Bijlage 5 - Bijlagenboek - Veerpromenade-Markt Papendrecht.pdf
Tekst van het document
Tabel 3.6: geanalyseerde monsters (grondwater). monster-
peilbuis-
filtertraject
chemische
code
nummer
(m-mv)
analyses1)
01-1-1
01
1,20 - 2,20
NEN-gw, PFC
motivatie
onderzoek grondwater
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: NEN-gw
:
pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie);
PFC
:
pakket per fluor verbindingen (14 stuks, incl. PFOA).
3.3
Analyseresultaten
3.3.1
Toetsingskader
Wet bodembescherming (Wbb) De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn vergeleken met de toetsingstabel 'Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater' uit de circulaire bodemsanering (Nederlandse Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013). De resultaten van de grondmonsters zijn tevens vergeleken met de achtergrondwaarden die zijn weergegeven in de Regeling Bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 247, 20 december 2007 en daarop volgende aanpassingen).
pagina 11 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
Bij onderhavig onderzoek zijn het organische stof- en lutumgehalte analytisch bepaald en weergegeven op het analysecertificaat. Met behulp van de bodemtypecorrectieformules uit de Regeling bodemkwaliteit zijn de meetwaarden van de grond omgerekend naar waarden voor standaardbodem (met een lutum percentage van 25 % en een organische stof percentage van 10 %). Voor de grond en het grondwater worden respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde beschouwd als het niveau waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarde betreft het niveau waarboven voor zowel de grond als het grondwater sprake kan zijn van risico's voor het milieu en de volksgezondheid. Een sanering van de bodem kan dan noodzakelijk zijn. In voorliggende rapportage wordt als criterium voor het uitvoeren van nader onderzoek de tussenwaarde gehanteerd. De tussenwaarde voor grond betreft het gemiddelde van de achtergrond- en de interventiewaarde en voor het grondwater het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde. De aanduiding van de mate van verontreiniging in het rapport is weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 3.7: aanduiding mate van verontreiniging. aanduiding in rapport
betekenis voor grond
betekenis voor grondwater
-
de toetsingswaarden worden niet
de toetsingswaarden worden niet
=
niet verontreinigd
>AW of >S
=
licht verontreinigd
>T
=
matig verontreinigd
>I
=
sterk verontreinigd
overschreden
overschreden
het aangetoonde gehalte ligt tussen de
het aangetoonde gehalte ligt tussen de
achtergrond- en tussenwaarde.
streef- en tussenwaarde.
het aangetoonde gehalte ligt tussen de
het aangetoonde gehalte ligt tussen de
tussen- en interventiewaarde.
tussen- en interventiewaarde.
het aangetoonde gehalte ligt boven de
het aangetoonde gehalte ligt boven de
interventiewaarde.
interventiewaarde.
Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Om een indicatie te verkrijgen van de hergebruiksmogelijkheden van de grond voor een toepassing als landbodem, zijn de analyseresultaten van de grondmonsters aanvullend vergeleken met de tabellen 1 en 2 in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 247, 20 december 2007 en de daaropvolgende wijzigingen). De aanduiding van de milieuhygiënische classificering is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.8: aanduiding bodemkwaliteitsklasse. aanduiding in rapport
betekenis
achtergrondwaarde (AW)
grond kan vrij worden toegepast bij elke bodemfunctie en elke bodemkwaliteit.
wonen
grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader worden toegepast bij de bodemfuncties en bodemkwaliteiten "wonen" of "industrie".
industrie
grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader enkel worden toegepast bij de bodemfunctie en bodemkwaliteit "industrie".
niet-toepasbaar (NT)
grond kan elders niet worden toegepast. Indien deze grond vrijkomt moet deze worden afgevoerd naar een erkende verwerker.
pagina 12 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
PFOA Momenteel zijn in de vigerende versie van het Besluit bodemkwaliteit geen hergebruiksnormen voor PFOA in grond vastgesteld. Om de hergebruiksmogelijkheden van de grond te bepalen zijn de analyseresultaten van de grondmonsters vergeleken met het huidige interim beleid van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, zoals vermeld in de ‘herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond Zuid-Holland Zuid’ (13 juni 2018). De handreiking beschrijft de vaste uitvoeringspraktijk die de OZHZ en de betreffende gemeenten gelegen binnen de depositiezones volgen. Dit in afwachting van toekomstig beleid of nadere regels. In de herziene handreiking worden 4 zones (0, 1, 2 en 3) aangeduid, waarbij zone 3 rondom de fabriek Chemours is gelegen en zone 0 de meest ver ervan afgelegen zone betreft. De verwachte PFOA gehaltes in deze zones zijn weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.9: aanduiding zones met verwacht gehalte PFOA. Zone
verwacht gehalte PFOA in vrijkomende grond in µg/kg d.s.
