26-02-24.14 Relevant stuk 1. Motivering en regels TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren_ontwerp
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Inhoudsopgave
Motivering
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Huidig juridisch-planologisch regime 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 8
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
9
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
10
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
11 11 12 13
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Geluid (spoor)wegverkeer 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Activiteiten en milieuzonering 5.5 Geurhinder 5.6 Bodem 5.7 Omgevingsveiligheid 5.8 Ontplofbare oorlogsresten 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Waterparagraaf 5.11 Natuur 5.12 Archeologie en cultuurhistorie 5.13 Verkeer en parkeren 5.14 Gezondheid 5.15 Duurzaamheid
15 15 16 16 17 18 18 19 21 21 22 23 25 26 27 27
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Algemene opzet 6.2 Toelichting op de regels
28 28 28
Hoofdstuk 7
30
Financiële toelichting
Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak 8.1 Inleiding 8.2 Participatie 8.3 Overleg 8.4 Wijziging van het omgevingsplan 8.5 Beroep
31 31 31 31 31 31
Bijlagen bij motivering
32
Bijlage 1
Quickscan flora en fauna
32
Bijlage 2
Rapportage beoordeling stikstofeffecten
32
Regels
34
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3
Inleidende regels Toepassingsbereik Begrippen Meet- en rekenbepalingen
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
35 35 36 41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Functies en activiteiten Agrarisch Waarde - Archeologische verwachting 2 Waarde - Archeologische verwachting 3
42 42 47 50
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Algemene regels Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Anti-dubbeltelregel
53 53 54 55 56 57
Hoofdstuk 4 Artikel 12
Overgangsregels Overgangsrecht
58 58
Bijlagen bij regels
59
Bijlage 1
59
Lijst van nevenactiviteiten
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Motivering
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Initiatiefnemer heeft op 16 oktober 2023 een principeverzoek ingediend voor het wijzigen van het tijdelijk deel omgevingsplan op het voornoemde perceel. In het kader van de Landelijke Beëindigingsregeling veehouderij met piekbelasting (LBV+) is besloten om te stoppen met de aanwezig bedrijfsmatige functie als veehouderij. Om te voldoen aan de LBV+ regeling is het van belang om de agrarische activiteit 'het houden van dieren' (bedrijfsmatig) in de planregeling uit te sluiten. De agrarische activiteiten zullen als akkerbouwbedrijf voortbestaan, waardoor de agrarische functie verder gehandhaafd wordt. Hiervoor dient een planologische procedure doorlopen te worden. Op 20 maart 2025 is het formele verzoek gedaan om het omgevingsplan te wijzigen. Om de planwijziging uit te voeren is een TAMomgevingsplan opgesteld. Hiermee wordt de 'veehouderij uitgesloten' zoals dat vanuit de LBV+ regeling wordt vereist. Onderhavig plan is opgesteld om deze wijziging te bewerkstelligen.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van dorp Heteren en ligt tegen deze dorpskern aan. Het betreft een perceel van 32 hectare aan de Boterhoeksestraat, die de overgang vormt van het dorp naar het buitengebied. De straat (N837) verbindt daarnaast het dorp Heteren met Zetten en Opheusden in de gemeente Overbetuwe. Onderstaand is de locatie en het plangebied weergegeven:
Globale aanduiding locatie plangebied Boterhoeksestraat 11, Heteren
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Specifieke locatie plangebied Boterhoeksestraat 11, Heteren De locatie bevat de kadastrale percelen bekend als gemeente Heteren, sectie F721, F722, en F409. Een deel hiervan heeft de aanduiding bouwvlak, waarbij de bestaande bedrijfswoning kadastraal is gesplitst van de agrarische bedrijfsbebouwing. Planologisch maakt het onderdeel uit van één bouwvlak en is de woning onderdeel van het bedrijf. Naast het bedrijf zijn twee woningen gelegen aan de Boterhoeksestraat 9 en Boterhoeksestraat 13. Aan de overzijde van de Boterhoeksestraat is de gebiedsontsluitingsweg van het dorp Heteren via de Steenovenlaan bereikbaar. Ten noordwesten ligt het voormalige NIOO terrein waar in het nieuwbouwproject Park Heteren recent woningen zijn gerealiseerd. Ten westen van de locatie begint aan de Boterhoeksestraat de bebouwde kom van Heteren. Het gebied kenmerkt zich aan de zuidkant juist door de agrarische uitstraling met ruime percelen en kavels.
