Bijlage 4 Toelichting NL.IMRO.0590 Bestemmingsplan Oosteind 130-3001.pdf
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’
Toelichting bestemmingsplan ‘Papendrecht, nabij Oosteind 130’
Identificatie NL.IMRO.0590.BPOosteind130-3001 Datum 01-07-2021 Planstatus Vastgesteld Versie 1.0
2
Inhoud 1.
2.
3.
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .................................................................................................. 5
1.2
Plangebied .................................................................................................. 5
1.3
Vigerende beheersverordening ................................................................... 6
1.4
Leeswijzer................................................................................................... 6
Bestaande situatie ................................................................................................................... 7 2.1
Algemeen ................................................................................................... 7
2.2
Ruimtelijke structuur .................................................................................. 7
Planbeschrijving ....................................................................................................................... 9 3.1 Plan................................................................................................................ 9 3.2 Architectuur & landschap ............................................................................... 9 3.3 Verkeer en parkeren ....................................................................................... 9
4.
5
Beleidskader............................................................................................................................ 11 4.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 11
4.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 13
4.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 16
4.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 20
4.5
Conclusie .................................................................................................. 22
Omgevingsaspecten ............................................................................................................ 23 5.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 23
5.2
Watertoets ................................................................................................ 24
5.3
Geluid ....................................................................................................... 30
5.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 32
5.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 34
5.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 35
5.7
Kabels en leidingen................................................................................... 39
5.8
Natuur ...................................................................................................... 40
5.9
Bodem ...................................................................................................... 43
5.10 Archeologie .............................................................................................. 45 5.11 Duurzaamheid .......................................................................................... 47 6.
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 48 6.1
Inleiding ................................................................................................... 48
6.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 48
6.3
Bestemmingen .......................................................................................... 48
6.4
Aanduidingen ........................................................................................... 49 3
7.
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................. 50 7.1
Exploitatie ................................................................................................ 50
7.2
Maatschappelijk draagvlak ........................................................................ 50
7.3
Vooroverleg ex. Art. 3.1.1 Bro................................................................... 50
7.4
Zienswijze ontwerpbestemmingsplan ........................................................ 51
Bijlage Omschrijving 1 Watertoets 2 3 4 5
Akoestisch onderzoek Verantwoording groepsrisico Tiendzone Ecologische quickscan Verkennend bodemonderzoek
Auteur Waterschap Rivierenland Voortman Ingenieurs
Referentie 20201117-924784 20.1489
Datum 17-11-2020
AGEL adviseurs
20130566-068
21-07-2015
Blom Ecologie
BE/2020/752/r
17-02-2021
ADCIM B.V.
20200455-DVO-1
04-12-2020
01-03-2021
4
1.
Inleiding
1.1 Aanleiding Het perceel PPD00 – C – 1892, perceel nabij Oosteind 130 te Papendrecht, is gelegen aan de oostkant van Papendrecht. Het betreft een tuinperceel met daarop een schuur, gelegen tussen de woonpercelen. Aan de westzijde is een waterwiel gelegen. De initiatiefnemers zijn voornemens de schuur te saneren en hier een kleinschalige levensloopbestendige en gelijkvloerse schuurwoning te realiseren. Het onderhavige plan is strijdig met de ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’ welke door de gemeente Papendrecht is vastgesteld op 28 maart 2019. De gronden betreffen hierin de bestemming ‘Tuin – 1’ (deels ‘Wonen - 2’ en ‘Water’) en de aanduiding ‘bijgebouwen’, waarop het realiseren van een woning niet is toegestaan. Op 27 maart 2020 is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Papendrecht. Op 18 september 2020 heeft de gemeente Papendrecht besloten in principe medewerking te willen verlenen aan het plan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.
Afbeelding 1: Luchtfoto plangebied
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern van Papendrecht. Het plangebied wordt aan de noordzijde ontsloten door de Tiendweg Oost en aan de zuidzijde door de dijk van het Oosteind. Omliggend het plangebied zijn woon- en tuingronden gelegen met ten westen een waterwiel.
5
1.3 Vigerende beheersverordening Het plangebied valt binnen de ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’ welke door de gemeente Papendrecht in 2019 is vastgesteld. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemmingen: • Tuin – 1; • Water; • Wonen – 2; Voorts liggen op het perceel de volgende aanduidingen: • Bijgebouwen; • Geluidszone – industrie.
