A04. 20220224 VNG, Model Verordening leges i.v.m. Omgevingswet.pdf
Tekst van het document
Ook indien het doen van de naspeuringen niet heeft geleid tot het gewenste resultaat zijn de leges verschuldigd. Wij merken nog op dat voor het doen van naspeuringen in verband met een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob; vanaf 1 mei 2022 de Wet open overheid) geen Vereniging van Nederlandse Gemeenten
77/130
leges geheven kunnen worden (HR 8 februari 2013, nrs. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693, Belastingblad 2013/96 en HR 8 februari 2013, nr. 11/03758, ECLI:NL:HR:2013:BX0945, Belastingblad 2013/97). Artikel 1.27 Afschrift of uittreksel uit gemeentearchief Gelet op de verschillende wijzen waarop informatie verstrekt kan worden (op verschillende formaten papier, op verschillende digitale media of langs elektronische weg), waardoor de marginale verstrekkingskosten nogal kunnen verschillen, hebben wij in dit artikel voor het verstrekken van kopieën of uittreksels uit de in het gemeentearchief berustende stukken gekozen voor de zogenaamde begrotingsconstructie. Met het vooraf kennisgeven van een gespecificeerde begroting van de marginale verstrekkingskosten, voldoet de gemeente aan de tariefvoorschriften van de Wet hergebruik van overheidsinformatie. De artikel 1.26 en 1.27 kunnen cumuleren. Artikel 1.28 Uitlenen van archiefbescheiden Artikel 18 van de Archiefwet 1995 maakt het mogelijk om archiefbescheiden uit te lenen. Op grond van het zesde lid van dat artikel kunnen de aan de uitlening verbonden kosten aan de verzoeker in rekening worden gebracht. Ook hiervoor geldt dat alleen de marginale verstrekkingskosten kunnen worden doorberekend (artikel 19 Archiefwet in samenhang met artikel 9 van de Wet hergebruik van overheidsinformatie).
Voor het in behandeling nemen van een daartoe strekkend verzoek hebben wij in dit artikel een tariefbepaling opgenomen.
Paragraaf 1.9 Bijzondere wetten Artikel 1.29 Huisvestingswet 2014 Uitgangspunt van de Huisvestingswet 2014 is dat een verordening een inbreuk vormt op de vrijheid van vestiging en daarom alleen dan mag worden toegepast als er een bepaalde mate van schaarste is. Als er sprake is van schaarste op de woningmarkt, wordt schaarste niet met een verordening opgelost. Dus gebruik van de verordening onder de wet kan alleen als zo mogelijk ook andere maatregelen getroffen worden om schaarste te bestrijden. Wij hebben tariefbepalingen opgenomen voor het in behandeling nemen van aanvragen voor een huisvestingsvergunning (eerste lid) en voor indeling in een bepaalde urgentiecategorie (tweede lid). Voor andere in de Huisvestingswet 2014 geregelde vergunningen – de onttrekkingsvergunning, de samenvoegvergunning, de omzettingsvergunning, de woningvormingsvergunning, de splitsingsvergunning, de vergunning toeristische verhuur en de verhuurvergunning opkoopbescherming – zijn tariefbepalingen opgenomen in paragraaf 3.6 van hoofdstuk 3 omdat deze vergunningen blijkens de Model-Huisvestingsverordening 2014 betrekking hebben op dienstverrichters (woningcorporaties en/of particuliere verhuurders) en dus onder de Europese Dienstenrichtlijn vallen.
Artikel 1.30 Leegstandwet Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kan het college van burgemeester en wethouders de eigenaar van een woning of een gebouw vergunning verlenen tot tijdelijke verhuur van woonruimte. Tijdelijke verhuur kan een oplossing vormen in situaties waarin eigen bewoning, reguliere verhuur dan wel verkoop van een woonruimte op afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Op grond van artikel 15 Leegstandwet gelden de volgende regels: - Voor woonruimte in een gebouw (zoals kantoren of scholen):
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
78/130
indien een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend: vergunning tijdelijke verhuur voor de duur van die omgevingsvergunning tot maximaal 10 jaar (artikel 15, lid 7); o indien geen omgevingsvergunning: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar (artikel 15, lid 6), met mogelijkheid van verlenging. - Voor woonruimte in een voor verkoop bestemde woning: vergunning tijdelijke verhuur voor 5 jaar; geen verlenging mogelijk (art. 15, lid 8). - Voor woonruimte in een voor verhuur bestemde woning (in afwachting van sloop of renovatie): vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar (artikel 15, lid 6), met mogelijkheid van verlenging. Voor de vergunningaanvraag hebben wij het eerste lid, onderdeel a, en voor een aanvraag tot vergunningverlenging hebben wij in het eerste lid, onderdeel b, een tariefbepaling opgenomen. Per woonruimte wordt een vergunning voor tijdelijke verhuur aangevraagd en afgegeven. Als voor verschillende woonruimten in een complex een vergunning voor tijdelijke verhuur wordt aangevraagd, moet de gemeente formeel per woonruimte beschikken en leges heffen. De gemeente zal dergelijke aanvragen echter gecombineerd behandelen. Daarom hebben wij in het tweede lid bepaald dat bij een complexgewijze behandeling van aanvragen slechts eenmaal leges wordt geheven. o
Artikel 1.31 Wet op de kansspelen Eerste lid Aanwezigheidsvergunning Voor de aanwezigheid van kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483) is een aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester. De aanwezigheidsvergunning kan op grond van artikel 30d, tweede lid, voor bepaalde of onbepaalde tijd worden afgegeven. In artikel 30d, derde lid, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld betreffende de hoogte van de voor het afgeven van deze vergunningen te hanteren tarieven. Deze nadere regels zijn opgenomen in artikel 3 van het Speelautomatenbesluit 2000 (Stb. 2000, 223). De in dat artikel opgenomen bedragen vormen voor gemeenten maximum te heffen legesbedragen. De tarieven zijn afhankelijk gesteld van de periode waarvoor de vergunning wordt afgegeven en het aantal kansspelautomaten. De maximumleges voor een aanwezigheidsvergunning zijn: looptijd vergunning
maximumleges
12 maanden
€ 22,50 + (aantal kansspelautomaten x € 34,-)
<12 maanden
{ € 22,50 + (aantal kansspelautomaten x € 34,-)} x (looptijd /12)
> 12 maanden < 4 jaar
{ € 22,50 + (aantal kansspelautomaten x € 34,-)} x (looptijd /12)
> 4 jaar of onbepaalde tijd
€ 90,50 + (aantal kansspelautomaten x € 136,-)
Onderdelen a en b hebben betrekking op een vergunning voor een periode van twaalf maanden. De onderdelen c en d hebben betrekking op een vergunning voor onbepaalde tijd of voor een aantal jaren mits dit aantal ten minste vier bedraagt. Tweede lid Het opnemen van langere of kortere tijdvakken dan genoemd in het eerste lid waarvoor de vergunning zal gelden is mogelijk, zij het dat dan een tijdsevenredige herberekening van de in het Speelautomatenbesluit 2000 opgenomen maxima moet plaatsvinden. Artikel 3, tweede lid, van dat besluit bepaalt namelijk dat voor aanwezigheidsvergunningen die gelden voor een tijdvak korter dan twaalf maanden of langer dan twaalf maanden doch ten hoogste vier jaar, de in het eerste lid van artikel Vereniging van Nederlandse Gemeenten
79/130
3 genoemde maximumbedragen naar evenredigheid van het verschil in looptijd van de vergunning moeten worden verlaagd onderscheidenlijk verhoogd. Wij hebben die bepaling overgenomen in het tweede lid. Er is geen tarief opgenomen voor het wijzigen van een vergunning, zodat een aan te brengen wijziging alleen via de afgifte van een nieuwe vergunning mogelijk is. Door de Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Stb. 2010, 205 en 206), is er sinds 1 juli 2010 alleen nog een aanwezigheidsvergunning nodig voor kansspelautomaten. Voor behendigheidsautomaten is de vergunningplicht vervallen. Ook de prijsvraagvergunning van artikel 28 van de Wet op de kansspelen is vervallen. Derde lid Loterijvergunning In het derde lid is een tarief opgenomen voor zogenaamde ‘loterijvergunningen’. Op grond van artikel 3 van de Wet op de kansspelen kan het college van burgemeester en wethouders een vergunning verlenen tot het geven van gelegenheid om mede te dingen naar prijzen of premies uitsluitend om met de opbrengst daarvan enig algemeen belang te dienen. Het college van burgemeester en wethouders kan uitsluitend de vergunning verlenen als de gezamenlijke waarde van de prijzen minder bedraagt dan € 4.500. In andere gevallen verleent de minister van Justitie de vergunning.