Zone 0: Buiten pluimzone; achtergrondbelasting
0 - 2,51)
Zone 1: Pluimzone
0 - 10
Zone 2: Depositiezone Alblasserwaard
0 - 120
Zone 3: Kernzone rond Chemoursfabriek (excl. Chemoursterrein)
0 - 120
opmerking bij de tabel: 1) Voor PFOS geldt evenals voor PFOA een voorlopig achtergrondniveau van 2,5 µg/kg d.s.
In de handreiking wordt gesteld dat indien uit onderzoek blijkt dat er in de grond géén PFOA in gehalten boven de detectiegrens worden gemeten, het reguliere van toepassing zijnde hergebruiksbeleid van toepassing is. Indien sprake is van PFOA bevattende grond kan grondverzet alleen plaatsvinden binnen de aangewezen hergebruikszones (A en/of B) met een vergelijkbare of hogere gehalte PFOA als de toe te passen grond. Deze zones (A en B) van vermoedelijke gelijke bodemkwaliteit ten aanzien van PFOA, zijn weergegeven in de bijlage van de herziene handreiking. Voor zone A geldt een toegestane concentratie PFOA van 0 - 2,5 µg/kg d.s. en voor zone B een gehalte van 0 -10 µg/kg d.s. Naast het voornoemde, bestaan de volgende mogelijkheden ten aanzien van het omgaan met vrijkomende PFOA-houdende grond. Voor de toetsing van de gehaltes heeft geen bodemtypecorrectie plaatsgevonden. Tabel 3.10: toepassingsmogelijkheden PFOA houdende grond. beheersgebied Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid Opslag in tijdelijk depot op de herkomstlocatie. Opslag in tijdelijk depot elders binnen de zone met naar verwachting gelijke of sterkere mate van verontreiniging (inrichting depot behoeft melding conform besluit bodemkwaliteit).
Opslag in tijdelijk depot met onder- en bovenafdichting in een naar verwachting minder sterk verontreinigde zone of buiten de verdachte zone (inrichting depot behoeft melding conform besluit bodemkwaliteit). Definitieve toepassing in IBC hergebruikslocatie (schaars).
Toetsingskader risicogrenzen De analyseresultaten worden tevens getoetst aan de door het RIVM opgestelde risicogrenzen. Zoals vermeld in het document ‘Risicogrenzen PFOA voor grond en grondwater’, met kenmerk 20180060. Hierin zijn de in de navolgende tabel weergegeven risicogrenzen afgeleid.
pagina 13 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
Tabel 3.11: risicogrenzen PFOA. humane risicogrenzen wonen met (moes) tuin
risicogrens grond
risicogrens grondwater
(µg/kg d.s.)
(µg/l)
Scenario ‘wonen met tuin’
900
130
Scenario ‘wonen met moestuin’
86
12
Humane risico’s, scenario wonen met siertuin’
3.100
49
Humane risico’s, scenario ‘ander groen, infrastructuur en industrie’
4.195
607
Humane risico’s, scenario groen met natuurwaarden
4.200
608
-
0,39
Levenslange consumptie van 2 liter ongezuiverd grondwater per dag
3.4
Grond
3.4.1 NEN-parameters De analyseresultaten van de grondmonsters zijn weergegeven in bijlage 4. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 8. Een samenvatting is weergegeven in de navolgende tabellen. Tabel 3.12: samenvatting toetsingsresultaten grond. monster-
traject1)
code
(m-mv)
MM01
1,20 - 1,80
MM02
0,70 - 1,70
deelmonsters
motivatie
toetsingsresultaten Wbb
indicatie
> AW
>T
>I
Bbk2)
-
-
industrie
01 (1,30 - 1,80),
ondergrond, sporen- zwak
koper, kwik,
05 (1,20 - 1,70)
puinhoudend (klei)
lood
01 (0,70 - 1,20),
ondergrond, zintuiglijk schoon
-
-
-
AW
02 (1,20 - 1,70),
(zand)
06 (0,05 - 0,55),
bovengrond, zintuiglijk schoon -
-
-
AW
11 (0,08 - 0,58),
(zand)
-
-
wonen
03 (0,70 - 1,20), 05 (0,70 - 0,90) MM03
0,05 - 0,60
13 (0,08 - 0,58), 16 (0,40 - 0,60) MM04
1,70 - 2,00
02 (1,85 - 2,00),
ondergrond, zintuiglijk schoon
kobalt, kwik,
03 (1,70 - 2,00),
(veen)
lood, nikkel,
05 (1,70 - 2,00)
PAK
Opmerkingen bij de tabel: 1)
het aangegeven traject betreft de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster. Voor het traject per boring wordt verwezen naar het analysecertificaat;
2)
de toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit betreft indicatie van de hergebruikmogelijkheden.
