26-05-07.13 Relevant stuk 1. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel_vastgesteld_1
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m
Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Inhoudsopgave
Motivering
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Huidig juridisch-planologisch regime 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 7
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
8
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
9
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
12 12 13 15
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Geluid 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Activiteiten en milieuzonering 5.5 Geurhinder 5.6 Bodem 5.7 Omgevingsveiligheid 5.8 Ontplofbare oorlogsresten 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Waterparagraaf 5.11 Natuur 5.12 Archeologie en cultuurhistorie 5.13 Verkeer en parkeren 5.14 Trillingen 5.15 Gezondheid 5.16 Duurzaamheid
18 18 18 19 20 22 22 24 25 26 26 29 31 33 34 34 35
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Algemene opzet 6.2 Toelichting op de regels
37 37 37
Hoofdstuk 7
39
Financiële toelichting
Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak 8.1 Inleiding 8.2 Participatie 8.3 Overleg 8.4 Wijziging van het omgevingsplan 8.5 Beroep
40 40 40 40 40 40
Bijlage bij motivering
41
Bijlage 1
Bodemonderzoek
41
Bijlage 2
Wateradvies
41
Bijlage 3
Quickscan natuur
41
Bijlage 4
Onderzoek Natura 2000-activiteit
41
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Regels
42
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3
Inleidende regels Toepassingsbereik Begrippen Meet- en rekenbepalingen
43 43 44 49
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Functies en activiteiten Agrarisch met waarden Wonen Waarde - Archeologie Waarde - Archeologische verwachting 1 Waarde - Archeologische verwachting 2
50 50 52 56 59 62
Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Algemene regels Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Anti-dubbeltelregel
65 65 66 67 68 69
Hoofdstuk 4 Artikel 14
Overgangsregels Overgangsrecht
70 70
Bijlagen bij regels
71
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
71
Bijlage 2
Te slopen bedrijfsbebouwing
71
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Motivering
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel gelegen aan de Vogelenzangsestraat 3 te Driel de agrarische bebouwing te slopen en de bestemming “Agrarisch met waarden” om te zetten naar “Wonen”. In ruil voor de sloop van de agrarische bebouwing worden er naast de bestaande (bedrijfs)woning twee nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd. De gemeente beoordeelt het slopen van de bedrijfsgebouwen positief, en er zijn op basis van de beleidsregel functieverandering mogelijkheden om met de nieuwe woningen een ontwerp te realiseren dat past in het (agrarisch) buitengebied. In het kader van de LBV+-regeling (Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties) wordt de overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt de activiteit intensieve veehouderij uitgesloten. Het voorliggende initiatief is in strijd met het huidige omgevingsplan. Om het verzoek mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. De wijziging van het omgevingsplan wordt doorlopen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Middels dit TAMomgevingsplan wordt het initiatief mogelijk gemaakt.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Vogelenzangsestraat nummer 3, waar een agrarisch bedrijf met intensieve veehouderij is beëindigd. Het perceel ligt ten noorden van het adres Vogelenzangsestraat 5 waar een woning aan de weg gesitueerd is. Het plangebied aan de Vogelenzangsestraat 3 is bereikbaar via een inrit die loopt langs de Vogelenzangsestraat 5. Het perceel Vogelenzangsestraat 3 te Driel, kadastraal bekend gemeente Heteren, sectie O, nummer 365 en 789, ligt ten oosten van het dorp Driel in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe. Het perceel heeft momenteel een agrarische functie en ligt in de landschappelijke buffer tussen Schuytgraaf (Arnhem) en Driel. Het plangebied heeft een totale grootte van circa 25.500 m².
Globale aanduiding locatie van het plangebied aan de Vogelenzangsestraat
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Luchtfoto van de locatie Vogelenzangsestraat 3 De Vogelenzangsestraat is gelegen op de oeverwallen. De oeverwallen zijn ontstaan op de oevers van de rivieren (stroomgeulen) waarop de grovere zand- en kiezeldeeltjes bezonken. Gebundelde oeverwallen vormden zich langzamerhand tot stroomruggen, die herkenbaar zijn als langgerekte hoger gelegen zones in het landschap. De stroomruggen waren door hun hoge ligging bij uitstek geschikt voor bewoning en landbouw. Binnen de gemeente Overbetuwe is o.a. de noord-zuid-gerichte stroomrug Oosterhout-Elst-Driel duidelijk herkenbaar. Het plangebied is gelegen op deze stroomrug.