1.3
Huidig juridisch-planologisch regime
De gronden vallen onder het regime van het tijdelijk deel omgevingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', zoals vastgesteld op 5 maart 2013 door de gemeente Overbetuwe. Deze gronden beschikken over de enkelbestemming 'Agrarisch' met een ingetekend bouwvlak van zo'n 15 hectare. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan. De gronden beschikken over de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachting 2' en 'Waarde – Archeologische verwachting 3'. De voor Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. Tot slot is de gebiedsaanduiding 'waardevol landschap' van toepassing waar dit deel van het buitengebied in is aangewezen. Door deze aanduiding zijn de gronden mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de bijzondere kwaliteiten van het waardevol landschap.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
1.4
Leeswijzer
Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
Op het perceel wordt momenteel een melkveehouderij geëxploiteerd. Het betreft een groot perceel van 32 hectare met diverse agrarische bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning. In totaal zijn er vier bedrijfsgebouwen aanwezig, en zijn er sleufsilo's met tussenliggende verharding aanwezig. De grote melkveestal van bijna 1.400 m² staat haaks op het perceel en zal worden gesloopt voor de omzetting naar agrarisch akkerbouwbedrijf. Het ruime bouwvlak zorgt er voor dat er genoeg plek is voor deze agrarische bebouwing.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens deel te nemen aan de LBV+-regeling. Een voorwaarde om deel te nemen aan deze regeling is om de melkveehouderij (het houden van melk- en jongvee op de locatie) te beëindigen. Het uiteindelijke doel is een volwaardig akkerbouwbedrijf uit te voeren waarmee de toekomstbestendigheid van het bedrijf op de locatie kan worden geborgd. Het voornemen is om het bedrijf om te vormen naar een akkerbouwbedrijf hetgeen volgens de huidige agrarische planregeling (enkelbestemming ‘agrarisch’) reeds mogelijk is. De bestemming en het bijbehorend bouwvlak zijn aanwezig en deze activiteiten zijn hier ook toegestaan. Door gebruik te maken van de LBV+-regeling wordt de veehouderij beëindigd en wordt een deel van de bestaande bebouwing gesloopt. De melkveestal ca. 1.400 m² groot wordt volledig gesaneerd en verwijderd, wat in het kader van de LBV+ regeling is vereist.
Luchtfoto met de te slopen bebouwing en contour huidige bouwvlak Om dit te bereiken moet de functie van de locatie worden aangepast die voorkomt dat een andere ondernemer/agrariër in de toekomst opnieuw een veehouderij op de betreffende locatie kan opstarten. Het toevoegen van de functieaanduiding “veehouderij uitgesloten” voorkomt dat activiteiten met betrekking tot de intensieve veehouderij in de toekomst kunnen terugkeren. Het houden van (landbouwhuis)dieren is dan niet meer toegestaan. Dit biedt niet alleen zekerheid voor de initiatiefnemer, maar ook voor omwonenden en de gemeente. Door deze planologische wijziging wordt voldaan aan de voorwaarden van de LBV+-regeling, waardoor de initiatiefnemer zijn deelname kan formaliseren. De herbestemming van het perceel voorkomt leegstand en verval en zorgt voor een duurzame en effectieve invulling van de locatie. Het initiatief vormt een goed voorbeeld van hoe agrarische bedrijven zich kunnen transformeren naar een toekomstbestendige, minder milieubelastende bedrijfsvoering. Hiermee wordt niet alleen de ruimtelijke kwaliteit behouden, maar ook de overgang naar een duurzame toekomst van het bedrijf gestimuleerd met behoud van het agrarische karakter van het gebied.