Tabel 3.13: samenvatting analyseresultaten PFAS in grond. monster- boring
traject1)
code
(m-mv)
MM05
01, 02, 03, 05
0,05 - 0,58
motivatie
zand, bovengrond
gehalte
gehalte
herschikken
PFOA
PFOS
binnen PFOA
hergebruik buiten
(µg/kg d.s.)
(µg/kg d.s.)
zone (A en B)
PFOA zone
<0,1
0,4
toegestaan
niet toegestaan
MM06
01, 02, 03, 05
0,55 - 0,90
zand, rond
<0,1
grondwaterstand
0,2
toegestaan
niet toegestaan
opmerking bij de tabel: 1) het aangegeven traject betreft de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster; voor het exacte traject per boring wordt verwezen naar het analysecertificaat.
pagina 14 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
Hergebruik van PFOA/PFOS houdende grond In de grond is géén PFOA aangetoond. Uit de analyseresultaten blijkt dat verhoogde waarden met Perfluoroctaanzuur (PFOS) zijn aangetoond in gehalten van de 0,2 en 0,4 µg/kg d.s. Herschikken van grond is derhalve alleen mogelijk binnen de aangewezen zone A en B (op basis van PFOS).
3.5
Grondwater
De analyseresultaten van het grondwatermonster zijn weergegeven in bijlage 5. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 9. Een samenvatting is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.14: samenvatting toetsingsresultaten grondwater. monster- peilbuis-
filtertraject
code
nummer
(m-mv)
01-1-1
01
1,20 - 2,20
motivatie
toetsingsresultaten Wbb >S
onderzoek grondwater
>T
barium, naftaleen
>I -
-
Tabel 3.15: overzicht analyseresultaten PFAS grondwater. monster- peilbuis-
concentratie (µg/l)1)
filtertraject
code
nummer
(m-mv)
PFOA
PFOS
PFBS
PFBA
PFHpA
PFHxS
PFHxA
PFPeA
01-1-1
01
1,20 - 2,20
0,16
0,05
0,008
0,01
0,01
0,005
0,02
0,01
opmerkingen bij de tabel: 1) verklaring parameters: PFOA
: perfluoroctaanzuur;
PFOS
: perfluroctaansulfonzuur;
PFBS
: perfluorbutaanzuur;
PFBA
: perfluorbutaanzuur;
PFHpA
: perfluorheptaanzuur;
PFHxS
: perfluorhexaansulfonzuur;
PFHxA
: perfluorhexaanzuur;
PFPeA
: perfluorpentaanzuur.
3.5.1 Toetsing risico’s (PFOA) Na vergelijking van de analyseresultaten met de risicogrenswaarden van het RIVM blijkt dat de humane risicogrenzen voor PFOA in grond en grondwater niet worden overschreden.
pagina 15 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
4.
Verkennend asbestonderzoek
Tijdens het plaatsen van de boringen van het verkennend bodemonderzoek bleek dat plaatselijk in de ondergrond bijmengingen met puin zijn aangetroffen. Omdat de kwaliteit en herkomst van het puin niet bekend is, dienen deze bodemlagen als asbestverdacht te worden beschouwd. Derhalve wordt in het kader van de voorgenomen werkzaamheden direct een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd.