1.3
Huidig juridisch-planologisch regime
Ten aanzien van alle gronden is van toepassing het bestemmingsplan “Buitengebied Overbetuwe”, welke op 5 maart 2013 werd vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe en onherroepelijk werd door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 april 2014. Het bestemmingsplan is van rechtswege per 1 januari 2024 opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan.
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Uitsnede geldend omgevingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' Volgens dit bestemmingsplan rust op de grond de enkelbestemming “Agrarisch met waarden”. Daarnaast is er een bouwvlak opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met aanduiding dat ook 'intensieve veehouderij' is toegestaan en met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan. Ter plaatse is een dubbelbestemming “Waarde - Archeologische verwachting 1” opgenomen, waar in het zuidwestelijk deel een dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" geldt, en in de noordwestelijke hoek een dubbelbestemming "Waarde - Archeologische verwachting 2". Voor het gehele plangebied geldt bovendien de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kleinschaligheid'. Tot slot is de gebiedsaanduiding 'overig - ehs verbinding' van toepassing op het gebied waar onderhavig plangebied zich binnen bevindt. Door deze aanduiding zijn de gronden mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de landschappelijke en ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van het gebied.
1.4
Leeswijzer
Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
In de bestaande situatie is sprake van een agrarisch bedrijf met 3 agrarische bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning, gelegen aan de Vogelenzangsestraat 3. De opstallen liggen centraal op het perceel met daaromheen gras- en akkerlanden. Verspreid over het perceel zijn een aantal kassen, teeltondersteunende voorzieningen, een paardenbak, maar ook (sleuf)silo's en voerbakken op het perceel aanwezig. Daarnaast is het gehele centrale deel van het plangebied verhard. De agrarische bedrijfsgebouwen bestaan uit 3 gebouwen waarvan er twee gesloopt worden. Dat betekent dat één bedrijfsgebouw kan blijven staan. Het middelste en tevens kleinste bedrijfsgebouw zal blijven staan, en onderdeel worden van de woonfunctie. De overige gebouwen van circa 1.250 m² en 650 m² zullen worden gesloopt. Het agrarische bedrijf is niet meer in gebruik, en voor de functieverandering naar wonen wordt in het kader van de LBV+-regeling de milieuvergunning ingetrokken.
Luchtfoto bestaande situatie (bron: Oostzee, landschappelijke inpassing) In de directe omgeving van het plangebied ligt ten westen het perceel van de Vogelenstraat 1 met direct daar aan grenzend de dorpskern van Driel. Ten noorden van het plangebied is een ontwikkeling gaande van woningen die worden ontwikkeld volgens het plan 'Driel, Baltussenweg 37 en Heteren, Poort van Midden Gelderland Blauw 14'. Ten oosten van het plangebied zijn agrarische percelen aanwezig die een overloop vormen naar het gebied van Arnhem Schuytgraaf. Hier bevindt zich ook een deel van de (ontwikkeling van de) ecologische hoofdstructuur. Ten zuiden is het verdere buitengebied van de gemeente Overbetuwe aanwezig.
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
In het kader van de LBV+-regeling wordt de overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt de activiteit intensieve veehouderij uitgesloten. Momenteel staan er twee grote bedrijfsgebouwen van gezamenlijk ca. 1.900 m² die daarvoor in aanmerking komen. De twee voornoemde grote agrarische bedrijfsgebouwen zijn door de beoogde bedrijfsbeëindiging overtollig en kunnen daarom gesloopt worden. De overige bedrijfsbebouwing blijft juist behouden. Op basis van het geldende functieveranderingsbeleid hebben de initiatiefnemers de mogelijkheid om na sloop van bedrijfsgebouwen van meer dan 1.500 m² twee vrijstaande woningen te realiseren. In de toekomstige situatie zal middels dit TAM-omgevingsplan de bedrijfsbebouwing moeten worden gesloopt, en worden er op deze locatie twee extra woningen mogelijk gemaakt. Om de sloop te garanderen is in dit plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarnaast is er een aanduiding 'intensieve veehouderij uitgesloten' opgenomen om te voorkomen dat hier (niethobbymatig) landbouwhuisdieren mogen worden gehouden. Voor de stedenbouwkundige invulling is een inrichtingsschets opgenomen in het landschapsplan:
Inrichtingsplan met landschappelijke inpassing (bron: Oostzee Ontwerp en Omgeving) Met toepassing van het functieveranderingsbeleid mogen er in ruil voor de sloop van de bedrijfsgebouwen twee vrijstaande woningen terug gebouwd worden. Het voorliggende plan voorziet in het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing door het weghalen van het agrarische bouwvlak op deze locatie. Deze te slopen agrarische bedrijfsbebouwing betreffen de twee grootste schuren. Deze gebouwen zijn na bedrijfsbeëindiging overtollig en worden derhalve gesloopt:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Te slopen agrarische bedrijfsgebouwen op basis van functieveranderingsbeleid (en LBV+-regeling) Met toepassing van het functieveranderingsbeleid worden de achtergelegen gronden omgezet naar de functie 'Wonen'. Het bouwvlak voor het agrarische perceel zal op deze plek ook vervallen. De nieuwe woonpercelen zullen landschappelijk worden ingepast door middel van streekeigen beplanting. De overige gronden rondom het perceel zullen worden ingezet ten behoeve van agrarische gronden (grasland). Landschappelijke kenmerken en inpassing Voor het plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is toegevoegd als bijlage 1 bij de regels van het plan. De landschappelijke inpassing sluit aan op de waarden en ambities voor deelgebied 13a 't Vlot zoals die in het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) staan. Het landschapsplan is opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit en de aanwezigheid van natuurwaarden op het perceel te versterken en de biodiversiteit te vergroten. Bij onderhavig plan zal dus worden ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit. Het landschap Het nieuwe boerenerf gaat op in de groene ontwikkelingszone en is passend binnen de landelijke sfeer van de omgeving. Hiervoor is het landschapsplan tevens voorzien van een versterkingsplan, welke de provinciale kernkwaliteiten beschrijft en versterkt.
Het plan is gelegen binnen het stroomruglandschap dat zich kenmerkt door de kleinschaligheid en afwisseling in karakteristieke boerderijen, boomgaarden, elzensingels en erfbeplanting. Het boerenerf wordt ruimtelijk herkenbaar gemaakt door aan de voor- en achterzijde een duidelijke uitstraling naar zijn omgeving toe te geven. Er wordt met name landschappelijke aansluiting gezocht bij het omringende stroomruglandschap. Dit betreft onder meer het realiseren van nieuwe landschappelijke elementen zoals een hoogstamboomgaard, struweelhagen, boomgroepen, solitaire bomen en kleinschalige weides ook het realiseren van contrast tussen omliggende open landschap en de beslotenheid van de erven van belang (openheid en zichtrelaties). Het erf Aan de Vogelenzangsestraat ligt het erf met de bebouwing. Hier worden naast de bestaande woning en te handhaven schuren twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Het erf is als een samenhangend geheel ontworpen, ligt rondom een gemeenschappelijk erf die ontsloten wordt door één gezamenlijke inrit.
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Het beeld in de toekomst sluit aan bij de traditionele opzet van een erf; er is sprake van een denkbeeldige scheiding tussen ‘voor‘ en ‘achter‘. De scheiding tussen het oorspronkelijk ‘wonen’ en ‘werken’. Er is sprake van één hoofdgebouw en verschillende bijgebouwen. Het hoofdgebouw staat ‘voor‘ en betreft de bestaande woning. De bijgebouwen staan ‘achter‘ en betreffen de nieuwe woningen. De nieuwe woningen krijgen de uiterlijke verschijningsvorm van een schuurwoning. Het kleur- en materiaalgebruik is ingetogen. Een meer eigentijdse schuurwoning is denkbaar. De bijgebouwen staan verspreid over het erf. De kapschuur wordt verplaatst en biedt ruimte voor parkeerplaatsen aan de westelijk gelegen woning. Hier blijft ook de bestaande tijdelijke teeltondersteunende overkapping in de vorm van een kas behouden. Voor de noordelijk gelegen woning komt een bijgebouw op het voorerf te staan. De te behouden schuur dient voor machines en materieel voor beheer agrarische weides en heeft een inpandige ruimte als bijgebouw voor de nieuwe woning. Ontsluiting en parkeren Via de bestaande inrit wordt het erf ontsloten en is er een ruime toegang tot de woonkavels. De verharding zal bij voorkeur bestaan uit (gebakken) klinkers of halfverharding.
Op iedere woonkavel is voldoende ruimte voor minimaal drie parkeerplaatsen, zodat wordt voldaan aan de parkeernorm van minimaal 2,8 parkeerplaatsen per woning.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Beoordeling en conclusie Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief, zijn er in beginsel geen nationale belangen aan de orde. Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in zijn algemeenheid in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste mogen gaan van landschappelijke kwaliteiten. Met de sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing en realisatie van twee woningen, in combinatie met een zorgvuldig landschappelijk ontwerp en inpassing, doet het initiatief geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten. Het initiatief sluit aan bij de ambities uit de NOVI. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.
Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'. Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Beoordeling en conclusie Het plan ziet toe op de sloop van overtollige agrarische bedrijfsbebouwing, en de realisatie van twee nieuwe woningen in het kader van het functieveranderingsbeleid van Overbetuwe. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning en de aanduiding 'intensieve veehouderij' vervalt. Volgens vaste jurisprudentie is er bij de realisatie van twee woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde voor dit plan. Met de ontwikkeling van twee nieuwe woningen die middels het functieveranderingsbeleid passen binnen de behoefte aan woningbouw in de gemeente wordt voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in het Bkl.
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
4.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen: met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving; stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds; focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland; door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Beoordeling en conclusie De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan concrete ontwikkelingen moeten worden getoetst.
Ten aanzien van de Omgevingsvisie kan worden gesteld dat het initiatief een bescheiden bijdrage levert aan de realisatie van voldoende woningen, door op een daarvoor passende locatie en met behoud en versterking van de landschappelijke waarden nieuwe woonpercelen mogelijk te maken. Daarnaast worden er agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt en zal het agrarische bouwvlak in het plangebied vervallen, inclusief de aanduiding voor intensieve veehouderij, om nieuwe bedrijfsbebouwing en -activiteiten uit te sluiten. Dit sluit aan bij de ambities van de provincie. Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten actualiseren de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) regelmatig. De Omgevingsverordening is in januari 2024 in werking getreden en geactualiseerd in april 2025. De laatste actualisatie betreft kleine wijzigingen en heeft geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Wonen Artikel 5.64 van de Omgevingsverordening geeft de instructieregel dat nieuwe woningen in een omgevingsplanwijziging alleen mogen worden toegestaan, als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Het plan past binnen de afspraken uit de woonagenda. Aan de instructieregel wordt voldaan. Gelderse streek Over-Betuwe Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe.
Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken. De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd: 1. Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse poort van de delta”) tussen Pannerdens Kanaal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling van enkele nog relatief open (vrij van bebouwing) overwegend agrarische landschappen. 2.
Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland, Nijmegen en Veluwe. Met indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren: Rijn-Waal en Rijn-IJssel. Ruimtelijke
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt. 3. Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden. 4. Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen. 5. Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen via ‘riviersprongen’, aangevuld met landschapspark Lingezegen als buffergebied. Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur en bebouwing. 6. Gegraven Linge als structurerend landschapselement. 7. Waardevol open komgebied Hollanderbroek: uitgestrekt grootschalig open landschap en rustig en stil gebied met oud ontwateringssysteem met de Linge. Zicht op de stuwwallen van het Veluwemassief. 8. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren '50 van de 20e eeuw. 9. Ecologische waarden met name langs de rivieren en zegen en in weidevogelgebieden. Natura 2000 waarden in Rijntakken en Huissense waarden. 10. Overblijfselen en verwijzingen naar de Hollandse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes (UNESCO-waarde). 11.
Relatieve stilte en rust als contrast met de stedelijke zones, zoals in omgeving van Doornenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek. In de omgevingsverordening zijn groene ontwikkelingszones van de provincie aangewezen. Deze vallen onder de instructieregels van het omgevingsplan voor gemeenten. De groene ontwikkelingszones zijn opgenomen voor het bevorderen van de samenhang tussen de natuurgebieden, waardoor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) wordt versterkt. Ter plaatse van de groene ontwikkelingszones zijn ontwikkelingen of nieuwe activiteiten alleen toegestaan als de kernkwaliteiten per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt, en de samenhang niet verloren gaat. De versterkingsopgave is in artikel 5.20 en als bijlage daarbij bepaald aan een aantal stappen: het bepalen van de verliesfactor aan de hand van een puntensysteem en de versterkingsmaatregelen om deze verliesfactor te compenseren. Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt in het buitengebied tussen de kernen Driel en Arnhem Schuytgraaf. Ongeveer 800 m ten noorden van de locatie is de rivier de Nederrijn gelegen. Het gebied kenmerkt zich door de overwegend agrarische landschappen met een relatief open karakter. Er liggen verschillende agrarische percelen met hier en daar woonfuncties op ruime vrijliggende percelen.
De oude overtollige bebouwing wordt gesloopt wat leidt tot ruimtelijke kwalititeitsverbetering, die verder wordt verbeterd door de zorgvuldige landschappelijke inpassing. In deze inpassing is gelet op de kwaliteiten van het gebied, en is uitgegaan van een compact erf, waarbij de bebouwing aan een gemeenschappelijk plein zijn omsloten. De ontwikkeling past dan ook binnen de kernkwaliteiten van de Gelderse streek Over-Betuwe. Daarnaast is er voor de ontwikkeling van de ecologische groenzone een versterkingsplan opgesteld, om te voldoen aan dit onderdeel van het provinciale beleid. In het omgevingsaspect natuur in paragraaf 5.11 is dit nader beschreven. De ontwikkeling is daarmee passend binnen de Omgevingsverordening Gelderland en de kernkwaliteiten die daarin worden omschreven.
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
4.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. In de Omgevingsvisie wordt een omschrijving gegeven welke ontwikkelingen passend zijn in het buitengebied. Agrarisch wordt hierbij als belangrijk en karakteristiek gezien. Er wordt opgemerkt dat door digitalisering, schaalvergroting, verstedelijking en klimaatverandering ruimte nodig is voor verbreding naast de agrarische activiteiten. In Overbetuwe worden er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelmogelijkheden. Er zijn echter ontwikkelingen die overstijgend zijn aan de deelgebieden en deze overstijgen. Het gaat om de volgende vier ontwikkelingen: 1. Bij vrijkomende agrarische bebouwing waardecreatie voorop stellen aan de hand van (verbeteren van) omgevings- en milieuwaarden, aansluitend op de ambities per deelgebied. 2. Meer gedifferentieerd bezien van mogelijke nieuwe functies voor tijdelijk gebruik van vrijkomende agrarische loodsen, met respect voor de ambities per deelgebied. 3.
Toepassing van clustering en bundeling bij transformatie van (leegstaand) agrarisch vastgoed naar woonfuncties. Waar nodig gebruiken we daarbij ook saldering om 'plussen' en 'minnen' op meerdere locaties met elkaar te verbinden en als totaal meerwaarde te creëren. 4. Kleinschalige extensieve recreatie (nevenfuncties) vooral stimuleren nabij het netwerk van recreatieve routes dat zich door het gehele buitengebied begeeft. Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt in de dorpsrandzone van Driel. In dorpsrandzones is het streven om de ruimtelijke en functionele relatie tussen de dorpen en het omliggende landelijke gebied meer zichtbaar en beleefbaar te maken. Dit plan is gericht op het versterken van deze overgang tussen de dorpskern Driel en het platteland, door een agrarisch bedrijf te wijzigen naar woonerf. De functieverandering biedt de mogelijkheid tot het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het terrein door overtollige bebouwing van het agrarische bedrijf te slopen en twee extra woningen op een gemeenschappelijk erf te realiseren, die landschappelijk worden ingepast. Hierdoor wordt voor de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing waardecreatie voorop gesteld en een toekomstbestendige functie aan het gebied gegeven.
Door het laten vervallen van de veehouderij is er sprake van het verdwijnen van een milieubelastend bedrijf en is er ruimte voor twee nieuwe woningen die worden ingepast en waarmee wordt aangesloten op de al bestaande bebouwing en een meerwaarde wordt gecreëerd voor de Vogelenzangsestraat. Door zorgvuldige inpassing en clustering van de bebouwing op het erf ontstaat er een compact en ingetogen erf, en blijft daaromheen het open agrarische karakter behouden. Dit TAM-omgevingsplan is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie. Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP) In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.
In het LOP formuleert de gemeente de volgende hoofddoelstellingen: In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten); Behouden en versterken van openheid, grootschaligheid en kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van oeverwallen; Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap; Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt; Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Beoordeling Bij het opstellen van het inrichtingsplan is naast de door de gemeente aangeleverde kaders landschap en stedenbouw het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Overbetuwe als basis gebruikt. Het plangebied is gelegen in het deelgebied 13a, ‘t Vlot. De volgende ruimtelijke uitgangspunten die essentieel van belang zijn voor de beoogde ontwikkeling aan de Vogelenzangsestraat 3 te Driel staan hieronder opgenoemd: In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten); Behouden en versterken van de openheid, grootschaligheid en de kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van de oeverwallen; Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap; Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt; Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland. Daarnaast zijn er specifieke opgaven geformuleerd, waaronder verbeteren van de recreatieve toegankelijkheid van het gebied, versterken van de landschappelijke structuur van het gebied, stimuleren erfbeplantingen en hoogstamboomgaarden, en behoud en versterking van het kleinschalige besloten landschap.