Door te stoppen met de veehouderij wordt stikstofuitstoot significant verminderd, wat bijdraagt aan natuurherstel in kwetsbare gebieden en het halen van de regionale en landelijke stikstofdoelen. De LBV+-regeling helpt bij de transitie naar een schonere leefomgeving en een betere water- en luchtkwaliteit. Daarnaast zorgt de overgang van veehouderij naar akkerbouw voor een verlaging van de richtafstanden voor geur-, geluid- en stofhinder, wat de leefbaarheid van de omgeving vergroot. De milieu- en omgevingsaspecten zijn in hoofdstuk 5 van deze motivering nader beschreven.
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Beoordeling en conclusie Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief, zijn er in beginsel geen nationale belangen aan de orde. Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in zijn algemeenheid in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste mogen gaan van landschappelijke kwaliteiten. Met de functiewijziging en daar bij vereiste sloop van bebouwing zal er een verbetering optreden van de landschappelijke kwaliteiten van het plangebied. Het initiatief sluit aan bij de ambities uit de NOVI. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.
Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'. Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling toch passend is en voldoet aan zorgvuldig ruimtegebruik. Beoordeling en conclusie Het plan ziet toe op het toevoegen van een aanduiding die zorgt dat er geen veehouderij ter plekke meer is toegestaan. Er is geen sprake van de realisatie van nieuwe bebouwing of verharding. Volgens vaste jurisprudentie is er bij functiewijziging geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde voor dit plan. De Ladder voor duurzame verstedelijking zorgt daarmee niet voor belemmeringen van dit initiatief.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
4.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen: met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving; stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds; focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland; door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Beoordeling en conclusie De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst.
De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor de onderhavige wijziging direct van belang zijn, omdat er uitsluitend sprake is van het uitsluiten van een bestaande functie (veehouderij). Het initiatief is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten actualiseren de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) regelmatig. De Omgevingsverordening is in januari 2024 in werking getreden en geactualiseerd in april 2025. De laatste actualisatie betreft kleine wijzigingen heeft geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften. Intrekgebied In het plangebied is het werkingsgebied 'intrekgebied' van toepassing. Deze aanduiding stelt beperkingen aan de winning van fossiele energie. Deze activiteiten zijn zowel in de huidige als toekomstige situatie in het plangebied niet aan de orde en ook niet toegestaan. Gelderse streek Over-Betuwe Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe.
Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken. De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd: 1. Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse poort van de delta”) tussen Pannerdens Kanaal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling van enkele nog relatief open (vrij van bebouwing) overwegend agrarische landschappen. 2.
Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland, Nijmegen en Veluwe. Met indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren: Rijn-Waal en Rijn-IJssel. Ruimtelijke ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt.
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
3. Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden. 4. Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen. 5. Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen via ‘riviersprongen’, aangevuld met landschapspark Lingezegen als buffergebied. Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur en bebouwing. 6. Gegraven Linge als structurerend landschapselement. 7. Waardevol open komgebied Hollanderbroek: uitgestrekt grootschalig open landschap en rustig en stil gebied met oud ontwateringssysteem met de Linge. Zicht op de stuwwallen van het Veluwemassief. 8. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren '50 van de 20e eeuw. 9. Ecologische waarden met name langs de rivieren en zegen en in weidevogelgebieden. Natura 2000 waarden in Rijntakken en Huissense waarden. 10. Overblijfselen en verwijzingen naar de Hollandse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes (UNESCO-waarde). 11. Relatieve stilte en rust als contrast met de stedelijke zones, zoals in omgeving van Doornenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek.
Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt op de overgang tussen het buitengebied en de bebouwde kom van Heteren. De Boterhoeksestraat is de gebiedsontsluitingsweg die naar de A50 leidt. Ten noorden van deze locatie is aan de westkant van Heteren recent het nieuwbouwproject Park Heteren in ontwikkeling. Het plangebied ligt qua verkeersstructuur nog binnen de bebouwde kom van Heteren waar een maximumsnelheid geldt van 50 km/u. Daarnaast ligt het agrarische bedrijf ingeklemd tussen twee burgerwoningen aan de Boterhoeksestraat nummer 9 en nummer 13. Aan de zuidzijde is het buitengebied gelegen, waar een groot bouwvlak is opgenomen en ten zuiden van het plangebied ligt een watergang die het perceel doorsnijdt. Met de ontwikkeling wordt de agrarische functie gehandhaafd, maar worden er geen nieuwe functies mogelijk gemaakt. Door het beperken van de agrarische activiteiten en het niet meer toestaan van een veehouderij op deze plek, is het voorgenomen plan passend binnen de overgangszone van dorp naar buitengebied. Door de sloop van (een deel van) de bedrijfsbebouwing zal het totale areaal aan bebouwing worden gereduceerd en zal er een meer vrij uitzicht ontstaan, wat de kernkwaliteiten van het gebied versterkt. Mede hierdoor past het binnen de gestelde kernkwaliteiten van Over-Betuwe.
De ontwikkeling is daarmee passend binnen de Omgevingsverordening Gelderland en de kernkwaliteiten die daarin worden omschreven.
4.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. In de Omgevingsvisie wordt een omschrijving gegeven welke ontwikkelingen passend zijn in het buitengebied. Agrarisch wordt hierbij als belangrijk en karakteristiek gezien. Er wordt opgemerkt dat door digitalisering, schaalvergroting, verstedelijking en klimaatverandering ruimte nodig is voor verbreding naast de agrarische activiteiten. In Overbetuwe worden er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelmogelijkheden. Er zijn echter ontwikkelingen die overstijgend zijn aan de deelgebieden en deze overstijgen. Het gaat om de volgende vier ontwikkelingen: 1. Bij vrijkomende agrarische bebouwing waardecreatie voorop stellen aan de hand van (verbeteren van) omgevings- en milieuwaarden, aansluitend op de ambities per deelgebied. 2. Meer gedifferentieerd bezien van mogelijke nieuwe functies voor tijdelijk gebruik van vrijkomende agrarische loodsen, met respect voor de ambities per deelgebied. 3.
Toepassing van clustering en bundeling bij transformatie van (leegstaand) agrarisch vastgoed naar woonfuncties. Waar nodig gebruiken we daarbij ook saldering om 'plussen' en 'minnen' op meerdere locaties met elkaar te verbinden en als totaal meerwaarde te creëren. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
4. Kleinschalige extensieve recreatie (nevenfuncties) vooral stimuleren nabij het netwerk van recreatieve routes dat zich door het gehele buitengebied begeeft. Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt aan de rand van de kleine kern Heteren waar kleinschaligheid en een dorps karakter kenmerkend zijn. Om het dorp heen zijn de uiterwaarden, het agrarisch landschap en de groene buffers naar de Rijn en de omringende autoweg A50 belangrijk en kenmerkend. In het buitengebied worden door de gemeente zeven deelgebieden met verschillende ontwikkelmogelijkheden onderscheiden. De ambities per deelgebied zijn in de Omgevingsvisie geformuleerd. De gemeente Overbetuwe biedt het buitengebied kansen door passende functies een plek te geven. Het plangebied sluit door haar ligging aan bij de landschappelijke, agrarische, en dorprandzones. Deze geven plek en ruimte aan (grondgebonden) agrarisch gebruik, open kommen, en het behoud van de grootschaligheid van de komgebieden. Daarnaast moet in de dorprandzones de ruimtelijke en functionele relatie tussen de dorpen en het landelijke gebied zichtbaar en beleefbaar worden.
