Bijlage 3.1 - Merwehoofd vastgesteld toelichting.pdf
Tekst van het document
Ten westen en oosten van het plangebied zijn B-watergangen aanwezig, zie figuur 4.5. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed.
Figuur 4.5 Uitsnede legger wateren Waterschap Rivierenland
Rho adviseurs voor leefruimte
36
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering, zie figuur 4.6.
Figuur 4.6 Uitsnede legger waterkeringen Waterschap Rivierenland met het plangebied rood omcirkeld Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is momenteel braakliggend en niet aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie De ontwikkeling bestaat uit het realiseren van een woontoren van maximaal 13 verdiepingen en 42 meter hoog. Tevens heeft het waterschap een reactie gegeven, zie bijlage 9. Deze zijn in de paragraaf verwerkt. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Conform de Keur van Waterschap Rivierenland dient bij een toename van het verhard oppervlak watercompenserende maatregelen getroffen te worden. Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van toename van verharding.
Rho adviseurs voor leefruimte
37
Toelichting benodigd wateroppervlak De notitie 'Voorontwerp waterhuishouding en riolering' d.d. 22 januari 2003 (zie bijlage 8) is destijds de basis geweest voor het bestemmingsplan 'Rivieroevers'. In voornoemde notitie wordt een toelichting gegeven op het ontworpen watersysteem en wordt toegelicht dat het watersysteem uit verschillende compartimenten met een bijbehorend waterniveau bestaat. De compartimenten die zijn opgenomen in de notitie, zijn: A Plasberm B Centrale vijver C Tussenniveau D Lage bak E Gantel De waterbergingslocaties bestaan uit een vijver met een waterniveau van NAP +3,90 m (B), een tussenniveau op NAP +3,49 m (C), een lage bak op NAP +3,00 m (D) en de Gantel op NAP +0,80 m (E), zie figuur 4.7. Van deze waterpartij zijn B en C reeds gerealiseerd. De lage bak (D) en de Gantel (E) vallen binnen het bestemmingsplan 'Merwehoofd, Papendrecht' en maken integraal deel uit van het plan. In de notitie d.d. 22 januari 2003 wordt toegelicht dat uit esthetisch oogpunt het niet wenselijk is om de stuw ter hoogte van de bakken B, C en D hoger dan 0,30 m boven het normale waterpeil uit te laten steken. Dit betekent dat het waterpeil in de reeds gerealiseerde waterpartijen niet extra verhoogd kan worden. Met de wateroppervlakken die in de notitie geprojecteerd zijn (A tot en met D), wordt 650 m³ waterberging gerealiseerd.
Het oppervlak van bak D bedraagt 650 m², dat betekent dat hier in het ontwerp 195 m³ berging aanwezig was. De waterberging in de Gantel (E) is in de 650 m³ niet meegenomen, maar het wateroppervlak hier bedraagt binnen de plangrenzen 702 m². Voor het hele plan is ondanks de voorzieningen B tot en met D een tekort van 1.484 m³ waterberging aanwezig. Met gemeente en waterschap is afgestemd dat met de ontwikkeling van toren C minimaal 650 m³ berging aanwezig dient te blijven. Het oplossen van het waterbergingstekort binnen het woongebied Merwehoofd is met deze ontwikkeling niet mogelijk.
Figuur 4.7 Compartimentering waterberging inclusief waterniveau Rho adviseurs voor leefruimte
38
In de toekomstige situatie zal meer berging in het watersysteem aanwezig zijn dan op grond van het oorspronkelijk planologisch regime was voorzien (zie tabel 4.3). Het oppervlak van de Lage bak (D) is met 10 m² (van 650 m² naar 660 m²) toegenomen en het oppervlak van de Gantel (E) is 183 m² (van 702 m² naar 885 m²) groter dan opgenomen in de beheersverordening 'Rivieroevers' van 2016. Dit betekent dat met de wijzigingen het waterbergingstekort met 40 m³ wordt verminderd. Tabel 4.3 Mutatie wateroppervlakte
Met de ontwikkeling van de ondergrondse parkeergarage worden geen negatieve effecten verwacht. Er wordt geen warmte onttrokken van het grondwater. Mogelijk is er sprake van tijdelijke bemaling bij de aanleg van de parkeergarage. Omdat dit tijdelijk is, is er geen sprake van een negatief effect. De ontsluiting via een hellingbaan op palen in het water zal zodanig worden uitgevoerd dat de onderzijde van het talud wordt afgevlakt zodat vanaf de kant vuil kan worden weggenomen. Waterveiligheid De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Uit een stresstest die Nelen & Schuurmans in 2020 heeft uitgevoerd voor de gemeente, blijkt echter dat in het peilgebied Papendrecht-Hoog een knelpunt optreedt ter hoogte van het woongebied Merwehoofd. Hierover treden gemeente en waterschap nader in overleg. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt.