Afbeelding 2: Plankaart beheersverordening
1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • • • • • •
Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; Hoofdstuk 3: Planbeschrijving; Hoofdstuk 4: Beleidskader; Hoofdstuk 5: Sectorale aspecten; Hoofdstuk 6: Juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 7: Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6
2.
Bestaande situatie
2.1 Algemeen De gemeente Papendrecht ligt in het zuidwestelijke deel van de Alblasserwaard en maakt deel uit van de regio Drechtsteden. Het plangebied betreft het kadastrale perceel PPD00 – C – 1892 en is 439 m2 groot.
2.2 Ruimtelijke structuur 2.2.1 Ontstaansgeschiedenis Oosteind Papendrecht is ontstaan als een typisch dijkdorp aan de Merwede, waarschijnlijk rond het jaar 1000. Papendrecht wordt voor het eerst officieel genoemd in een document uit 1105. Vanaf 1277 werden de rivierdijken en kades in de Alblasserwaard met elkaar verbonden en ontstond een echt dorp. Tot 1816 was Papendrecht een heerlijkheid en in het bezit van adellijke families. Pas daarna kreeg het dorp een eigen gemeentebestuur. Behalve Papendrecht zijn binnen de gemeente geen andere kernen gelegen. Aan het dorpse karakter van Papendrecht kwam in de tweede helft van de 20e eeuw ruimtelijk gezien een einde, toen begonnen werd met de aanleg van grootschalige nieuwbouwwijken. Hierbij hoorde ook de realisatie van een duidelijk centrumgebied, met voldoende ruimte voor voorzieningen voor het snel groeiende inwonertal. Aan de oostzijde van Papendrecht is de wijk ‘de Oostpolder’ gelegen. De Oostpolder is de meest recente uitbreidingswijk gelegen tussen de oostzijde van de voormalige bebouwing in Papendrecht en de A15. Het plangebied is gelegen in het dijklint Oosteind, benedendijks.
Afbeelding 3: Bestaande schuur
7
2.2.2 Huidige gebruik Het plangebied is momenteel in gebruik als tuingrond, waarop een kleinschalige privéschuur (ca. 64 m2) is gelegen. Aan het wiel is een steiger gelegen, welke in verbinding staat met de schuur. Het plangebied is te bereiken middels een ontsluiting (recht van overpad) op de Tiendweg Oost.
8
3.
Planbeschrijving
3.1 Plan De initiatiefnemer is voornemens de bestaande schuur op het perceel PPD00 – C – 1892, perceel nabij Oosteind 130 te Papendrecht, te saneren en ter vervanging een kleinschalige levensloopbestendige en gelijkvloerse schuurwoning te realiseren. Het beoogde plan is om de woning in overeenstemming met het karakter van de directe omgeving te realiseren. In de bestemmingsplanregels is een maximale oppervlakte van 80 m2 opgenomen voor de woning.
3.2 Architectuur & landschap Het plangebied is gelegen in het historisch dijklint langs het Oosteind. De karakteristieken welke benoemd staan in de dijkvisie (zie paragraaf 4.4.2) zijn als basis gebruikt voor het onderhavige plan en het ontwerp van de schuurwoning. Gezien het onderhavige plan benedendijks is gelegen en niet direct aan de dijk zijn niet al deze karakteristieken van toepassing op het onderhavige plan. Desondanks worden de karakteristieken zoveel mogelijk gevolgd. Dit heeft geleid tot enkele belangrijke aspecten waarbij rekening is gehouden bij het ontwerp van de woning: • Een eenvoudige rechthoekige plattegrond; • Een locatie ontworpen schuurwoning; • De gevel is verticaal ingedeeld; • De materialen en kleuren zijn natuurlijk en afgestemd op de omgeving; • Dijkprofiel is altijd herkenbaar; • Gezien de ligging benedendijks, ontworpen als schuur; • Rekening houden met landschappelijke doorzichten (doorkijkjes) en het wiel; • Bebouwing dient zich te voegen in de omgeving en kleinschalig te zijn;
3.3 Verkeer en parkeren Ontsluiting In de huidige situatie kan het plangebied worden bereikt vanaf de Tiendweg-Oost (zie paragraaf 2.2.2). Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd (zie afbeelding 4). Parkeren Het college heeft begin februari 2018 de 'Parkeernormennota Papendrecht 2018' vastgesteld. Deze dient in alle bestemmingsplannen opgenomen te worden en in de regels via een dynamische verwijzing te zijn geborgd. Uitgaande van het type ‘koop, vrijstaand’ liggend in de rest bebouwde kom van een sterk stedelijk gebied wordt uitgegaan van een parkeernorm van 1,7 – 2,5 parkeerplaatsen voor de woning (waarvan 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers). Binnen het plangebied is er meer dan voldoende ruimte om te voorzien in deze parkeerbehoefte (zie afbeelding 4).
