26-01-27.17 Relevant stuk 3. Ruimtelijke motivering BOPA Kon. Julianastraat Randwijk
Tekst van het document
Koningin Julianastraat, Randwijk Motivering buitenplanse omgevingsactiviteit Gemeente Overbetuwe
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
1 augustus 2025, projectnummer 230428
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
3
1.3
Leeswijzer
4
Planbeschrijving
6
2.1
Huidige ruimtelijke situatie
6
2.2
Huidige juridisch-planologische situatie
8
2.3
Toekomstige situatie
9
2.4
Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan
12
Beleidskader
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal beleid
15
3.3
Regionaal beleid
19
3.4
Gemeentelijk beleid
21
Gevolgen fysieke leefomgeving
24
4.1
Milieueffectrapportage
24
4.2
Bodem
26
4.3
Geluid
27
4.4
Trillingen
32
4.5
Luchtkwaliteit
33
4.6
Geur
35
4.7
Ontplofbare oorlogsresten
37
4.8
Omgevingsveiligheid
38
4.9
Gezondheid
41
4.10
Water
42
4.11
Klimaatadaptatie
47
4.12
Duurzaamheid
50
4.13
Natuur
52
4.14
Archeologie
55
4.15
Cultuurhistorie
57
4.16
Mobiliteit en parkeren
57
4.17
Ladder voor duurzame verstedelijking
60
4.18
Omgevingskwaliteit
61
5
6
Uitvoerbaarheid
63
5.1
Economische uitvoerbaarheid
63
5.2
Participatie en overleg
63
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Bijlagen Bijlage 1:
Mer-beoordeling
Bijlage 2:
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3:
Akoestisch onderzoek wegverkeer
Bijlage 4:
Geuronderzoek
Bijlage 5:
Weging van het waterbelang
Bijlage 6:
Quickscan Wnb
Bijlage 7:
Check ongeschikt maken en vleermuiscontrole
Bijlage 8:
Archeologisch onderzoek
Bijlage 9:
Verkeersonderzoek
Bijlage 10:
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Bijlage 11:
Notitie stikstofdepositie
Bijlage 12:
Projectleiderssamenvatting ontplofbare oorlogsresten
Bijlage 13:
Verslag participatietraject
66
1 Inleiding 1.1
Aanleiding De gemeente Overbetuwe hecht veel waarde aan huisvesting voor alle doelgroepen. Daarom bestaat het voornemen aan de kruising van de Kerkstraat en de Koningin Julianastraat te Randwijk 16 rug-aan-rug-woningen te realiseren. De woningen zullen voorzien in een deel van de lokale woningbehoefte. Naast de rug-aanrug-woningen, worden tevens 15 grondgebonden woningen gerealiseerd ten westen van de Kerkstraat. Voor deze woningen wordt een andere procedure doorlopen en maken zodoende geen onderdeel uit van deze motivering. In een aantal onderzoeken worden beide projecten echter behandeld binnen één onderzoek. De ontwikkeling past niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Daarom wordt van het omgevingsplan afgeweken met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een BOPA moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de BOPA.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied Het besluitgebied maakt onderdeel uit van de kern Randwijk gelegen in het noordwesten van de gemeente Overbetuwe. Het noorden en westen van het besluitgebied worden begrenst door bestaande woningen. De Kerkstraat en de Koningin Julianastraat begrenzen het oosten en zuiden van het besluitgebied. Kadastraal gezien maakt het besluitgebied deel uit van het kadastrale perceel Randwijk, sectie C en nummer 1557. De oppervlakte van het besluitgebied is 2.270 m2. In navolgende afbeelding is het besluitgebied met een rode ster weergegeven binnen de kern Randwijk en haar omgeving. De volgende afbeelding geeft de begrenzing van het besluitgebied weer.