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: a. hemelwater vasthouden voor benutting, b. (in-) filtratie van afstromend hemelwater, c. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater d. afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Hemel- en afvalwater zal gescheiden ingezameld worden. Hierdoor zal hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komen waardoor de druk van het riool af zal nemen. Drooglegging Door het waterschap wordt een drooglegging van 1,3 m voor het bouwpeil geadviseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
39
Watervergunning waterschap Voor de benodigde werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van het plan is een watervergunning nodig van het waterschap. Conclusie In het oorspronkelijke plan bestond voor de watercompensatie een bergingstekort binnen het plangebied van 1.484 m3. Door de ontwikkeling van de woontoren neemt het waterbergingstekort in het woongebied Merwehoofd met 40 m³ af. Bij de berekening van het waterbergingstekort van het oorspronkelijke plan is de bergingscapaciteit van de Gantel (ook het gedeelte dat is gelegen binnen het plangebied) niet meegerekend. Omdat het watersysteem van het Merwehoofd wel in verbinding staat met de Gantel, heeft dit theoretisch berekende tekort in de voorbije 20 jaar niet geleid tot wateroverlast. Het realiseren van de woontoren en de resterende waterbassins heeft een positieve invloed op de waterberging van het woongebied Merwehoofd. Hiermee heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor de uitvoering van het plan is een vergunning nodig van het waterschap.
4.6
Bodem
Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Onderzoek In het plangebied is milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (volledige onderzoek staat in bijlage 2). Het onderzoek is uitgevoerd in verband met het opstellen van een bestemmingsplanwijziging en de daaruit (voortvloeiende) aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In dit kader wenst de opdrachtgever inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.
Door middel van een verkennend milieukundig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: Bovengrond (0-0,5 m-mv) De bovengrond bestaat uitsluitend uit zand. In de grond is sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name bijmengingen met baksteen en beton. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op basis van de analyse- en toetsingsresultaten blijkt de grond licht verontreinigd te zijn met enkele zware metalen, minerale olie, PAK en PCB. De grond is niet verontreinigd met PFAS of GenX.
Rho adviseurs voor leefruimte
40
Ondergrond (vanaf 0,5 m-mv) De ondergrond bestaat tot circa 2 m-mv uit zand. Daaronder bestaat de bodem tot de maximaal geboorde diepte van 5,5 m-mv uit klei. Er zijn ter plaatse van de voormalige watergang geen slib- en rietresten aangetroffen. De demping is deels met puinhoudende grond uitgevoerd. In de grond is sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name bijmengingen met baksteen en beton. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op basis van de analyse- en toetsingsresultaten blijken het zand en de klei licht verontreinigd te zijn met enkele zware metalen, minerale olie, PAK en PCB. Grondwater Aan het bemonsterde grondwater zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. De gemeten waarden voor de zuurgraad en het elektrisch geleidingsvermogen duiden niet op een eventuele verontreiniging van het grondwater. De gemeten troebelheid is iets verhoogd, een eenduidige reden hiervoor is niet bekend. In het grondwater overschrijden de concentraties barium, zink, en een tweetal VOCl de desbetreffende streefwaarden. De concentraties van de overige onderzochte parameters zijn alle lager dan de betreffende streefwaarden. Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese 'verdacht' aangenomen te worden. Dit heeft te maken met de lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater.