4.1 Onderzoeksstrategie Het verkennend asbestonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5707+C2 (december 2017). Omdat de bijmengingen met puin aanwezig zijn in de ondergrond (>0,5 m-mv) betreft het echter (conform de NEN 5707) een indicatief onderzoek (boordiameter ø120mm). Dit omdat het technisch niet mogelijk is een gat (0,3 x 0,3m) te graven tot de verdachte laag. Dit betekent dat wanneer asbest aangetoond wordt in de monsters direct een nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Indien asbestverdachte materialen worden aangetroffen, worden deze bemonsterd en ter verificatie aangeboden aan het laboratorium. De te volgen strategie is per deellocatie weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 4.1: strategie verkennend asbestonderzoek. strategie1)
omschrijving
opp.
maaiveldinspectie
boringen
analyses
(m-mv) VEP
ondergrond boring 01 en 05
2x ca. 10 m2 2 richtingen, stroken 1,5 m
2 x (0,7)
1 x asbest in grond
opmerking bij de tabel. 1) verklaring strategie: VEP
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern.
Het grondmonster wordt door een geaccrediteerd laboratorium geanalyseerd.
4.2 Uitvoering De coördinatie en planning van het veldwerk vindt plaats vanuit de onder BRL SIKB 2000 (versie 5, 12 december 2013) gecertificeerde vestiging van Tritium Advies B.V. te Nuenen. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 (versie 5, 12 december 2013) conform protocol 2018 (versie 3.2, 10 maart 2016) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de navolgende tabel is de naam weergegeven van de erkende veldwerker, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk heeft uitgevoerd.
pagina 16 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
Tabel 4.2: erkende veldwerker Tritium Advies B.V. veldwerker
datum
nummers
8 oktober 2018
maaiveld
8 oktober 2018
01, 05
maaiveldinspectie Bryan Hofman gaten en boringen (inspectie grond) Bryan Hofman
Conform BRL-SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens: NEN5706:2003 (juli 2003)
:
zintuiglijke waarnemingen
NEN5742:2001 (september 2001)
:
bemonstering grond en sediment
Eventuele afwijkingen op deze normen zijn weergeven in dit hoofdstuk.
4.2.1 Terreinverkenning Voorafgaand aan het veldwerk is een terreinverkenning uitgevoerd. Hierbij is gecontroleerd of de gegevens in hoofdstuk 2 van dit rapport overeenkomen met de situatie in het veld. De resultaten van de terreinverkenning hebben geen aanleiding gegeven om de onderzoeksstrategie aan te passen.
4.2.2 Maaiveldinspectie Tijdens de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. Gezien de conditie van het maaiveld (volledig verhard) wordt de inspectie-efficiëntie van de locatie geschat op 90-100%.
4.2.3 Bodem Tijdens de veldwerkzaamheden deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De plaats van de boringen is weergegeven in bijlage 2. De bij de werkzaamheden vrijkomende grond en puin is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de navolgende tabel weergegeven bodemvreemde bijmengingen waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging met asbest. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de boorprofielen in bijlage 3. Tabel 4.3: bodemvreemde bijmengingen. boring
traject
asbestverdacht
(m-mv)
materiaal
bodemvreemde bijmengingen
einddiepte
01
1,30 - 2,00
nee
sporen puin
2,20
05
1,20 - 1,70
nee
zwak puinhoudend
2,00
(m-mv)
pagina 17 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
4.2.4 Analyses De monsters zijn volgens de navolgende tabel geanalyseerd door Al-West te Deventer (geaccrediteerd). Tabel 4.4: geanalyseerde monsters. monster-
boring
traject
code
analyses
motivatie
(m-mv)
MMasb01-1
01 en 05
1,20 - 2,00
asbest in grond
sporen tot zwak puinhoudende ondergrond (klei)
4.3 Analyseresultaten 4.3.1 Toetsingskader Wet bodembescherming (Wbb) De analyseresultaten zijn vergeleken met de toetsingstabel 'Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater' uit de circulaire bodemsanering (Nederlandse Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013). De interventiewaarde voor asbest is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen asbest. Voor de toetsing wordt het gehalte serpentijnasbest vermeerderd met tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De te toetsen concentratie wordt berekend uit de som van de gewogen concentratie aan asbest in asbesthoudend materiaal (fractie >20 mm) en de gewogen concentratie aan asbest in de grond (fractie <20 mm). Indien de resultaten van het verkennend bodemonderzoek leiden tot het vermoeden dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging dient nader onderzoek plaats te vinden. Conform de NEN 5707+C2:2017 worden hiervoor de volgende criteria gehanteerd: • voor asbestinspectiegaten
:
(0,3 x 0,3 m)
als het gewogen gehalte aan asbest groter is dan de helft van de interventiewaarde;
• voor boringen
:
(diameter < 0,35 m)
als in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring asbest wordt aangetoond.
