26-01-27.17 Relevant stuk 3. Ruimtelijke motivering BOPA Kon. Julianastraat Randwijk
Tekst van het document
4.4
Trillingen
4.4.1
Algemeen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is.
32
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. 4.4.2
Toetsing Er ligt geen spoorlijn binnen 100 meter van het besluitgebied. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4.3
Conclusie Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben.
Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling 33
veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1 bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2 bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3 bij de aanleg van een auto(snel)weg. 4.5.2
Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven.
Stoffen
EU-Grenswaarde
WHO-advieswaarde
2022
2030
NO2 concentratie
40 µg/m3
10 µg/m3
11,4 µg/m3
9,2 µg/m3
PM10 concentratie
40 µg/m3
20 µg/m3
17,1 µg/m3
13,6 µg/m3
PM2,5 concentratie
25 µg/m3
10 µg/m3
9,5 µg/m3
7,2 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU. Ook wordt grotendeels voldaan aan de advieswaarde vanuit het WHO. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 4.5.3
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
34
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
Gemeentelijk geurbeleid De gemeente Overbetuwe heeft op 26 februari 2019 de Geurgebiedsvisie 2018 Wet geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder vastgesteld. Voor de niet-grondgebonden veehouderij zijn de geurnormen en vaste afstanden niet aangepast en gelden de wettelijke normen. Uit de geurgebiedsvisie volgt dat in Overbetuwe de huidige geurnormen, samen met het vigerend ruimtelijk beleid, de geurhinder vanuit veehouderijen voldoende sturen. Om duidelijkheid te verschaffen hoe het woon- en leefklimaat moet worden getoetst bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn er toetswaarden voor de cumulatieve geurbelasting opgenomen in de beleidsregel. Bij het toetsen van ruimtelijke initiatieven of plannen van veehouderijen in een voor geur overbelaste situatie wordt volgens de beleidsregel de absolute en relatieve bijdrage van de betreffende veehouderij aan de achtergrondbelasting en de verandering van die bijdrage in de afweging, betrokken. Ook wordt hierbij meegenomen of de op dat moment best beschikbare en betaalbare technieken onderdeel zijn van het initiatief, technieken die leiden tot een beperkte milieubelasting, rekening houdend met het type en grootte van het bedrijf en de plaatselijke achtergrondbelasting.
Als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen worden in de
35
Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder onderstaande waarden gehanteerd als toetswaarden. Deze waarden zijn uitgedrukt in Europese odour units (ouE): Tabel: toetswaarden achtergrondbelasting (bron: Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Overbetuwe)
Achtergrondbelasting
Woongebieden in de bebouwde kom
(Ou’s)
(voorgrondnorm 2)
Voldoende
<5
< 10
< 10
Onvoldoende
>5
> 10
> 10
4.6.2
Bedrijventerreinen in de bebouwde kom (voorgrondnorm 2)
Buitengebied (voorgrondnorm 8)
Toetsing Het voornemen bestaat om 16 wooneenheden te realiseren. In de omgeving van het besluitgebied zijn veehouderijen gelegen. Ten behoeve van de inpasbaarheid van het plan is daarom een onderzoek geurhinder 4 uitgevoerd. Voorgrondbelasting - Planologische rechten va-dieren: Vanuit de planologische situatie bezien geldt dat de afstand tussen de veehouderij Kerkstraat 13 en de beoogde woningen in het besluitgebied onvoldoende groot is om aan de afstandsnorm van 50 meter te kunnen voldoen. Voor de veehouderij aan de Achterstraat 17 geldt dat de afstand tussen de beoogde woningen in het besluitgebied ruimschoots voldoet aan de afstandsnorm van 100 meter. Daarmee zorgt het realiseren van de woningen niet voor een inbreuk van de planologische mogelijkheden van de veehouderijen met betrekking tot va-dieren. ou-dieren: Uit de voorgrondberekening waar de ou-dieren van Kerkstraat 13 zijn berekend komt naar voren dat de geurbelasting van de planlocatie voldoet aan de gemeentelijke norm voor bebouwde kom, waar de planlocatie onder valt. Op basis van de resultaten kan deze veehouder de geuremissie vergroten of de stallen verplaatsen aan de zuidelijke rand van diens bouwvlak. Echter maakt de beoogde ontwikkeling geen inbreuk op de planologische rechten van deze veehouderij, omdat er tussenliggende geurgevoelige gebouwen aanwezig zijn die beperkend zijn.