Voor de gevallen waarin de minister van Justitie bevoegd is, zijn de tarieven voor het behandelen van de vergunningaanvragen opgenomen in artikel 3a van het Kansspelenbesluit (Stb. 1997, 616). Dit besluit bevat geen tariefbepalingen voor de gevallen dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is voor het behandelen van de aanvraag om een loterijvergunning. Dat betekent dat de gemeente zelf de hoogte van het legestarief kan vaststellen. Vierde lid Op grond van artikel 2:39, tweede lid, van de model-APV geldt een vergunningplicht voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. In het vierde lid is hiervoor een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2:39 verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de kansspelen. Oogmerk van de Wet op de kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.
Artikel 1.32 Telecommunicatiewet Eerste en tweede lid: Werkzaamheden in verband met aanleg, instandhouding of opruiming van kabels Het eerste en tweede lid zien op de gevallen dat graafwerkzaamheden in openbare grond nodig zijn voor het leggen of verleggen van telecomleidingen door aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in het kader van de Telecommunicatiewet. Deze wet geeft aan het college van burgemeester en wethouders – als eigenaar van openbare gronden in de gemeente – een coördinerende rol met betrekking tot deze graafwerkzaamheden teneinde deze wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering op elkaar af te stemmen. In verband hiermee is in artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet geregeld dat genoemde aanbieders het voornemen tot het verrichten van werkzaamheden melden aan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente en niet overgaan tot uitvoering dan nadat zij van het college instemming hebben verkregen Vereniging van Nederlandse Gemeenten
80/130
over plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Zonder de instemming kan de aanbieder niet overgaan tot het verrichten van de werkzaamheden. De instemming is derhalve als een dienst aan de aanbieder te beschouwen zodat ter zake daarvan leges kunnen worden geheven (Kamerstukken II 1996/97, 25533, nr. 3, pag. 94). Bij gelegenheid van de herziening van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet die 1 februari 2007 in werking is getreden, is opgemerkt dat de melding kan worden gezien als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht om in te stemmen met het voorstel van de aanbieder met betrekking tot de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden (Kamerstukken II 2004–2005, 29834, nr. 3, blz. 52). Op prejudiciële vragen van de Hoge Raad aan het Europese Hof van Justitie (HR 5 juni 2015, nr. 13/03931, ECLI:NL:HR:2015:1467) heeft dit Hof beslist dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op de in het eerste en tweede lid geregelde leges. Wel is artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn (Richtlijn 2002/20/EG) van toepassing. Het is daarvoor niet nodig dat de gemeente als een ‘nationaal regelgevende instantie’ (NRI) is aangewezen (HvJEU 30 januari 2018, C-360/15 (Amersfoort), ECLI:EU:C:2018:44). In de vervolgprocedure oordeelt de Hoge Raad dat artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn niet aan de heffing van leges in de weg staat.
Artikel 13 dient er niet uitsluitend toe (administratie)kosten te dekken, maar heeft ten doel een optimaal gebruik van de ‘telecommunicatiefaciliteiten’ te waarborgen. De vergoedingen moeten objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel, waarbij rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van artikel 8 van de kaderrichtlijn voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (richtlijn 2002/21/EG). De Hoge Raad verwijst de zaak naar Gerechtshof ’s-Hertogenbosch om te beoordelen of de legesheffing hieraan voldoet (HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2199). Dit hof is van oordeel dat het heffen van de leges is gebeurd in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn (Gerechtshof ’sHertogenbosch 02-04-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1119; zie r.o. 4.10 tot en met 4.16). Het cassatieberoep heeft de Hoge Raad met toepassing van artikel 81, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie afgedaan (Hoge Raad 08-01-2021, ECLI:NL:HR:2021:28). Inmiddels zijn (onder meer) bovengenoemde Machtigingsrichtlijn (Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) vervangen door de Telecomcode (Richtlijn EU 2018/1972). Artikel 42, eerste lid, van de Telecomcode regelt hetzelfde als artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn.
Gemeenten doen er verstandig aan een goede baten-lastenraming op hoofdstukniveau te hebben en wat dit hoofdstuk betreft geen meer dan kostendekkende tarieven te stellen. Het verdient aanbeveling de tariefbepalingen af te stemmen op de Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden. Zie Ledenbrief 04/26 - Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden telecom (29 maart 2004). Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd (bekendmaking via nieuwsbericht op www.vng.nl). In deze richtlijn is onder meer een beheerkostenvergoeding geregeld. Onder beheerkosten worden verstaan de kosten van toezicht op de uitvoering van het herstel, ongeacht of de uitvoering van dit herstel is gedaan door de telecomaanbieder of de gemeente. Werkzaamheden die vallen onder de beheerkosten zijn: - toezicht op de verkeersveiligheid bij herstel; - toezicht op kwaliteit van aanleg, verdichting en bestrating van herstel; - monitoring onderhoud inclusief klachtenafhandeling tijdens de onderhoudsperiode; - administratiekosten die niet bij de leges in rekening zijn gebracht; - eerste en tweede oplevering van herstelwerkzaamheden. De werkzaamheden die de gemeente verricht en waarvoor bij het verlenen van het instemmingbesluit leges worden geheven, vallen niet onder de berekening van de beheerkosten in deze richtlijn.