3
Projectlocatie, weergegeven met de rode ster, binnen de kern Randwijk (bron: arcgis.com/mapviewer)
Begrenzing besluitgebied weergegeven met het rode kader (bron: arcgis.com/mapviewer)
1.3
Leeswijzer De voorliggende motivering bij het afwijken van het omgevingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in het besluitgebied, waarbij zowel de ruimtelijke,
4
juridisch-planologische, als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt kort ingegaan op de nieuwe ontwikkeling en de strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het derde hoofdstuk gaat in op de relevante geldende beleidskaders die van invloed zijn op de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in hoeverre de ontwikkeling gevolgen heeft op de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling en de participatie en het overleg dat heeft plaatsgevonden. Tot slot bevat het laatste hoofdstuk een conclusie hoe de ontwikkeling aansluit op het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5
2 Planbeschrijving 2.1
Huidige ruimtelijke situatie
2.1.1
Historische ontwikkeling Het dorp Randwijk is in de vroege Middeleeuwen ontstaan op een kruising van een evenwijdig langs de rivier Neder-Rijn gelegen stroomrug en een dwars op deze rivier lopende stroomrug richting Zetten. In tegenstelling tot de meeste dorpen aan de grote rivieren, heeft geen evenwijdige dorpsuitbreiding langs de dijk plaatsgevonden, maar is een verdraaiing ten opzichte van de rivier c.q. de Randwijkse Rijndijk ontstaan. De oorspronkelijke structuur van Randwijk wordt bepaald door de van noordwest naar zuidoost lopende Achterstraat en Bredeweg, als verbinding tussen de Randwijkse Rijndijk en de Nijburgsestraat (N837) tussen Heteren en Zetten. Tussen deze wegen bevond zich een groot open dorpsgebied met daarin de kerk en de boerderijen langs de Kerkstraat, de Erfstraat en de Dijkstraat. De noordwestelijke - zuidoostelijke hoofdstructuur met daarin korte dwarsverbindingen is karakteristiek voor Randwijk. In de tweede helft van de 20e eeuw is geleidelijk de moderne dorpsstructuur ontstaan.
Ontwikkeling Randwijk 1880 - 1925 - 1970 - 2020 (bron: topotijdreis.nl)
2.1.2
Ruimtelijke en functionele structuur De ruimtelijke structuur van Randwijk is grofweg te onderscheiden in drie onderdelen: de historische bebouwing en linten, de uitbreidingen in de 6
wederopbouwperiode tot de jaren '70 en enkele recentere uitbreidingen. Het besluitgebied valt onder de historische linten. In Randwijk vormen de Achterstraat, de Bredeweg (vroeger: Puinweg) en de Kerkstraat/Erfstraat het oudste gedeelte van de kern Randwijk. Deze wegen sluiten allemaal aan op de Randwijkse Rijndijk aan de westkant en lopen in oostelijke/zuidoostelijke richting. De kerk en omgeving vormen de kern van het dorp. Aan deze wegen loopt de bebouwde kom loopt geleidelijk over in het buitengebied en de lintbebouwing verandert van ruim opgezette landelijke bebouwing in de vorm van (voormalige) boerderijen naar meer aaneengesloten stedelijke bebouwing. De bebouwing aan deze wegen is grotendeels vóór de Tweede Wereldoorlog tot stand gekomen, alsmede deels tijdens de wederopbouwperiode. Het meest voorkomende woningtype is de vrijstaande woning bestaande uit één tot twee bouwlagen met kap. De hoofdvorm is eenvoudig, meestal gebaseerd op een rechthoek, met een zadeldak. De goot- en bouwhoogte variëren, maar de boerderijen hebben meestal een lage goothoogte. De rooilijn wordt niet strikt gevolgd. De hoofdfunctie binnen de kern Randwijk is wonen. De (agrarische) bedrijvigheid, die voorheen op grotere schaal binnen de kern voorkwam, is voor een groot deel beëindigd of weggetrokken naar het buitengebied of bedrijventerreinen.
Verder zijn er nog enkele niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke functies in de kern gevestigd. Het besluitgebied ligt aan de kruising van de Koningin Julianastraat en de Kerkstraat aan de oostelijke rand van het dorp. Het gebied wordt omgeven door bestaande woningen en bebouwing. Binnen het besluitgebied bevinden zich twee twee-onder-één kap woningen die net na de oorlog zijn gebouwd en in eigendom zijn van de woningstichting. De woningen zijn voorzien van een grote tuin en met uitzondering van oprijlanen en de woningen zelf zijn de percelen grotendeels onverhard. De woningen bestaan uit één bouwlaag met kap en zijn voorzien van een berging. De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van het besluitgebied.