9
Meer dan voldoende ruimte voor parkeren
Toegangsweg op Tiendweg-Oost
Afbeelding 4: Indicatie nieuwe situatie parkeren / ontsluiting (maatvoeringen/positie bebouwing indicatief)
10
4.
Beleidskader
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het voorgenomen plan is zeer kleinschalig van aard, er worden geen rijksbelangen geschaad. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.
Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. 11
Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een kleinschalige schuurwoning, hiermee per saldo de toevoeging van een enkele wooneenheid. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
12
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) Conform het provinciaal beleid van Zuid-Holland vinden nieuwe ontwikkelingen bij voorkeur plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft echter te worden opgevangen binnen BSD. Conform het provinciaal beleid kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte). Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Daarbij zet de provincie Zuid-Holland in op het beter benutten van de bebouwde ruimte. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plan sluit hiermee aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair te realiseren binnen bestaand stedelijk en bebouwd gebied.
De nieuwe woning wordt gebouwd conform de huidige bouweisen.
13
Ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Middels het onderhavige plan wordt een verouderde schuur (ca. 64 m2) gesaneerd. Op de locatie van de te saneren schuur wordt ter compensatie een nieuwe schuurwoning (max. 80 m2) gerealiseerd. De ruimtelijke impact is door het eerst saneren van de verouderde schuur nihil. De nieuwe schuurwoning wordt op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast, aansluitend op het (groene) karakter van de directe omgeving.
De schuurwoning zal gasloos en waar mogelijke enkele duurzame toepassingen (zonnepanelen) worden gerealiseerd, ook zal de woning levensloopbestendig zijn. De initiatiefnemers willen het perceel zo groen mogelijk houden (gelijk de huidige situatie) en overbodige verharding wil men voorkomen. Met dit alles wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse niet aangetast en blijft deze behouden. Het plan zorgt voor een toekomstbestendige en duurzame situatie voor het perceel en de initiatiefnemers. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit.
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
14
zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. ▪
Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard onder de categorie ‘inpassen’. Het plan voorziet in de mogelijkheid om de huidige schuur te saneren en een schuurwoning te realiseren. Hierbij is er geen sprake van wijzigingen op structuurniveau. De bestaande gebiedsidentiteit blijft ongewijzigd. Het plan is qua aard en schaal passend in het gebied. Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een kleinschalige schuurwoning, hiermee per saldo de toevoeging van een enkele wooneenheid.
Vanuit jurisprudentie (zie paragraaf 4.1.3) is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
15
4.3 Regionaal beleid 4.3.1 Regionale ruimtelijke strategie Drechtsteden Op 14 januari 2014 is de geactualiseerde structuurvisie ‘Ruimtelijke strategie Drechtsteden’ vastgesteld. In deze Strategie wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de Drechtsteden. De regio Drechtsteden heeft een belang bij 6 grote thema’s: 1. Aantrekkelijk leefklimaat: a. Koesteren en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, door toetsen en stimuleren. b. Op peil houden en incidenteel aanvullen van het voorzieningenniveau, onder meer door regulering en goede afstemming van programma’s. c. Verhogen van de aantrekkingskracht van de historische binnenstad van Dordrecht en delen van de S, vooral door te stimuleren en coördineren waar het gaat om culturele voorzieningen en detailhandel. d. Verbeteren van de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van de regio als woongebied, door in te zetten op: - een groter aanbod van rustig groene en blauwe woonmilieus; aan de rivier en aan de stadsranden. 2. Economische ontwikkeling: a. Het aanbieden van voldoende aanbod en kwaliteit voor bestaande en te vestigen maritieme bedrijven in de Drechtsteden. b. Het versterken van de bijbehorende kennisstructuur en een aanpak van het tekort aan vakkrachten. c. Goede afstemming tussen de vraag naar kantoorruimte en het bestaande aanbod, incl. de plancapaciteit. 3. Externe veiligheid: a.