De berekening van de beheerkosten is gebaseerd op een strikte scheiding van werkzaamheden die onder de leges vallen en werkzaamheden die onder de beheerkosten vallen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
81/130
De richtlijn geldt niet voor gesloten verhardingen zoals asfalt en cementbeton, grootschalige en kleinschalige verhardingselementen, gefundeerde verharding, plantsoenen en bomen. Dit betekent dat hiervoor geen tarieven zijn opgenomen in de richtlijn. Over een en ander dienen tussen de gemeente en de aanbieder op projectniveau, of indien mogelijk generiek, afspraken gemaakt te worden, waarbij wordt afgestemd met de tariefbepaling in de legesverordening. Bovengenoemde beheerkosten dienen dus niet in de leges te worden verdisconteerd. De kosten van de volgende activiteiten zouden onder de legesheffing kunnen worden gebracht: - overleg met aanvrager over tijd, plaats en werkwijze van de werkzaamheden; - opstellen (verkeerskundige) adviezen; - (technisch) beoordelen van het werk; - beoordelen overige (bovengrondse of maaiveld) voorzieningen; - eventueel overleg met andere grondeigenaren en toets van de bereikte overeenstemming met die grondeigenaren door de aanvrager; - onderzoek naar de status van het werk; - aanwijzen van de plaats van de aan te leggen (ondergrondse) infrastructuur; - indien eigen gemeentelijk registratiesysteem van kabels en leidingen, verstrekken gegevens aan de aanvrager, beoordelen van het grondgebruik, afstemming met andere kabel- en leidingbeheerders, maken van revisietekeningen en updaten van digitale of analoge bestanden; - coördinatie en afstemming met
overige werken in de openbare ruimte; - beoordelen en sturen van het werk uit oogpunt van stedelijke bereikbaarheid; - publiceren van meldingen en/of (concept-)instemmingsbesluiten; - administratieve handelingen van de gemeente en overige kosten (vergaderkosten, reiskosten, personele kosten, kosten van bijhouden van (geautomatiseerde) bestanden, uitwerken alternatieve plannen e.d.). In het eerste lid hebben wij gekozen voor een vast bedrag dat wordt vermeerderd met een bedrag per strekkende meter sleuflengte. Meer sleuflengte betekent meer meters kabels of leidingen, wat de complexiteit van de coördinatie zal verhogen. In verband met dit laatste is ook een tariefonderscheid gemaakt tussen graafwerkzaamheden in verhard oppervlak (eerste lid, onderdeel a: tegel-, klinker- en sierbestratingen, gesloten verhardingen) en onverhard oppervlak (eerste lid, onderdeel b: bermen, groenstroken en dergelijke). Aangezien de hierboven genoemde richtlijn niet geldt voor gesloten verharding moet, indien de tariefbepaling in de legesverordening ook voor gesloten verharding geldt, bij het maken van nadere afspraken over de beheerkosten hiermee rekening worden gehouden. Dit kan aanleiding zijn het tarief voor gesloten verharding af te splitsen van het tarief voor klinkerverharding e.d., zoals nu nog als één tarief is opgenomen in onderdeel a.
Vanzelfsprekend kan in het eerste lid ook alleen voor het vaste bedrag worden gekozen (en worden de onderdelen a en b dan niet overgenomen). Het tarief per strekkende meter sleuf is alleen van toepassing voor zover de werkzaamheden niet plaatsvinden in grond van andere overheden, zoals waterschappen en provincies. In deze situaties zijn de werkzaamheden voor de gemeente minder ingrijpend dan wanneer de werkzaamheden in gemeentegrond of particuliere grond plaatsvinden. Indien de werkzaamheden in waterschaps- of provincie- of rijksgronden plaatsvinden, geldt het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c. Het tarief van het eerste lid kan eventueel ook worden gedifferentieerd naar gebied waarbinnen de graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Deze differentiatie gaat ervan uit dat in bijvoorbeeld het centrum de coördinerende taak meer kosten oproept, dan wel dat de kosten toenemen naarmate het graaftraject groter is.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
82/130
Het eerste lid, onderdeel c, ziet op de gevallen dat er andere beheerders van het openbaar gebied in het geding zijn. Het eerste lid, onderdeel d, ziet op het geval dat de aanvrager van een instemmingsbesluit ook nog een vergunning, al dan niet van een ander bestuursorgaan, nodig heeft. Hij kan dan het college verzoeken bij de beoordeling van de aanvragen een inhoudelijke afstemming te bevorderen (artikel 5.5 Telecommunicatiewet). Het eerste lid, onderdeel e, heeft betrekking op de incidentele gevallen dat een nader onderzoek naar de status van de kabel plaatsvindt. Het zal dan vooral gaan om onbekende aanbieders. Onderdeel e maakt het mogelijk zowel de eigen kosten als de eventuele externe advieskosten door te berekenen. Voor de mededeling van deze, bij het indienen van de melding vaak nog onbekende kosten, hebben wij gekozen voor de zogenaamde begrotingsconstructie. De melder dient op de hoogte te worden gesteld van deze kosten en gelegenheid te krijgen zijn aanvraag in te trekken voordat de aanvraag in behandeling wordt genomen. Het tweede lid voorziet daarin. De Hoge Raad heeft de begrotingsconstructie aanvaard in zijn uitspraak van 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769. De Hoge Raad oordeelt daarin bovendien dat als de meerdaagse bedenktijd in de verordening ontbreekt, dit niet leidt tot onverbindendheid.
In voorkomend geval kan de belastingplichtige de heffing bestrijden op de grond dat de gemeente de aanvraag in behandeling neemt (waarmee het belastbare feit plaatsvindt) zonder voldoende zeker te zijn of de kostenopgaaf de aanvrager al dan niet aanleiding geeft de aanvraag in te trekken. Artikel 1.33 Wegenverkeerswetgeving Onderdeel a Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990, Stb. 459) kan het bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in een aantal in artikel 87 genoemde artikelen. Het college van burgemeester en wethouders of de door hem ingestelde bestuurscommissie is het bevoegde gezag voor het verkeer op wegen die niet in beheer zijn bij het rijk, de provincie of het waterschap (artikel 1 RVV 1990 in samenhang met artikel 18, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994). Onderdeel a heeft betrekking op de hiervoor genoemde ontheffingen. Daarbij kan gedacht worden aan ontheffingen die worden verleend bij wielerwedstrijden of straatfeesten. Onderdeel b De Dienst Wegverkeer (RDW) is sinds 1 januari 2006 bevoegd voor het in behandeling nemen van een aanvraag en de afgifte van een ontheffing voor exceptionele transporten voor alle wegbeheerders in heel Nederland (artikel 149a, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten (Stb. 2005, 438).
