A04. 20220224 VNG, Model Verordening leges i.v.m. Omgevingswet.pdf
Tekst van het document
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op deze activiteiten, hebben wij in de paragrafen 2.3 tot en met 2.8 tariefbepalingen opgenomen. Deze kunnen worden verhoogd als een of meer modaliteiten van paragraaf 2.12 van toepassing zijn en worden verminderd als een in paragraaf 2.13 genoemde omstandigheid van toepassing is. Omgevingsplanactiviteiten In de toelichting op artikel 2.1 staan omgevingsplanactiviteiten omschreven. De in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow genoemde omgevingsplanactiviteiten betreffen de: - vergunningplichten die de gemeente in het nieuwe deel van het omgevingsplan opneemt, - de vergunningplichten in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bedoeld in artikel 22.1 van de Ow, waaronder vergunningplichten in bestemmingsplannen en het overgangsrecht van artikel 7.1 van het IbOw), en - de vergunningplichten bedoeld in artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob (de ‘artikel 2.2 Wabo-vergunningplichten’). Het is van belang dit te onderkennen in verband met de verschillende varianten die bij deze vergunningplichten in de tarieventabel staan. Zie bijvoorbeeld paragraaf 2.8 van de tarieventabel.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
95/130
Meervoudige aanvragen Als er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor meer dan één activiteit (meervoudige aanvraag), is de gemeente in veel gevallen het bevoegde gezag. De aanvraag kan dan ook een activiteit betreffen waarvoor de gemeente bij een enkelvoudige aanvraag geen bevoegd gezag zou zijn. Het bestuursorgaan dat bij een enkelvoudige aanvraag bevoegd gezag zou zijn, heeft dan het recht van advies en instemming (artikelen 16.15 en 16.16 Ow). Dit bestuursorgaan kan de kosten voor het nemen van een besluit over instemming doorberekenen aan het bevoegd gezag. Zie de toelichting bij artikel 2.51 van paragraaf 2.12 Modaliteiten. Artikel 2.3 Bepalen tarief Eerste lid Dit artikel geeft aan hoe het tarief moet worden bepaald. Het eerste lid is daarvoor de basis. De tarieven voor de belastbare feiten die in artikel 2.2 zijn genoemd, zijn opgenomen in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk. Tweede, derde en vierde lid Als er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten, is het tarief de som van de verschuldigde leges voor elke activiteit, inclusief eventuele modaliteiten (toeslagen) en vermindering (tweede tot en met vierde lid). Omdat er maar één aanvraag is, is er ook maar één belastbaar feit: het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning (artikel 2.2, aanhef en onder b).
Dat een aanvraag meer legesplichtige activiteiten kan omvatten, hebben wij ter verduidelijking ook tot uitdrukking gebracht door bij elke vergunningplichtige activiteit te bepalen dat de daar bedoelde leges verschuldigd zijn onverminderd de verschuldigdheid van leges voor andere activiteiten als tevens van die andere activiteiten sprake is. Deze verduidelijking houdt verband met HR 16 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:48 (Woudrichem). Via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is voor de aanvrager vooraf duidelijk voor welke activiteiten hij een omgevingsvergunning nodig heeft. Ook het aan de aanvraag eventueel voorafgaande omgevingsoverleg zal leiden tot duidelijkheid. Vijfde lid Het vijfde lid bepaalt dat de tarieven voor aanvragen om maatwerkvoorschriften (artikel 4.5 Ow) of toestemming voor een gelijkwaardige maatregel (artikel 4.7 Ow) alleen van toepassing zijn als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Als sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning maken maatwerkvoorschriften of een toestemming voor een gelijkwaardige maatregel namelijk deel uit van de omgevingsvergunning. Zesde lid Elke activiteit waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft en de modaliteiten vormen afzonderlijke grondslagen voor de heffing van de leges.
Doorgaans zullen de leges hiervoor als som, dat wil zeggen in één keer, via een schriftelijke kennisgeving worden geheven. Maar omdat het verschillende grondslagen betreft, is het ook mogelijk om per grondslag een bedrag te vorderen. Het is namelijk toegestaan naar elke grondslag afzonderlijk een aanslag op te leggen (HR 7 februari 1973, nr. 16885, BNB 1973/69). Wij hebben dat uitdrukkelijk in het zesde lid bepaald. Wij geven echter in overweging te streven naar een heffing in één keer.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
96/130
Paragraaf 2.2 Voorfase Artikel 2.4 Omgevingsoverleg Het omgevingsoverleg is de fase die voorafgaat aan het formeel aanvragen van de omgevingsvergunning. In de praktijk kent het verschillende benamingen, zoals vooroverleg, principeverzoek, beoordelen schetsplan, beoordelen conceptvergunningaanvraag of omgevingstafel. De gemeente is vrij om de door haar gewenste benaming te kiezen. Wij hebben gekozen voor de term ‘omgevingsoverleg’. Dit is ook de benaming die het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) eraan geeft. In sommige gevallen is een enkelvoudig overleg wenselijk en in bijzondere gevallen zijn wellicht meerdere overleggen nodig. Dit is afhankelijk van hoever de gemeente haar dienstverlening wil inrichten. Het belang van omgevingsoverleg is toegenomen in verband met de kortere beslistermijn op aanvragen voor een omgevingsvergunning (standaardtermijn 8 weken, met mogelijkheid van verlenging met 6 weken). Het omgevingsoverleg kan verschillende en meerdere vormen hebben. De vorm en inhoud van het omgevingsoverleg is vrij: omgevingsoverleg is niet verplicht en niet wettelijk geregeld. Het is aan de gemeente of ze hier wel of geen leges voor heft.
