punt bereikt tussen techniek, kosten en wooncomfort. Warmtenetten hebben als belangrijk kenmerk dat er grote investeringen in de infrastructuur nodig zijn. Hierdoor zijn warmtenetten alleen haalbaar in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid. Door het stedelijke karakter van de Drechtsteden is een groot deel van de bestaande bouw geschikt voor warmtenetten. Een ander belangrijk kenmerk van warmtenetten is dat een warmtenet in een relatief kort tijdsbestek moet worden ontwikkeld.

Om snel voldoende aansluitingen te realiseren waarmee voorinvesteringen worden voorkomen en sneller aansluiten op een duurzame bron mogelijk is. Zo blijft het warmtenet haalbaar en betaalbaar. De slib- en afvalverbranding van warmteleverancier HVC wordt gebruikt als duurzame bron voor het regionale midden temperatuur warmtenet en er wordt op termijn gestart met de bouw van een geothermiecentrale in Sliedrecht. Zolang de warmtenetten van de verschillende Drechtsteden gemeenten niet met elkaar verbonden zijn, wordt er gebruik gemaakt van tijdelijke bronnen. Een variant op het warmtenet op 70 graden aanvoer is een laagtemperatuur warmtenet met een maximale aanvoertemperatuur van circa 40 graden. Deze variant is voor de bestaande bouw minder logisch door de hogere gebouw gebonden investeringen om die warmte vast te houden. Voor grootschalige nieuwbouwontwikkelingen kan het interessant zijn om een laagtemperatuurwarmtenet te ontwikkelen. Dit moet per project bekeken worden. In principe heeft een warmtenet geen koelsysteem waar je gebouwen ook mee kunt koelen, zoals bij een bronnet met Warmte-Koude-Opslag (WKO) wel het geval is (zie 3.1.3 all-electric). Voor grote complexen wordt het warmtenet soms gecombineerd met een koel- en ventilatiesysteem. Voor grondgebonden woningen zijn andere maatregelen zoals, vergroening en zonwering, vaak vele malen (kosten)effectiever.

3.1.3 All-electric All-electric betekent dat er in principe alleen nog een elektriciteitsnet in de buurt aanwezig is. Er is dan een warmte-opwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Bijvoorbeeld een warmtepomp die warmte haalt uit de buitenlucht of de bodem. Elke individuele vastgoedeigenaar kan op ieder moment de keuze maken om zijn huis niet alleen te isoleren, maar ook de gasketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus veel minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat of buurt.

17

De capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet moet worden verzwaard, niet alleen op buurtniveau, maar ook op gemeentelijk-, regionaal-, nationaal- en internationaal niveau. Dit is een ingrijpend en langdurig traject. Een variant van all-electric is het lokale bronnet. Een bronnet is een lokale, kleinschalige warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur warmtenet waar één of enkele gebouwen op zijn aangesloten. Net zoals bij all-electric staat in het gebouw of de woning een warmtepomp. In plaats van de bodem of buitenlucht gebruikt deze warmtepomp het aangevoerde water van het bronnet. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling. Ook bij een bronnet moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de buurt vaak worden verhoogd. Bronnetten worden veel toegepast op utiliteitsgebouwen, omdat deze gebouwen naast een vraag naar warmte ook een vraag naar koeling hebben. Door de omvang van het gebouw is het elektriciteitsgebruik vaak hoog. Vanwege de lage energiebelasting op elektriciteit zijn de kosten voor het aardgasvrij maken met warmtepompen daarom relatief laag. Buurten waar all-electric oplossingen de laagste nationale kosten hebben zijn meestal buurten met veel eengezinswoningen, gebouwd na 1990.

In deze buurten worden vaak niet alleen de radiatoren en het gasfornuis vervangen, maar komt er ook een warmtepomp en eventueel een verzwaring van de elektriciteitsaansluiting om de overstap naar all-electric te kunnen maken. In deze buurten is het gasnet doorgaans nog nieuw, evenals de gasketels. Tegelijkertijd zijn deze buurten al goed geïsoleerd, waardoor er relatief weinig klimaatwinst valt te behalen. Dit geeft de mogelijkheid om in deze buurten in een eigen tempo de transitie te doorlopen. Bovendien zijn binnen all-electric nog veel innovaties te verwachten. De belangrijkste innovaties zijn warmtepompen die ook efficiënt hoge temperaturen kunnen maken en innovaties op het gebied van energieopslag in de woning. Deze innovaties kunnen op termijn leiden tot een besparing van nationale kosten, bijvoorbeeld doordat het elektriciteitsnet minder hoeft te worden verzwaard of omdat ook oude, complexe buurten gasvrij kunnen worden. Ook vanwege deze innovaties is het onwenselijk om een all-electric buurt in hoog tempo gasvrij te maken.