Op grond van artikel 9.1 van de Regeling voertuigen (Stcrt. Suppl. 2009, 81) kan het bevoegde gezag echter ontheffing verlenen voor bijzondere transporten van voertuigen. De ontheffingsbevoegdheid betreft de ontheffing van bepalingen en voorwaarden waaraan een voertuig moet voldoen om daarmee te mogen rijden op de openbare weg. De ontheffingen kunnen niet alleen betrekking hebben op gemeentelijke wegen gelegen binnen, maar ook op wegen buiten de bebouwde kom. Aanvragen voor ontheffingen voor ongekentekende voertuigen kunnen bij de gemeente worden ingediend als zij wegbeheerder is (zie bij onderdeel a). Artikel 9.4, eerste lid, van de Regeling voertuigen bepaalt dat het bevoegde gezag tarieven kan vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing. Onderdeel b voorziet hierin. Artikel 9.4, tweede lid, van de Regeling voertuigen bepaalt verder dat het bevoegde gezag kan bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
83/130
wordt terugbetaald aan de aanvrager. Het spreekt voor zich dat een dergelijke bepaling niet voorbehouden behoeft te blijven aan de ontheffing als bedoeld in artikel 9.1 van de Regeling voertuigen. Wij hebben - gelet op de hoogte van de tarieven - alleen bij vaste-standplaatsvergunningen voor de markt (artikel 3.8 van de tarieventabel) en omgevingsvergunningen teruggaafbepalingen wenselijk geoordeeld (paragraaf 2.14 van de tarieventabel). De gemeentelijke wegbeheerder kan haar ontheffingsbevoegdheid mandateren aan de RDW (die dan dus het gemeentelijk tarief moet hanteren). Als de ontheffingverlening is gemandateerd aan de RDW, moet ook de heffing van de leges via mandaatverlening (door de heffingsambtenaar) worden geregeld. De heffingsbevoegdheden kunnen daarbij bijvoorbeeld worden beperkt tot het vaststellen van het verschuldigde bedrag. De invordering (in eerste aanleg) kan door middel van een machtiging aan de directeur van de RDW worden opgedragen (door de invorderingsambtenaar). Onderdeel c Onderdeel c heeft betrekking op het verstrekken van gehandicaptenparkeerkaarten.
Op grond van artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte die zich niet of nauwelijks te voet kan voortbewegen door de raad of, krachtens besluit van de raad, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
Paragraaf 1.10 Diversen Artikel 1.34 Gewaarmerkte afschriften, kopieën, stukken of uittreksels Artikel 1.34 heeft tot doel te dienen als een vangnet voor situaties waarin niet elders in de tarieventabel of in een wettelijke regeling een tarief is opgenomen. Op grond van de bepalingen van dit artikel kunnen voor bepaalde diensten dan toch leges geheven worden. Het gaat daarbij met name om het verstrekken van stukken. De stukken zijn te onderscheiden in een viertal categorieën, namelijk: - gewaarmerkte stukken (onderdeel a), - beschikkingen op aanvraag (onderdeel b), - stukken of uittreksels die op verzoek van de aanvrager worden gemaakt (onderdeel c), en - niet gewaarmerkte stukken (kopieën, onderdeel d). Onderdeel b is zodanig geredigeerd dat de heffing van leges zich niet beperkt tot de gevallen waarin op gunstige wijze op de aanvraag wordt beslist. Immers, het behandelen van een aanvraag brengt voor de gemeente werkzaamheden met zich mee, zowel in het geval dat de aanvraag wordt gehonoreerd als in het geval dat de aanvraag wordt afgewezen. Uiteraard kan een gemeente onderdeel b zodanig aanpassen dat de heffing van leges zich beperkt tot de gevallen dat op gunstige wijze op de aanvraag wordt beschikt. Bij onderdeel d is nog van belang dat kostenverhaal vaak slechts beperkt mogelijk is in verband met de Wet hergebruik overheidsinformatie en de Wet open overheid.
Zie hierover de toelichting op artikel 5 van de verordening (Maatstaven en tarieven), onder ‘Soms alleen kopieerkosten of marginale verstrekkingskosten door te berekenen’.
HOOFDSTUK 2 DIENSTVERLENING EN BESLUITEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET Algemeen In dit hoofdstuk zijn tariefbepalingen opgenomen die een relatie hebben met de Omgevingswet. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, erfgoed, milieu, natuur
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
84/130
en water. De wet vormt de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. De wet beoogt een versterking van de positie van decentrale overheden, volgens het principe ‘Decentraal, tenzij’. De bedoeling van de Omgevingswet is bovendien om passende ontwikkelingen meer mogelijk te maken (‘nee, tenzij’ moet veranderen in ‘ja, mits’). Omgevingswet en bijbehorende regelgeving Voor een goed begrip van dit hoofdstuk is enige kennis van de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving onontbeerlijk. De volgende regelgeving is van belang: - Omgevingswet (Stb. 2016, 156, nadien gewijzigd): benoemt onder andere activiteiten, bevoegd gezag en bevat overgangsrecht. - Omgevingsbesluit (Stb. 2018, 290, nadien gewijzigd): is een nadere uitwerking van de Omgevingswet, werkt bijvoorbeeld uit wie bevoegd gezag is. Bevat ook overgangsrecht. In de modelverordening leges staan alleen (enkelvoudige) activiteiten waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is. - Besluit bouwwerken leefomgeving (Stb. 2018, 291, nadien gewijzigd): hierin onder andere vergunningplichtige en vergunningvrije bouwactiviteiten. - Besluit kwaliteit leefomgeving (Stb. 2018, 292; nadien gewijzigd) bevat instructieregels voor overheden over de kwaliteit van de leefomgeving. - Besluit activiteiten leefomgeving (Stb.
2018, 293, nadien gewijzigd): niet meer de inrichting, maar bepaalde milieubelastende activiteiten worden vergunningplichtig. - Omgevingsregeling (Stcrt. 2019, 56288, nadien gewijzigd): bevat in hoofdstuk 14 de tarieven van de rechten die door het Rijk worden geheven volgens een bepaalde systematiek. Geeft een aardige inkijk. Hiervoor gelden overigens niet de formele belastingregels. - Invoeringswet Omgevingswet (Stb. 2020, 172): gaat over intrekken of wijzigen van wetten. Bevat ook overgangsrecht. - Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400): bevat overgangsrecht in art. 7.1 (de zogenaamde bruidsschat). - Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Stb. 2019, 382): knip in bouwtechnische toets (kwaliteitsborger) en ruimtelijke toets (gemeente) voor bouwwerken in gevolgklasse 1. - (Ontwerp)Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen. (NB. In het bovenstaande staat in veel gevallen ‘nadien gewijzigd’. Dat is gebeurd bij aanvullingswetten, aanvullingsbesluiten en aanvullingsregelingen en bij het ontwerpbesluit kwaliteitsborging voor het bouwen. De geconsolideerde versies van de meeste regelgeving staan op de website https://iplo.nl/regelgeving/. De Staatsbladen en de Staatscouranten van amvb’s en ministeriële regelingen bevatten een initiële toelichting.) Afkortingen In dit hoofdstuk gebruiken we de volgende afkortingen: Afkorting Ow Ob Or Bal Bbl Bkl IwOw
Citeertitel regeling Omgevingswet Omgevingsbesluit Omgevingsregeling Besluit activiteiten leefomgeving Besluit bouwwerken leefomgeving Besluit kwaliteit leefomgeving Invoeringswet Omgevingswet
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
85/130
IbOw Wkb Wabo amvb APV
Invoeringsbesluit Omgevingswet Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht algemene maatregel van bestuur Algemene plaatselijke verordening
Eén omgevingsplan Een gemeente moet voor haar gehele grondgebied één omgevingsplan vaststellen (artikel 2.4 van de Ow). Het omgevingsplan is een gebiedsdekkende regeling met alle regels voor de fysieke leefomgeving. Daarin staan in ieder geval regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen (artikel 2.7 van de Ow in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, van het Ob) en regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, van de Ow). Activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen zijn activiteiten die een blijvende en tastbare verandering van de fysieke leefomgeving teweegbrengen, zoals bouwactiviteiten, sloopactiviteiten, milieubelastende activiteiten, maar ook het plaatsen van een woonwagen of het aanmeren van een woonboot (niet bestemd voor de vaart). Overgangsrecht 1. Tijdelijk deel omgevingsplan incl. bruidsschat Paragraaf 4.2.1 (artikel 4.6) van de IwOw en hoofdstuk 22 (artikel 22.1 en 22.2) van de Ow regelen dat elke gemeente bij inwerkingtreding van de Ow beschikt over een omgevingsplan. Dit omgevingsplan komt van rechtswege tot stand. Het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat, bestaat direct bij aanvang uit een tijdelijk deel en een nieuw deel.
