A26. 20210820 ONS D, Integrale reactie op ingediende zienswijzen concepttekst GR Sociaal.pdf
Tekst van het document
Het Dagelijks Bestuur betrekt, ter voorbereiding van de besluitvorming in het Algemeen Bestuur, ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding van beleid op de wijze zoals voorgeschreven in de door de regeling uit voeren wetten als bedoeld in artikel 5 en overeenkomstig de door het Algemeen Bestuur op grond van het eerste lid gestelde regels. 3. Het Dagelijks Bestuur betrekt, ter voorbereiding van de besluitvorming door het Algemeen Bestuur, ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden bij de evaluatie van de uitvoering van de in het tweede lid bedoelde onderwerpen overeenkomstig de door het Algemeen Bestuur op grond van het eerste lid gestelde regels. Hoofdstuk 7: Verantwoording Verantwoording Dagelijks Bestuur Artikel 18 1. Het Dagelijks Bestuur geeft, samen dan wel ieder lid afzonderlijk, gevraagd en ongevraagd aan het Algemeen Bestuur alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig zijn. 2. Het Dagelijks Bestuur is, samen en ieder lid afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 3. Een lid van het Dagelijks Bestuur kan door het Algemeen Bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit.
In dit geval zijn de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. 4. Het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.
Versie 18-05-2021
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
Verantwoording Algemeen Bestuur Artikel 19 1. Het Algemeen Bestuur geeft aan de raden van de deelnemende gemeenten gevraagd dan wel ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het Algemeen Bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. 2. Het Algemeen Bestuur stelt regels over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden verstrekt. 3. Een lid van het Algemeen Bestuur geeft aan het college die hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door het college, of één of meer leden daarvan, worden gevraagd,. 4. Een lid van het Algemeen Bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen, verantwoording verschuldigd voor het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid. 5. De benoeming van een lid van het Algemeen Bestuur kan door het college dat hem heeft benoemd worden ingetrokken, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit. Gemeenschappelijke auditcommissie Artikel 20 1. Het Algemeen Bestuur kan een Auditcommissie instellen als bedoeld in artikel 84 Gemeentewet. 2. De commissie stelt voor haar vergaderingen een reglement van orde vast. Hoofdstuk 8: Secretaris en organisatie De taken van de secretaris/algemeen directeur Artikel 21 1. De secretaris/algemeen directeur wordt benoemd door het Dagelijks Bestuur. 2.
De secretaris/algemeen directeur staat het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, de voorzitter en de door het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde. 3. De stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan, worden door de secretaris/algemeen directeur meeondertekend. 4. De secretaris/algemeen directeur is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van de bestuurlijke besluitvorming van het Dagelijks Bestuur en het Algemeen Bestuur voor zover het zijn taken betreft. 5. De secretaris/algemeen directeur geeft leiding aan de organisatie en is eindverantwoordelijk voor de organisatieontwikkeling, innovatie en de bedrijfsvoering van de regeling. 6. De secretaris/algemeen directeur is de bestuurder als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden. Formatie, organisatie en rechtspositie Artikel 22 1. De omvang van de organisatie van de GRS wordt vastgesteld door het Dagelijks Bestuur, binnen de door het Algemeen Bestuur goedgekeurde begroting. 2. De rechtspositie en bezoldiging van de secretaris/algemeen directeur en de werknemers worden door of namens de Algemeen Bestuur vastgesteld. Hoofdstuk 9: Financiën Algemeen Artikel 23 1. De gemeenten dragen er zorg voor dat GRS te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2.
Onverminderd het gestelde in het eerste lid garanderen de gemeenten jegens iedere geldgever de nakoming van de huidige en toekomstige verplichtingen die de publieke rechtspersoon te eniger tijd jegens die geldgever heeft. 3. Indien een der gemeenten op grond van een in het eerste of tweede lid bedoelde borgstelling en/of garantie wordt aangesproken door een geldgever zijn de gemeenten jegens elkaar verplicht bij te dragen in de schuld waarvoor de eerstbedoelde gemeente wordt aangesproken. 4. De interne verhaals-afspraken hierop betrekking hebbend, regarderen de geldgever niet.
Versie 18-05-2021
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
Financiële administratie Artikel 24 1. Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening regels vast over de uitgangspunten voor het financiële beleid. 2. Op de in het eerste lid bedoelde verordening is artikel 212 van de Gemeentewet van toepassing. 3. Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. 4. Het Dagelijks Bestuur zendt de concepttekst van de verordeningen als bedoeld in dit artikel door tussenkomst van de colleges aan de raden van de gemeenten met het verzoek om binnen een periode van 3 maanden na de toezending het gevoelen van de gemeente ten aanzien van de concepttekst ter kennis van het Dagelijks Bestuur te brengen. Het Dagelijks Bestuur voegt de reacties van de gemeenten bij het voorstel aan het Algemeen Bestuur tot vaststelling van de regeling, vergezeld van een inhoudelijke reactie op de reacties van de gemeenten. De rekenkamer(functie) Artikel 25 Het Algemeen Bestuur beraadslaagt en spreekt zich uit over onderzoeken die door de rekenkamers of rekenkamercommissies van de deelnemende gemeenten over de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van facetten van het door hem en door het Dagelijks Bestuur in het kader van de samenwerking gevoerde bestuur, individueel en/of gezamenlijk, zijn verricht. De begroting Artikel 26 1.
Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerpbegroting uiterlijk acht weken voor de voorgenomen datum van toezending aan het Algemeen Bestuur toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De ontwerpbegroting wordt gelijktijdig toegezonden aan de leden van het Algemeen Bestuur. 2. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen het Dagelijks Bestuur van hun gevoelen omtrent de ontwerpbegroting doen blijken. Het Dagelijks Bestuur voegt de ontvangen commentaren, waarin dit gevoelen is vervat, voorzover deze ten minste een week voor de voorgenomen datum van toezending aan het Algemeen Bestuur zijn ontvangen, bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. 3. De vastgestelde begroting wordt vóór de in de Wgr genoemde datum met alle bijbehorende bescheiden aan Gedeputeerde Staten toegezonden. Van de vaststelling doet het Dagelijks Bestuur mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten. Bijdrageverordening Artikel 27 1. In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam.
2.
De kosten die het openbaar lichaam aan de deelnemers toerekent zijn gebaseerd op een financieel verdeelprincipe en een verdeelsleutel. Bij het opstellen van het verdeelprincipe en de verdeelsleutel geldt als uitgangspunt dat de financiële gevolgen uitsluitend worden gedragen door de gemeenten die de betreffende taken hebben overgedragen.
3.