3.1.4 Besparingsbuurt Voor sommige buurten is het momenteel lastig om het aardgasvrije voorkeursperspectief te bepalen. Dit komt bijvoorbeeld doordat de buurt een diverse woningvoorraad heeft met verschillende typen woningen van verschillende bouwjaren. Een buurt heeft bijvoorbeeld een lage woningdichtheid waardoor een warmtenet zeer kostbaar is, maar ook een lage isolatiegraad, wat een all-electric oplossing ook kostbaar maakt. Voor deze buurten moet verder onderzoek worden gedaan om bij een herijking van het warmteprogramma een eindperspectief te kunnen bieden. Het perspectief voor deze woningen is om nu toe te werken naar de isolatiestandaard. Ook kan worden gekozen voor een hybridewarmtepomp als tussenoplossing. Er wordt de komende 5 jaar actief gemonitord op de isolatiegraad in deze gebieden.

3.1.5 Klimaatneutraal gas In de Transitievisie Warmte van 2021 werd voor sommige buurten het perspectief klimaatneutraal gas (ook wel groen gas genoemd) geschetst. Er werd toen als randvoorwaarde genoemd dat er op termijn voldoende duurzaam gas is, zoals groengas of waterstofgas. En dat er ook rekening mee moet worden gehouden dat duurzaam gas ook voor andere doeleinden nodig is, zoals in de industrie en het zware transport. In de afgelopen 5 jaar is er niet meer perspectief gekomen wat betreft klimaatneutraal gas. Er is nog steeds erg veel onzekerheid. Het verdelingsprincipe van klimaatneutraal gas is nog heel onzeker, de landelijke infrastructuur is nog onbekend. Er is nog zoveel onzekerheid rondom klimaatneutraal gas dat dit in de

18

Drechtsteden niet wordt gezien als een eindoplossing, een enkele uitzondering daargelaten. Voor deze uitzonderingen geldt dat er voor een warmtenet weinig ruimte is in de ondergrond en de graafwerkzaamheden de fundering van de woningen zouden kunnen aantasten. Isoleren van deze woningen is voor een all-electric oplossing lastig vanwege de leeftijd van de woningen en de eventuele monumentenstatus.

3.1.6 Koeling

Door het veranderende klimaat, met langere warme periodes als gevolg, is het van steeds groter belang dat woningen ook koel blijven in de zomermaanden. Isolatie helpt om de warmte buiten het huis te houden. Maar wanneer de warmte eenmaal in het huis is gekomen, is een goed geïsoleerd huis lastig om te koelen. Vanuit het Overleg Standaarden Klimaatadaptatie (OSKA) is de ladder van koeling ontwikkeld: waarbij de meest duurzame koelmaatregelen als eerste worden gestimuleerd. Dit betekent eerst werken aan koelte in de omgeving, daarna warmte zoveel mogelijk buiten houden en af te voeren en tot slot pas milieuvriendelijk koelen. Voor de integratie van het thema koeling in het warmteprogramma, is koeling in 3 uitwerkingen van het warmteprogramma meegenomen. 1) In de isolatieaanpak wordt voorkomen van hitte meegenomen door voorlichting en adviseren van maatregelen voor het weren van directe zoninval, mogelijkheden voor ventilatie of het doorluchten van de woning. 2) Bij het buurt- of wijkuitvoeringsplan worden opgaves zoveel mogelijk integraal gecombineerd. De klimaateffect kaarten en aanpak voor hittestress worden meegenomen in de ontwikkeling van de buurt- of wijkuitvoeringsplannen.

We wegen alternatieven die naast warmte ook koeling kunnen leveren in buurten die gevoelig zijn voor hittestress mee in de keuze voor het alternatief en organiseren maatregelen conform de ladder van koeling. 3) Voor nieuwbouw is het vanaf januari 2021 verplicht om maatregelen te nemen om oververhitting te voorkomen. De indicator hiervoor heet TOjuli. Deze woningen zijn beter bestand tegen hittestress en hebben als voordeel dat actieve koelmaatregelen (die de energievraag in de woning vergroten) voorkomen kunnen worden. Zie ook paragraaf 6.7.

19

3.2 Criteria voor warmteoptie per buurt Om te bepalen welke toekomstige warmteoptie per buurt de voorkeur heeft, zijn in 2021 voor de Transitievisie Warmte met inbreng van inwoners, de gemeenteraad en stakeholders afwegingscriteria opgesteld. Deze afwegingscriteria zijn nog steeds leidend in het bepalen van de warmteoptie per buurt.

3.2.1 Laagste nationale kosten We streven naar warmteopties met de meest gunstige verhouding van kosten en baten. Onder nationale kosten worden alle kosten en baten verstaan die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Niet-financiële en indirecte effecten zoals luchtvervuiling en geluidshinder zijn geen onderdeel van deze nationale kosten. Daarnaast hebben we rekening gehouden met de kosten voor het totale systeem, dus niet alleen maar de kosten die specifiek gelden voor een betreffende gebied of buurt om versnippering van infrastructuren te voorkomen. Zoals ook eerder in paragraaf 2.4 genoemd blijft betaalbaarheid een heikel punt in de warmtetransitie. Met dit warmteprogramma worden niet alle vragen rondom betaalbaarheid opgelost, maar het sorteert wel voor op de meest betaalbare transitie door per buurt de warmteoptie met de laagste nationale kosten te kiezen. De laagste nationale kosten per warmteoptie zijn in de Transitievisie Warmte van 2021 bepaald aan de hand van een onderzoeksbeeld. Voor het warmteprogramma hebben wij dit onderzoeksbeeld meegenomen en vergeleken met de Startanalyse 2025 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Deze Startanalyse is een wat-als studie en schetst het beeld wanneer heel Nederland dezelfde aardgasvrije optie heeft, bijvoorbeeld iedere woning gebruikt een warmtepomp, en daarna worden de nationale meerkosten vergeleken. De data geven een goed gemiddeld beeld voor Nederland, maar voor specifieke situaties zullen andere uitgangspunten gelden. Er wordt in deze Startanalyse geen rekening gehouden met bestaande plannen en beleid, zoals afspraken met de woningcorporaties. Als gemeente hebben wij samen met onze stakeholders een beter zicht op de lokale situatie, hierdoor kan het voorkeursperspectief per buurt in dit warmteprogramma afwijken van het gegeven perspectief in de Startanalyse. In de Startanalyse wordt ook klimaatneutraal gas meegenomen, er is hiervoor een aanname gemaakt hoeveel klimaatneutraal gas er in de toekomst beschikbaar zal zijn. Er is nog zoveel onzekerheid rondom klimaatneutraal gas dat dit in de Drechtsteden niet wordt gezien als een eindoplossing, een enkele uitzondering daargelaten.

3.2.2 Duurzaamheid Bij de keuze van warmteopties krijgen de oplossingen die de meeste CO2-reductie leveren en waarbij lokale energiebronnen kunnen worden ingezet de voorkeur. Het gaat hierbij niet alleen om verduurzaming op korte termijn, maar ook om het kiezen voor de oplossingen en infrastructuur die toekomstige duurzame bronnen het beste kan ontsluiten. Het warmtenet in Papendrecht wordt op termijn verbonden met haar buurgemeenten in de Drechtsteden, ook wel het Grand Design Drechtsteden genoemd. Papendrecht is dan aangesloten op twee duurzame bronnen. Namelijk restwarmte uit de slibverwerkings-installatie in Dordrecht en aardwarmte uit de geothermiecentrale in Sliedrecht. Tot die tijd wordt het warmtenet verwarmd met tijdelijke warmtecentrales.

20

In de Regionale Energiestrategie (RES) is de voorkeursvolgorde van bronnen voor nieuwe manieren van verwarming vastgesteld: deze voorkeursvolgorde is leidend voor dit warmteprogramma en is als volgt: 1. Direct bruikbare warmte (bijvoorbeeld restwarmte uit afvalverbranding en diepe geothermie) 2. Op te waarderen warmte (elektrische warmtepompen met omgevingswarmte uit bijvoorbeeld een bronnet, bodemlussen of lucht). Aandachtspunten zijn het energetisch rendement (dat bijvoorbeeld veel beter is voor een bronnet dan voor individuele warmtepompen) en het beperken van piekbelasting op het elektriciteitsnet (voor een collectief systeem kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een batterij om energie op te slaan). 3. Te maken warmte (duurzame brandstoffen zoals groene waterstof en groen gas) Vanuit de RES is bekend dat er in de regio Drechtsteden beperkte ruimte is voor het opwekken van duurzame elektriciteit. Daartegenover staat dat er een grote aanwezigheid van warmtebronnen is. Concreet wordt de slib- en afvalverbranding van warmteleverancier HVC gebruikt als duurzame bron voor het warmtenet en wordt er op termijn gestart met de bouw van een geothermiecentrale in Sliedrecht. Zolang de warmtenetten van de verschillende Drechtsteden gemeenten niet met elkaar verbonden zijn, wordt er gebruik gemaakt van tijdelijke bronnen.

Er wordt ook rekening gehouden met de samenhang in brontemperaturen, temperaturen waarmee gebouwen verwarmd worden en infrastructuren. Het behoud van lucht-, bodem- en waterkwaliteit is een randvoorwaarde voor een duurzame transitie. De milieueffecten van verschillende bronnen zijn in de RES verder geïnventariseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1217/documents/16859