Voor de middellange termijn inzetten op de bouw van de Boog bij Meteren (verbindingsboog tussen de Betuweroute en de spoorlijn Utrecht den Bosch), waardoor er minder treinen door Dordrecht en Zwijndrecht rijden. b. Voor de lange termijn zijn andere oplossingen noodzakelijk, bijvoorbeeld een dedicated goederenlijn. 4. Klimaatadaptatie: a. Veiligheid voor bewoners en bedrijven heeft de hoogste prioriteit. b. De regio wil zich in deze projecten manifesteren als proeftuin, waarin de aanwezige expertise op het gebied van waterbouw, watermanagement en waterbeheer (o.a. Urban Flood Management en MARE) kan worden toegepast. c. Voorkomen van een negatief effect op de ruimtelijke kwaliteiten van de regio, zoals dijklinten, zicht op het historische waterfront of de beleving van het water. d. De bereikbaarheid van de natte bedrijventerreinen of de uitbreidingsmogelijkheden daarvan. 5. Bereikbaarheid: a. Versterken en verbeteren van de positie van de fiets. b. Versterken van de positie van het openbaar vervoer.
16
c. Voor het gemotoriseerd verkeer heeft de doorstroming op het hoofdwegennet en de directe aansluitingen op het onderliggend wegennet prioriteit. 6. Duurzaamheid: a. De regionale doelstelling is 2% energiebesparing per jaar en 20% duurzame energie in 2020 (conform het Klimaatakkoord Gemeenten en Rijk 2007-2011). Papendrecht is een suburbane woongemeente met een kleine stedelijke kern. Onderscheidend in het hoogwaardige voorzieningenaanbod dat Papendrecht herbergt, zijn de sport en het onderwijs. Papendrecht heeft een duidelijk gezicht naar de rivier en is een trots en welvarend dorp met een bloeiend bedrijfsleven. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Middels het onderhavige plan wordt een schuur gesaneerd en een kleinschalige schuurwoning gerealiseerd. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse gekoesterd en ingezet op een groen en blauw woonmilieu. Het plan houdt rekening met de kwaliteit en de kernpunten van het historisch dijklint ter plaatse. De schuurwoning wordt ingepast naar de karakter van de omgeving en op een passende wijze landschappelijk ingericht. 4.3.2 Regionale woonvisie 2017-2031 ‘Goed wonen in de Drechtsteden’ De afgelopen jaren lag de focus van het woonbeleid van de regio Drechtsteden op de kwaliteit van het wonen in de Drechtsteden. Doelstellingen hadden betrekking op het realiseren van aansprekende woonmilieus en bijzondere woningen.
Daarnaast was er aandacht voor de toekomstwaarde van bestaande wijken in het algemeen, en de kwaliteit en spreiding van de sociale voorraad in het bijzonder. Als gevolg van het economisch herstel is de woningmarkt in 2015 weer in beweging gekomen. Inmiddels is duidelijk dat er in de zuidvleugel van de Randstad een forse nieuwbouwopgave ligt. De regio Drechtsteden is voornemens hier een bijdrage aan te leveren. In deze woonvisie worden de kwalitatieve ambities verbonden met een kwantitatieve groeidoelstelling. De centrale ambitie is vertaald in 20 kernpunten: 1. De zeven Drechtstedengemeenten verplichten zich gezamenlijk tot realisatie van woningen voor de autonome opgave door groei van het aantal huishoudens met 9.560 tot 2031. 2. Door alle zeven gemeenten wordt naarstig gezocht naar locaties/mogelijkheden om de plancapaciteit te verhogen tot het per gemeente gewenste aantal. Zo gewenst leidt dit tot uitwisseling van woningbouwopgaven tussen de gemeenten. 3. De zeven gemeenten gaan een inspanningsverplichting aan om naast de autonome groeiopgave te zoeken naar locaties om zo’n 15.000 woningen te realiseren. Hierbij is de opgave op zich meer van belang dan het jaartal van realisatie (2031). 4. In 2035 is de gebouwde omgeving in de Drechtsteden energieneutraal.