Conclusie Het boerenerf wordt ruimtelijk herkenbaar gemaakt door aan de voor- en achterzijde een duidelijke uitstraling naar zijn omgeving toe te geven. Er wordt met name landschappelijke aansluiting gezocht bij het omringende stroomruglandschap. Dit betreft onder meer het realiseren van nieuwe landschappelijke elementen zoals een hoogstamboomgaard, struweelhagen, boomgroepen, solitaire bomen en kleinschalige weides ook het realiseren van contrast tussen omliggende open landschap en de beslotenheid van de erven van belang (openheid en zichtrelaties). Hiermee sluit het aan op de uitgangspunten uit het LOP. In het kader van deze ontwikkeling en op basis van het LOP is een landschapsinpassingsplan opgesteld. Dit is opgenomen in bijlage 1 bij de regels van dit plan. Verder is er sprake van functieverandering, waar aan voorwaarden voldaan moet worden om te voorkomen dat de gemeente Overbetuwe volstroomt met niet-agrarische functies. Sloop van agrarische bebouwing is één van die voorwaarden. Daarbij wordt ingezien dat bepaalde hergebruiksvormen niet onwenselijk zijn in bepaalde gebieden. Het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie is op deze locatie een passende vorm van hergebruik, en past dan ook binnen de uitgangspunten van het LOP. Het plan sluit al met al goed aan op de doelstellingen uit het LOP.
Beleidsregel functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied gemeente Overbetuwe Evenals de provincie Gelderland onderkent het gemeentebestuur van Overbetuwe de ‘leegloop’ in de agrarische sector en staat men niet in alle gevallen onwelwillend tegenover functieverandering in het buitengebied. Door functieverandering van bestaande gebouwen kan tegemoet worden gekomen aan de aanwezige behoefte aan wonen en werken in het buitengebied, zonder daarvoor extra bouwlocaties toe te voegen. Doelstelling van het beleid is een toetsingskader te bieden voor functieverandering in het buitengebied. In het agrarisch gebied kan functieverandering naar wonen plaatsvinden. Voor dit gebied geldt bij sloop van minimaal 1.500 m² dat medewerking kan worden verleend aan functieverandering van maximaal drie woningen. Hierbij kan een combinatie worden gemaakt van hergebruik van een bestaand bijgebouw voor één woning en één nieuw woongebouw met twee woningen of in geval van sloop van alle bijgebouwen de realisatie van één nieuw woongebouw met drie woningen. Vervangende nieuwbouw kan ook plaatsvinden in de vorm van twee vrijstaande woningen. Beoordeling en conclusie Het initiatief is een functieverandering in het buitengebied. Dergelijke initiatieven worden getoetst aan de beleidsregel functieverandering. De activiteiten van het agrarisch bedrijf zijn reeds beëindigd.
In totaal wordt er 1.900 m² aan overtollige bebouwing gesloopt. In ruil voor het beëindigen van het agrarische bedrijf en de m² te slopen bedrijfsgebouwen is het mogelijk om twee nieuwe vrijstaande woningen te realiseren. Daarnaast zal de bestaande bedrijfswoning wijzigen naar burgerwoning. Plussenbeleid niet-grondgebonden veehouderij Overbetuwe (2020) Het doel van het plussenbeleid is meer kwaliteit bij de ontwikkeling van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven: in dialoog met de omgeving en extra investeren in fysieke maatregelen passend bij een gebied. Iedere uitbreiding van mogelijkheden voor de niet-grondgebonden 16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
veehouderij ten opzichte van het geldende bouwvlak (incl. eventuele beperkende regels die gelden binnen het bouwvlak) moet worden getoetst aan het plussenbeleid. Tot het moment dat het plussenbeleid is geïmplementeerd in het omgevingsplan (voor een locatie of een gebied) wordt in de beleidsregels uitbreiding van agrarische bebouwing binnen de mogelijkheden van het bestaande bouwvlak gerespecteerd, wat betekent dat hierbij geen plussenbeleid toegepast hoeft te worden. De gemeente Overbetuwe heeft het plussenbeleid-gebied geregeld in het parapluplan bij gebruikmaking van de wijzigings- en afwijkings-bevoegdheden die flexibiliteit bieden. Dit betekent dat bij iedere verruiming van de planologische mogelijkheden voor de nietgrondgebonden veehouderij de spelregels van het plussenbeleid toegepast moeten worden. Omdat het plussenbeleid niet onnodig belemmerend mag werken kan per niet-grondgebonden veehouderij(tak) elke 5 jaar éénmaal een uitbreiding van 500 m² of minder mogelijk worden gemaakt zonder dat de spelregels van het plussenbeleid van toepassing zijn. Bestaande niet-grondgebonden veehouderijen kunnen groeiruimte verdienen door maatschappelijke tegenprestaties (plussen) welke leiden tot een betere kwaliteit voor de leefomgeving en verduurzaming van de niet-grondgebonden veehouderij. Het voeren van een omgevingsdialoog speelt bij hierbij een belangrijke rol.