Conclusie Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater) dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie te worden gehandhaafd. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
4.7
Geluid
Toetsingskader Wet geluidhinder (Wgh) De ontwikkeling aan het Merwehoofd dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wet geluidhinder (Wgh). Op basis van deze toetsing kan worden beoordeeld of voor de appartementen extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document 'Geluidbeleid hogere waarden Wgh en 30 km/uur-wegen gemeente Papendrecht' (2009) van de gemeente Papendrecht (opgesteld door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid). Artikel 82 tot en met 85 van de Wet geluidhinder (Wgh) geven nadere uitleg met betrekking tot de geluidbelasting in zogenaamde 'Nieuwe situaties' (er dient een ruimtelijke procedure te worden gevolgd). De zogenaamde voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Is de geluidbelasting lager dan 48 dB dan legt de Wgh geen restricties op aan het onderhavige plan. Wordt deze voorkeursgrenswaarde overschreden dan kan door de gemeente een hogere waarde worden vastgesteld. Indien de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, kan de gemeente ontheffing verlenen indien maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB onvoldoende doeltreffend zijn dan wel op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
De normen uit de Wgh staan opgenomen in onderstaande tabel.
Rho adviseurs voor leefruimte
41
Tabel 4.2 Normen wgh normen voor nog niet-geprojecteerde woningen in een stedelijk gebied voorkeursgrenswaarde 48 dB maximale ontheffingswaarde 63 dB Scheepvaartlawaai In het kader van een goed woon- en leefklimaat dient de geluidbelasting ten gevolge van scheepvaartlawaai inzichtelijk te worden gemaakt. Voor scheepvaart zijn geen wettelijke normen of reken- en meetmethodieken ontwikkeld en vastgelegd. Onderzoek Door Tritium is een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde nieuwbouw aan Merwehoofd te Papendrecht. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 4. Verkeerslawaai Het plan is niet gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen, zoals gedifinieerd in de Wgh. Wel is het plan gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur wegen Bolwerk, Slobbengorsweg, Havenstraat en Watertap. Voor de weg Havenstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Voor de Slobbengorsweg en de weg Bolwerk geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen de richtwaarde met respectievelijk maximaal 12 dB en 4 dB overschrijdt. Echter kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn.
Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde. Overeenkomstig het geluidbeleid gemeente Papendrecht zijn bron- en overdrachtsmaatregelen onderzocht om de geluidbelasting terug te brengen tot de richtwaarde. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet doeltreffend. Om de doelmatigheid van voornoemde maatregel te toetsen is gebruik gemaakt van de tool 'Swung2dmc' van Antea Group. Hieruit blijkt dat het toepassen van een stiller wegdek op de Slobbegorsweg en Bolwerk financieel doelmatig wordt bevonden. Het stiller wegdek dient derhalve te worden toegepast. In het onderzoek is per appartement weergegeven wat de consequenties zijn conform het gemeentelijk geluidbeleid. Hieruit blijkt dat het merendeel van de appartementen voldoet aan het gemeentelijk geluidbeleid.
Uit overleg met de gemeente blijkt dat in iedere geval de appartementen 3, 5, 7, 9, 11 en 14 dienen te worden voorzien van een geluidluwe buitenruimte, bijvoorbeeld middels afsluitbare balkons, verhoogde borstweringen of een installatie in de woning die ook kan koelen. Na realisatie van deze aanvullende geluidbeperkende maatregelen, is strikt gezien bij een aantal appartementen geen sprake van geluidluwe buitenruimte, maar is ook dan sprake van een afdoende akoestisch woon- en leefklimaat en kan bij alle appartementen aan het gemeentelijk geluidbeleid worden voldaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
42
Scheepvaartlawaai Om het scheepvaartlawaai inzichtelijk te maken is gebruik gemaakt van het op 7 september 2021 door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid aangeleverde Geomilieu model (Scheepvaartlawaai 2030 ZHZ, versie 2.14). Overeenkomst het advies van de omgevingsdienst is scheepvaartlawaai beoordeeld als railverkeer. Voor het scheepvaartlawaai is dezelfde (en in Nederland gebruikelijke) normering als railverkeer gehanteerd van 55 dB. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting maximaal 45 dB bedraagt. Hiermee blijft de geluidbelasting ruim onder de norm van 55 dB. Tussen 2030 en het maatgevende jaar 2032 zal geen sprake zijn van een relevante autonome groei. Derhalve zal de geluidbelasting in het maatgevende jaar 2032 nog steeds voldoen aan de gestelde normering. Conclusie Ondanks dat voor onderhavig plan geen hogere waarde aangevraagd kan worden, dient overeenkomstig de voorwaarde gesteld in het gemeentelijk geluidbeleid in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevels ten behoeve van de appartementen waar een cumulatieve geluidbelasting van 53 dB, exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh wordt overschreden.