De maatregelen die hiervoor nodig zijn, worden vastgesteld in de regionale en lokale energiestrategieën en uitwerkingsplannen en worden bij de realisatie van de Woonvisie toegepast. 5. De Drechtstedengemeenten werken met alle relevante partners samen op het gebied van ‘langer en passend thuis’.
17
6. We hanteren de woningbehoeftetabel 2031 als koers voor de verdeling van de woontypen (bij de autonome groei) over het Drechtstedengebied. 7. Bij de nieuwbouwplannen in de koopsector zorgen we voor voldoende aanbod in het duurdere segment (> € 300.000). 8. We zetten in op groei in het duurdere segment om een meer evenwichtig samengestelde bevolking te realiseren. 9. Tevens geven we meer aandacht aan het vasthouden van jongeren/studenten en het aanboren van nieuwe doelgroepen (nieuwe, innovatieve woonconcepten). 10. Op dit moment wordt de voorraad goedkope koopwoningen (< € 177.400) niet uitgebreid. Er kunnen goede redenen zijn om de vraag naar koopwoningen in het middeldure segment (€ 177.400 - € 250.000) te faciliteren. 11. We kiezen voor de sociale huurvoorraad voor een pas-op-de-plaatsbeleid. We houden vast aan de PALT-afspraken voor wat betreft het goed monitoren van de feitelijke ontwikkelingen. 12. Vanwege de verschillen in de sociale huurvoorraad per gemeente realiseren we een meer evenwichtige spreiding. 13. Het pas-op-de-plaats-beleid kan ook ingevuld worden door reductie van de voorraad in een buurt waar een grote concentratie huurwoningen is, met compenserende nieuwbouw op een andere plek die daarvoor beter geëigend is. 14. De ontwikkeling in de onderscheiden segmenten van de sociale huurvoorraad wordt actief gevolgd.
Zo nodig wordt het beleid aangepast aan gewijzigde omstandigheden binnen de algemene kaders van deze Woonvisie. 15. De uitgangspunten 11, 12, 13 en 14 worden in samenspraak met de woningcorporaties en de huurdersraden verder uitgewerkt. De resultaten worden medio 2018 vastgelegd in de Prestatieafspraken Lange Termijn. 16. We ontwikkelen een gezamenlijke strategie om beleggers te stimuleren om in de vrije huursector te investeren. Daarnaast bespreken we met woningcorporaties wat zij hierbij kunnen betekenen. De verantwoordelijkheid en de uitvoering blijven lokaal. 17. Om recht te doen aan de lokale situatie, kan de vertaling van de uitgangspunten 11 t/m 16 naar een woningbouwprogramma en prestatieafspraken per gemeente verschillen. Gemeenten geven in hun lokale uitvoeringsparagraaf en het lokale deel (III) van de PALT-afspraken aan hoe ze hiermee omgaan. Randvoorwaarde hierbij is dat de optelsom van lokale plannen voldoende is om de regionale opgave te realiseren. 18. De zeven gemeenten geven de bijdrage aan die zij aan de vraag naar onderscheidende woonmilieus leveren. 19. Alle zeven Drechtstedengemeenten verplichten zich om locaties te vinden om de woonopgave van deze Woonvisie te realiseren. Zij verantwoorden zich hierover naar elkaar om na te gaan of de optelsom van de lokale plannen leidt tot een adequate uitvoering van de opgave. 20.
Om de uitgangspunten van deze Woonvisie te kunnen realiseren, werken de zeven gemeenten verplichtend samen; hiervoor verantwoorden zij zich naar elkaar over de lokale keuzes en plannen via een bestuurlijke ‘taskforce uitvoering Woonvisie’. De taskforce faciliteert de gemeenten bij de versnelling van de woningbouwprogrammering.
18
De woonvisie vormt de context voor de invulling van de regionale en lokale woningbouwprogramma's, die tegemoet komen aan de behoeften van de regio en die van de afzonderlijke gemeenten en biedt gemeenten ruimte voor eigen invulling. Het onderhavige plan betreft de sanering van een schuur en de realisatie van een kleinschalige levensloopbestendige schuurwoning. Hiermee sluit het plan aan op de concrete behoefte van inwoners van Papendrecht en de behoefte in de regio. Er wordt welkom woningaanbod gecreëerd op de markt waar veel vraag is, tevens kan doorstroming worden gestimuleerd.