Uitzicht op het noordelijke deel van het besluitgebied vanaf de Kerkstraat (bron: google streetview)
7
Uitzicht op het zuidelijke deel van het besluitgebied vanaf de Kerkstraat (bron: google streetview)
Uitsnede van een luchtfoto met besluitgebied rood omkaderd (bron: PDOK)
2.2
Huidige juridisch-planologische situatie Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, waardoor het (tijdelijke) Omgevingsplan gemeente Overbetuwe van kracht is. De op dat moment vigerende bestemmingsplannen zijn opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan, voor onderhavige besluitgebied gelden de regels welke opgenomen zijn in het voormalige bestemmingsplan ‘Herziening Randwijk’ van de gemeente Overbetuwe. Binnen dit plan zijn aan de locatie de bestemming ‘Wonen’ toegekend. Ook kent het gehele besluitgebied de dubbelbestemming ‘Archeologie (dubbelbestemming)’. In de navolgende afbeelding is de verbeelding van het voormalig bestemmingsplan ‘Herziening Randwijk’ opgenomen voor het besluitgebied. 8
Verbeelding voormalig bestemmingsplan ‘Herziening Randwijk’ met besluitgebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Ter plaatse van het besluitgebied gelden tevens de regels uit de bruidsschat, welke onderdeel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan.
2.3
Toekomstige situatie Het voornemen bestaat om het besluitgebied te herontwikkelen ten behoeve van 16 rug-aan-rug-woningen in het sociale huursegment. Om dit mogelijk te maken zullen de 4 aanwezige twee-onder-één-kapwoningen worden gesloopt. Het doel is om een gevarieerd en betaalbaar woningbouwprogramma te realiseren in combinatie met de ontwikkeling aan de Kerkstraat. De onderstaande afbeelding geeft in vogelvlucht het gehele plan weer, met op de voorgrond de 16 rug-aan-rug woningen.
9
Stedenbouwkundig ontwerp gehele plan Randwijk (bron: AGB van Dijk)
Het gebouw bestaat uit twee woonlagen met kap en is voorzien van een mansardedak met dakpannen. Er wordt uitgegaan van een maximum goothoogte van 3 meter en een maximum bouwhoogte van 9 meter. Op deze manier sluit de nieuwbouw qua aard en schaal aan op de omgeving. Het geheel krijgt hierdoor dezelfde karakteristieke kenmerken als de omliggende gebouwen in Randwijk. Het dorpse karakter wordt benadrukt door de manier waarop het gebouw op het perceel geplaatst is. Zo wordt de wisselende rooilijn ter plaatse van de Kerkstraat in stand gehouden. Aan de voorzijde aan de Kerkstraat is ruimte voor een brede stop en wordt ruimte vrijgehouden voor langsparkeerplaatsen en groen. Dit profiel is verder doorgetrokken richting de Koningin Julianastraat. De woningen zijn voorzien van een terras/kleine tuin die worden afgescheiden met een lage heg. Parkeren is grotendeels op eigen terrein beoogd. Aan de achterzijden van het gebouw worden in totaal 13 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze zijn bereikbaar met een grote oprit die verbonden is met de Kerkstraat. Aan de straat zijn daarnaast 7 langsparkeerplaatsen aan de Kerkstraat en 12 parkeerplaatsen aan de Koningin Julianastraat voorzien. Verder wordt aan de achterzijde van het pand een apart bijgebouw met bergingen gerealiseerd, zodat elk van de woningen een aparte opslagruimte heeft.
Aan de zijkanten en achter het pand is wederom ruimte vrijgehouden voor groen en bomen. De onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.
10
Impressie beoogde rug-aan-rug-woningen (bron: AGB van Dijk)
11
2.4
Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan De bouw van de woningen is niet toegestaan op basis van de opgenomen regels in het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. De woningen komen buiten het bestaande bouwvlak te liggen. Daarnaast zijn ter plaatse van het besluitgebied slechts twee dubbele woningen bestaande uit één bouwlaag toegestaan. Ter plaatse van het besluitgebied gelden tevens de regels uit de bruidsschat, welke onderdeel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan. Het voorliggende plan maakt geen milieubelastende activiteiten mogelijk, waardoor er geen strijd ontstaat met de instructieregels uit het Bkl. De regels uit de bruidsschat voor bouwwerken, open erven en terreinen zijn wel van toepassing voor een woningbouwplan. Deze regels staan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet in de weg. De ontwikkeling past niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijke omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt afgeweken van het tijdelijke omgevingsplan door middel van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
12
3 Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale omgevingsvisie De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: •
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
•
duurzaam economisch groeipotentieel;
•
sterke en gezonde steden en regio's;
•
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 16 rug-aan-rug-woningen. Binnen het plan wordt ingespeeld op de specifieke behoefte aan sociale huurwoningen die geschikt zijn voor senioren en starters. Daarnaast is aandacht besteed aan de kenmerken en identiteit van de al bestaande woningen in de omgeving. De inrichting van de openbare ruimte heeft een zo groen mogelijk karakter, met toevoeging van bomen en hagen. Verder worden de woningen toekomstbestendig en duurzaam gebouwd.