In een omgevingsoverleg tussen het bevoegd gezag en de aanvrager ervan: - kan de aanvrager een indicatie verkrijgen of een of meer activiteiten passen in de regelgeving en het overheidsbeleid over de fysieke leefomgeving, waaronder de omgevingsvisie van de gemeente en andere overheidsinstanties, en kansrijk is om verder te ontwikkelen; - kan de aanvrager een advies verkrijgen over een of meer activiteiten, waarmee de initiatiefnemer de vergunningaanvraag kan opstellen en indienen; - kan op basis van een conceptaanvraag een beoordeling plaatsvinden. - kunnen conceptoverwegingen en voorschriften met de initiatiefnemer worden besproken en ontwikkeld. Uit het voorgaande komt naar voren dat het omgevingsoverleg een verschillende intensiteit en omvang kan hebben, wat de tariefstelling in een model bemoeilijkt. Variant 1 Variant 1 kent een vast bedrag, dat wordt vermeerderd met een deel (percentage) van de leges die voor de activiteit(en) verschuldigd zouden zijn bij een daadwerkelijke aanvraag. Als de activiteit(en) bij de aanvraag om omgevingsoverleg nog te weinig omlijnd zijn, zal het overleg een globaal karakter hebben en is toepassing van de verhoging wellicht niet aan de orde. Variant 2 In variant 2 hebben wij gekozen voor een vast bedrag per overleg, gesplitst in een eerste overleg en elk volgend overleg. Een eerste overleg kan oriënterend zijn.
Daarvoor kan het tarief bijvoorbeeld lager worden vastgesteld dan voor een volgend overleg, omdat bij een volgend overleg meer duidelijk zal zijn over de betrokkenheid van adviseurs (ketenpartners). Het tarief voor elk volgend overleg wordt verhoogd met een tarief ter dekking van de kosten van adviseurs. Variant 3 In variant 3 is een tariefstelling per uur opgenomen. Omdat van tevoren bekend moet zijn wat de aanvrager verschuldigd is, brengt de gemeente (het college) vooraf het verschuldigde bedrag ter kennis aan de aanvrager. Die heeft dan vijf werkdagen de tijd om zijn aanvraag in te trekken. Doet hij dat niet, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen. Als na het omgevingsoverleg een (‘echte’) aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, worden de leges daarvoor verminderd met de op grond van artikel 2.4 geheven leges. Om Vereniging van Nederlandse Gemeenten
97/130
omgevingsoverleg te stimuleren kan dan ook een hogere vermindering worden gegeven. Een en ander is geregeld in artikel 2.52.
Paragraaf 2.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Algemeen Paragraaf 2.3 betreft de bouw- en sloopactiviteiten. Deze is onderverdeeld in drie artikelen: - artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) - artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijke deel) - artikel 2.7 Slopen van een bouwwerk De splitsing die plaatsvindt tussen de artikelen 2.5 en 2.6 heeft te maken met de Wkb die voor gevolgklasse 1 de bouwtechnische toets door een private kwaliteitsborger laat doen. De regeling van de ruimtelijke aspecten blijft bij de gemeente berusten. Zij kan in het omgevingsplan aan de bouwactiviteit een vergunningplicht koppelen, maar kan ook volstaan met algemene regels of een meldingsplicht. In de bijlage bij de Ow staan de volgende definities: bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk; bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
Uit de definitie van bouwactiviteit volgt dat sloopactiviteiten daartoe niet behoren. In verband hiermee is de titel van paragraaf 2.3 omschreven als ‘Activiteiten met betrekking tot bouwwerken’. Artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) Dit artikel betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow voor een bouwactiviteit. Het gaat hier om het bouwtechnische deel van de bouwactiviteit. De vergunningplicht is nader uitgewerkt in paragraaf 2.3.2 van het Bbl: de bouwactiviteit is vergunningplichtig, tenzij het bouwwerk onder de opsomming vergunningvrij valt. Bouwwerken in gevolgklasse 1 zijn bijvoorbeeld niet vergunningplichtig voor het bouwtechnische deel (als gevolg van de Wkb). Als heffingsmaatstaf is gekozen voor een percentage van de bouwkosten volgens een gestaffeld tarief. De verschillende percentages gelden voor het deel van de bouwkosten dat in die klasse valt. Dat voorkomt zaagtandeffecten. In het algemeen geldt dat de kosten die de gemeente voor het behandelen van de aanvraag maakt evenredig zijn aan de omvang van de bouwactiviteit. Voorzien is in een minimumtarief en een maximumtarief. De tariefklassen zijn afgestemd op die in artikel 14.7, tweede lid, van de Or zoals die voor het rijk gelden als de minister bevoegd gezag is.
Om een indruk te geven: artikel 14.7 Or kent een minimumtarief van € 250, dat wordt vermeerderd met: a. 0,24% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 0 en € 25.000; b. 0,23% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 25.000 en € 50.000; c. 1,10% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 50.000 en € 200.000; d. 1,57% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 200.000 en € 2.500.000; en
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
98/130