Verder kan nader onderzoek worden aanbevolen als de analyseresultaten van de visuele inspectie van het maaiveld (concentratie aan asbest in de toplaag met een dikte van 2 cm) niet overeenkomen met de concentraties in de inspectiegaten.
4.3.2 Analyseresultaten De analyseresultaten zijn weergegeven in bijlage 6. Een samenvatting is weergegeven in de navolgende tabellen. Tabel 4.4: berekening gewogen gehalte asbest (mg/kg d.s.). monster-
traject
code
(m-mv)
MMasb01-1
1,20 - 2,00
omschrijving
sporen tot zwak puinhoudende ondergrond (klei)
concentratie asbest (mg/kg d.s.) fractie
fractie
totaal
<20 mm1)
>20 mm
gewogen1)
<1
-
<1
Opmerkingen bij de tabel: 1)
deze concentratie betreft een indicatieve waarde.
pagina 18 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
5. Indicatief Funderingsonderzoek 5.1 Onderzoeksstrategie Gedurende de werkzaamheden van het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat ter plaatse van boring 07 (0,40 - 0,55 m-mv) en boring 16 (0,20 - 0,40 m-mv) een funderingslaag aanwezig is met onbekende kwaliteit en herkomst. Het betreft een licht geïmmobiliseerde laag bestaande uit een grindachtig materiaal. Omdat geen bijmengingen met puin zijn waargenomen is dit materiaal niet verdacht op het voorkomen van asbest en wordt geen asbestonderzoek uitgevoerd. Omdat de herkomst en kwaliteit van het materiaal niet bekend is, wordt indicatief de hergebruiksmogelijkheid bepaald middels een indicatief uitloogonderzoek. De uit te voeren werkzaamheden voor het uitloogonderzoek zijn weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 5.1: strategie uitloogonderzoek. omschrijving
analyses1)
inspectiegaten 0,3 m x 0,3 m (m-mv)
C. indicatief uitloogonderzoek (schudproef) funderingsmateriaal
2 x (0,5)
1 x uitloog
opmerking bij de tabel. 1) verklaring analyses: uitloog
:
PAK, PCB, minerale olie en schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen.
De analyse wordt door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd.
5.2 Uitvoering De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Bryan Hofman van Tritium Advies B.V. Tijdens de veldwerkzaamheden deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De plaats van de boringen is weergegeven in bijlage 2. Het bij de werkzaamheden vrijkomende materiaal is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn geen afwijkingen waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging.
5.3 Analyses De funderingslaag is volgens onderstaande tabel geanalyseerd door AL-West te Deventer (geaccrediteerd). Tabel 5.2: geanalyseerd mengmonsters. monster-
type fundering
gaten
code
monsterdiepte
chemische
(m-mv)
analyses1)
0,30 - 0,70
uitloog
motivatie
C. indicatief uitloogonderzoek (schudproef) MMuitloog
grindachtig materiaal
07, 16
bepalen hergebruiksmogelijkheden
opmerkingen bij de tabel: 1) verklaring analyses: uitloog
:
PAK, PCB, minerale olie en schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen.
pagina 19 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
5.4 Analyseresultaten 5.4.1 Toetsingskader uitloogonderzoek De analyseresultaten van de monsters zijn vergeleken met tabellen 1 en 2 in bijlage A van de Regeling Bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 247, 20 december 2007 en daarop volgende aanpassingen). In deze tabellen zijn normwaarden opgenomen ter beoordeling van de toepassing van bouwstoffen. Binnen het toetsingskader wordt voor het classificeren van een partij bouwstoffen één van de onderstaande aanduidingen gebruikt. N-bouwstof:
:
Niet vormgegeven bouwstoffen voldoen aan de kwaliteit "Nbouwstof" wanneer voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: •
geen van de onderzochte anorganische parameters overschrijdt de maximale emissiewaarde “Niet-vormgegeven” en
•
geen van de onderzochte organische parameters overschrijdt de maximale samenstellingswaarden.
IBC-bouwstof:
:
Niet vormgegeven bouwstoffen voldoen aan de kwaliteit "IBCbouwstof" wanneer voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: •
geen van de onderzochte anorganische parameters overschrijdt de maximale emissiewaarde “IBC-bouwstoffen” en
•
geen van de onderzochte organische parameters overschrijdt de maximale samenstellingswaarden.
Niet toepasbare
:
bouwstof:
Bouwstoffen wordt als "niet toepasbaar" geclassificeerd als de gemeten concentraties boven de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse "IBC-bouwstoffen" liggen.
5.5 Analyseresultaten De analyseresultaten van het mengmonster zijn weergegeven in bijlage 7. De toetsing van de analyseresultaten is weergegeven in bijlage 10. Een samenvatting is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 5.3: samenvatting toetsingsresultaten uitloog. monstercode
type fundering
samenvatting toetingsresultaten > N-bouwstof
> IBC-bouwstof
sulfaat
-
classificatie
C. indicatief uitloogonderzoek (schudproef) MMuitloog
grindachtig materiaal
voldoet als IBC-bouwstof
pagina 20 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
6. Veiligheid en gezondheid Bij het werken in en met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater dienen veiligheids- en milieuhygiënische maatregelen te worden getroffen overeenkomstig de regels zoals die worden gesteld in publicatie 132 van het kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur (CROW), genaamd ‘Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water’, publicatie 132 van december 2008. In deze publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de onderstaande indeling in klassen voor werkzaamheden in verontreinigd(e) grond(water): Basisklasse:
:
Gering arbeidshygiënisch risico (veelal klasse industrie grond);
T-klassen (1T, 2T en 3T)
:
Veiligheidsklasse voor het risico van blootstelling aan toxische (giftige) stoffen;
F-klassen (1F en 2F)
:
Veiligheidsklasse voor het risico van het ontstaan van brand of explosie.
Voor werkzaamheden binnen het plangebied geldt dat de bodemkwaliteit van de puinhoudende ondergrond (indicatief) wordt geclassificeerd als “industrie”, derhalve is de ‘basisklasse’ van toepassing. Voor de overige bodemlagen geldt dat geen veiligheidsklasse van toepassing is. Voor de uitvoering van de werkzaamheden in de basisklasse (en hoger) dient door de aannemer een V&G plan te worden opgesteld. De definitieve bepaling van de veiligheidsklasse dient te worden bepaald door een veiligheidskundige. Op verzoek van de opdrachtgever zijn de resultaten tevens vergeleken aan de veiligheidsklassen uit de CROW-publicatie 400, van december 2017. In deze publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de onderstaande indeling in klassen voor werkzaamheden in verontreinigd(e) grond(water): Tabel 6.1: veiligheidsklasse indeling CROW 400. niet vluchtig
vluchtig
niet vluchtig 75% ≤ SCR < 100%
vluchtig T-waarde
(oranje)
(oranje)
niet vluchtig SCR ≥ 100% + CM ≤ 1000 mg/kg of CM ≤ 1000 µg/l
vluchtig interventie waarde + goede ventilatie
(rood)
(rood)
niet vluchtig SCR ≥ 100% + CM > 1000 mg/kg of CM > 1000 µg/l
vluchtig interventie waarde + beperkte ventilatie
Asbest > 100 mg/kg of respirabel> 10 mg/kg
(zwart)
(zwart)
Voor werkzaamheden binnen het plangebied, berekend met MM01 en MM04, geldt dat geen veiligheidsklasse van toepassing is. De (voorlopige) bepaling van deze veiligheidsklasse is tevens weergegeven in bijlage 12. Opgemerkt dient te worden dat de veiligheidsklasse niet automatisch bepaald welke maatregelen getroffen dienen te worden, maar een indicatie vormt voor de veiligheidskundige om te bepalen welke maatregelen passend zijn. De definitieve bepaling van de veiligheidsklasse dient te worden bepaald door een veiligheidskundige.
pagina 21 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
7.