De financiële verdeelprincipes- en sleutels als bedoeld in het tweede lid worden op voorstel van het Dagelijks Bestuur vastgesteld door het Algemeen Bestuur. Alvorens het Algemeen Bestuur overgaat tot het vaststellen van de principes, zendt het Dagelijks Bestuur, drie maanden voordat het ontwerp van de principes aan het Algemeen Bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, het ontwerp toe aan de raden van de Gemeenten. De raden van de Gemeenten kunnen gedurende genoemde drie maanden hun zienswijze over het ontwerp van de financiële verdeelprincipes bij het Dagelijks Bestuur naar voren brengen. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij het ontwerp van het financiële verdeelprincipes en sleutels, zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden.
4.
De uitkomst van de financiële verdeelprincipes- en sleutels als bedoeld in het tweede lid worden op voorstel van het Dagelijks Bestuur vastgesteld door het Algemeen Bestuur, jaarlijks in de begroting.
Versie 18-05-2021
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
5.
De Gemeenten betalen de in het eerste lid bedoelde totale bijdrage bij wijze van voorschot. Het Dagelijks Bestuur stelt de frequentie van betaling vast, waarbij geldt dat de totale bijdrage in ten minste 2 halfjaarlijkse termijnen wordt betaald.
6.
Na vaststelling van de begroting zendt het Dagelijks Bestuur de begroting aan de raden van de Gemeenten, die ervoor zorgen dat het in deze begroting voor de betreffende gemeente als bijdrage in de kosten van de GRS geraamde bedrag, in de gemeentebegroting wordt opgenomen.
7.
De relevante bepalingen uit dit hoofdstuk zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van de begroting.
Weigering opname in begroting Artikel 28 Wanneer aan het Algemeen Bestuur blijkt, dat de raad van een gemeente niet voldoet of zal voldoen aan het gestelde in artikel 27, zesde lid van deze regeling, verzoekt het Algemeen Bestuur aan Gedeputeerde Staten om over te gaan tot toepassing van artikel 194 van de Gemeentewet. De jaarrekening Artikel 29 1. Van de inkomsten en uitgaven van de GRS over het afgelopen jaar wordt door het Dagelijks Bestuur verantwoording afgelegd aan het Algemeen Bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden. 2. Het Dagelijks Bestuur biedt de in het eerste lid bedoelde jaarrekening, met toevoeging van een jaarverslag als bedoeld in artikel 213, tweede lid van de Gemeentewet alsmede met toevoeging van hetgeen het Dagelijks Bestuur voor zijn verantwoording dienstig acht, ter vaststelling aan het Algemeen Bestuur aan. 3. Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerp-jaarrekening uiterlijk op de in de Wgr genoemde datum toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. Onderzoek en vaststelling Artikel 30 1. De jaarrekening wordt vóór de in de Wgr genoemde datum met alle bijbehorende bescheiden aan Gedeputeerde Staten toegezonden. Van de vaststelling doet het Dagelijks Bestuur mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2.
De vaststelling van de jaarrekening strekt het Dagelijks Bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ten aanzien van het daarin verwoorde financieel beheer. Bijdrage per gemeente Artikel 31 1. In de jaarrekening worden de door elk van de deelnemende gemeenten over het betreffende kalenderjaar werkelijk verschuldigde bedragen opgenomen. 2. Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 27, vijfde lid betaalde voorschot en de werkelijk verschuldigde bedragen vindt plaats onmiddellijk na kennisgeving aan de deelnemende gemeenten van de vaststelling van de jaarrekening. Weigering verrekening Artikel 32 Wanneer aan het Algemeen Bestuur blijkt, dat een gemeenteraad van een gemeente niet voldoet of zal voldoen aan het gestelde in artikel 31, tweede lid, van deze regeling, verzoekt het Algemeen Bestuur aan Gedeputeerde Staten om over te gaan tot toepassing van artikel 195 van de Gemeentewet. Hoofdstuk 10: Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Toetreding Artikel 33 1. Ten behoeve van de uitvoering van specifiek opgedragen taken als bedoeld in artikel 5, kunnen ook andere dan de in de aanhef genoemde gemeenten alsmede andere publiekrechtelijke lichamen toetreden tot deze regeling.
Het Dagelijks Bestuur zendt in dat geval een verzoek tot toetreding van een andere gemeente of publiekrechtelijk lichaam tot deze regeling aan de colleges van de deelnemende gemeenten.
Versie 18-05-2021
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
2. 3. 4. 5.
Toetreding tot de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van de deelnemende gemeenten, met inbegrip van het college van de toetredende gemeente. Het Algemeen Bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan die toetreding voorwaarden verbinden. De toetreding gaat in op de in het toetredingsbesluit genoemde datum. Terstond na de toetreding worden door het college van de toetredende gemeente of door het algemeen bestuur van het publiekrechtelijk lichaam de leden van het Algemeen Bestuur aangewezen. Behoudens eerdere beëindiging van het lidmaatschap treden de benoemde leden af op het tijdstip waarop de dan zitting hebbende leden van het Algemeen Bestuur aftreden.
Uittreding Artikel 34 1. Een college kan geheel of gedeeltelijk uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het vanaf een bepaalde datum niet langer afnemen van diensten van c.q. niet langer delegeren of mandateren van tot dan toe gedelegeerde of gemandateerde taken en bevoegdheden aan de gemeenschappelijke regeling. 2. In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende diensten, taken en bevoegdheden afnemen respectievelijk hebben gedelegeerd of gemandateerd, met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd of gemandateerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel. 3. Een college zendt het besluit tot uittreding aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het Algemeen Bestuur het besluit heeft ontvangen. 4. Tenzij het Algemeen Bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de (gedeeltelijke) uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum. 5.
Het Dagelijks Bestuur zendt een besluit tot (gedeeltelijke) uittreding van een college aan de colleges van de overige Gemeenten. 6. De colleges van de overige Gemeenten kunnen gedurende een periode van 3 maanden na de toezending als bedoeld in het vorige lid een zienswijze toezenden aan het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur betrekt de zienswijzen bij het opstellen van het uittredingsplan. Uittredingsplan Artikel 35 1. Het Algemeen Bestuur stelt een uittredingsplan vast. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding. 2. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële -, juridische -, personele - en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3. Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 4. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in artikel 38, lid 1. 5. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 6.
Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 7. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in artikel 38, lid 1, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 8. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 9. De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op: a. Relevante regelgeving; b. Relevante jurisprudentie;
Versie 18-05-2021
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
c. Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 10. Het openbaar lichaam alsmede de uittredende deelnemer is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 11. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risicoopslag van XX% toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. 12. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. Externe deskundige Artikel 36 1.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het Algemeen Bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het Algemeen Bestuur, voor specifieke onderdelen van het Uittredingsplan andere deskundigen inschakelen. 2. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige ingeschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 35, lid 5. 3. Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het Algemeen Bestuur. Uittreedsom Artikel 37 1. Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het Algemeen Bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 35, derde lid en op de jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar. 2.
Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding stelt het Algemeen Bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 35, derde lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 3. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het Algemeen Bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het Algemeen Bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende deelnemer kiest voor betaling in termijnen kan het Algemeen Bestuur een rentevergoeding in rekening brengen. Verplichtingen uittreder Artikel 38 1. De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.
Versie 18-05-2021
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
Wijziging Artikel 39 1. Wijziging van de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende eensluidende besluiten van de colleges van alle deelnemende gemeenten en dagelijks besturen van alle deelnemende publiekrechtelijke lichamen. Indien een of meerdere van de colleges van de deelnemende gemeenten of dagelijks besturen van de deelnemende publiekrechtelijke lichamen een of meer veranderingen aanbrengt in de in het wijzigingsbesluit geformuleerde wijzigingen, gelden uitsluitend de eensluidend vastgestelde wijzigingen. 2. Zowel het Algemeen Bestuur, als de colleges van de deelnemers aan deze regeling kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Onverminderd het gestelde in de eerste volzin worden in beginsel voorstellen tot wijziging van de regeling door het college van Burgemeester en Wethouders van Dordrecht aan de overige besturen voorgelegd, tenzij er in een specifiek geval een concrete aanleiding is om het voorstel door een ander bestuursorgaan aan de overige bestuursorganen te laten voorleggen. 3. Een besluit tot wijziging dat conform het gestelde in het eerste lid tot stand is gekomen, treedt in werking op de in het wijzigingsbesluit genoemde datum. Opheffing Artikel 40 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende eensluidende besluiten van de colleges van alle gemeenten en dagelijks besturen van de alle deelnemende publiekrechtelijke lichamen. 2.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan niet worden genomen dan nadat het Algemeen Bestuur daarover is gehoord. 3. De opheffing gaat in op de in het opheffingsbesluit genoemde datum. 4. In geval van opheffing van de regeling stelt het Algemeen Bestuur ter regeling van de financiële en andere gevolgen van de opheffing een liquidatieplan vast, gehoord het Dagelijks Bestuur, de colleges van de deelnemende gemeenten en dagelijks besturen van de deelnemende publiekrechtelijke lichamen. Hierbij kan van bepalingen van deze regeling worden afgeweken. 5. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze. 6. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval ook in de financiële en overige gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft. Het plan bevat een personeelsplan als bedoeld in artikel 108 van de Wgr. 7. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie conform het liquidatieplan. 8. Zo nodig blijven de bestuursorganen en commissies van de GRS ook na het tijdstip van opheffen in functie totdat de liquidatie is beëindigd. 9.
Alle rechten en verplichtingen van de regeling die resteren na uitvoering van het liquidatieplan gaan bij vereffening over naar de deelnemers, naar evenredigheid van de grootte van hun bijdrage aan de regeling in het jaar voorafgaande aan de opheffing. Hoofdstuk 11:
Slotbepalingen
Geschillen Artikel 41 1. Onverminderd het gestelde in artikel 28 van de Wgr worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, daaronder begrepen de wijze waarop lokaal invulling wordt gegeven aan vastgesteld regionaal beleid, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies. 2. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het Dagelijks Bestuur en een afvaardiging van het college van de gemeente of het dagelijks bestuur van het publiekrechtelijk lichaam waarmee het geschil bestaat. 3. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt benoemen het Dagelijks Bestuur en het college van de betreffende gemeente respectievelijk het dagelijks bestuur van het betreffende publiekrechtelijk lichaam elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het Dagelijks Bestuur treedt mede namens de betreffende gemeente respectievelijk het publiekrechtelijk lichaam, op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt ten minste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen.
Versie 18-05-2021
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
4.
5.
6.
De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het Dagelijks Bestuur en aan het college van de betreffende gemeente respectievelijk het dagelijks bestuur van het betreffende publiekrechtelijk lichaam. Na ontvangst van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wgr, voor te leggen aan Gedeputeerde Staten. De kosten van de adviescommissie worden door het Dagelijks Bestuur en de betreffende gemeente respectievelijk het betreffende publiekrechtelijk lichaam, ieder voor de helft gedragen.
Het archief Artikel 42 1. Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de gemeenschappelijke regeling, overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling (Archiefverordening). 2. Het Dagelijks Bestuur is tevens belast met de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd als gevolg van de aan de gemeenschappelijke regeling gedelegeerde taken. 3. Voor de door deelnemende gemeenten of publiekrechtelijke lichamen gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze gemeenten of publiekrechtelijke lichamen. 4. Met het toezicht op de bewaring en beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de desbetreffende gemeenten of publiekrechtelijke lichamen. 5. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995. Beheerder Artikel 43 1. De archivaris van de gemeente Dordrecht is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2.
De secretaris/algemeen directeur van de GRS is belast met het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Evaluatie Artikel 44 Het Algemeen Bestuur draagt zorg voor een evaluatie van de regeling als dat aan de orde is, doch in elk geval 3 jaar na de invoering van een fundamentele wijziging. Bij deze evaluatie worden de bestuursorganen van de GRS en de gemeenten en publiekrechtelijk lichamen betrokken. De evaluatie wordt aan de gemeenten en de publiekrechtelijke lichamen ter besluitvorming voorgelegd. Geldigheidsduur Artikel 45 Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Inwerkingtreding Artikel 46 De regeling treedt in werking op 1 januari 2022, met dien verstande dat het gestelde in artikel 5, vijfde lid onder het kopje "sociale werkvoorziening (wsw) in werking treedt met terugwerkende kracht tot 1 april 2021. Citeertitel Artikel 47 De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Sociaal”.
Versie 18-05-2021
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
2021
De invulling van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal in de Drechtsteden BEGELEIDENDE NOTITIE BIJ DE CONCEPTTEKST VOOR DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN
Inhoudsopgave Onderdeel Inhoudsopgave Inleiding Aanleiding (het waarom) Waar staan we in het proces Onderdeel 1: Vertaling van de hoofdlijnennotitie 1.1 Contouren uit de hoofdlijnennotitie 1.2 Algemene input van colleges en raden 1.3 Nadere invulling gemeenschappelijke regeling 1.4 Verwerking in de concepttekst GR Sociaal Onderdeel 2: Inrichting Algemeen Bestuur, Dagelijks Bestuur en stemverhoudingen 2.1 Contouren uit de hoofdlijnennotitie 2.2 Input van colleges en raden 2.3 Nadere invulling gemeenschappelijke regeling 2.4 Verwerking in de concepttekst GR Sociaal Onderdeel 3: Spelregels flexibiliteit om maatwerk te kunnen bieden 3.1 Contouren uit de hoofdlijnennotitie 3.2 Input van colleges en raden 3.3 Nadere invulling gemeenschappelijke regeling 3.4 Verwerking in de concepttekst GR Sociaal Onderdeel 4: Spelregels toetreding, wijziging & (gedeeltelijke) uittreding 4.1 Contouren uit de hoofdlijnennotitie 4.2 Input van colleges en raden 4.3 Nadere invulling gemeenschappelijke regeling 4.4 Verwerking in de concepttekst GR Sociaal Onderdeel 5: Financiële kaderstelling & consequenties 5.1 Contouren uit de hoofdlijnennotitie 5.2 Input van colleges en raden 5.3 Nadere invulling gemeenschappelijke regeling 5.4 Verwerking in de concepttekst GR Sociaal Onderdeel 6: Instellen van (advies)commissies 6.1 Contouren uit de hoofdlijnennotitie 6.2 Input van colleges en raden 6.3 Nadere
invulling gemeenschappelijke regeling 6.4 Verwerking in de concepttekst GR Sociaal Vervolgproces en planning Bijlage 1: Principebesluit (inclusief moties Papendrecht en Sliedrecht) Bijlage 2: Nadere uitwerking van de spelregels om maatwerk mogelijk te maken Bijlage 3: Bestuurlijke en ambtelijke gremia huidige GR D en GR Sociaal Bijlage 4: Nadere toelichting bij financiële kaderstelling
Pagina 01 02 – 06 02 – 05 06 07 – 09 07 08 09 09 10 – 14 10 10 11 – 14 14 15 – 18 15 15 15 – 18 18 19 19 19 19 19 20 – 23 20 20 – 21 21 – 23 23 24 – 26 24 24 24 – 26 26 27 – 28 29 – 31 32 – 35 36 37 – 43
-1-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN
Inleiding De invulling van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal in de Drechtsteden (wat ligt er voor) De concepttekst voor de wijziging van de GR Drechtsteden naar de GR Sociaal ligt voor ter besluitvorming. Die tekst is het uiteindelijke sluitstuk om te komen tot een nieuw sturingsmodel in de Drechtsteden. Omdat het in de tekst soms een zeer korte (juridische) weergave betreft van de keuzes en besproken bouwstenen wordt in deze notitie (begeleidende notitie bij de concepttekst voor de nieuwe GR Sociaal) een inhoudelijke toelichting gegeven op alle benodigde bouwstenen. We houden hierbij steeds de volgende structuur aan: 1) 2) 3) 4)
De contouren uit de hoofdlijnennotitie (wat was de richting) De input van de colleges en raden (wat heeft u meegegeven) De nadere invulling van de gemeenschappelijke regeling (wat hebben we met de input gedaan) De verwerking in de concepttekst GR (in welke artikelen kunt u bovenstaande terugvinden)
Waarom nu al de tekst in concept?
Dit wijzigingsvoorstel volgt een ongebruikelijke weg. Tot nu toe werden wijzigingsvoorstellen van de GR Drechtsteden ambtelijk voorbereid en werd het wijzigingsvoorstel ter besluitvorming via de eerste collegevergadering van Dordrecht na het zomerreces in routing gebracht. In de periode september tot en met december werd het wijzigingsbesluit dan vastgesteld door alle bestuursorganen van de Drechtstedengemeenten. Na de bekendmaking van het dan door alle bestuursorganen vastgestelde wijzigingsbesluit in december, trad het wijzigingsbesluit op 1 januari van het nieuwe jaar in werking. Dit jaar is sprake van een bijzondere situatie en een transitie die grote gevolgen heeft voor de bestaande gemeenschappelijke regeling. Zoals gezegd wordt de GR Drechtsteden omgevormd tot een GR Sociaal en alle bedrijfsvoeringstaken worden ondergebracht bij de gemeente Dordrecht. Met name de samenhang tussen die twee zaken, die gelijktijdig in werking moeten treden, omdat anders een juridisch maar ook praktisch onwerkbare situatie ontstaat, maakt dat deze keer de colleges en raden zich al voor het zomerreces moeten uitspreken over de concepttekst van de nieuwe regeling. Het wijzigingsbesluit moet eind augustus in de formele besluitvormingsprocedure worden gebracht om inwerkingtreding op 1 januari mogelijk te maken.
Als dat proces eenmaal in gang is gezet zijn tekstuele aanpassingen niet meer mogelijk. Als tijdens het formele besluitvormingsproces bij een van de gemeenten amendementen zouden worden aangenomen die leiden tot een aanpassing in de tekst, zou het juridische gevolg zijn dat het wijzigingsbesluit niet wordt vastgesteld en niet per 1 januari 2022 in werking kan treden. De tekst van de GR Drechtsteden kan alleen bij unanimiteit worden gewijzigd. De consequentie daarvan zou zijn dat de tekst van de GR Drechtsteden dan niet per 1 januari wijzigt en dat dus alle huidige taken en bevoegdheden in stand blijven. Aangezien een deel van het personeel, naar het zich nu laat aanzien, dan bij de gemeente Dordrecht in dienst zal zijn, zou dat tot een onwerkbare situatie leiden. Om dat te voorkomen worden de colleges, burgemeesters en raden nu in de gelegenheid gesteld zich over de concepttekst uit te spreken. Eventuele tekstwijzigingen kunnen dan tijdens het zomerreces worden doorgevoerd, waarna de definitieve tekst eind augustus op de gebruikelijke wijze in procedure kan worden gebracht.
Uittreding burgemeesters en raden
De GR Drechtsteden is een regeling van de colleges, burgemeesters en gemeenteraden. De GR Sociaal is een regeling van alleen de colleges. Dat betekent dat de burgemeesters en raden uit de regeling treden. Op grond van artikel 1, tweede lid Wet gemeenschappelijke regelingen geven de raden vervolgens toestemming aan de colleges voor het wijzigen van de GR Drechtsteden. In de volgorde van besluitvorming stellen de colleges daarna een integrale nieuwe tekst van de GR Sociaal vast. -2-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN
Aanleiding (Het waarom) Het speelveld van het sociaal domein is in beweging Het speelveld van het Sociaal Domein is in beweging. Niet alleen in de Drechtsteden en Zuid-Holland Zuid, maar ook landelijk wordt nagedacht over stappen die gezet moeten worden om duurzaam grip te krijgen op de explosief stijgende zorgvraag en daarmee gepaard gaande kosten. Gemeenten denken na over de toekomst van het Sociaal Domein en over (regionale) samenwerking. De gemeenten in de Drechtsteden hebben de taken in het Sociaal Domein op verschillende schaalniveaus georganiseerd: lokaal, met een paar gemeenten samen en in de Drechtsteden en ZuidHolland Zuid via Gemeenschappelijke Regelingen (verbonden partijen). Voor de taken die bij de gemeenschappelijke regelingen zijn belegd vindt nu getrapte besluitvorming plaats en daardoor zijn integrale kaders voor raden moeilijk te stellen. Dit leidt ertoe dat alle gemeenten (klein, groot, arm, rijk) spanning ervaren met het beoogde doel van de 3D's (nabije sturing). Colleges en gemeenteraden ervaren daarbij dat zij onvoldoende kunnen sturen en positie kunnen nemen op de beoogde doelen in het Sociaal Domein (integrale aanpak binnen de gedecentraliseerde wetten: Jeugdhulp, Wet Maatschappelijke Ondersteuning, Participatiewet).
Gemeenteraden weer in positie om kaders te stellen De maatschappelijke opgaven waar we voor staan vragen om een sterke lokale sociale infrastructuur en beleidsruimte en om een krachtige regionale samenwerking waarin maatwerk mogelijk is. Die lokale infrastructuur en regionale samenwerking moeten goed op elkaar aansluiten. Zoals gezegd is de manier waarop de gemeenten in de Drechtsteden het Sociaal Domein hebben georganiseerd complex, waardoor gemeenteraden onvoldoende in positie zijn om lokaal de inhoudelijke en financiële kaders te stellen. Die complexiteit leidde tot een roep om optimalisatie van maatwerk of anders geformuleerd naadloze aansluiting tussen de lokale en regionale dienstverlening aan inwoners. Zij kennen immers maar één overheid, niet meerdere. Zeker wanneer inwoners (of het huishouden waarvan zij onderdeel uitmaken) ondersteuningsbehoeften hebben op meerdere levensdomeinen is het van belang dat zij op één plek, dichtbij huis en op basis van een integrale aanpak worden ondersteund door de overheid. Kortom, de lokale gemeenteraden moeten weer in de positie komen om de financiële en beleidsmatige kaders in het Sociaal Domein vast te stellen en de integrale afweging te maken over de schaarste en aanpak.
Naast inwoners staan Maar de behoefte aan meer grip en sturing zijn niet de enige aanleiding om na te denken over de toekomst van het Sociaal Domein. We willen inwoners echt centraal te stellen in onze (lokale en regionale) aanpak en dienstverlening en we willen naast hen staan. Daarvoor is het noodzakelijk dat het primaat van het sociaal domein weer lokaal komt te liggen (We zijn ervan) en dat we de kracht van onze samenwerking versterken waar het onze inwoners ten goede komt (We doen het samen). Met het primaat lokaal bedoelen we dat de lokale raden gaan over het stellen van de financiële en beleidsmatige kaders van verschillende regelingen. Iedere individuele gemeente draagt daarbij de verantwoordelijkheid voor het verlenen van integrale hulp aan inwoners vanuit het principe 1 huishouden, 1 plan.
We zijn ervan en doen het samen Om die reden hebben in 2020 drie Bestuurlijke conferenties plaatsvonden waarin deze vraagstukken zijn verkend. Leidend tijdens deze conferenties was de vraag “Hoe kunnen we bouwen aan een flexibele en effectieve regionale samenwerking die past bij onze opgaven en deze tijdgeest.” Bij het toewerken naar een vernieuwde vorm van samenwerken behouden we wat goed gaat. We intensiveren en verbeteren de samenwerking en zorgen we ervoor dat deze toekomstbestendig is en blijft. Tot slot zorgen we ervoor dat de samenwerking mooier wordt: “We zijn ervan en doen het samen!”. -3-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN De omvorming naar een nieuwe samenwerkingsvorm is daarmee veel meer dan een herijking van de huidige afspraken. Het is meer dan het weer lokaal beleggen van de financiële en beleidsmatige kaders en de bijbehorende verordeningen. Een vernieuwde regionale samenwerking biedt ons kansen en voordelen voor de toekomst.
Nieuw sturingsmodel Vanuit gezamenlijk eigenaarschap hebben de zeven colleges van burgemeesters en wethouders eind oktober 2020 tijdens de derde collegeconferentie een principebesluit geformuleerd dat richtinggevend is voor de uitwerking van een nieuw sturingsmodel: De huidige Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden voor het onderdeel Sociale Dienst Drechtsteden wordt omgevormd naar een klassieke Gemeenschappelijke Regeling (GR) met een Algemeen en Dagelijks Bestuur. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten benoemd (geciteerd uit het principebesluit):
Robuust pakket van gezamenlijke diensten. Maatwerk meer dan nu mogelijk; eventuele meerkosten hiervan wel altijd voor de afnemer, ook voor wat betreft investering in lokale ambtelijke capaciteit. Beleid hieromtrent wordt in de GR opgesteld en uitgevoerd, waarbij het lokaal primaat het startpunt is. Bij besluiten streven naar consensus, maar indien er toch wordt gestemd moet er rekening worden gehouden enerzijds met belangen langs de lijnen van inwonersaantal/ financiële bijdrage en anderzijds moet voorkomen worden dat er volledige overheersing is door ‘stedelijk gebied’ of ‘poldergebied’.
Een klassieke gemeenschappelijke regeling met een Algemeen en Dagelijks Bestuur voldoet goed aan de uitgangspunten die hierboven zijn benoemd en aan de behoefte om de beleidsmatige en financiële kaders weer lokaal stellen. Bij de omvorming van de huidige GR (voor het onderdeel SDD) naar een klassieke GR is het van belang goed te kijken naar de inzet en capaciteit die nodig is bij zowel gemeenten als de GR Sociaal zelf. Het feit dat de kaderstelling weer bij gemeenten komt te liggen betekent dat zij er taken bij krijgen en dat zij zullen investeren in stevig opdrachtgeverschap. Voor de GR betekent het dat zij met meerdere opdrachtgevers te maken krijgen en dat vraagt meer tijdinvestering. De concerntaken voor de GR Sociaal komen bij de Sociale Dienst te liggen (aangezien de andere onderdelen van de huidige GR worden ondergebracht bij servicegemeente Dordrecht). Voor zowel gemeenten als SDD wordt het contact intensiever, waarbij co-creatie een sleutelwoord is. De uitdaging is en blijft om ook in de nieuwe structuur te komen tot complexiteitsreductie. Niet alleen wendbaarheid speelt een rol, het gaat tevens om werkbaarheid voor alle organisaties die betrokken zijn.
Opdracht omvorming naar een nieuwe gemeenschappelijke regeling Vanuit het geformuleerde principebesluit heeft het ONS D (overleg netwerksecretarissen Drechtsteden) vervolgens de opdracht gekregen om alle noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor de totstandkoming van deze nieuwe (klassieke) “Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Drechtsteden”. Er loopt parallel aan dit proces ook een proces rondom de doorontwikkeling van de jeugdhulp in ZHZ. Deze doorontwikkeling is in gang gezet met een regionale werkagenda (opvolging advies AEF, implementatie van de Governance) en gericht op meer lokale sturing, betere samenwerking, afbakening van jeugdhulp, betere sturingsinformatie en beheersing van de kosten. De opdracht van het ONS-D is in eerste instantie alleen gericht op taken in het kader van de huidige GR SDD (o.a. Wet Maatschappelijke ondersteuning, schuldhulpverlening en de Participatiewet).
-4-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN Integrale aanpak voor iedereen die dat nodig heeft “Iedereen een zelfstandig en volwaardig bestaan, waarbij alle inwoners van de Drechtsteden zelfstandig en volwaardig kunnen leven, werken, wonen en meedoen. Waar dat niet lukt, helpen we die mogelijkheden vergroten.” Op basis van deze visie werken we sinds 2019 binnen het Sociaal Domein in de Drechtsteden samen aan drie maatschappelijke opgaven die de basis vormen voor ons handelen: Opgave 1. Bestaanszekerheid versterken: we bieden perspectief, rust en mentale ruimte. Vanuit onze rol zetten we maximaal in op het voorkomen en doorbreken van inkomensonzekerheid, armoede en schulden. Opgave 2. Ontwikkelen naar werk: we bieden toekomstperspectief door ons in te zetten voor betaald werk voor iedereen die kan werken. Opgave 3. Zorgen voor ondersteuning: we organiseren (toegang tot) maatwerkvoorzieningen en bieden andere vormen van ondersteuning. Zo dragen we eraan bij dat mensen passend wonen en actief meedoen in de samenleving. Deze visie en opgaven blijven onverminderd van kracht in de nieuwe gemeenschappelijke regeling Sociaal. Wel is er een wens om deze gezamenlijke visie verder uit te werken en uit te diepen.
Onderwerpen als een integrale aanpak (en weging) voor inwoners die dat nodig hebben en de ontschotting die daarvoor nodig is, aansluiting tussen lokale en regionale dienstverlening (en lokale inkleuring), de samenwerking met (lokale) maatschappelijke partners en maatwerk geven we daarin een plek. Ook de verbinding tussen Sociaal, Wonen, de Groeiagenda en Economie nemen we hierin mee. Zo werken we samen aan een mensgericht, doelmatig en effectief sociaal beleid dat voor inwoners het meeste effect heeft en past bij de lokale behoeften.
Principe van één overheid We hebben een sterke behoefte aan duidelijkheid en eenheid tussen het regionale en lokale sociaal domein. Zowel voor inwoners als voor maatschappelijke instanties. Om inwoners zo goed mogelijk te helpen en ieders verantwoordelijkheden optimaal uit te voeren, bouwen we de samenwerking op vanuit de inwoner, hij/zij staat centraal in onze keuzes en ons handelen. Goed vindbare ondersteuning en informatie, zonder schotten en met een integrale denk- en werkwijze. Toegang afgestemd op de vraag en behoefte van de inwoner, dichtbij huis, is in deze verbinding een belangrijke eis. Daarbij zijn integraliteit, laagdrempeligheid, aansluiting op behoeften van de inwoners en goede samenwerking de randvoorwaarden. Als er meerdere problemen zijn rond een persoon, gezin of huishouden spelen, is samenwerking met en tussen partijen essentieel. Daarbij staat het gezamenlijk doel centraal. Met partijen bedoelen we in dit geval niet alleen gemeenten en SDD. Ook de jeugdteams, SOJ, DG&J, Drechtwerk en allerlei (lokale) maatschappelijke partners zijn onderdeel van die samenwerking. We creëren daarmee met elkaar een keten aan voorzieningen die hard nodig is om onze inwoners elke dag te kunnen ondersteunen en daarmee de publieke waarde voor onze inwoners, onze gemeente en onze regio te creëren.
Op- en afschalen zijn onlosmakelijk onderdeel van dit netwerk en het simpel switchen tussen voorzieningen moet makkelijker mogelijk zijn. De nieuwe manier van samenwerken maakt dit beter mogelijk, waarbij dit per gemeente kan verschillen, doordat invulling hiervan per gemeente anders is. Principes als “no wrong door” en “one-stopshop” geven we daarin een vaste plek. De inwoner moet enerzijds geen last hebben van verschillende loketten, instanties of opdrachten en anderzijds maar één keer hun verhaal doen en één keer gegevens aanleveren. -5-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN
Waar staan we in het proces De transitie van de GR Sociaal in de Drechtsteden in 2021 is gevormd langs 3 mijlpalen. De eerste mijlpaal betrof de hoofdlijnennotitie, die in maart 2021 de route in ging. De volgende mijlpaal betreft de concepttekst GR en deze begeleidende notitie zoals deze nu voor ligt. Hiernaast treft u nogmaals alle mijlpalen met deelstappen aan inclusief de conceptplanning in weken. De planning is en blijft ambitieus, maar met de intensieve samenwerking die is ingezet, verwachten we dat 1 januari 2022 nog altijd haalbaar is. In de afgelopen periode heeft de tijdelijke werkorganisatie hard met alle gemeenten en betrokken partijen gewerkt aan de bouwstenen voor de concepttekst GR. De stuurgroep voor de GR Sociaal, die bestaat uit een afvaardiging van de gemeenten en de SDD, is met diverse werkgroepen (bestaande uit medewerkers gemeenten en SDD) op allerlei onderwerpen hard aan de slag geweest. Via ambtelijke en bestuurlijke dialoogsessies is input opgehaald, wat heeft geleid tot het resultaat dat nu in route is. De wethouders Sociaal/Financiën zijn via de bestuurlijke begeleidingscommissie intensief betrokken. Met het ONS D is diverse malen over de bouwstenen gesproken en is verdiept hoe het straks zal werken in de praktijk. Het ONS D stelt uiteindelijk de mijlpalen ambtelijk vast, waarna zij de stukken in route brengen richting colleges en raden.
Bij gemeenteraden is de afgelopen periode informatie over het proces verschaft, de hoofdlijnennotitie is behandeld en er zijn inspirerende avondworkshops gehouden voor alle raadsleden in de Drechtsteden. Deze lijn zetten we bij deze mijlpaal voort. Ook nu gaan we graag weer het gesprek aan met en in gemeenteraden én zorgen we voor een nieuwe sessie in de avond met workshops. Alle informatie kunt u inmiddels ook vinden op www.sociaaldrechtsteden.nl. De transitie van de GR Sociaal kunt u trouwens niet volledig los zien van de vorming van de overgang van de andere GR dochters naar Dordrecht. Immers, met de wijziging van de GR tekst en de uiteindelijke instemming met deze tekst is de GR Sociaal een feit en zijn de overige dochters niet langer onderdeel van de GR. In de concepttekst GR treft u hier in de overwegingen kort een verwijzing naar.
-6-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN
Onderdeel 1: Vertaling van de hoofdlijnennotitie 1.1 Contouren uit de hoofdlijnennotitie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten die door de lokale colleges en raden zijn meegegeven is in ambtelijke en bestuurlijke dialoogsessies verkend hoe de nieuwe gemeenschappelijke regeling er uit zou kunnen zien. De opbrengsten van de dialoogsessies zijn verwerkt in de hoofdlijnennotitie. Daarbij stond het waarom en de inhoud centraal. Het waarom is opnieuw in deze notitie in de aanleiding toegevoegd. Het belangrijkste inhoudelijk punt uit de hoofdlijnennotitie was de verdeling van de bevoegdheden. Deze benoemen we hier nogmaals, omdat dit een belangrijk onderdeel van de concepttekst GR ook zal zijn.
Taakverdeling De volgende leidende principes zijn gebruikt bij de verdeling van de taken lokaal én regionaal. Ze komen voort uit het principebesluit en de ambtelijke en bestuurlijke gesprekken. De keuze waar bevoegdheden en verantwoordelijkheden te beleggen moet voldoen aan de uitgangspunten in het principebesluit enerzijds en de input uit de inhoudelijke sessie en uitvoerbaarheid anderzijds. De belangrijkste principes zijn:
Eenduidig robuust pakket van gezamenlijke diensten zodat regionale slag- en executiekracht, wendbaarheid en professionele handelingsruimte behouden blijven. Beleid hieromtrent wordt in de GR opgesteld1 en uitgevoerd, waarbij het lokaal primaat het startpunt is; Maatwerk meer dan nu mogelijk; eventuele meerkosten hiervan wel altijd voor de afnemer, ook voor wat betreft investering in lokale ambtelijke capaciteit. Rekening houden met de landelijke ontwikkelingen waar noodzakelijk in de verdeling van taken.
Afhankelijk van de te maken keuzes in delegatie en mandaat op de nadere regels en de uitvoering kan de verantwoordelijkheid (op onderdelen) lokaal en/of regionaal liggen. Bij delegatie is formele sturing op casusniveau uitgesloten, bij mandaat kan dit wel én kan het college zelf de bevoegdheid uitoefenen. Opgemerkt wordt verder dat het kaderstellend beleid, door de keuze voor een collegeregeling, altijd lokaal belegd is, nadere regels kunnen enkel gedelegeerd worden en niet gemandateerd. Op grond van de vastgestelde uitgangspunten, de opbrengsten van de dialoogsessies en de inrichtingsprincipes van een klassieke GR wordt op hoofdlijnen onderstaande verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de gemeenschappelijke regeling en de lokale gemeenten voorgesteld. Hierin ziet u een gebalanceerde mix terug van onderwerpen waarvoor de verantwoordelijkheid lokaal blijft en waar die bij de gemeenschappelijke regeling komt te liggen. Daarbij wordt opgemerkt dat in de praktijk de bevoegdheden straks verdeeld worden over het algemeen en dagelijks bestuur. De verdeling is in de concepttekst GR verwerkt. Het dagelijks bestuur kan vanuit wetgeving voor de verantwoordelijkheden en bevoegdheden regels stellen. Dit zijn zogeheten uitvoeringsregels. Een voorbeeld hiervan is een richtlijn over hoe bij een aanvraag om te gaan met een verlopen identiteitsbewijs.
1 In co-creatie met de gemeenten
-7-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN Onderwerp, bestaande taken
Voorstel
Participatiewet
IOAW en IOAZ Maatwerkvoorzieningen Wmo
Wet kinderopvang, voor zover betrekking op de tegemoetkoming2. Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Wet op de lijkbezorging
Het doen van een verzoek tot instellen, verlengen of opheffen schuldenbewind
2
WSW: het in samenhang met de Participatiewet (doen) uitvoeren van de WSW, aangepaste arbeid en daarmee verband houdende vraagstukken op specifiek benoemde terreinen.
Verstrekken subsidies
Kaderstelling lokaal Voor aanvullende inkomensondersteuning, paragraaf 4.1 van de wet (bijzondere bijstand, inkomenstoeslag (= PMB) en studietoeslag): nadere regels lokaal, delegatie op uitvoering Participatieplekken: Alblasserdam en Dordrecht geven de voorkeur aan een lokale invulling, de andere gemeenten willen eerst de financiële consequenties van een keuze uitgewerkt zien. Er wordt momenteel een inhoudelijk voorstel voorbereid op dit punt. Delegatie op overige nadere regels en uitvoering (inclusief eventuele beleidsregels) Kaderstelling lokaal Delegatie op nadere regels en uitvoering Kaderstelling lokaal Nadere regels lokaal Delegatie op uitvoering (inclusief eventueel beleidsregels) Kaderstelling lokaal Delegatie op nadere regels en uitvoering (inclusief eventueel beleidsregels) Kaderstelling lokaal Nadere regels lokaal Mandaat voor uitvoering taken vroegsignalering, preventie, nazorg, zodat zowel gemeenten als GR bevoegd zijn bij deze taken Delegatie op overige uitvoering inclusief beleidsregels (o.a.
curatieve trajecten) Kaderstelling lokaal Nadere regels lokaal Uitvoering in mandaat Dit punt bevat geen kaderstelling of nadere regels Uitvoering in mandaat (zowel GR als gemeenten kunnen taak uitvoeren) Kaderstelling lokaal Delegatie op nadere regels en uitvoering (inclusief eventuele beleidsregels) De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft vrijstelling van de genoemde taken bij de WSW. Kaderstelling lokaal Delegatie op nadere regels en uitvoering (inclusief eventuele beleidsregels)
De overige taken, waaronder sociaal medische indicaties zijn nu al lokaal belegd.
-8-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN
1.2 Algemene input vanuit colleges en raden Alle colleges en raden zijn tevreden over de zorgvuldigheid van het proces. Iedereen wordt goed op de hoogte gehouden en meegenomen. Er is in dat licht ook een website www.sociaaldrechtsteden.nl gelanceerd, die alle informatie op 1 plek samenbrengt voor college- en raadsleden. Aangegeven is verder dat het gezamenlijk en op een zorgvuldige wijze doorlopen van de transitie naar een nieuwe samenwerkingsvorm in de Drechtsteden belangrijk is. Er wordt door enkele gemeenten ook aandacht gevraagd voor de strakke planning en de voortvarendheid van dit proces. Op de verdeling van taken zijn verder geen specifieke opmerkingen van de gemeenten gekomen. Wel geven enkele gemeenten specifiek aan dat zij zich goed kunnen vinden in de verdeling. Hardinxveld-Giessendam geeft in hun reactie nog aan dat zij verwachten dat zij met alle informatie bij de concepttekst GR ook de consequenties voor hun gemeente kunnen bepalen. Zij verwachten ook dat dit geen wijziging betekent voor de in de notitie opgenomen verdeling van delegatie en mandaat per onderdeel. Tot slot merkt Hendrik Ido Ambacht het volgende op: in de hoofdlijnennotitie is niet verder uitgewerkt wanneer een pakket voldoende "robuust" is om te voldoen aan dit genoemde uitgangspunt. Wij zijn er voorstander van om zoveel mogelijk dat wat goed gaat bij de SDD te laten.
Maar we vernemen ook graag van de SDD wanneer het vanuit hun perspectief zodanig robuust is dat voldaan kan worden aan het geformuleerde uitgangspunt. Bij dit punt wordt opgemerkt dat de verdeling zoals deze in de tabel is opgenomen voor de SDD voldoende robuustheid biedt. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het voor een samenwerkingsverband essentieel is dat er een zekere mate van harmonisatie van kaderstellend beleid wordt bereikt. Zonder die harmonisatie wordt de uitvoering zeer complex en kunnen schaalvoordelen verloren gaan. Daarom wordt in artikel 5 in de concepttekst GR ook een uitvoeringstoets genoemd bij lokale verschillen in verordeningen, algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels. Met een dergelijke toets brengt de GR Sociaal in beeld wat de consequenties zijn van de gevraagde verschillen voor bedrijfsvoering, uitvoering én inwoners. Risico’s, gevolgen, kosten (meer of minder), voor- en nadelen, te maken keuzes worden in deze toets in beeld gebracht en bij risico’s op de bedrijfsvoering van de GR Sociaal ook vroegtijdig in het bestuur van de GR besproken. Tevens is het van belang om de keuzes voor het beleggen van bevoegdheden en verantwoordelijkheden gelijk te trekken voor alle gemeenten. De situatie wordt anders te onoverzichtelijk, ook binnen het bestuur van de GR. Deze beide laatste punten stonden overigens al wel in de hoofdlijnennotitie.
1.3 Nadere invulling in de gemeenschappelijke regeling De verdeling van taken en bevoegdheden is niet gewijzigd ten opzichte van dat wat in de hoofdlijnennotitie al was opgenomen. Meerdere gemeenten hebben echter aangegeven alleen een gedegen besluit te kunnen nemen wanneer zij een totaalpakket aangeboden krijgen op alle onderdelen, te weten inhoud, financiën en governance. Alle overige onderdelen die nog uitgewerkt moesten worden treft u in onderdeel 2 tot en met 6 van deze notitie aan. Daarmee wordt invulling gegeven aan de behoefte van de verschillende gemeenten om het totaalpakket te kunnen beoordelen.
1.4 Verwerking in de concepttekst GR Sociaal De tabel op de vorige pagina is vertaald in artikel 5, artikel 8 en artikel 13 van de concepttekst GR.
-9-
Concepttekst wijziging GR Drechtsteden naar GR Sociaal
DE INVULLING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL IN DE DRECHTSTEDEN
Onderdeel 2: Inrichting Algemeen Bestuur, Dagelijks Bestuur en stemverhoudingen 2.1 Contouren uit de hoofdlijnennotitie In de hoofdlijnennotitie zijn de eerste globale contouren geschetst van het Bestuur van de GR Sociaal. Stemverhoudingen zijn nog niet aan bod gekomen in de hoofdlijnennotitie. De contouren uit de hoofdlijnennotitie die van belang zijn voor de inrichting zijn: Het Bestuur van de GR bestaat straks uit een Algemeen Bestuur (AB), een Dagelijks Bestuur (DB) en een voorzitter. Het Algemeen Bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam; De voorzitter is voorzitter van het AB én het DB; Het Dagelijks Bestuur bestaat uit de voorzitter en twee of meer andere leden, door en uit het Algemeen Bestuur aan te wijzen. Leden van het DB worden daarmee gekozen uit en door het AB en blijven deel uitmaken van het Algemeen Bestuur; De aangewezen leden van het Dagelijks Bestuur mogen niet allen afkomstig zijn uit dezelfde gemeente; De leden van het Dagelijks Bestuur mogen nimmer de meerderheid van het Algemeen Bestuur uitmaken; Een AB-lid dat ook DB-lid is, heeft in feite twee petten op.
Als AB-lid behartigt hij/zij de belangen van de eigen gemeenteraad (opdrachtgeverschap) en als DB-lid vertegenwoordigt hij/zij het AB en wordt hij/zij geacht de belangen van de GR te dienen (eigenaarschap); Omdat sprake is van een collegeregeling worden de AB-leden gekozen door de colleges van de deelnemers, uit hun midden. Zij vertegenwoordigen het Bestuursorgaan in het AB en worden geacht het eigen belang van de deelnemer te behartigen; Bij een collegeregeling geldt verder dat de leden van het AB van de GR inlichtingen verschaffen en verantwoording afleggen aan het college dat hen heeft aangewezen; Het AB en DB hebben beiden ook een inlichtingenplicht aan alle raden van de deelnemende gemeenten. Bovendien zijn de leden van het AB inlichtingen en verantwoording verschuldigd aan (de leden van) de raad in de gemeente waaruit zij afkomstig zijn; Het DB van een GR legt slechts aan het AB verantwoording af; De leden van het algemeen bestuur (AB) handelen als opdrachtgever namens hun gemeente en brengen het gemeenteperspectief in het AB in, het dagelijks bestuur (DB) handelt als eigenaar in het belang van de GR; Het wetsontwerp herziening Wgr voert, zodra deze in werking treedt, een actieve informatieplicht van het DB aan het AB in. Deze informatie is openbaar en ook voor gemeenteraden opvraagbaar.
2.2 Input vanuit colleges en raden Alle colleges en raden hebben bij de behandeling van de hoofdlijnennotitie, al dan niet in uitgebreide vorm, input meegegeven voor de inrichting van het Bestuur en de stemverhoudingen. Er is gevraagd om een gedegen voorstel voor de inrichting en de stemverhoudingen, waarbij recht wordt gedaan aan dat wat hierover in het principebesluit is opgenomen. Gemeenten hebben in hun reactie tevens aangegeven dat het belang van de eigen gemeente goed terug moet komen in het voorstel. Gemeente Papendrecht geeft hierover het volgende bij aan: “Er moet recht gedaan worden aan de verschillende belangen en financiële inbreng, maar we moeten elkaar ook altijd blijven zien als gelijkwaardige partners. Voor hen betekent dit concreet dat er geen gemeenten kunnen zijn met vetorecht in het AB en dat het ook niet mogelijk moet zijn dat 2 gemeenten samen de meerderheid kunnen vormen”. - 10 -