Het tijdelijk deel is beschreven in artikel 22.1 van de Ow en wordt gevormd door de bestaande planologische regels, zoals bestemmingsplannen, bepaalde regels uit de erfgoedverordening en de verordening over hemelwater en grondwater als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Daarnaast gaat een pakket rijksregels van rechtswege deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regels heten de bruidsschat. Deze bruidsschat staat in artikel 7.1 van de IbOw. Gemeenten krijgen volgens afspraak tot 2030 de tijd om zelf een afweging te maken hoe ze de onderwerpen uit het tijdelijke deel willen overhevelen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, rekening houdend met de instructieregels van het Rijk of de provincie. 2. Verordeningen - vergunningen of ontheffingen Vergunningen of ontheffingen in verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving mogen tot 2030 in die verordeningen blijven staan, maar kunnen vanaf 1 januari 2022 worden overgeheveld naar het omgevingsplan (artikel 2.4 van de Ow).
Vanaf 2030 moeten vergunningen of ontheffingen voor activiteiten die de fysieke leefomgeving (blijvend en tastbaar) wijzigen in het omgevingsplan staan, Andere vergunningstelsels met gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen na 2030 desgewenst in de verordening blijven staan, tenzij ze van belang zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als gemeenten regels uit verordeningen gaan overhevelen naar het omgevingsplan, waar kiezen ze dan voor: algemene regel (zorgplicht), meldingsplicht of vergunningplicht? Als het een vergunningplicht in het omgevingsplan wordt, wordt het verbod om zonder een omgevingsvergunning een bepaalde activiteit te verrichten. Er bestaan binnenplanse en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (zie de toelichting op artikel 2.1 (Definities) van de tarieventabel). Een in het omgevingsplan opgenomen activiteit betreft bijvoorbeeld de activiteit bestaande uit het kappen van een boom.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
86/130
3. Vergunningen of ontheffingen bedoeld in art. 2.2 van de Wabo Voor de ‘artikel 2.2 Wabo-vergunningplichten’ die in een gemeentelijke verordening zijn opgenomen (bijvoorbeeld in de Erfgoedverordening of de APV, zoals sloopvergunning monumenten, uitwegvergunning, kapvergunning, handelsreclamevergunning, alarminstallatievergunning, vergunning opslag roerende zaken en eventueel ‘aangehaakte vergunningen) geldt op grond van overgangsrecht dat deze verordeningsbepalingen vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als verbod om deze activiteiten zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit te verrichten (artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob). Deze verordeningsbepalingen maken echter geen deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Ow.
Regels die niet in het omgevingsplan mogen Er zijn ook regels die niet in het omgevingsplan mogen: - Regels die niet vallen onder de reikwijdte of maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikelen 1.2 en 1.3 van de Ow). - Als een specifieke wet kent een uitputtende regeling kent (artikel 1.4 van de Ow). Voorbeelden hiervan zijn: Huisvestingswet 2014, Leegstandswet, Wegenverkeerswet 1994, Winkeltijdenwet, Drank- en Horecawet. Vergunningen of ontheffingen blijven dus op die wetten gebaseerd. - Gemeentelijke regels over prostitutie, openbare orde, strafbaarstelling, belastingen (artikel 2.7 van de Ow in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Ob). Grondslagen voor model-tariefbepalingen De tariefbepalingen in hoofdstuk 2 betreffen zowel dienstverlening als andere handelingen op aanvraag. Deze formulering houdt verband met de heffingsgrondslagen. Artikel 13.1a van de Ow geeft een grondslag voor het heffen van rechten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, het wijzigen van voorschriften van een omgevingsvergunning en het intrekken van een omgevingsvergunning. Deze grondslag laat onverlet de bevoegdheid van gemeenten om rechten (leges) te heffen voor dienstverlening op aanvraag. Tariefbepalingen die niet de in artikel 13.1a
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
87/130
van de Ow genoemde handelingen betreffen, zijn dus gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. Kruissubsidiëring en profijtbeginsel Binnen dit hoofdstuk bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen. In het kader van het kabinetsplan aanpak administratieve lasten en in relatie tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – de voorganger van de Ow – heeft de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer geschreven dat het kabinet er bij de omgevingsvergunning van uitgaat ‘dat de totale legesomvang voor deze vergunning niet de totale kosten van verlening van deze vergunning mag overschrijden’ (Kamerstukken II 2005- 2006, 29515, nr. 140, pag. 26). Kruissubsidiëring bij de Wabo had ook de bijzondere aandacht van de Tweede Kamer (Handelingen II 2008–2009, 31953, nr. 24, pag. 27). Wij tekenen hierbij nog aan dat weliswaar sprake is van een wens van de wetgever, die door plaatsing in een apart hoofdstuk beter inzichtelijk kan worden gemaakt, maar dat dit onverlet laat dat kruissubsidiëring tussen hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 wettelijk niet verboden is. Zie ook HR 13 februari 2015, nr. 14/00655, ECLI:NL:HR:2015:282, waarin de Hoge Raad oordeelt dat er voor de toets aan de opbrengstlimiet geen strengere eisen zijn gaan gelden door de komst van de Wabo. De Ow brengt hierin geen verandering.
Artikel 13.1a van de Ow verklaart artikel 229b van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Daarmee wordt bedoeld dat voor het berekenen van de opbrengstlimiet de ‘Ow-leges’ en de overige leges tezamen mogen worden genomen. Alleen bij de vergunningstelsels genoemd in hoofdstuk 3 van de tarieventabel kan door werking van de Europese dienstenrichtlijn geen kruissubsidiëring plaatsvinden in die zin dat de tarieven in hoofdstuk 3 per paragraaf meer dan kostendekkend worden vastgesteld ter compensatie van andere, niet-kostendekkende tarieven in de verordening. Overigens kan in sommige gevallen de Dienstenrichtlijn ook van toepassing zijn op omgevingsvergunningen, bijvoorbeeld bij de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. (zie de toelichting op artikel 5 van de verordening en Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, pag. 228/229). Het verdient daarom aanbeveling kruissubsidiëring of toepassing van het profijtbeginsel binnen de kolom van de omgevingsvergunning te houden. Voor de toets aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet blijven echter de op basis van alle vastgestelde tarieven totaal geraamde baten en lasten van belang (toets op verordeningenniveau).