Beoordeling en conclusie Het plussenbeleid van gemeente Overbetuwe is alleen van toepassing voor uitbreiding of verruiming van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven. Onderhavige ontwikkeling gaat over het beperken van de veehouderij en verwijdering van het bouwvlak in het onderhavige plangebied van de agrarische functie.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
In kolom 1 zijn verschillende categorieën van projecten aangewezen, waaronder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Voor deze categorie projecten is een m.e.r.-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' geldt wel een m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt. Beoordeling en conclusie Gezien de omvang en locatie wordt de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de functiewijziging van een agrarisch bedrijf met sloop van bedrijfsbebouwing en de realisatie van twee woningen, in het kader van de m.e.r.
niet worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordeling is daarom niet aan de orde. Vanuit het milieuaspect milieueffectrapportage is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2
Geluid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Geluidbronsoorten
Standaardwaarde
Rijkswegen en provinciale wegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen
55 Lden
Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Beoordeling Wegverkeer Het plan bevindt zich op geruime afstand van de A50. Het plan valt buiten het aandachtgebied van rijkswegen. Er zijn geen wegen in de directe omgeving gelegen waarvoor een Geluidsproductieplafond (GPP) is vastgesteld. De provincie Gelderland heeft daarnaast op 18 december 2024 geluidaandachtsgebieden (inclusief geluidproductieplafonds) vastgesteld. Het plangebied ligt niet binnen het aandachtsgebied van provinciale wegen. De nabij het plangebied gelegen gemeentelijke weg is de Vogelenzangsestraat. Ter plaatse van het plangebied geldt een maximumsnelheid van 60 km/h. Voor de Vogelenzangsestraat geldt echter dat deze weg een verkeersintensiteit van minder dan 1.000 mvt/etmaal heeft. Uit de verkeersgegevens van de gemeente blijkt dat de Etmaalintensiteit gemotoriseerd verkeer op 290/320 en voor vrachtverkeer op 30/30 zijn berekend. Deze weg heeft daarom geen geluidaandachtsgebied. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom niet nodig.
Spoorwegverkeer Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden twee nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt aan de Vogelenzangsestraat . De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich hemelsbreed op meer dan 1,8 km ten oosten van het plangebied. Dit is de spoorlijn tussen Arnhem en Elst. Op deze afstand is akoestisch onderzoek naar spoorwegverkeerslawaai niet benodigd. Conclusie Vanuit het aspect geluid vanwege (spoor)wegen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO 2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Beoordeling Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO 2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
CIMLK In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het projectgebied. Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2023 (monitoringsronde 2024) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt (51178567_19998) voor PM 10 zich aan de Vogelenzangsestraat (ter hoogte van nummer 8) 16,5 µg/m3 bedraagt. Voor de overige grenswaarden van NO2 en PM2,5 is het maatgevende toetspunt gelegen aan de Metamorfosenallee (toetspunt 9214908_15467021) en liggen de waarden op 15,4 voor NO 2 en 8,9 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.
Effect op de luchtkwaliteit De luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Het plan voorziet in de realisatie van een functiewijziging met twee nieuwe woningen. Voor de functieverandering van agrarisch bedrijf naar wonen zal de luchtkwaliteit verbeteren, aangezien de functiewijziging naar wonen minder milieubelastend zal zijn dan de intensieve veehouderij die hier voorheen gevestigd was. Daarnaast zal het aantal voertuigbewegingen ten opzichte van het voormalige agrarische bedrijf wat voorheen op de locatie aanwezig was significant afnemen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is op voorhand duidelijk dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Activiteiten en milieuzonering
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd.
Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. In 2024 is de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' uit gekomen. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten. Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
milieuzonering' is geïmplementeerd in het beleid van de gemeente, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Spuitzonering Een specifiek relevant aspect betreffen spuitzones bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies een afstand van 50 meter in acht worden genomen ten opzichte van percelen waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is. In het 'Buitengebied Overbetuwe' zijn regels opgenomen voor agrarische percelen en het in acht nemen van deze spuitzone. Deze regels zijn in dit TAM-omgevingsplan overgenomen. Beoordeling Dit TAM-omgevingsplan voorziet aan de Vogelenzangsestraat in de sloop van agrarisch bedrijfsbebouwing, het beëindigen van het agrarische bedrijf met de wijziging van bedrijfs- naar burgerwoning, en het realiseren van twee woningen. Hiermee is er sprake van een milieugevoelige activiteit.
Er worden met de oprichting van twee nieuwe woningen geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Door de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn deze niet meer relevant en kunnen er met de functieverandering woningen gerealiseerd worden waarbij sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Afstand tot bedrijven De dichtstbijzijnde bedrijfsfunctie is gelegen aan de Baltussenweg 22 waar planologisch een gemengde functie geldt, waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. Voor deze locatie geldt tevens de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - schoonmaakbedrijf' waarmee ook een schoonmaakbedrijf is toegestaan. Uitgaande van een categorie van 2 is de richtafstand binnen omgevingstype gemengd gebied 10 m. Het plangebied bevindt zich echter op ongeveer 50 m van dit bedrijf waardoor er geen belemmeringen plaats vinden op het gebied van activiteiten en milieuzonering. Ten zuidoosten is tevens een bedrijfsfunctie aanwezig aan de Vogelenzangsestraat 9a waar een functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch verwant bedrijf' is toegestaan. Hier is feitelijk een hoveniersbedrijf en kwekerij aanwezig. De afstand is echter meer dan 180 m waarmee aan de richtafstand van 30 m wordt voldaan. De ontwikkeling zal geen hinder ondervinden voor de bedrijfsvoering van dit perceel.
Andersom zijn er geen bedrijven in de omgeving liggend die activiteiten ontplooien die een goed woon- en leefklimaat voor de woningen belemmeren. Spuitzonering Rondom het perceel liggen percelen met de functie 'Agrarisch met waarden'. In verband met het mogelijk spuiten van bestrijdingsmiddelen moet er tevens rekening worden gehouden met een
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
spuitzone van 50 meter. Een tuin is ook een voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functie. De bestaande (voormalige) bedrijfswoningen die onderdeel maken van het stoppende agrarische bedrijf zijn al een gevoelige functie. De te behouden agrarische bedrijfsbebouwing zal geen extra belemmeringen geven ten behoeve van spuitzonering omdat deze reeds aanwezig zijn. Aangezien de agrarische bedrijfsvoering van het agrarische perceel gaat stoppen, en het bouwvlak met bedrijfsbebouwing hiervoor wordt beperkt middels dit TAM-omgevingsplan is niet te verwachten dat hier nog gewerkt wordt met gewasbeschermingsmiddelen die invloed hebben op het plangebied. In het landschappelijk inpassingsplan is er sprake van weides die worden beheerd als schraal grasland. Hier vindt dan ook geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaats. Ook ter plaatse van de boomgaard is gebruik hiervan uitgesloten. De regels betreffende spuitzonering zijn uit het vigerende plan overgenomen om bestaande rechten van omliggende bedrijven te respecteren. Daarvoor zijn de woonfuncties zo ingepast dat de bedrijfsvoerings van omliggende bedrijven niet wordt beperkt. Het nieuwe erf aan de Vogelenzangsestraat bevat ten oosten van het plangebied agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen zijn toegestaan en worden gebruikt.
Om te voorkomen dat dit overlast veroorzaakt tot de nieuwe te realiseren woningen zijn de woningen zo gesitueerd dat er minimaal 50 meter afstand van deze agrarische percelen is gehouden. Door het opnemen van de regeling voor spuitzonering en afstand te houden tot omliggende agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, zorgt het niet voor belemmeringen van het initiatief of naastgelegen agrarische bedrijven. Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.5
Geurhinder
Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van geurgevoelige gebouwen mogelijk. Er worden daarentegen geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt.
Voor het aspect geur geldt dat er voor het plangebied geen veehouderijen binnen 100 meter van het plan aanwezig zijn. Er zijn in de omgeving geen veehouderijen (meer) aanwezig. Daarnaast zijn er binnen de straal van 2 km geen geitenhouderijen aanwezig tot de nieuwe gevoelige objecten (woningen). Ook op het gebied van geur van geitenveehouderijen zijn dus geen belemmeringen te verwachten. Bij de oprichting van geurgevoelige gebouwen op deze plekken is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden er geen bedrijven met geurbelastende activiteiten geschaad in hun bedrijfsvoering. Conclusie Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.6
22
Bodem
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. Beoordeling Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk waar een agrarisch bedrijf beëindigd wordt. Hiermee is er sprake van een nieuwe bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Daarom is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd en de rapportage is opgenomen in bijlage 1.