De onderhavige ontwikkeling biedt door het uitsluiten van een veehouderij, en de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing op deze locatie, een invulling voor zowel een toekomstbestendig agrarisch bedrijf, als een verbetering van het overgangsgebied tussen de kern en het buitengebied. Het plan sluit daarmee aan op de ambities van de Omgevingsvisie. Dit TAM-omgevingsplan is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie. Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP) In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.
In het LOP formuleert de gemeente de volgende hoofddoelstellingen: In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten); Behouden en versterken van openheid, grootschaligheid en kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van oeverwallen; Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap; Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt; Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland. Beoordeling Met deze omgevingsplanwijziging blijft de huidige agrarische functie behouden. Feitelijk wordt er een veehouderij beëindigd. Dit wordt juridisch-planologisch geborgd door het opnemen van de functieaanduiding 'veehouderij uitgesloten', zodat er in de toekomst op de locatie ook geen veehouderij meer kan worden geëxploiteerd. Dit plan voorziet niet in het mogelijk maken van nieuwe functies. Hierdoor doet de wijziging geen afbreuk aan het behoud en versterking van de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten. Het slopen van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing draagt hier zelfs aan bij. Gezien er sprake is van het handhaven van de bestaande agrarische functie zonder dat er nieuwe functies worden mogelijk gemaakt is er geen landschappelijk inpassingsplan benodigd.
Conclusie De functie in het plangebied blijft ongewijzigd 'Agrarisch' en de gebruiksmogelijkheden binnen deze functie worden beperkt. Er worden geen nieuwe functies of extra bebouwing mogelijk gemaakt. Landschappelijke inpassingsmaatregelen zijn daarom niet noodzakelijk. Het plan sluit al met al goed aan op de doelstellingen uit het LOP.
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
In kolom 1 zijn verschillende categorieën van projecten aangewezen, waaronder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Voor deze categorie projecten is een m.e.r.-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' geldt wel een m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt. Beoordeling en conclusie De omgevingsplanwijziging betreft het beëindigen van een veehouderij. Dit wordt geborgd middels het opnemen van een functieaanduiding 'veehouderij uitgesloten'. Het bestaande akkerbouwbedrijf blijft behouden en toegestaan.
Er worden geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden geboden in het omgevingsplan. De wijziging behoort niet tot de in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit opgenomen categorieën. De wijziging is ook niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in die Bijlage. Met het beëindigen van een veehouderij zal geen sprake zijn van aanzienlijke (negatieve) milieueffecten. Gezien de aard van de wijziging kunnen deze op voorhand worden uitgesloten. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit bij de wijziging van het omgevingsplan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
5.2
Geluid (spoor)wegverkeer
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Geluidbronsoorten
Standaardwaarde
Rijkswegen en provinciale wegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Hoofdspoorwegen en locale spoorwegen
55 Lden
Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Beoordeling Deze omgevingsplanwijziging maakt geen nieuwe (geluidsgevoelige) functies mogelijk. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de omgevingsplanwijziging.
5.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO 2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Beoordeling Met deze omgevingsplanwijziging worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt. Dat houdt in dat op voorhand vaststaat dat het project in kwestie niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Omdat er geen nieuwe functies mogelijk worden gemaakt is er geen sprake van verslechtering van het woon- en leefklimaat. Daarom is het niet noodzakelijk om ten behoeve van de omgevingsplanwijziging eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 3%. De NIBM–tool wordt dan ook buiten toepassing gelaten. Bovendien wordt met de omgevingsplanwijziging een melkveehouderij beëindigd wat een positieve bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Veehouderijen dragen namelijk bij aan de uitstoot van fijnstof, bijvoorbeeld via stofdeeltjes vanuit mest, huidschilfers, veren, voer, haren en strooisel. Daarnaast reageert ammoniak (uit bijvoorbeeld mest en stallen) met andere stoffen in de lucht tot secundair fijnstof. De beëindiging van de veehouderij zal dus zorgen voor een verbetering van de luchtkwaliteit in plaats van bijdragen aan verslechtering daarvan. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Activiteiten en milieuzonering
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd.
Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Beoordeling Deze omgevingsplanwijziging voorziet in het beëindigen van een melkveehouderij. Om te borgen dat er in de toekomst geen nieuwe veehouderij kan worden opgericht wordt de functieaanduiding 'veehouderij uitgesloten' opgenomen. Het bestaande akkerbouwbedrijf blijft behouden. De huidige agrarische functie blijft behouden, maar wordt dus nader ingekaderd/beperkt. Het houden van vee is een zwaardere milieubelastende functie dan een akkerbouwbedrijf. Met het borgen dat een veehouderij niet langer is toegestaan, is er in de toekomstige situatie dus sprake van een minder milieubelastende functie wat een positief effect heeft op eventuele omliggende milieugevoelige functies.
Omdat akkerbouwactiviteiten als minder milieubelastend worden beschouwd ten opzichte van een veehouderij kan geconcludeerd worden dat er milieutechnisch sprake zal zijn van een verbetering in relatie tot de huidige situatie en dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor omliggende milieugevoelige functies. Er worden bovendien geen nieuwe milieugevoelige functies of activiteiten mogelijk gemaakt. Conclusie
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging. Omliggende functies worden niet belemmerd en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Geurhinder
Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Met de omgevingsplanwijziging wordt geen geurgevoelig gebouw gerealiseerd, er hoeft geen rekening gehouden te worden met geurhinder op geurgevoelige gebouwen.
Bovendien wordt er een veehouderij beëindigd wat zorgt voor een afname van geurbelasting om geurgevoelige gebouwen in de omgeving. De beëindiging van een veehouderij draagt voor het geuraspect bij aan een verbetering van de woon- en leefomgeving. Conclusie Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.6
Bodem
Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. Beoordeling Met dit TAM-omgevingsplan wordt er geen nieuw bodemgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. De huidige agrarische functie blijft van toepassing, maar wordt enkel nader ingekaderd. Er is dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van een bodemonderzoek. Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot het aspect bodem.
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
5.7
Omgevingsveiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is. Groepsrisico De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk).
Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Beoordeling Op basis van de risicokaart omgevingsveiligheid kan een inventarisatie worden gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Uitsnede risicokaart omgevingsveiligheid met plancontour De planlocatie is niet gelegen binnen de aandachtsgebieden van de A50 (>1 km ten oosten van het plangebied) en de Rijn (>1 km ten noorden van het plangebied). Het plangebied is wel gelegen binnen de invloedssfeer van de buisleiding van Gasunie (N-568-32) aan de noordzijde van het plangebied. Deze loopt in de bestaande situatie parallel aan de Boterhoeksestraat. De buisleiding van Gasunie heeft een brandaandachtsgebied van 50 meter welke valt binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan. De buisleiding heeft geen explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Binnen het brandaandachtsgebied kan door het bevoegd gezag in het omgevingsplan een voorschriftengebied aangewezen worden (art. 5.14 Bkl). Binnen een brandvoorschriftengebied gelden conform art. 4.91 t/m 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor nieuw te bouwen gebouwen aanvullende bouweisen. Deze hebben betrekking op de brandwerendheid, de brandklasse van het buitenoppervlak en het dak, de vluchtroute en de sterkte bij brand. Voor glas geldt als aanvullende bouwkundige maatregel brandklasse D. Deze eisen hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl.