Voor de appartementen die hieraan niet voldoen zal gezorgd worden voor een binnenklimaat met een geluidbelasting van ten hoogste 33 dB en geluidluwe buitenruimte middels afsluitbare balkons. Tevens zal stiller wegdek op de Slobbegorsweg en Bolwerkt worden aangebracht. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.8
Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Rho adviseurs voor leefruimte
43
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 40 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Veerweg, direct ten noorden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 22,9 µg/m³ voor NO2, 19,2 µg/m³ voor PM10 en 11,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.8 Uitsnede NSL-monitoringstool met het plangebied blauw omlijnd en het maatgevende punt rood omcirkeld Rho adviseurs voor leefruimte
44
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.
In het' gebied zijn voornamelijk woningen, sportfuncties en bedrijven gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Ten westen op een afstand van circa 89 meter bevinden zich voetbalvelden. Volgens de VNG-lijst vallen sportveldcomplexen met verlichting onder milieucategorie 3.1. De bijbehorende richtafstand betreft 30 meter in gemengd gebied. Hier wordt ruim aan voldaan. Ten noorden bevindt zich het bedrijf Fokker Aerostructure B.V. In het bestemmingsplan Slobbengors is het bedrijf gezoneerd, waardoor er bij het plangebied bedrijven tot en milieucategorie 5.1 mogelijk zijn. De richtafstand hiervoor is 300 meter in gemengd gebied. Het bedrijf bevindt zich op ten minste 46 meter van het plangebied. Er wordt niet aan de richtafstanden voldaan. Op de locatie ligt echter al een woonbestemming. Tevens bevinden de werkzaamheden die voor milieuhinder zorgen op grotere afstand plaats en zijn er in de omgeving al sprake van woningen. Hierdoor wordt het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering beperkt en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Rho adviseurs voor leefruimte
45
4.10
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Rho adviseurs voor leefruimte
46
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek
Figuur 4.9 Uitsnede risicokaart met het plangebied groen omcirkeld Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er in de omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, de weg of door buisleidingen (zie figuur 4.9). Ten zuiden van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de Beneden Merwede. Het plangebied bevindt zich deels binnen de 200 meter afstand van de transportroute waardoor de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) toegepast dienen te worden. De transportroute valt onder bevaarbaarheidsklasse 6. Uit de HART blijkt dat een vaarweg met bevaarbaarheidsklasse 6 geen 10-6-contour heeft en dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 /ha en LT2+GT3>1000 per jaar. Het vervoer van LT2 bedraagt 0 per jaar, het vervoer van GT3 bedraagt 196 per jaar. Tevens is er geen sprake van aanwezigheidsdichtheden van meer dan 500/ha binnen de 200 meter van de oever. Hieruit kan geconcludeerd worden dat 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording.
Ook over de Oude Maas en Noord vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Deze vaarroutes zijn op circa 556 meter gelegen. Het invloedsgebied van de vaarwegen wordt bepaald door stofcategorie GT3 en bedraagt 1.070 meter. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied. Omdat de beoogde ontwikkeling voor de vaarroutes op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Basisnet in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
47
Ten noorden is de risicovolle inrichting Fokker Aerostructure B.V. gelegen. Het bedrijf vervaardigt vliegen ruimtevaartuigen waarbij er opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied bevindt zich buiten het invloedsgebied. Het plangebied bevindt zich ook niet in de PR-contouren van de inrichting. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Slobbengorsweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Papendrecht. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden.
De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Beneden-Merwede waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
48
4.11
Kabels- en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie Er zijn in (de omgeving van) het plangebied geen planologisch relevante buisleidingen of hoogspanningsverbindingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft geen rekening te worden gehouden.