Conclusie en aanbevelingen
Uit de resultaten van het vooronderzoek, de veldwerkzaamheden en de uitgevoerde analyses wordt het volgende geconcludeerd. Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van het veldwerk plaatselijk bijmengingen met puin in de ondergrond aangetroffen. Ter plaatse van twee boringen is een (licht geïmmobiliseerde) fundatie/stabilisatielaag bestaande uit een grindachtig materiaal aanwezig. De exacte aard, herkomst en kwaliteit hiervan is onbekend. Derhalve is in een (indicatief) uitloogonderzoek uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek Gehele locatie (A) Uit de analyseresultaten blijkt de zandige boven- en ondergrond (zand) niet verontreinigd te zijn met de onderzochte parameters. De zintuiglijk schone ondergrond (veen) blijkt licht verontreinigd te zijn met kobalt, kwik, lood, nikkel en PAK. De sporen- tot zwak puinhoudende ondergrond (klei) blijkt licht verontreinigd te zijn met koper, kwik en lood. In de grond is géén PFOA (Perfluoroctaanzuur) boven de detectiegrens aangetoond. Echter is Perfluoroctaanzuur (PFOS) in gehalten van 0,2 en 0,4 µg/kg d.s. aangetoond. Herschikken van grond buiten de aangewezen zone A en B is derhalve op basis van PFOS niet mogelijk. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met barium en naftaleen.
Voor beide parameters geldt dat het zeer geringe overschrijdingen van de detectielimiet / streefwaarde betreffen, waardoor deze formeel als licht verontreinigd dienen te worden beschouwd. Nader onderzoek naar zowel de lichte verontreinigingen in de grond als het grondwater worden niet noodzakelijk geacht. Verder zijn in het grondwater PFOA, PFOS en diverse andere perfluorverbindingen (PFAS) aangetoond. De concentratie PFOA in het grondwater is lager dan de maximale acceptabele grondwaterconcentratie (0,39 µg/l) voor de pluimzone (zone 1). De gemeten concentratie PFOA wordt daarmee als niet afwijkend beschouwd. Bij de gemeten concentratie PFOA is geen sprake van humane risico’s (RIVM 2017-0092). Voormalige watergang (B) Ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergang op de onderzoekslocatie is geen voormalige slootbodem of dempingsmateriaal aangetroffen. Tevens is de bodemopbouw niet afwijkend van de bodemopbouw op de rest van de onderzoekslocatie. Derhalve is analytisch geen onderzoek uitgevoerd. Verkennend asbestonderzoek Zintuiglijk zijn zowel op het maaiveld als in het uitkomende materiaal geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de puinhoudende ondergrond is analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve dient de hypothese dat de puinhoudende grond verdacht is op de aanwezigheid van asbest te worden verworpen.
Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
pagina 22 van 23
documentkenmerk: 1810/020/BU-01, versie 0
Veiligheidsklasse Voor werkzaamheden binnen het plangebied geldt dat de bodemkwaliteit van de puinhoudende ondergrond (indicatief) wordt geclassificeerd als “industrie”, derhalve is conform de CROWpublicatie 132 de ‘basisklasse’ van toepassing. Voor de overige bodemlagen geldt dat geen veiligheidsklasse van toepassing is. Voor de uitvoering van de werkzaamheden in de basisklasse (en hoger) dient door de aannemer een V&G plan te worden opgesteld. Na vergelijking van de resultaten met de CROW-publicatie 400 geldt dat (vooralsnog) geen veiligheidsklasse van toepassing is. De definitieve bepaling van de veiligheidsklasse dient te worden bepaald door een veiligheidskundige. Indicatief uitloogonderzoek (schudproef) (C) Plaatselijk is een funderingslaag aanwezig met onbekende kwaliteit en herkomst. Het betreft een licht geïmmobiliseerde laag bestaande uit grindachtig materiaal. Omdat geen bijmengingen met puin zijn waargenomen is dit materiaal niet verdacht op het voorkomen van asbest en is geen asbestonderzoek uitgevoerd. Indicatief is de herbruikbaarheid van het funderingsmateriaal bepaald. Uit de resultaten van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de funderingslaag indicatief wordt geclassificeerd als “IBC-bouwstof”. Resume Met voorliggend onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater afdoende vastgesteld.
De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen uitgifte van de locatie en de voorgenomen herontwikkeling. Eventueel vrijkomende grond kan, conform het stand-still principe, alleen worden toegepast op locaties binnen de zones met een vergelijkbare of hoger gehalte PFOA dan de toe te passen grond. De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft aangegeven dat deze handreiking tevens gebruikt kan worden voor PFOS houdende grond. Herschikken buiten de aangewezen zone A en B is derhalve op basis van PFOS niet mogelijk. Aanbevolen wordt om eventueel hergebruik van de grond af te stemmen met het bevoegd gezag. Bijvoorbeeld middels een Bbk melding voor het elders toepassen van grond. Indien grond wordt afgegraven en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.
pagina 23 van 23