Als de gemeente geen brandvoorschriftengebied heeft aangewezen in het omgevingsplan, dan gelden binnen het brandaandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Een brandvoorschriftengebied mag niet groter zijn dan het brandaandachtsgebied. In dit geval heeft de gemeente geen brandvoorschriftengebied aangewezen dus zijn er op dit gebied geen aanvullende eisen van toepassing. In het vigerende 'Buitengebied Overbetuwe' is deze gasleiding als zodanig aangewezen. De voor Leiding - Gas aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding met een belemmerde strook ter breedte van 4 m aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Binnen een afstand van 4 m aan weerszijden van de hartlijn van de gasleiding mogen geen nieuwe bouwwerken worden gebouwd. Het oprichten van nieuwe bebouwing is in dit plan echter niet voorzien. Daarnaast ligt de 4 m contour niet in het bestaande bouwvlak van het agrarische bedrijf, waarmee deze contour geen onderdeel is van het plangebied.
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Groepsrisico Door de beoogde functieverandering zullen de agrarische veehouderij-activiteiten op deze plek beëindigen. De agrarische functie blijft bestaan, en er worden geen nieuwe functies of gebouwen mogelijk gemaakt. Het groepsrisico zal daarom niet groter worden. Op het gebied van risico ten behoeve van groepen of personen zal hier in de toekomst dan ook geen verslechtering optreden van het woon- en leefklimaat. In het kader van omgevingsveiligheid vormt de uitsluiting van de veehouderij dus niet voor belemmeringen. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de relevante risicobronnen vormt daarmee geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Conclusie De omgevingsplanwijziging leidt niet tot een toename van kwetsbare personen of kwetsbare gebouwen. Er is geen sprake van een toename van risico's in het kader van omgevingsveiligheid.
5.8
Ontplofbare oorlogsresten
De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast, wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie. Beoordeling en conclusie Met de omgevingsplanwijziging vinden er geen bodemroerende werkzaamheden plaats.
Bovendien hebben er binnen het plangebied al bodemroerende werkzaamheden plaatsgevonden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden en de aanleg van kabels en leidingen. De kans op aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) is daarom klein. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot het aspect OO.
5.9
Kabels en leidingen
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante hoogspanningskabels of andere -leidingen in of nabij het plangebied aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het plan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
5.10
Waterparagraaf
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang. Rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen.
Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn: Dagelijks beheer van water en dijken; Beschermen tegen overstromingen; Water eerlijk verdelen; Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie); Werken aan schoon water; Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven. Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' (2024) van toepassing.
De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Denk hierbij aan het onttrekken of infiltreren van water, lozingsactiviteiten, veranderingen van het watersysteem, etc. De wateren en waterkeringen waarop de regels uit de verordening van toepassing zijn, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Gemeente Overbetuwe Waterplan Overbetuwe In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.
22
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt. Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals: wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan; waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit; grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast; beleving van water, burgers betrekken bij water; afspraken en taken van waterschap en gemeente. Beoordeling (watertoets) Binnen het plangebied wordt de agrarische bedrijfsbebouwing, die na beëindiging van de melkveehouderij vrijkomt, gesloopt. Er is geen sprake van toename aan verhard oppervlak. Op basis van de Waterschapsverordening is er geen sprake van een verplichting tot compensatie. In planologisch opzicht is geen sprake van toename of afname omdat het bouwvlak gelijk blijft. Er zijn verder geen wijzigingen ten aanzien van oppervlaktewateren aan de orde. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering in het kader van de omgevingsplanwijziging.
5.11
Natuur
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dieren plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets (afd. 11.1 Bal). Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.
NNN-gebieden Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk is opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Binnen de provincie Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Daarnaast worden ook de Groene Ontwikkelzones (GO) beleidsmatig beschermd. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n, Buitengebied, Boterhoeksestraat 11, Heteren
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de zogenaamde bebouwingscontour houtkap (afdeling 11.3 Bal). Wanneer deze houtopstanden worden geveld, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten. Soortenbescherming Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: vogels; europees beschermde soorten; nationaal beschermde soorten. Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd.