CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Toelichting NL.IMRO.0590 Bestemmingsplan Oosteind 130-3001.pdf

Commissie Ruimte Papendrecht 16 juni 2021, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan 'Papendrecht, nabij Oosteind 130' - Voorstel12.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

32

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

33

5.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien er sprake is van een historisch dijklint in de nabijheid van bedrijven. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd.

De richtafstanden voor gemengd gebied mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Aan de noord-, oost- en westzijde van het plangebied bevinden zich geen bedrijven of andere milieubelastende functies. Ten zuiden van het plangebied zijn bedrijventerrein ‘Oosteind’ en bedrijventerrein ‘De Staart’ gelegen. Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone m.b.t. industrielawaai van deze bedrijventerreinen. Om aan te tonen dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning en dat er geen sprake is van beperkingen voor de aanwezige bedrijven is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Met dit onderzoek (paragraaf 5.3) is aangetoond dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat het plan niet voor beperkingen zorgt voor de bedrijven. Bijkomend werken de bestaande woningen aan de dijk theoretisch gezien reeds beperkender dan de nieuwe woning welke middels het onderhavige plan mogelijk wordt gemaakt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen

34

5.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Stationaire bronnen/risicovolle bedrijven Volgens de risicokaart van de provincie Zuid-Holland bevindt zich in de directe omgeving van het plangebied een locatie waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op 140 meter bevindt zich een ammoniakopslaglocatie. Dit is een risicovolle inrichting op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel e van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Deze opslag heeft geen plaatsgebonden risico. Verder is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van Du Pont de Chemours BV. Het plangebied is gelegen buiten de PR10-6 contour van de Beviinrichtingen. Derhalve kan gesteld worden dat het plan niet significant zal bijdragen aan het groepsrisico. Het uitvoeren van een berekening van het groepsrisico wordt daarom niet zinvol geacht. Wel dient er een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant transport van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, er bevinden zich geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen en geen spoorwegen.

De A15 (820 meter), de Beneden-Merwede (750 meter) en de Betuwelijn (870 meter) zijn op ruim voldoende afstand gelegen. Het plangebied is wel gelegen in het invloedsgebied van de vaarweg en spoorweg. Er dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. 35

Groepsrisico Bevi-inrichtingen, vaarweg & spoorweg Geen van de PR 10-6 contouren reikt tot het plangebied, waardoor er geen wettelijke belemmeringen gelden voor het plan. Voor de bovengenoemde Bevi-inrichtingen, vaarweg en spoorweg dient wel voor het groepsrisico een verantwoording en van beschrijving gegeven te worden van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het toxisch scenario. Voor het nabijgelegen bestemmingsplan ‘Zeven bouwkavels Tiendzone’ (d.d. 15 juni 2017) is reeds onderzoek uitgevoerd naar de risicobronnen van de autoweg, vaarweg en Chemours. Voor de genoemde risicobronnen is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld in het kader van dat bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen kan leiden tot een zeer minimale toename van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar bijlage 'Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht, notitie AGEL Adviseurs d.d. 21 juli 2015’. In het rapport waarnaar verwezen wordt is de spoorweg niet meegenomen, daarom wordt hiervoor onderstaand apart aandacht besteed aan het groepsrisico. Toxisch scenario, bestrijdbaarheid & zelfredzaamheid spoorweg Door een incident op de Betuwelijn met een tank met toxische vloeistof kan de tankwand scheuren. Een groot deel van de toxische vloeistof kan in korte tijd uitstromen.

De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp kan worden meegevoerd door de wind. Voor toxische stoffen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied. Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. De brandweer kan zich ook richten op het verdunnen van toxische dampen. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de weersomstandigheden en de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld.

Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een toxisch incident is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-havenprincipe). Indien geen safe-haven realiseerbaar is, dient bij een toxische wolk gevlucht te worden haaks op de wolk. Er zijn voldoende mogelijkheden om via omliggende wegen het gebied te verlaten. Een maatregel die de zelfredzaamheid verder vergroot, betreft risicocommunicatie om het risicobewustzijn te vergroten.

36

Brandweer Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De afstand van een opstelplaats van een tankautospuit en de toegang van een woning mag maximaal 40 meter zijn. Binnen 30 meter van de bestaande schuur is een opstelplaats voor een tankautospuit aanwezig, zie onderstaande afbeeldingen. Tevens is er op 37 meter meer dan voldoende manoeuvreerruimte voor de brandweer. Bijkomend komt de woning dichter richting de Tiendweg-Oost t.o.v. de huidige schuur, waarmee deze afstand nog kleiner wordt. Hiermee wordt voldaan aan de genoemde handreiking omtrent een opstelplaats voor de brandweer.

Afbeelding 9: Impressie opstelplaats brandweer (afmetingen indicatief)

37

Voldoende ruimte voor opstelplaats brandweer

37 m 30 m

Beoogde woning Afbeelding 10: Impressie opstelplaats brandweer (2)

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

38

5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen. Op 185 meter ten westen van het plangebied is enkel de hoogspanningslijn Dordrecht Merwedehaven – Alblasserdam (150 kV) gelegen. Deze hoogspanningslijn heeft een indicatieve zone van 90 meter aan weerszijde van de lijn, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Hiermee kan worden gesteld dat het plangebied ruim buiten deze indicatieve zone is gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

39

5.8 Natuur Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage voor deze quickscan). De resultaten uit de quickscan luiden als volgt: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUS stikstofberekening is niet noodzakelijk. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De sloop van de schuur en de steiger en de realisatie van de schuurwoning met steiger nabij Oosteind 130 is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

40

•

•

•

•

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’

Stikstof ‘De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een schuurwoning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Sedert 27 januari 2021 is een stroomschema vanuit OZHZ beschikbaar waarmee aangetoond kan worden of een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar (…). De afstand tussen de planlocatie en het Natura-2000 gebied ‘Biesbosch’ bedraagt circa 2,5 km (…). Gezien de planlocatie in stedelijk gebied verkeerd, en de afstand tussen planlocatie en het Natura-2000 gebied meer dan 2,1 km bedraagt, kan op voorhand uitgesloten worden dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.’ Het beoordelingskader / stroomschema is in het onderzoeksrapport in figuur 8 opgenomen. Voor de volledigheid is het kader tevens in onderstaande afbeelding weergegeven.

41

Afbeelding 11: Stroomschema stikstofdepositie OZHZ

Conclusie Het onderhavige plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft het aspect ecologie.

42

5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstig gebruik in kaart te brengen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Bodemopbouw en veldwaarnemingen • Ter plaatse van de bestaande bebouwing is het terrein verhard met klinkers gelegen op een straatlaag van zand op een ondergrond van klei met een zwakke bijmenging aan metselwerk puin en grind. In verband met de bijmenging is aanvullend een asbest bodemonderzoek uitgevoerd. • Ter plaatse van het noordelijke terreindeel zijn zowel in de boven- als ondergrond geen waarneming gedaan aan de uitkomende grond die een aanleiding geeft voor een mogelijke bodemverontreiniging.

• De algehele bodemopbouw bestaat uit (geroerde) klei op een veenlaag op een diepte vanaf circa 1,50 á 1,80m-mv. • Op het zuidelijke terreindeel is een houten schuur aanwezig met aan de westzijde een houten vlonder. Aan de andere zijde van de schuur is bestrating aanwezig. • Het noordelijke terreindeel bestaat uit gras met bomen en lage borders met beplanting. • Bij het uitvoeren van de terrein inspectie is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. • De huidige eigenaar geeft aan dat bij baggerwerkzaamheden van de naastliggende sloot en wiel de bagger verspreid is over het noordelijk terrein deel. Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek • De bovengrond met een zwakke puin bijmenging is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond aan klasse industrie. • De bovengrond zonder bijmenging is licht verontreinigd met kwik, lood, zink. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond aan klasse wonen. • De ondergrond is licht verontreinigd met kwik en lood en voldoet bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit aan klasse altijd toepasbaar. • Het grondwater is licht verontreinigd met barium. • In de grond met een zwakke bijmenging aan metselwerk puin en grind is een asbestbodemonderzoek uitgevoerd, waarbij één stukje asbesthoudend 43

plaatmateriaal. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat de grond niet verontreinigd is met asbest boven de tussenwaarde (50 mg/kg ds) en interventiewaarde (100 mg/kg ds). Hypothese De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. Voor de voorgenomen ontwikkeling, vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen.

44

5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Papendrecht is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een middelhoge archeologische verwachting. Bij bodem verstorende ingrepen dieper dan 0,3 meter en groter dan 500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het onderhavige nieuwbouw van de woning betreft max. 80 m2 op grond waar de bodem reeds is geroerd (te saneren schuur). Hierdoor is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

45

Plangebied

Afbeelding 12: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

46

5.11 Duurzaamheid De gemeente Papendrecht heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door de bestaande bebouwde ruimte (schuur) te gebruiken om te voorzien in een concrete woningbehoefte (schuurwoning), hiermee wordt op een duurzame wijze omgegaan met de ruimte. Tevens wordt de woning geïsoleerd conform de huidige bouweisen van het bouwbesluit. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit, wateropvang is met een groene inrichting sprake van een betere situatie dan in geval er veel terreinverharding wordt gerealiseerd. Het plangebied wordt groen ingericht.

47

6.

Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’ bestaat uit drie delen: de toelichting, regels en verbeelding. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’ is aansluiting gezocht bij de beheersverordening ‘Papendrecht’ van de gemeente Papendrecht. Hier is voor gekozen omdat het plangebied gelegen is binnen de plangrenzen van dit plan. De regels van het bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Wonen Ten behoeve van de schuurwoning wordt de bestemming ‘Tuin’ gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Ter plaatse wordt een bouwvlak opgenomen. Water Ter plaatse van de watergang aan het wiel wordt de bestemming ‘Water’ opgenomen. Waarde – Archeologie Binnen het plangebied is de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie' opgenomen ter behoud en bescherming van de archeologische waarden in de gronden. Deze regels die binnen deze bestemming gelden, hebben voorrang op de regels van de andere op de gronden voorkomende bestemmingen. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.

48

6.4 Aanduidingen • • • • • • •

Bouwaanduiding: ‘bouwvlak’; Bouwaanduiding: ‘bijgebouwen’; Gebiedsaanduiding: ‘vrijwaringszone – dijk – 2’; Gebiedsaanduiding: ‘geluidszone – industrie (industrieterreinen ‘De Staart’ & ‘Oosteind’’; Maatvoering: maximum aantal woonheden 1; Maatvoering: maximum bouwhoogte 6,0m; Maatvoering: maximum goothoogte 3,0m.

49

7. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen nieuwbouw, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke hierbij aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Er is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt en wat de plankosten zijn. Er wordt dan ook geen exploitatieplan vastgesteld met het bestemmingsplan, omdat het verhaal van kosten anderszins is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

7.2 Maatschappelijk draagvlak In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de directe buren reeds persoonlijk geïnformeerd in een vroeg stadium, de principeverzoekfase. Naast de directe buren is ook de Stichting Dorpsbehoud Papendrecht geïnformeerd. Zowel de directe buren als de stichting hebben het onderhavige plan positief ontvangen.

7.3 Vooroverleg ex. Art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op 24 maart 2021 is via het 'E-formulier aanbieden ruimtelijke plannen' de uitkomst verkregen dat het voorontwerpplan niet aan de Provincie Zuid-Holland hoeft te worden toegezonden. Het voorontwerpplan is op 24 maart 2021 toegezonden aan de volgende instanties, met het verzoek om uiterlijk 21 april 2021 te reageren: • Waterschap Rivierenland; • Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid; • Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid; • Gasunie; • Oasen; • Stedin; • Tennet. Het Waterschap Rivierenland geeft in de reactie 14 april 2021 aan geen opmerkingen op het plan te hebben. Voor de uitvoering van de plannen kunnen de initiatiefnemers contact zoeken met de afdeling vergunningen (om gebruik te kunnen maken van de eenmalige vrijstelling & het plaatsen van een steiger en/of beschoeiing). 50

Van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid is geen reactie ontvangen. De Veiligheidsregio ZHZ kan zich in de reactie van 31 maart 2021 vinden in paragraaf 5.6 Externe veiligheid van de toelichting en de Memo Verantwoording groepsrisico Tiendzone te Papendrecht (AGEL adviseurs, 21-07-2015). De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Gasunie heeft blijkens de reactie van 24 maart 2021 vastgesteld dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtstbij gelegen leiding van de Gasunie valt en dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Stedin gaat er in de reactie van 24 maart 2021 van uit dat met de realisatie van de woning rekening wordt gehouden met de ligging van eventuele aanwezige kabels en leidingen in het plangebied.

Tennet geeft in de reactie van 29 maart 2021 aan dat Tennet binnen de grenzen van het plan noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer heeft. Oasen heeft in de reactie van 15 april 2021 laten weten dat het plan geen aanleiding geeft tot opmerkingen. Het voorontwerp bestemmingsplan is ook toegezonden aan de Natuur- en Vogelwacht "De Alblasserwaard". De NVWA geeft in haar reactie d.d. 25 maart 2021 aan dat het plangebied deel uitmaakt van een Groene Long in Papendrecht. Die Groene Long moet zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. De adviseur natuurtuinen biedt aan te adviseren over het groen inrichten van de tuin. Bij voorkeur dient de oppervlakte buiten de bebouwing doorlaatbaar te blijven; dit houdt ook in dat de parkeerplaats voor auto’s gemaakt wordt met doorlaatbare stenen.

7.4 Zienswijze ontwerpbestemmingsplan Op de voorbereiding van een bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben van 8 april tot en met 19 mei 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De terinzagelegging is bekend gemaakt in de Staatscourant, de Klaroen en op de gemeentelijke website www.papendrecht.nl. Het ontwerpbestemmingsplan kon worden ingezien in het gemeentehuis van Papendrecht, op de gemeentelijke site en de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Er zijn geen zienswijze(n) ingediend.

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/266/documents/5620