Uit de voorgrondberekening waar de ou-dieren van Achterstraat 17 zijn berekend komt naar voren dat de geurbelasting van de planlocatie voldoet aan de gemeentelijke norm voor bebouwde kom, waar de planlocatie onder valt. De gemeentelijke norm is echter reeds overschreden voor omliggende woningen in het buitengebied, waardoor de veehouderij ‘op slot’ zit’. Deze veehouderij zorgt 4
SAB (2024) Onderzoek geurhinder Randwijk, Kerkstraat 26, 28, 30, 31 en 33 en Koningin Julianastraat 2. 230428 en 230429, 25 juli 2024
36
zodoende niet voor een belemmering voor onderhavige ontwikkeling vanwege de lage geurbelasting en onderhavige ontwikkeling zorgt niet voor belemmering van de planologische mogelijkheden van de veehouderij omdat de veehouderij al belemmerd wordt door de omliggende bestaande woningen. Woon- en leefklimaat De voorgrondbelasting op de nieuwe gevoelige objecten is als ‘voldoende’ beoordeeld ten aanzien van de geuremissie van Kerkstraat 13 en de Achterstraat 27. Wat betreft de cumulatieve geurberekening geldt een kwaliteitsniveau dat aan de hand van het gemeentelijke beleid als ‘voldoende‘ beoordeeld mag worden. Er doen zich dan ook geen belemmeringen voor om deze nieuwe woningen in Randwijk te realiseren. 4.6.3
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.7
Ontplofbare oorlogsresten
4.7.1
Algemeen In en nabij het besluitgebied hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden. Omdat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling bouw- en aanlegactiviteiten plaatvinden waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, wordt geadviseerd onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten c.q. conventionele explosieven.
4.7.2
Toetsing Naar aanleiding van onderhavig plan is advies 5 opgevraagd waaruit de volgende conclusies en advies zijn meegegeven. Op basis van de beschikbare archiefgegevens, literatuur en luchtfotomateriaal kan worden gesteld dat binnen het projectgebied, in de niet-naoorlogs geroerde bodem, de volgende (sub)soorten ontplofbare oorlogsresten (OO) kunnen zijn achtergebleven: − Geschutmunitie, verschoten, diverse kalibers, met een maximaal kaliber van 15 cm/155mm tot een diepte van maximaal 2,50 meter minus maaiveld (maaiveld Tweede Wereldoorlog), oftewel 5,50m+NAP; − Afwerpmunitie 500 Ib, afgeworpen, tot een diepte van maximaal 7,20 meter minus maaiveld (maaiveld Tweede Wereldoorlog), oftewel, 0,80m+NAP; − Raketten 60 Ib, verschoten, tot een diepte van maximaal 2,50 meter minus maaiveld (maaiveld Tweede Wereldoorlog), oftewel, 5,50m+NAP Het kleinste zoekdoel van mogelijk aan te treffen OO kan worden gedefinieerd als ‘geschutmunitie > 2cm’.
5
Overbetuwe (2023) Projectleiderssamenvatting Ontplofbare oorlogsresten, Kerkstraat te Randwijk. BB23-379-PLS-01, 3 november 2023
37
Daar waar de bodem niet aantoonbaar naoorlogs geroerd is, adviseert de gemeente Overbetuwe om voorafgaande aan de voorgenomen bodemroerende werkzaamheden een opsporingsproces, zoals bedoeld in het CS-OOO, uit te voeren om de risico’s met betrekking tot het aantreffen van OO te minimaliseren. Dit bovenstaande onderzoek zal voorafgaand aan de grondwerkzaamheden uitgevoerd worden. 4.7.3
Conclusie Voorafgaand aan de grondwerkzaamheden wordt nader onderzoek uitgevoerd.
4.8
Omgevingsveiligheid
4.8.1
Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).
Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra 38
aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.8.2
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden er met dit plan nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Uitgaande van de wettelijke kaders is de beleidsmatige afkapgrens van 1,5 km voor het gifwolkaandachtsgebied bij ruimtelijke ontwikkelingen de maximale zone waarbinnen risico-bronnen dienen te worden meegenomen in de omgeving van een ontwikkellocatie. Daarom wordt stilgestaan bij alle risicobronnen in een straal van 1,5 km vanaf de ontwikkellocatie. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van de ontwikkellocatie is rood aangeduid, de 1,5 kilometer grens is in zwart aangeduid.
Uitsnede digitale risicokaart met ontwikkellocatie (rode ster) (bron: Atlas leefomgeving)
39
1. Risicovolle activiteit, Autobedrijf de Beijer B.V. 2. Risicovolle activiteit, J.H. Verburgt B.V. 3. Risicovolle activiteit, De Bouwing B.V. 4. Risicovolle activiteit, Houtzagerij De Vree B.V. 5. Risicovolle activiteit, particulier 6. Risicovolle activiteit, L. van Kampen 7. Risicovolle activiteit, J.J. van Maanen 8. Risicovolle activiteit, Norske Skog Parenco B.V. 9. Risicovolle activiteit, RWZI Renkum Er zijn binnen het onderzoeksgebied geen transportroutes of buisleidingen gelegen. Risicovolle Activiteit Binnen een straal van 1,5 kilometer zijn negen locaties gevestigd waar risicovolle activiteiten plaatsvinden. Navolgende tabel geeft een overzicht van alle relevante activiteiten en bijbehorende kenmerken. Inrichting
Aandachtsgebied
Aandachtsgebied Groepsrisico
Plaatsgebonden risico LPG tanken, vulpunt en opslag, Autobedrijf de Beijer B.V. Opslagtank propaan/propeen, J.H. Verburgt B.V Opslagtank propaan/propeen, De Bouwing B.V. Opslagtank propaan/propeen, Houtzagerij De Vree B.V Opslagtank propaan/propeen, particulier Opslagtank propaan/propeen,
Afstand tot ontwikkellocatie
15 meter (tankzuil) 25 meter (vulpunt) 25 meter (opslag) 10 meter
60 meter (brand) ± 440 meter 60 m (brand), 160 m (explosie) 60 m (brand), 160 m (explosie) 20 m (brand), 30 m (explosie) ± 595 meter
10 meter
20 m (brand), 30 m (explosie)
± 775 meter
10 meter
20 m (brand), 30 m (explosie)
± 820 meter
10 meter
20 m (brand), 30 m (explosie)
± 960 meter
10 meter
20 m (brand), 30 m (explosie)
± 1.220 meter
10 meter
20 m (brand), 30 m (explosie)
± 1.260 meter
L. van Kampen Opslagtank propaan/propeen, J.J. van Maanen Activiteit restcategorie, Norske Skog Parenco B.V. Opslagtank mestvergisting, RWZI Renkum
Geen aandachtgebied, Geen aandachtsgebied, blijft ± 1.245 meter blijft binnen de grenzen binnen de grenzen van het pervan het perceel ceel 50 meter Geen aandachtsgebied, blijft ± 1.415 meter binnen de grenzen van het perceel
40
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkellocatie buiten het aandachtsgebied van de risicovolle activiteiten valt, een nadere beschouwing is derhalve niet noodzakelijk. 4.8.3
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.9
Gezondheid
4.9.1
Algemeen Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan. Coalitieprogramma “Samen aan zet!” Het coalitieprogramma “Samen aan zet!” laat op hoofdlijnen de ambities zien van de coalitie voor de periode 2022-2026. Het college heeft dit vertaald naar doelstellingen en te behalen resultaten in een Uitvoeringsprogramma. Een van de onderdelen van het programma is gezondheid en sport. In Overbetuwe wordt intensief aan sport gedaan, zowel individueel als in groepsverband. Sport draagt bij aan lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn.
De gemeente Overbetuwe vindt het belangrijk om alle inwoners van de gemeente plezier te bieden in sport en bewegen. Nu en in de toekomst. Ongehinderd, laagdrempelig, betaalbaar en in een veilige en gezonde omgeving. Daarnaast moet sport en bewegen bereikbaar zijn voor mensen met diverse soorten beperkingen. Alle wijken en dorpen bieden veel ruimte voor kinderen om onbezorgd dicht bij huis buiten te kunnen spelen en voor (jong)volwassenen en ouderen om te wandelen, fietsen en sporten. Hierbij zijn de vastgestelde sport- en beweegnota en het nieuwe speelbeleid de uitgangspunten. Organisaties uit zorg, welzijn, sport en cultuur en de gemeenten slaan in Overbetuwe de handen ineen om te werken aan een gezonde leefomgeving. Het Overbetuwe Preventieakkoord is een doorvertaling van het Nationale Preventieakkoord en bundelt alle plannen op het gebied van een gezonde leefstijl zoals met JOGG (gezonde jeugd) en Overbetuwe Beweegt. Ook onderwerpen als stress, eenzaamheid, schulden en laaggeletterdheid horen hierbij. De gemeente ontwikkelt concrete 41
plannen waar iedereen aan kan bijdragen. Hierbij is het belangrijk dat krachten met behulp van alle inwoners verder worden gebundeld. De gemeente faciliteert samenwerking tussen sport- en beweegaanbieders, onderwijs, kinderopvang, peutercentra, zorg, welzijn, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en gemeente. 4.9.2
Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur, spuitzonering, trillingen en geluid is geconcludeerd dat in het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde in zijn geheel niet overschreden binnen het besluitgebied. − In het besluitgebied is geen geluidhinder te verwachten; − In het besluitgebied is geen trillinghinder te verwachten; − In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; − In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten. In de directe omgeving zijn voldoende voorzieningen om sport- en bewegen te stimuleren, zoals fiets- en wandelpaden en verscheidene sportvelden.
4.9.3
Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.10
Water
4.10.1
Algemeen Het waterbeleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: 1 waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 2 waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 3 waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 4 in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 42
5 realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 6 verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 7 behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 een veilige en klimaatbestendige delta; 2 een concurrerende, duurzame en circulaire delta; 3 een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en EemsDollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren.
Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.
2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd.
43
3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rivierenland Op 26 november 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Rivierenland vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende zeven programma’s: − Beschermen tegen overstromingen : Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen (onder andere de versterking van de dijken) vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Water eerlijk verdelen: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water; − Voorbereiden op extreem weer: Dit thema focust zich op de beperking van steeds extremer weer, bijvoorbeeld door hittestress oppakken.
Het waterschap wil verder vroegtijdig meedoen aan projecten en goed samenwerken met partners; − Werken aan schoon water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch); − Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur: het bevorderen van biodiversiteit, het borgen van de waterkwaliteit voor drinkwater of het faciliteren van recreatief medegebruik zijn thema’s die aan bod komen; − Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit: de verduurzaming van de processen en het inspelen op de klimaatadaptativiteit vormen grote uitdagingen voor de komende jaren; − Toewerken naar circulariteit: het waterschap wil onder ander zuinig zijn op de grondstoffen d en het hergebruik stimuleren.
44
Een inzicht in de financiën wordt ook weergegeven. Bijna elk programma is onderverdeeld op dezelfde manier: ambitie op lange termijn, doelen, strategie en maatregelen planperiode. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 4.10.2
Toetsing Om de belangen van het watersysteem in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een duurzame waterhuishouding heeft een weging van het waterbelang6 plaatsgevonden. In het document worden zowel de voorliggende ontwikkeling als de ontwikkeling van 15 grondgebonden woningen aan de Kerkstraat meegenomen. In de weging van het waterbelang wordt allereerst de huidige en toekomstige situatie binnen de plangebieden in beeld gebracht. Hierbij worden de verharde oppervlakte in de huidige en toekomstige situatie bepaald. Daarnaast worden ook de (geo)hydrologische eigenschappen van de plangebieden toegelicht. Vervolgens wordt de toekomstige waterhuishouding onderzocht waarbij aangesloten wordt op het geldende beleid om de watercompensatie en de wijze van afwatering te bepalen. De resultaten worden hieronder besproken. Huidige en toekomstige situatie De onderstaand tabel geeft een overzicht van de (verharde) oppervlakten binnen het besluitgebied in de bestaande situatie.
Binnen het besluitgebied worden 16 rug-aan-rug-woningen gerealiseerd inclusief bijhorende parkeerplaatsen, bergingen en landschappelijke inrichtingen. Een deel van de parkeerplaatsen worden uitgevoerd in de vorm van halfverharding. In verband met de ondergrond wordt voor de parkeerplaatsen veiligheidshalve gerekend met 100% afstromend oppervlak.
6
BOOT (2024). Weging van het waterbelang, woningbouwontwikkeling Kerkstraat te Randwijk. P240099, 11 juni 2025
45
Op basis van de huidige en toekomstige oppervlakken, neemt met de ontwikkelingen binnen het besluitgebied het afstromend oppervlak met circa 45 m² af tot 1.865 m². Watercompensatie en wijze van afwatering Gezien het een afname betreft hoeft voor het besluitgebied geen waterberging gerealiseerd te worden. De wijze van afwatering veranderd nagenoeg niet binnen het besluitgebied. Er wordt wel geëist om het hemelwater gescheiden aan te bieden van het vuilwater. Dit in verband met mogelijke afkoppeling van de Kerkstraat in de nabije toekomst. Overige randvoorwaarden Conform het beleid van de gemeente en het waterschap worden uitlogende bouwmaterialen niet gebruikt om vervuiling van het hemelwater te voorkomen. Grondwater De grondwaterstand is in de huidige situatie relatief hoog gelegen. Aanbevolen is om het vloerpeil van de woningen 0,3 m boven het wegpeil te realiseren. Hiermee wordt voldoende ontwateringsdiepte behaald.
Vuilwater Het voornemen is om het vuilwater aan te sluiten op het gemeentelijk rioolstelsel ter hoogt van de plangebieden in de Kerkstraat. Uitgaande van 16 nieuw te realiseren woningen met een gemiddelde bezetting van 2,5 personen die gedurende 10 uur 12 l/ uur per inwoner aanbieden, bedraagt de hoeveelheid vuilwater die aangeboden wordt vanuit het plangebied: → Toekomstige afvoer VWA: 16 x 2,5 x 12 l/uur = 480 l/uur = 0,48 m³/uur = 0,13 l/s. In de huidige situatie zijn 4 woningen aanwezig binnen het plangebied. Het aantal woningen neemt toe met 12 en daarom neemt de toekomstige vuilwaterafvoer ook toe. De gemeente dient te bepalen of het vrijverval riool waarop aangesloten wordt
46
voldoende capaciteit heeft voor de toename. De toename van vuilwaterafvoer vanuit het plangebied bedraagt: → Toename afvoer VWA: 12 x 2,5 x 12 l/uur = 360 l/uur = 0,36 m³/uur = 0,1 l/s. Oppervlaktewater Binnen en rondom het besluitgebied zijn geen oppervlaktewateren aanwezig. Waterveiligheid Het besluitgebied ligt niet binnen een kern- of beschermingszone van een primaire waterkering. 4.10.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.11
Klimaatadaptatie
4.11.1
Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting.
Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie
47
Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken.
Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend ’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
− In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen.
48
In artikel 5.85 van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 5.85 (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Regionaal beleid - Rivierengebied Klimaatbestendig, Samen aan de slag! Ook in de regio Rivierenland krijgen ze steeds vaker te maken met hogere temperaturen, drogere perioden, meer en extreme neerslag en toename van het risico op overstromingen. Om richting te geven aan deze opgave hebben gemeenten, waterschap, provincie en andere stakeholders samengewerkt aan een Regionale klimaat Adaptatie Strategie (RAS). Deze RAS voor Rivierenland maakt op regionaal niveau inzichtelijk of en zo ja waar extra inzet nodig is om vanaf 2020 klimaatadaptief te handelen en in 2050 klimaatadaptief ingericht te zijn.
Door in samenhang klimaatadaptatie vraagstukken te benaderen in de regio, proberen Rivierenland winst te behalen voor de regio als geheel. Gemeenten en individuele stakeholders gaan daarnaast zelf aan de slag met hun eigen (lokale) aanpak. De inhoudelijke thema’s die horen bij klimaatadaptatie hebben betrekking op wateroverlast, droogte, hitte en het risico op overstromingen. Rivierenland is gevoelig tot zeer gevoelig voor al deze klimaateffecten. In deze RAS zijn doelen voor de korte termijn opgenomen, maar is ook beschreven wat klimaatadaptief ingericht in 2050 betekent voor onze regio.
Strategische lijnen voor de korte termijn • Vergroten van bewustwording en kennis: De urgentie tot klimaatadaptatie moet bij alle betrokkenen worden vergroot en ertoe leiden dat klimaatadaptatie verankerd in het beleid en het concrete handelen. • Een andere manier van denken en samenwerken: Durven te denken en doen buiten de bestaande relaties en gebaande paden, gebruik maken van de goede voorbeelden en ervaringen en samenwerken met verschillende disciplines. • De regio pakt eerst de meest urgente opgaven aan: De regio richt zich op de meest urgente opgaven, pakt eerst de makkelijke opgaven op en koppelt klimaatadaptatie aan kansen op andere gebieden zoals de energietransitie.
49
•
De regio verbindt verschillende schaalniveaus: De regio verbindt de regionale en lokale aanpak en wat betreft schaalniveau zet Rivierenland in op zowel strategisch, tactisch als operationeel niveau.
Ambities voor klimaatbestendig Rivierenland 2050 Vanuit deze strategische lijnen op korte termijn, zijn onze ambities geformuleerd om toe te werken naar een klimaatbestendig Rivierenland in 2050: 1 Leefbare kernen; 2 Duurzame logistiek en bedrijvigheid; 3 Vitale en toekomstbestendige land- en tuinbouw; 4 Robuust en aantrekkelijk rivierenlandschap. Voor het onderhavig project is ambitie 1 Leefbare kernen het meest relevant: In 2050 heeft de regio aantrekkelijke groene en leefbare kernen waar het goed wonen, werken en recreëren is. Daarom gaat de regio beperking van wateroverlast, droogte en hitte meenemen als ontwerpuitgangspunt bij de (her)inrichting van de kernen. Daarbij werken overheden, woningcorporaties en private partijen samen. 4.11.2
Toetsing Het voorliggend project betreft de realisatie van 16 rug-aan-rug-woningen. Zoals is paragraaf 4.10 is aangetoond neemt het verhard oppervlak binnen het besluitgebied in de toekomstige situatie af. Watercompensatie is daarom niet noodzakelijk. Het toenemend oppervlak van groen is tevens bevorderlijk voor het bestrijden van hitte en droogte. In de weging van het waterbelang worden nog wel een aantal meekoppelkansen besproken om binnen het besluitgebied klimaatadaptieve kansen te benutten op het gebied van verkoeling en biodiversiteit: • realiseren van flora- en faunavoorzieningen; • realiseren van schaduw door het aanplanten van bomen en hiermee verblijfsplaatsen creëren voor verkoeling. Zoals in paragraaf 2.3 wordt besproken, worden binnen het besluitgebied op verscheidene plekken bomen en hagen geplant, waarmee gehoord wordt gegeven aan deze meekoppelkansen. Daarnaast wordt aangeraden om de woningen 0,3 m boven het wegpeil te realiseren om wateroverlast te voorkomen.
4.11.3
Conclusie Het aspect klimaat vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.12
Duurzaamheid
4.12.1
Algemeen In 2021 is de Routekaart Duurzaam Overbetuwe 2021-2025 gepresenteerd. De routekaart geeft richting, kaders en doelen op hoofdlijnen mee op het gebied van duurzaamheid voor de komende 4 jaar. In kader van de nieuwe Omgevingswet, wordt zo de basis gelegd voor een meer programmatische aanpak. Uitwerking vindt plaats in meer specifieke beleidsnota’s en uitvoeringsplannen, waarbij duurzaamheid in alle gevallen een inclusief thema wordt. Duurzaamheid strekt zich daarbij uit tot
50
alle portefeuilles en is niet beperkt tot de portefeuille duurzaamheid. In de routekaart wordt gewerkt met 3 thema’s en 7 onderwerpen, zoals is weergegeven in de onderstaande afbeelding.
Routekaart Duurzaam Overbetuwe 2025 (bron: Routekaart Duurzaam Overbetuwe)
De onderwerpen hernieuwbare energie (energieproductie), energiebesparing, circulaire bedrijven (bedrijven en consumenten), biodiversiteit en groen en landschap (groene adaptieve omgeving) het meest relevant voor het plangebied. De ambities van de gemeente worden hieronder nader toegelicht: Energiebesparing: •
Wij willen het absolute energieverbruik laten dalen, streven is 1% per jaar;
•
Wij willen dit doen door een doelgroep-/sectorgerichte benadering;
•
Wij doen dit bij voorkeur in combinatie met duurzame energieproductie.
Energieproductie: •
We streven naar 17% duurzaam opgewekte energie in 2025;
•
Wij willen de geplande projecten (wind en zon) grootschalige elektriciteitsproductie realiseren à 168 GWh (604 TJ) tot 2030;
•
Wij willen een toename duurzame warmteproductie met een omvang van 2.400 woningen tot 2030, wij willen dit doen door uitvoering te geven aan de Transitievisie Warmte;
•
Wij willen individuele duurzame energieproductie (elektriciteit en warmte) blijven stimuleren.
Bedrijven en consumenten: •
Bedrijven CE minded maken zodat ontwikkeling meer autonoom wordt;
•
Consumenten CE minded maken zodat circulaire vraag groeit;
•
Consumenten bewuster laten omgaan met producten, minder afval;
•
Gebruik maken van duurzame materialen met een lage milieuvoetafdruk;
•
Voorzieningen bieden die de circulaire economie stimuleren.
51
Biodiversiteit: •
Wij willen aantrekkelijke natuur in openbaar groen en landschap bieden voor mens, plant en dier;
•
Een praktisch uitvoerbare aanpak moet verder worden ontwikkeld en uitgevoerd;
•
De biodiversiteit moet in omvang en kwaliteit toenemen;
•
Biodiversiteit tonen, laat de rijkdom van Overbetuwe zien.
Adaptieve groene omgeving: •
Een regionaal landschappelijk raamwerk biedt tegenwicht tegen verstedelijking met behoud en versterking van de bestaande landschappelijke kwaliteiten en het ontwikkelen van nieuwe landschappelijke zones;
•
De omgeving is beter bestand tegen het veranderende klimaat, zodat negatieve effecten van wateroverlast, langdurige droogte en hitte worden voorkomen of verminderd.
4.12.2
Toetsing De wooneenheden worden gasloos ontwikkeld en voldoen aan de nieuwste BENGnormen. De daken van de woningen worden voorzien van zonnepanelen. Binnen dit project wordt derhalve rekening gehouden met de energietransitie en wordt aandacht besteed aan energiebesparende maatregelen. De inrichting van de openbare ruimte heeft een zo groen mogelijk karakter, met toevoeging van bomen en hagen. Derhalve is er ruimte behouden voor klimaat adaptieve maatregelen en biodiversiteit. Het project is derhalve in lijn met de routekaart van de gemeente Overbetuwe.
4.12.3
Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.13
Natuur
4.13.1
Algemeen
4.13.1.1
Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze
52
brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. 4.13.1.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies.
Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
4.13.2
Toetsing Voor deze ontwikkeling zullen vier twee-onder-één-kap woningen worden gesloopt, om plaats te maken voor 16 rug-aan-rug-woningen. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In een
53
QuickScan flora en fauna7 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. De resultaten worden hieronder besproken. Soortenbescherming De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden (Gelders Natuur Netwerk of Groene Ontwikkelingszone). Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie zijn de effecten van stikstofemissie8 inzichtelijk gemaakt. De stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is onderzocht. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige natuurgebied is ‘Rijntakken’.
De stikstofemissies vanuit de bouw- en gebruiksfase zorgen niet voor stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Hiermee is aangetoond dat er geen mogelijke significante effecten vanwege de stikstofemissies van de sloop-, bouw- en gebruiksfase van het project op de natuurgebieden zijn. Het aspect stikstofdepositie staat de realisatie en het gebruik van de 16 rug-aanrug-woningen aan de Kerkstraat en Koningin Julianastraat te Randwijk niet in de weg. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt. Vervolgstappen Op 14 oktober 2024 zijn de woningen aan de Kerkstraat 26-30 en Koningin Julianastraat 2 te Randwijk ten aanzien van de gewone dwergvleermuis en huismus ongeschikt gemaakt. Volgens de verleende ontheffing dient er daarna een controle te worden uitgevoerd of dit volgens de voorschriften uit de ontheffing is gedaan. Daarnaast is een check uitgevoerd of nog aanwezige vleermuizen aanwezig waren
7
8
Blomecologie (2022). Quickscan Wet natuurbescherming Kerkstraat 26-28-30 en Kon. Julianastraat 2 te Randwijk. Projectnummer: 2022-0627, 29 juni 2022. Adromi Groep (2025). Stikstofdepositieonderzoek Realisatie nieuwbouwwoningen te Randwijk. M202351/2302b, 25-4-2025
54
in het pand. Op 15 oktober heeft een ecologisch adviseur een controle 9 uitgevoerd. Deze check heeft plaatsgevonden vanaf 18:20 tot 19:45. Hierbij is gebruikt gemaakt van een batdetector. Tijdens de controle is er vastgesteld dat de voorzieningen van het ongeschikt maken volgens de voorschriften zijn aangebracht. De gebouwen zijn gecontroleerd en tijdens deze controle is met behulp van de batdetector vastgesteld dat geen vleermuizen aanwezig waren in de omgeving van de woningen. Hierdoor zijn er dus ook geen vleermuizen waargenomen die binding hebben met de te slopen woningen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het ongeschikt maken voor vleermuizen is voltooid en dat er geen vleermuizen meer in de woningen bevinden. 4.13.3
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.14
Archeologie
4.14.1
Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100m 2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden.
De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.
4.14.2
Toetsing Op grond van het tijdelijke omgevingsplan is aan de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ toegevoegd. De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de verwachte 9
WSP (2024). Ecologische onderzoeken Woningstichting Heteren, Check ongeschikt maken en vleermuiscontrole. SOB022769, 6 december 2024
55
archeologische waarden. Gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen zijn op deze gronden slechts toelaatbaar, indien daarvoor omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders is verleend, tenzij op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut of het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 50 m2 en minder diep steekt dan 30 cm. De onderhavige ontwikkeling betreft een nieuw te bouwen oppervlak groter dan 50 m2, het uitvoeren van archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk. Derhalve is op de locatie een archeologisch bureau- en booronderzoek10 uitgevoerd. Binnen het onderzoek is de woningbouwlocatie aan de Kerkstraat tevens onderzocht. De resultaten van het onderzoek worden hieronder nader besproken. Het plangebied ligt op de Herveld beddinggordel die actief is van het Midden Neolithicum tot en met de Midden IJzertijd. In het plangebied kunnen daarom archeologische resten uit deze perioden en daarna aanwezig zijn.
Een terrein van hoge archeologische waarde (de historische kern van Randwijk) ligt ongeveer 60 meter ten noordwesten van het plangebied. Het plangebied is onbebouwd op het kadastraal minuutplan uit het begin van de 19e eeuw en is in gebruik als bouwland en tabaksland. In Randwijk is gevochten tijdens de Tweede Wereldoorlog. De huidige bebouwing stamt uit de tweede helft van de 20e eeuw. In het plangebied zijn achttien boringen gezet met einddieptes tussen 150 en 300 cm -mv. Hieruit blijkt dat het bodemprofiel bestaat uit oever- op beddingafzettingen van de Herveld beddinggordel. In de top van de oeverafzettingen is een bouwvoor van 20 tot 35 cm dik ontwikkeld. Ter hoogte van de bebouwing zijn diepere verstoringen aanwezig tot 75 cm -mv. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor langdurige menselijke aanwezigheid. Ontkalkte of archeologische lagen en fosfaatvlekken zijn afwezig. Aan de oppervlakte liggen aardewerkfragmenten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd vermengd met 20e en 21e-eeuws glas en plastic die met mest of als zwerfafval in de bouwvoor is beland. Dit afval is waarschijnlijk afkomstig van de historische kern van Randwijk die ten noorden van het plangebied ligt. Eventuele resten in het plangebied beperken zich naar verwachting tot sporen van agrarisch gebruik, zoals greppels en sloten.
De kans op aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten wordt als klein ingeschat. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
10
Bureau voor Archeologie (2024). Kerkstraat 26-30 en 31 en Koningin Julianastraat 2, Randwijk, gemeente Overbetuwe: bureau- en booronderzoek in de verkennende en karterende fase. Rapportnummer: 1438. 27 maart 2024.
56
4.14.3
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.15
Cultuurhistorie
4.15.1
Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
4.15.2
Toetsing In het besluitgebied bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. In de omgeving bevinden zich twee gemeentelijke monumenten, deze worden door de voorliggende ontwikkeling echt niet aangetast. Daarnaast is bij het stedenbouwkundig ontwerp aansluiting gezocht op de bebouwing in de omgeving van het besluitgebied, waardoor het huidige straatbeeld zoveel mogelijk behouden blijft. Het gebied ligt op basis van de omgevingsverordening binnen het landschap Overbetuwe, dit is behandeld in paragraaf 3.2.2 van deze motivering. Hieruit is gebleken dat het project rekening houdt met de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van dit landschap.