Transparantie van de legesheffing (artikel 13.2 van de Ow) Artikel 13.2 van de Ow bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de berekening en de bedragen van de leges. Als de overheden uniforme berekeningswijze toepassen zal er geen aanleiding zijn om een amvb vast te stellen. Zie de beschikbare handreikingen hierover van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de VNG, genoemd in de toelichting op artikel 5 van de verordening. Omgevingsvergunning niet van rechtswege (Lex silencio positivo niet van toepassing) Voor het beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning gelden beslistermijnen. De Ow kent twee voorbereidingsprocedures: de reguliere (paragraaf 16.52 van de Ow) en de uitgebreide (paragraaf 16.5.3 van de Ow). Voor beide procedures geldt dat de lex silencio positivo niet van toepassing is, zodat een omgevingsvergunning bij overschrijding van de beslistermijn niet van rechtswege wordt verleend. Voor de reguliere procedure staat dit in artikel 16.64, vierde lid, van de Ow. Voor de uitgebreide voorbereidingsprocedure staat dit in artikel 3.10, vierde lid, van afdeling 3.4 van de Awb. Ook als de Dienstenrichtlijn van toepassing is – bijvoorbeeld bij de omgevingsvergunning voor
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
88/130
milieubelastende activiteiten – geldt dit. In paragraaf 4.16.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting is gemotiveerd aangegeven waarom toepassing van lex silencio positivo voor het beleidsveld omgevingsrecht niet wenselijk is en waarom er in lijn met de Dienstenwet voldoende rechtvaardigingsgrond is om de lex silencio positivo in de Ow uit te zonderen (Kamerstukken II 2013– 2014, 33962, nr. 3, pag. 227 t/m 231). Planschade/nadeelcompensatie Sinds 1 september 2005 kunnen gemeenten een vergoeding (recht) vragen voor een aanvraag om planschadevergoeding (Stb. 2005, 305). Zie hiervoor Lbr. 05/55 – Planschade nieuwe stijl (7 juni 2005). De regeling in artikel 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening is vervangen door afdeling 15.1 van de Ow, waarin een specifiek op het omgevingsrecht toegesneden nadeelcompensatieregeling is opgenomen die enkele aanvullende regels bevat ten opzichte van de algemene regeling over nadeelcompensatie van titel 4.5 van de Awb. Op grond van artikel 4:128 van de Awb kan bij wettelijk voorschrift worden bepaald dat voor het in behandeling nemen van een verzoek om schade een recht van ten hoogste € 500 kan worden geheven. Hoewel de wetgever spreekt van het heffen van een recht, is dit niet een recht in de zin van artikel 229 Gemeentewet.
Bij het heffen van het recht bij een aanvraag om nadeelcompensatie gaat het echter niet om een dienst, maar om gemeentelijke aansprakelijkheid. Dit is in lijn met HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0408. De Hoge Raad heeft daarin beslist dat legesheffing voor planschadeverzoeken niet mogelijk is, aangezien geen sprake is van het verlenen van een dienst in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet. Zie hierover ook Lbr. 21/041 – Nieuwe Model Verordening nadeelcompensatie (27-05-2021). In een gemeentelijke verordening (let op: geen legesverordening) kan dus een bedrag van € 500 of lager worden opgenomen.
Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1 Definities Eerste lid De bijlagen bij de Ow, Ob, Bbl, Bal, Bkl en Or bevatten een veelheid aan begripsbepalingen. Daarin staan bijvoorbeeld de verschillende activiteiten omschreven. Ook in het omgevingsplan zullen in een bijlage begripsbepalingen zijn opgenomen. Begrippen die in hoofdstuk 2 voorkomen hebben dezelfde betekenis als in deze wet- en regelgeving (eerste lid). In bijlage I van de Or staat een definitie van bouwkosten, die ontleend lijkt aan de modelverordening leges zoals die tot inwerkingtreding van de Ow geldt. bouwkosten: a. aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van het Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012, voor het uit te voeren werk; b. voor zover een aannemingssom ontbreekt: een raming van de bouwkosten exclusief omzetbelasting; of c. als het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het bouwen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft. Zie hierop onze aanvulling in het vierde lid.
Op grond van artikel 7.6 in samenhang met artikel 7.5 van de Or moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (bouwtechnische deel) een opgave van de bouwkosten Vereniging van Nederlandse Gemeenten
89/130
worden verstrekt. Volgens de toelichting op de Or is de opgave van de kosten nodig voor de berekening van de leges of met het oog op de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Invoeringsregeling Omgevingswet, Stcrt. 2020, nr. 64380, pag. 736). Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit (ruimtelijke deel) geldt dus zonder nadere regeling niet de verplichting om de bouwkosten op te geven. Aanvraagvereisten voor die omgevingsvergunning moet de gemeente in het omgevingsplan opnemen (artikel 16.55, tweede en vierde lid, van de Ow in samenhang met paragraaf 7.2.12 van de Or). Hetzelfde geldt eventueel voor aanlegactiviteiten. En dan zou in het omgevingsplan ook een definitie van de bouw- en aanlegkosten moeten staan. Op grond van het eerste lid geldt dan die definitie ook voor de legesheffing. Dit is van belang als de gemeente de bouw- of aanlegkosten als heffingsmaatstaf kiest bij de betreffende omgevingsplanactiviteiten. Tweede lid Er kunnen ook in andere wettelijke voorschriften dan die bedoeld in het eerste lid begrippen gedefinieerd zijn, die voor de toepassing van een tariefbepaling van belang zijn. Te denken valt aan de Erfgoedwet of de Algemene plaatselijke verordening.
Het tweede regelt dat deze begrippen dan bij de toepassing van de tariefbepaling dezelfde betekenis hebben als in die wettelijke voorschriften. Derde lid In het derde lid zijn in alfabetische volgorde zelfstandige definities opgenomen. - binnenplanse omgevingsplanactiviteit Wij hebben hiervoor een definitie opgenomen, omdat wij in de tariefbepalingen onderscheid maken tussen binnenplanse en buitenplanse activiteiten. De tariefdifferentie houdt verband met de verschillende beoordelingsregels die voor de activiteiten gelden en die daardoor een ander kostenverloop hebben. Door deze definities op te nemen kunnen de tariefbepalingen zelf korter luiden. De bijlage bij de Ow bevat een omschrijving van de begrippen ‘omgevingsplanactiviteit’ en ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’. omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan, b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende: a.
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; De binnenplanse omgevingsplanactiviteit betreft dus de omschrijving onder a van de omgevingsplanactiviteit. De activiteit voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar heeft toch een vergunningplicht in het omgevingsplan. De beoordelingsregels staan in het omgevingsplan (artikel 8.0a van het Bkl). Als de aanvraag voldoet aan die beoordelingsregels, wordt de vergunning verleend. In de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
90/130
bruidsschat voor het omgevingsplan (onderdeel van artikel 7.1 IbOw) staan al beoordelingsregels voor diverse activiteiten. Voorbeeld: In het omgevingsplan staat dat terrassen in de openbare ruimte zijn toegestaan, maar wel dat een omgevingsvergunning voor het inrichten van het terras nodig is. Een beoordelingsregel kan dan zijn dat voetgangers voldoende doorgang hebben. Als de aanvraag niet voldoet aan de beoordelingsregels in het omgevingsplan, wordt het vanzelf een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het kan hierbij dus gaan om een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen. Of het betreft een activiteit die het omgevingsplan in absolute zin verbiedt en waarvoor geen binnenplanse beoordelingsregels zijn gesteld. In beide gevallen is de activiteit dus in strijd met het omgevingsplan, maar kan de omgevingsvergunning niet zomaar worden geweigerd. Deze kan mogelijk wel worden verleend als voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies en de instructieregels en instructies van rijk en provincie. De beoordelingsregels staan in paragraaf 8.1.1 van het Bkl. Voorbeeld 1: zie het voorbeeld bij binnenplanse omgevingsplanactiviteit, waarbij niet wordt voldaan aan de beoordelingsregel in het omgevingsplan.
Voorbeeld 2: Volgens het omgevingsplan is op een locatie alleen detailhandel toegestaan. Een ondernemer wil de bebouwing op de locatie omzetten naar woningen. Dat is in strijd met het omgevingsplan. Een aanvraag om deze omzetting te mogen realiseren, is dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voorbeeld 3: In het omgevingsplan staat de algemene regel dat bomen alleen in november en december gekapt mogen worden. Een aanvraag om in februari te mogen kappen, is dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De buitenplanse omgevingsplanactiviteiten vergen dus een uitgebreidere beoordeling, wat een andere tariefstelling rechtvaardigt. Bovendien kan de raad voor bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bepaald hebben dat hij adviesrecht heeft. Ook kan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing zijn. Zie hiervoor de modaliteiten in paragraaf 2.12. - binnenplanse omgevingsplanactiviteit bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht Een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, maar die niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow.
Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn van overeenkomstige toepassing verklaard in de artikelen 22.32 en 22.282 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Er moet ook een zelfstandige beoordeling plaatsvinden of de activiteit uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht. Vierde lid De definitie van bouwkosten in bijlage I bij de Or (zie hierboven bij het eerste lid) voldoet niet aan de eisen die de Hoge Raad in een belastingprocedure heeft gesteld over de kenbaarheid van de UAV
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
91/130
2012. De Hoge Raad stelt als eis dat de volledige titel en de vindplaats in de Staatscourant wordt opgenomen (HR 01-02-2019, ECLI:NL:HR:2019:143). De vindplaats is Stcrt. 2012, 1567 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1567.pdf). Om die reden hebben wij voor de zekerheid de definitie uit de Or aangevuld. De in bijlage I van de Or gegeven definitie van bouwkosten bevat geen verwijzing naar een NEN-norm. Dat is in overeenstemming met het overheidsbeleid dat erop gericht is om hiernaar niet dwingend te verwijzen. Deze norm kan wel worden gebruikt, maar bij verwijzing ernaar in een wettelijke regeling gelden bijzondere bekendmakingsvoorschriften (artikel 14a Bekendmakingswet). Zie hierover Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Inwerkingtreding. Volgens NEN 2699 omvatten de bouwkosten: 1. kosten van bouwkundige werken 2. kosten van installaties 3. kosten van vaste inrichtingen en voorzieningen 4. kosten van terrein 5. algemene uitvoeringskosten/diversen. Deze kosten zijn in het normblad naar verschillende niveaus uitgesplitst (uitklaptabel in Excelbestand). Voor de bouwkosten kan bijvoorbeeld worden aangesloten bij de definitiefontwerpbegroting (DObegroting) als bedoeld in NEN 2699 (niveau 4 of 5).
Omdat de bouwkosten in de zin van het normblad NEN uitsluitend genoemde kosten omvatten, kan dit ertoe kunnen leiden dat het bedrag van de bouwkosten lager uitvalt dan de aannemingssom geweest zou zijn. Oorzaak hiervan kan zijn dat bepaalde ‘bijkomende kosten bouw’ als bedoeld in het normblad NEN wel verwerkt zijn in de aannemingssom maar niet in de bouwkosten in de zin van het normblad NEN. Bijkomende kosten zijn kosten die betrekking hebben op voorbereiding en begeleiding. Het voorgaande kan ertoe leiden dat de aannemingssom in de zin van de UAV en de raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN van elkaar verschillen. Als beoogd wordt de aannemingssom en de bouwkosten in de zin van het normblad zoveel mogelijk tot een zelfde uitkomst te laten leiden, zou bij gebruikmaking van de NEN-norm in een de definitie aanvullende bepaling kunnen worden opgenomen dat voor zover een aannemingssom ontbreekt een raming van de bouwkosten en een aantal nader te noemen ‘bijkomende kosten bouw’ moet plaatsvinden (zie hiervoor bijvoorbeeld NEN 2699). Kosten van installaties, zoals liften, cv, airco en dergelijke behoren tot de bouwkosten. De omschrijving van het begrip ‘bouwwerk’ in de bijlage bij de Ow geeft uitdrukkelijk aan dat de bouwwerkgebonden installaties deel uitmaken van het bouwwerk (vóór inwerkingtreding van de Ow volgde dat uit artikel 1, derde lid, van de Woningwet).
Daarmee behoort elke discussie over de vraag of installaties, zoals liften, cv, airco e.d., behoren tot het bouwwerk tot het verleden. En in het verlengde daarvan, eveneens de discussie of de kosten van deze installaties tot de bouwkosten behoren. Hof Arnhem 13 maart 2012, nr. 11/00466 (Buren), LJN: BV9733, VNG-5099, beslist dat de volledige kosten voor de bouw van een windturbine, tot de bouwkosten horen. Zonder de installatietechnische voorzieningen beantwoordt de windturbine niet aan haar doel. Overigens is de belastingrechter bevoegd om over de juistheid van de vaststelling van de bouwkosten door de gemeente een oordeel uit te spreken. Dit blijkt uit HR 6 oktober 1982, nr. 21.332, BNB 1982/289, Belastingblad 1983, blz. 11. Uit dit arrest blijkt bovendien dat de keuze voor de aannemingssom als maatstaf van heffing aansluit bij de opvattingen van de Hoge Raad hierover. De Hoge Raad overwoog namelijk:
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
92/130
‘dat toch op grond van het objectieve karakter van de onderhavige heffing dient te worden aangenomen dat onder oprichtings- en vernieuwingskosten in artikel 39, eerste lid, letter a, van de verordening moet worden verstaan de prijs, welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de vergunning werd verleend’. De Hoge Raad overwoog verder ‘dat zulks ook strookt met de bedoeling van de gemeentelijke wetgever, die klaarblijkelijk een verband heeft willen leggen tussen de hoogte van het wegens de onderhavige dienst, bestaande uit het verlenen van een bouwvergunning, geheven recht en de waarde van die dienst, welk verband met de zojuist bedoelde prijs het beste wordt benaderd’. Uit dit arrest blijkt dat tevens van de aannemingssom uitgegaan kan worden voor het vaststellen van de bouwkosten, in de gevallen waarin het werk niet door een aannemer wordt uitgevoerd, maar door de eigenaar van een woning zelf. De Hoge Raad heeft het voorgaande bevestigd in zijn arrest van 9 oktober 1991, nr. 27.576, Belastingblad 1992, blz. 219. Een raming van de bouwkosten door de gemeente dient in overeenstemming te zijn met de geraamde prijs welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald. Zo staat het ook in de omschrijving in bijlage I van de Or.