4.12
Duurzaamheid
Toetsingskader In deze paragraaf worden de verschillende maatregelen toegelicht die op het vlak van duurzaamheid worden genomen. Energie Voor de nieuwbouwwoningen op Merwehoofd geldt minimaal de minimale BENG-eis uit het bouwbesluit. Gas Het nieuwe gebouw wordt niet aangesloten op gas. Het gebouw zal naar verwachting worden aangesloten op de reeds aanwezige stadsverwarmingsleiding van de Wijk Merwehoofd of eventueel worden voorzien van een eigen WKO installatie waarbij warmte en koude uit de grond of de lucht wordt gehaald. Maatregelen Het gebouw zal daarnaast worden voorzien van zonnepanelen op het dak, hoge kierdichting en een isolatiepakket met hoge Rc-waarden. Wanneer woningen zijn voorzien van veel glasopeningen, zal er standaard zonwering worden aangebracht om de energievraag voor de koeling van deze woningen te beperken. Daarnaast zal er een luchtbehandelingssysteem worden toegepast waarbij de warmte van de afgevoerde lucht wordt gebruikt om de verse lucht op te warmen. Een zogenaamd Warmteterugwinsysteem. Het hemelwater van het gebouw wordt niet geloosd in het riool, maar in de naast het gebouw gelegen watergang. Hierdoor wordt bij hevige regenval een piekbelasting of eventuele overstroming van het riool (klimaatadaptie) voorkomen en wordt schoon hemelwater natuurlijk afgevoerd.
Daarnaast is de te creëren watergang rondom het gebouw een goede manier om hittestress in het gebied te voorkomen/ te beperken. Conclusie Het aspect duurzaamheid staat de ontwikkeling niet in de weg. Er worden voldoende maatregelen genomen die bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. Rho adviseurs voor leefruimte
49
4.13
M.e.r.-beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van de projecten; • de plaats van de projecten; • de kenmerken van de potentiële effecten.
Toetsing en Conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 40 woningen. Daarmee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling', zie Bijlage 12 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is zodoende niet noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
50
Rho adviseurs voor leefruimte
51
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. In dit geval wordt tussen de initiatiefnemende partij en de gemeente Papendrecht een overeenkomst gesloten, waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over de dekking van toe te rekenen kosten door de initiatiefnemende partij. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gewaarborgd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is toegestuurd aan de relevante overlegpartners. In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende overlegpartners: Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid; Provincie Zuid-Holland; Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid; Waterschap Rivierenland. 5.2.1.1 Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid De omgevingsdienst concludeert dat de tekst van het bestemmingsplan en achterliggende onderzoeken aangepast moeten worde voor zover het gaat om bodem, geluid, stikstofdepositie, externe veiligheid en bedrijven en milieuzonering. Flora-en fauna De omgevingsdienst heeft ten aanzien van Flora en Fauna geen opmerkingen. Bodem De omgevingsdienst heeft het bodemonderzoek beoordeeld. De kwaliteit van de bodem vormt geen bezwaar voor de geplande bestemmingsplanwijziging. Voor het indienen van de bouwvergunning ziet de omgevingsdienst graag het volgende aangevuld: 1.
Er is geen aandacht besteed aan het bovengenoemde geval van ernstige bodemverontreiniging met VOCl in de ondergrond. Omdat hier in het kader van de Wet bodembescherming reeds voldoende aandacht aan is besteed (de overige genoemde rapporten) is dit niet bezwaarlijk voor de geplande bestemmingsplanwijziging;
Rho adviseurs voor leefruimte
52
2.
Er heeft geen asbestonderzoek plaatsgevonden conform de NEN-5740/NEN-5707 richtlijnen. Dit omdat tijdens het veldwerk visueel geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Gezien de historie van de locatie als fabrieksterrein en het voorkomen van brokken beton en baksteen in de grond wordt de locatie door ons wel als asbestverdacht gezien. Dit wordt in het rapport overigens ook geconcludeerd. Eén en ander is op zich niet bezwaarlijk voor de bestemmingsplanwijziging, want een eventuele asbestverontreiniging is goed te saneren voorafgaande aan de nieuwbouw. Wel zal er in het traject voor het verlenen van een bouwvergunning asbestonderzoek conform NEN-5707 nodig zijn.
Het bestemmingsplan wordt niet aangepast, maar deze punten worden wel ter kennisgeving in het bestemmingsplan opgenomen. Geluid De Omgevingsdienst acht het akoestisch onderzoek niet correct uitgevoerd. De volgende aandachtspunten moeten worden aangepast: 1. De Omgevingsdienst kan niet controleren of alle gebruikte verkeersprognoses juist zijn; Volgens het rapport zouden deze deels door de opdrachtgever aangeleverd zijn. Ze lijken over het algemeen reëel. Wij adviseren om verkeerskundige van de gemeente de verkeersprognoses te laten controleren. 2. Het aspect scheepsvaartlawaai is niet onderzocht; Gezien de locatie moet op grond van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook worden beoordeeld of de geluidbelasting van Scheepsvaartlawaai toelaatbaar is. Dit om de afweging te kunnen maken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 3. Er is niet juist of onvoldoende gebruik gemaakt van het hogere waarden beleid van de gemeente. Er moet dan aangetoond worden dat de woningen een geluidluwe zijde en geluidluwe buitenruimte hebben. Indien een hogere waarde aangevraagd wordt, moet ook worden aangegeven waarom bronen/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn. In het onderzoek is hier wel aandacht aan besteed, maar is dit niet nader onderbouwd met behulp van uitgebreidere berekeningen. Dit is juist op basis van de Wet geluidhinder extra belangrijk.
Het geluidsonderzoek wordt op deze punten aangevuld en aangepast. Luchtkwaliteit De omgevingsdienst heeft de paragraaf luchtkwaliteit beoordeeld en akkoord bevonden. Stikstofdepositie De Omgevingsdienst heeft dit onderzoek beoordeeld en op enkele punten onjuist/onvolledig bevonden. Aan de hand van de volgende opmerkingen moet het bestemmingsplan worden aangepast: 1.
De afstand van de rijlijnen tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is meer dan 5 kilometer. Dit is de afkapgrens die in de huidige Aerius-calculator voor het wegverkeer wordt gehanteerd. Daardoor wordt het wegverkeer niet meegenomen in de berekening van de stikstofdepositie. Gezien de Kamerbrief van 9 juli zijn de effecten van wegverkeer ook op grotere afstanden dan 5 kilometer echter relevant. Voor het toetsen hiervan zijn verschillende methoden. Met behulp van de handreiking van Bij12 'Bepalen depositie-effect wegverkeer binnen 5 km' (via eigen rekenpunten) kan worden bepaald of de 5 km-grens voor het betreffende project relevant is. Een andere methode is het wegverkeer doorrekenen in de sector Anders. Daarbij kunnen eerst de emissies worden berekend in de sector Wegverkeer, waarna de resulterende emissies kunnen worden ingevoerd als lijnbron in de sector Anders;
Rho adviseurs voor leefruimte
53
2.
In de berekening van de verkeersaantrekkende werking is geen rekening gehouden met zwaar verkeer. Volgens de CROW publicatie 381 kan gerekend worden met 0,02 vrachtautobewegingen per woning per werkdag-etmaal. Ook kan het zwaar verkeer worst case worden benaderd al 1% van het lichte verkeer. De berekening moet hierop aangepast worden.
Het onderzoek wordt op deze punten aangepast. Bedrijven en milieuzonering Ten aanzien van de paragraaf Bedrijven en Milieuzonering heeft de Omgevingsdienst één opmerking. De milieucategorie voor de Fokker fabriek is namelijk niet juist geïnterpreteerd uit het bestemmingsplan. In het onderzoek is uitgegaan van een milieucategorie van maximaal 3.1 voor het terrein van Fokker. In de regels behorende bij het bestemmingsplan van Slobbengors staat echter in paragraf 3.1.1 voor het terrein van Fokker: "alsmede ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein-tmk': bedrijven voor de vervaardiging van transportmiddelen waaronder vliegtuigen, producten van metaal en producten van kunststof, voor zover deze bedrijven voorkomen in maximaal categorie 5.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten" en in paragraaf 6.3 van het bestemmingsplan: "De bestaande bedrijfsmatige activiteiten van Fokker zijn uitgezonderd van deze zonering omdat dit een bestaande bedrijfsmatige activiteit betreft". De conclusie dat op het terrein van Fokker activiteiten met een categorie van maximaal 3.1 plaatsvinden en dat daarmee de richtafstanden niet tot het plangebied reiken, is dus niet juist. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Externe veiligheid Ten aanzien van het aspect externe veiligheid heeft de Omgevingsdienst drietal opmerkingen: 1.
2. 3.
De conclusie in paragraaf 4.10 van de toelichting dat het plangebied buiten de 200 meter zone ligt van de basisnet vaarroute (Corridor Rotterdam – Duitsland) is onjuist. De paragraaf externe veiligheid in de toelichting moet worden aangepast waarbij invulling wordt gegeven aan artikel 8 lid 1 (of lid 2) van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); De risicovolle inrichting Fokker Aerostructure B.V. is niet relevant in het kader van deze ontwikkeling. Het plangebied ligt buiten het plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied; De veiligheidsregio moet om advies gevraagd worden overeenkomstig artikel 9 van het Bevt.
Deze opmerkingen worden verwerkt in het bestemmingsplan. M.e.r.-beoordeling De Omgevingsdienst heeft geen opmerkingen ten aanzien van de m.e.r.-beoordeling. 5.2.1.2 Provincie Zuid-Holland De Provincie Zuid-Holland heeft een reactie gegeven op het voorliggende bestemmingsplan. De Provincie wijst op het onlangs vastgestelde Omgevingsbeleid waarbij ook regels met betrekking tot klimaatverandering zijn opgenomen in de Omgevingsverordening (artikel 6.50). De waterparagraaf moet worden aangevuld met onder andere wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte een droogte. De waterparagraaf wordt in dit bestemmingsplan aangevuld met deze punten. Verder zijn er geen opmerkingen van de Provincie.
Rho adviseurs voor leefruimte
54
5.2.1.3 Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid heeft geen opmerkingen ten aanzien van het bestemmingsplan. Wel geeft de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid een aantal adviezen: De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt ook gesproken over het gebruik van een parkeergarage. De veiligheidsdienst stelt een informatieblad beschikbaar ten aanzien van brandveiligheid in parkeergarages. 5.2.1.4 Waterschap Rivierenland Het waterschap heeft het bestemmingsplan beoordeeld en komt met een aantal opmerkingen.
De eerste opmerking van het Waterschap is ter kennisgeving aan de gemeente. Deze opmerking gaat in op de wateropgave in het gebied Merwehoofd. Na realisatie van het wateroppervlak in de bassins blijft er nog een wateropgave voor de gemeente over. Daarnaast blijkt uit de stresstest die Nelen&Schuurmans in 2020 heeft uitgevoerd voor de gemeente Papendrecht dat in het peilgebied Papendrecht Hoog een knelpunt optrad, ter hoogte van de woonwijk Merwehoofd. Als oplossing wordt voorgesteld om overstortdrempels in de riolering te verwijderen en meer uitlaten te maken. Hierdoor zal overlast door water-op-straat verminderen, maar wordt nog meer water afgewenteld op het watersysteem. Als dit knelpunt aangepakt wordt, moet integraal naar het watersysteem in het peilgebied gekeken worden. Het waterschap wil met de gemeente meedenken om tot een oplossing te komen. Het waterschap ziet graag in de regels voor water dat de locatie waar watercompensatie aangelegd wordt te bestemmen als water, en andere functies binnen een andere bestemmingsomschrijving te plaatsen. In het oude bestemmingsplan was de bestemming water ook enkel bestemd voor wateraanvoer en -afvoer, waterberging en verkeer te water. Deze opmerking wordt verwerkt in het bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
55
Het waterschap ziet in de toelichting graag de volgende punten terug: 1.
2.
3.
Graag ziet het waterschap een samenvatting van de notitie (door bureau Boot) die besproken is met het waterschap terugkomen in de waterparagraaf. Verder ziet het waterschap ook graag een afbeelding opgenomen waar de compensatie aangelegd wordt; Het waterschap ziet graag een inschatting of er negatieve effecten op de grondwaterstand te verwachten zijn door de ontwikkeling van de ondergrondse parkeergarage. Een mogelijk aandachtspunt kan hierbij de energievoorziening zijn. Bij het bestemmingsplan Rivieroevers (2005) staat dat voor het verwarmen van woningen warmte wordt onttrokken aan het grondwater; Het waterschap ziet graag het kopje voor riolering en hemelwater verder uitgewerkt; hierbij in elk geval aangeven dat de hemel- en afvalwater gescheiden ingezameld worden.
Verder geeft het waterschap het advies om een drooglegging van 1,3 m voor het bouwpeil. Dit is een advies, en geldt niet als dwingende eis vanuit het waterschap. Het voorkomen van grondwateroverlast is de verantwoordelijkheid van de gemeente en de initiatiefnemer. Paragraaf 4.5 en bijlage 8 zijn in overleg met het waterschap aangepast. 5.2.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft volgens de wettelijke verplichtingen gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 16 juni 2022 tot en met 27 juli 2022. De ontvangen zienswijzen zijn samengevat en van een beantwoording voorzien in de Nota zienswijzen, die als bijlage 13 bij deze toelichting is opgenomen. Hieruit blijkt op welke punten de zienswijzen nog tot wijziging van het plan hebben geleid bij de vaststelling.
Rho adviseurs voor leefruimte
56
Rho adviseurs voor leefruimte
57
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische planopzet
Planvorm
Het plangebied staat uit de bestemming 'Groen', 'Verkeer-Verblijfsgebied', 'Wonen' en 'Water'. Op de verbeelding is binnen het bestemmingsvlak van de bestemming Wonen met een bouwvlak aangegeven waar het woongebouw gerealiseerd mag worden. De aanduiding binnen deze bestemming geeft aan waar de parkeergarage mag komen. Binnen de bestemming Water ligt de aanduiding 'ontsluiting', hierbinnen is over het water een ontsluitingsroute vanuit de parkeergarage naar de Slobbegorsweg toegestaan. Verder is er een maximale bouwhoogte van 42 meter toegestaan binnen de woonbestemming.
6.2
Uitleg van de planregels
6.2.1 Inleidende regels De begrippen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, worden in Artikel 1 nader gedefinieerd. Naast begrippen zijn in het bestemmingsplan hoogte en andere maten opgenomen die van belang zijn bij het bouwen van bouwwerken. Artikel 2 van de regels geeft een nadere omschrijving hoe de bedoelde maten gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de regels voor de bestemmingen. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In het navolgende wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Artikel 3 Groen De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, zoals plantsoenen, waterpartijen met de daar behorende voet- en fietspanden, waterhuishoudkundige voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en één brug. Artikel 4 Verkeer- Verblijfsgebied De overige wegen en het openbare gebied krijgen deze bestemming. Deze gronden zijn bestemd voor erftoegangswegen met de daarbij behorende kunstwerken en voorzieningen, parkeervoorzieningen, perceelontsluitingen, fiets- en voetpaden, straatmeubilair, speelvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, bermen en taluds, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling.
Artikel 5 Water De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor water(lopen) en waterhuishoudkundige voorzieningen, een hellingbaan ter ontsluiting van de parkeergarage ter plaatse van de specifieke aanduiding 'ontsluiting' en voor bermen, taluds, beschoeiingen en kademuren.
Rho adviseurs voor leefruimte
58
Artikel 6 Wonen De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, ondergrondse parkeergarage, aan huis gebonden beroep of bedrijf (inclusief webshops). Op de verbeelding staat een bouwhoogte van 42 meter opgenomen. 6.2.3 Algemene regels In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden. Het gaat bijvoorbeeld om extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen, kelders en andere bouwwerken. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels staat dat het is verboden de gronden en bouwwerken in het bestemmingsplan te gebruiken en/of te laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en). In de algemene gebruiksregels staan gebruiken in strijd met het bestemmingsplan genoemd.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtjes) in het openbare gebied. Artikel 11 Overige regels Binnen de overige regels wordt verwezen naar de werking van wettelijke regelingen, voorrang van een dubbelbestemming en staat een Velverbod beschermde houtopstand. 6.2.4
Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan. Artikel 13 Slotregel Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.
Rho adviseurs voor leefruimte