19
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Papendrecht 2020 De Omgevingsvisie Papendrecht, vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2021, beschrijft strategische ambities en doelen voor de leefomgeving voor de lange termijn en dient daarmee als kapstok voor beleidsdocumenten, programma’s en projecten in de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 2 Identiteit van Papendrecht wordt de ligging aan de rivier als kernkwaliteit benoemd. Papendrecht is van oorsprong ontstaan als dijkdorp met bebouwing langs het water. Vandaag de dag is het historische dijklint nog steeds zichtbaar. Het functioneert als cultuurhistorische ruggengraat en is een belangrijk beeldbepalend element voor Papendrecht. In hoofdstuk 3 kiest de gemeente voor een duurzame koers, een gemeente die investeert in een gezonde en veilige leefomgeving met oog voor de benodigde klimaatadaptatie en energietransitie. Klimaatadaptatie biedt kansen om de leefomgeving te verbeteren, de betrokkenheid van de Papendrechters bij hun leefomgeving te vergroten, de biodiversiteit en ecologie te versterken en de waterbeleving te vergroten. De gemeente wil daarin het voorbeeld geven en inwoners en bedrijven ertoe aanzetten om aanwezige verharding in tuinen en op dakvlakken zo veel mogelijk om te zetten naar groen en water, het liefst in combinatie met zonnepanelen en zonnecollectoren.
Dat zorgt voor een hoger waterbergend vermogen, het draagt bij aan de hittevermindering bij extreem warm weer en biedt kansen voor het vergroten van de biodiversiteit. Hemelwater moet bij voorkeur worden verwerkt op de plek waar het valt. Ook is een kwalitatief en duurzaam afvalwatersysteem van belang. Bij renovatie en nieuwbouw wil de gemeente meer rekening houden met het vergroten van de natuurwaarden in woonen werkgebieden. Denk hierbij aan neststenen en -kasten voor vogels en vleesmuizen, insectenhotels, groene daken en gevels, bloemrijke boomspiegels, ecologische oevers en groene kademuren. Hoofdstuk 4 'Prettig wonen' beschrijft de ontwikkeling van de woningvoorraad: 'In de nabije toekomst (2030) wordt er voor Papendrecht een bevolkingskrimp verwacht. Tegelijkertijd daalt de gemiddelde woningbezetting, waardoor er ondanks de krimp woningen aan de woningvoorraad moeten worden toegevoegd. Naar verwachting zullen er voor 2030 minimaal 460 woningen moeten worden gebouwd. Daarbovenop willen we in het kader van de regionale Groeiagenda voor 2030 200 extra woningen bouwen om bij te dragen aan de versterking van sociaaleconomische positie van de Drechtsteden. Deze bijdrage kan ook de omvang van de verwachte bevolkingskrimp dempen.
Nieuwbouwlocaties zoeken we binnen de bestaande grenzen van Papendrecht.' Hoofdstuk 6 'Sterke verblijfskwaliteit' zegt over herontwikkelingen aan de dijk: 'De beoogde dijkversterking biedt mogelijkheden om bestaande situatie te verbeteren en toekomstbestendiger te maken. Bij toekomstige (her)ontwikkelingen van de dijk kiezen we daarom bewust voor het behouden, versterken en vernieuwen van de ruimtelijke kwaliteit langs de dijken en oevers zodat de rivier en het dijklint beter beleefbaar, herkenbaar en bereikbaar worden. Bij vernieuwing is de randvoorwaarde dat deze past binnen het historische karakter van het dijklint'.
20
De Omgevingsvisie krijgt een vertaling naar het omgevingsplan. Hiertoe bevat hoofdstuk 8.2 'Activiteitenoverzicht' concrete activiteiten met het oog op de verblijfskwaliteit, economische vitaliteit, infrastructuur, milieubelastende activiteiten en bouwen, slopen en aanleg in en van de fysieke leefomgeving. Elke activiteit bevat een korte toelichting en een richtinggevende uitspraak voor het omgevingsplan. Hoofdstuk 8.7 bevat een richtinggevende uitspraak over Bouwen in het dijklint: 'Om het dijklint te ontwikkelen in lijn met de Dijkvisie, is een vertaling hiervan naar het omgevingsplan nodig, gecombineerd met een actualisering van het Welstandsbeleid. We stimuleren huidige eigenaren van het dijklint om kwalitatieve verbeteringen te realiseren.' Het onderhavige plan betreft de sanering van een schuur en de realisatie van een kleinschalige levensloopbestendige schuurwoning. Hiermee wordt er optimaal en efficiënt gebruik gemaakt van de ruimte. Het plan koestert het historisch dijklint en het wiel als herkenbaar relict ter plaatse, welke het dorpse karakter bewaken. 4.4.2 Dijkvisie Papendrecht Gezien het dijklint de oorsprong is van Papendrecht is er een dijkvisie opgesteld door de gemeente. Middels de visie wordt het koesteren en versterken van het dijklint nagestreefd, zodat iedereen nu en in de toekomst goed kan wonen, leven en werken in Papendrecht.
De visie is kaderstellend voor toekomstige ontwikkelingen en biedt samenhangend ruimtelijke en functioneel beleid voor het dijklint. Voor plannen binnen het historisch dijklint gelden tien karakteristieken als leidraad: 1. Het dijkhuis reageert op het hoogteverschil; 2. De gevel is verticaal ingedeeld; 3. Het dijkprofiel is altijd herkenbaar; 4. Ieder pand is anders; 5. Tussen de bebouwing zijn doorkijkjes; 6. De voorgevelrooilijnen verspringen; 7. Bebouwing aan de dijk is kleinschalig; 8. Aan de dijk wordt gewoond en gewerkt; 9. (Groene) erfinrichting draagt bij aan een landschappelijk dijklint; 10. Stoepen en stegen zijn de basis voor uitbreidingen; De dijkvisie biedt mogelijkheden voor kleine initiatieven met respect voor het karakter van het dijklint. Gezien het onderhavige plan benedendijks is gelegen en niet direct aan de dijk zijn niet al deze karakteristieken van toepassing op het onderhavige plan. Desondanks worden deze karakteristieken zoveel mogelijk gevolgd middels het onderhavige plan (zie paragraaf 3.2). Hoewel de woning door de ligging niet te maken heeft met hoogteverschil dient het huis wel te passen in het gebied. De kleinschalige schuurwoning heeft een rechthoekige opzet en is ontworpen naar de locatie.
Gezien het volume ongeveer even groot is als de te saneren schuur blijven de doorkijkjes ter plaatse behouden en is er geen negatieve invloed op het landschap ter plaatse. 4.4.3 Stedelijk Waterplan 2007-2015 De gemeente Papendrecht en het waterschap Rivierenland hebben samen het Waterplan Papendrecht opgesteld. Dit plan vormt de basis voor het Stedelijk Waterplan 2007-2015 dat op 10 december 2009 door de raad is vastgesteld.
21
In het Waterplan is de stedelijke wateropgave als volgt benoemd: 'Het watersysteem voldoet aan de norm voor wateroverlast. Bij extreme neerslagsituaties (een keer in de 100 jaar) en rekening houdend met toekomstige klimaatontwikkelingen (10% extra neerslag) treedt geen peilstijging boven het maaiveld op. Bij uitbreiding van verhard oppervlak wordt compenserende waterberging gerealiseerd. Bij grotere plannen gebeurt dit bij voorkeur binnen het plan zelf. Bij kleinere plannen gaat de voorkeur uit naar uitbreiding van het watersysteem, aansluitend aan het bestaande watersysteem, al dan niet in combinatie met andere (compensatie) projecten. De gemeente coördineert de gezamenlijke uitbreiding van het watersysteem. Met behulp van een hydraulisch watersysteemmodel is het watersysteem van Papendrecht getoetst aan de normen die Waterschap Rivierenland aan het watersysteem stelt. Er zijn berekeningen uitgevoerd voor normale en extreme weersomstandigheden (1x per 10 jaar en 1x per 100 jaar). Hierbij is aangenomen dat door klimaatveranderingen de buien 10% meer neerslag brengen als in de huidige situatie.'
4.5 Conclusie Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.
22
5
Omgevingsaspecten
5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van een kleinschalige schuurwoning, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Er is daarmee geen directe m.e.rplicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij één woning, dus onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.rplicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het onderhavige plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om ter plaatse van een schuur een schuurwoning te realiseren.
Er vinden op de locatie geen productiewerkzaamheden plaats en er is geen sprake van de productie van afvalstoffen, anders dan regulier huisafval. Behoudens de standaard toegestane aanhuis-gebonden beroepen/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het historische dijklint in Papendrecht en maakt geen deel uit van beschermd gebied en/of een locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaalpark of Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen er geen significante negatieve effecten op het milieu zijn. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieueffecten.
23
5.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.
Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
24
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode: 20201117-9-24784). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uiteengezet.
Plangebied
Afbeelding 5: Peilgebiedenkaart
Peilgebied Het plangebied is gelegen in het peilgebied NDW029. Het peilgebied heeft een zomer- en winterpeil van -1,92 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt 25
binnen het plangebied voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Watergangen Ten westen van het plangebied is een waterwiel met een kleine aftakking gelegen. Het wiel (C-watergang) heeft geen specifiek watergang-nummer. Behalve wellicht een versteviging/damwand en/of een vlonder vinden er middels het onderhavige plan geen werkzaamheden aan het waterwiel plaats en ondervindt deze dus geen negatieve effecten van het plan.
Afbeelding 6: Legger wateren
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. 26
In de bestaande situatie is er een schuur van ca. 64 m2 aanwezig op de locatie. Hiernaast is ca. 65 m2 van het perceel verhard, maar het grootste deel van het perceel is groen (zie afbeelding 10). De initiatiefnemers zijn voornemens dit groen karakter zoveel mogelijk te behouden. De bestaande schuur wordt gesaneerd en vervangen door een schuurwoning van max. 80 m2. Hiermee neemt de oppervlakte aan bebouwing slechts toe met max. 16 m2. De verharding zal niet onevenredig toenemen, hooguit zal er enkele meters (half)verharding worden aangelegd. Voornemens zal gebruik worden gemaakt van de particuliere vrijstelling, de afdeling vergunningen van het waterschap zal bepalen of dit mogelijk is.
Afbeelding 7: Bestaande situatie verharding
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen
27
per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woning wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Papendrecht. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zijn zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijke materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen.
Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding. Ter bescherming van de waterkering wordt op basis van de Barro (2012) voor de buitenbeschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk - 2’ opgenomen.
Afbeelding 8: Legger waterkeringen
28
Wegbeheer In de huidige situatie kan het plangebied worden bereikt vanaf de Tiendweg-Oost (zie paragraaf 2.2.2). Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse. Voor het onderhavige plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
29
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de realisatie van een kleinschalige schuurwoning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van een geluidgevoelig object. Het plangebied is ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de Ketelweg en de Burgemeester Keijzerweg. Tevens zijn de woningen gesitueerd in de nabijheid van de gezoneerde industrieterreinen Oosteind en De Staart. Door Voortman Ingenieurs is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: ‘wegverkeerslawaai • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Ketelweg en Burgemeester Keijzerweg ten hoogste respectievelijk 41 en 42 dB dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer;
30
•
De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (inclusief 30 km/h wegen) ten hoogste 44 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt.
Industrielawaai • De etmaalwaarde van de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde industrieterrein “Oosteind” en “De Staart” ten hoogste respectievelijk 54 en 54 dB(A) bedraagt en hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) maar niet hoger is dan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) voor industrielawaai; • De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van beide industrieterreinen bedraagt ten hoogste 57 dB(A). Algemeen • Omdat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan cumulatie met industrielawaai achterwege blijven; • De woning beschikt over een geluidluwe gevel en buitenruimte, zodat wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Aan te vragen hogere grenswaarden industrielawaai Een verzoek tot vaststelling voor de in tabel 4.1 en 4.2 weergegeven hogere waarden dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Papendrecht. Geluidwering van de gevel Conform het Bouwbesluit 2012 is een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel noodzakelijk omdat -uitgaand van een gecumuleerde geluidbelasting van 57 dB(A) en een toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) ten gevolge van industrielawaai - een geluidwering is vereist van 22 dB(A).’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.
Ten gevolge van industrielawaai dient wel een hogere waarden te worden aangevraagd en een onderzoek geluidwering naar de gevel te worden uitgevoerd.
31
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 23,41 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 21,36 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 13,11 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met