Hof 's-Gravenhage 2 maart 2011, 10/00187 (Alblasserdam), LJN: BP7476, VNG-435, beslist dat de lagere werkelijke bouwkosten in de leges moeten worden meegenomen zolang de aanslag nog niet definitief is. De eerste opgave betreft een schatting, indien er latere cijfers beschikbaar zijn die de werkelijke bouwkosten beter benaderen dient dat te worden meegenomen bij het bepalen van het bedrag van de aanslag. Tot de bouwkosten kunnen niet worden gerekend kosten van werkzaamheden waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is. Onderhoudskosten kunnen zodoende niet tot de bouwkosten worden gerekend, tenzij deze omgevingsvergunningplichtig zijn. Zie: - Hof Leeuwarden van 17 september 1982, nr. 398/80 EI, Belastingblad 1983, blz. 238; - Hof Amsterdam 1 maart 1984, nr. 3902/81 EK III, Belastingblad 1985, blz. 84; - Hof Amsterdam 18 februari 2000, nr. 98/3379, LJN: AA7743, Belastingblad 2000, blz. 943; - Hof ‘s-Hertogenbosch 2 februari 2000, nr. 98/490, LJN: AA6004, Belastingblad 2000, blz. 942; - Hof ‘s-Gravenhage 2 september 2003, nr. 02/02664, LJN: AI0336, Belastingblad 2003, blz. 1368; - Hof Arnhem 02 mei 2012, nr. 11/00295 (IJsselstein), LJN: BW6275, VNG-5183.
Volgens Hof Arnhem moet de gemeente de aanvraag beoordelen voor het gehele project, ook indien slechts een deel van de bouwactiviteiten vergunningplichtig is, indien een belanghebbende, hoewel daartoe niet verplicht, de aanvraag voor een bouwvergunning uitstrekt tot het volledige project en het volledige bedrag van de bouwkosten. Ook moet in zo’n geval tot de kosten van de bouwkundige werken worden gerekend datgene wat voor het functioneren en de gehele afwerking van het bouwwerk noodzakelijk is (Hof Arnhem 18 februari 2002, nr. 98/2038, Belastingblad 2002, blz. 1125). Hof Amsterdam vindt dat als een splitsing tussen vergunningplichtig en niet-vergunningplichtig deel is te maken, de leges alleen geheven kunnen worden over het vergunningplichtige deel van de bouwkosten, ook al zijn alle werkzaamheden onlosmakelijk met elkaar verbonden (Hof Amsterdam 11 februari 2003, nr. 02/00204, LJN: AF5111). [Vijfde lid Als gemeenten willen afwijken van de definitie van bouwkosten in bijlage I van de Or, kunnen zij in het vijfde lid een afwijkende regeling opgenomen. Dit is een facultatieve bepaling. Als voorbeeld hebben wij een verwijzing naar een gemeentelijke of regionale normbouwkostenregeling opgenomen, waarin is bepaald dat bij een afwijking van bijvoorbeeld 10% van de normbouwkosten (als die voor het bouwwerk
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
93/130
bestaan) de normbouwkostenregeling wordt gevolgd. Dit geldt zowel naar boven als naar beneden. Een normbouwkostenregeling moet, net als de tarieventabel, op dezelfde wijze bekendgemaakt worden als de verordening, dus in het elektronisch gemeenteblad. Als dit wat aard en omvang van de regeling niet kan, kan alleen met voorafgaande instemming van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bekendmaking in een ander elektronisch medium dan het gemeenteblad plaatsvinden (artikel 7, tweede lid, Bekendmakingswet). Zie hierover Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Inwerkingtreding.] Artikel 2.2 Dienstverlening en besluiten waarvoor leges worden geheven Dit artikel bevat in de onderdelen a tot en met h de belastbare feiten waarvoor leges worden geheven. Het betreft altijd een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit (zie ook artikel 2 van de verordening). We hebben ‘besluiten’ toegevoegd omdat de grondslag in artikel 13.1a van de Ow nu nog is gekoppeld aan ‘rechten als bedoeld in artikel 229’, maar die koppeling gaat vervallen. Het is bedoeld als een zelfstandige grondslag, waarbij het dienstbegrip niet van belang is. De wetgeving daarvoor kan waarschijnlijk niet vóór inwerkingtreding van de Ow worden gerealiseerd. Leges worden geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: a. omgevingsoverleg; b.
een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 of artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob; c. een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Ow; d. toestemming voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Ow; e. een wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning; f. intrekking van een omgevingsvergunning; g. wijziging van een besluit als bedoeld in de onderdelen b, c en d; h. een besluit in het kader van de Ow, anders dan bedoeld in de onderdelen b tot en met g. De tarieven voor de belastbare feiten zijn opgenomen in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk. Zie de toelichting op de paragrafen. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning verschillende activiteiten kan omvatten, gaan wij hieronder nog wel afzonderlijk in op de regeling van de omgevingsvergunning in de Ow. Omdat het belastbaar feit ‘het in behandeling nemen van een aanvraag’ in artikel 2.2 is opgenomen, kan bij de activiteiten worden volstaan met de formulering ‘Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op …’. In artikel 2.3 staat hoe de tarieven worden berekend. Omgevingsvergunning De bijlage bij de Ow omschrijft omgevingsvergunning als: omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1. In artikel 5.1 van de Ow staan de activiteiten genoemd waarvoor een omgevingsvergunning nodig kan zijn.
In het eerste lid staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d. een stortingsactiviteit op zee,
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
94/130
e. een Natura 2000-activiteit, f. een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij amvb aangewezen geval. Dit betekent dat in een amvb de vergunningvrije activiteiten zijn aangewezen. Zie bijvoorbeeld paragraaf 2.3.3 van het Bbl voor vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken. In het tweede lid staat een opsomming van activiteiten die alleen vergunningplichtig zijn als deze bij amvb zijn aangewezen. Dit betreft de volgende activiteiten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, g. een flora- en fauna-activiteit. Zie bijvoorbeeld paragaaf 2.3.2 van het Bbl voor vergunningplichtige bouwactiviteiten (vergunningplichtig, tenzij deze onder opsomming vergunningvrij vallen) en hoofdstuk 3 van het Bal voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Alleen voor de vetgedrukte activiteiten kan de gemeente bevoegd gezag zijn.