De voorliggende ontwikkeling is daarmee in lijn met de doelstellingen van de NOVI. 3.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. In het besluit staan:
13
•
instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten: het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed, maar ook inhoudelijke randvoorwaarden voor de programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterprogramma’s, de actieplannen geluid en de beheerplannen voor Natura 2000gebieden.
•
omgevingswaarden: het Bkl bevat o.a. omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater.
•
regels voor omgevingsvergunningen: dit betreft de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning.
•
monitoring en informatie: dit gaat over de regels over monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens, kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving.
Toetsing Op basis van het Bkl is het besluitgebied gelegen binnen de Romeinse Limes. Romeinse Limes is de locatie bekend als een serie van archeologische monumenten van de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn: a de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk; en b archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Christus langs de toenmalige loop van de Rijn, bestaande uit: 1 forten (castella), burgerlijke nederzettingen (kampdorpen/vici) en grafvelden; 2 militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens; en 3 scheepswrakken. Er is archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie ter bescherming van de archeologische waarden binnen het gebied, dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.14. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen regels gesteld over regels in omgevingsplannen en projectbesluiten. Er zijn in de Omgevingsverordening Gelderland echter geen regels opgenomen over de Romeinse Limes binnen het besluitgebied.
Op basis van het Bkl is het besluitgebied eveneens gelegen binnen ‘Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra’. Binnen dit gebied laat het omgevingsplan geen hyperscale datacentrum toe. Met voorliggende project wordt de realisatie van 16 rugaan-rug woningen mogelijk gemaakt, er wordt geen hyperscale datacentrum
14
gerealiseerd. Daarnaast is het besluitgebied gelegen binnen ‘Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren’. De locatie valt binnen het gebied van radarstation Herwijnen waar bouwwerken die hoger zijn dan 90 meter het radarbeeld kunnen verstoren. De woningen hebben een maximale bouwhoogte van 9 meter.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: •
energietransitie: van fossiel naar duurzaam;
•
klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer;
•
circulaire economie: sluiten van kringlopen;
•
biodiversiteit: werken met de natuur;
•
bereikbaarheid: duurzaam verbonden;
•
vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio;
•
woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.
Toetsing Met betrekking tot de woon- en leefomgeving streeft de provincie naar duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Hierbij sluit het aanbod aan woningtypen en woonmilieus aan bij de diversiteit van de woningvraag. Dit betekent voor iedereen een duurzame passende woning, waarbij de bestaande bebouwde omgeving optimaal wordt benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Daarnaast wordt alle nieuwbouw aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van 16 rug-aan-rug-woningen binnen de kern Randwijk. Het project speelt in op de lokale behoefte naar starters en seniorenwoningen. De woningen worden gasloos en volgens de nieuwste BENG-normen gerealiseerd en de daken van de woningen worden voorzien van zonnepanelen. Het terrein wordt klimaatadaptief ingericht met toevoeging van bomen en hagen. De voorgenomen 15
ontwikkeling is daarmee in lijn met het gegeven uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3.2.2
Omgevingsverordening De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie er waarde aan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Boringsvrije zone De provincie heeft vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving een zorgplicht voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater vanwege de waterwinning.
De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden. Daarom zijn binnen de provincie verschillende grondwaterbeschermingsgebied opgenomen. Binnen de boringsvrije zone is het verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten: het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk of handelingen waardoor de beschermende werking van een bodemlaag wordt of kan worden aangetast. Het is tevens verboden om bodemenergiesystemen aan te leggen, de bodem te roeren dieper dan 3 meter onder het maaiveld en een boorgat dieper dan 3 meter onder het maaiveld buiten gebruik te stellen zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de werkzaamheden aan Gedeputeerde Staten te melden. Daarnaast worden er extra eisen gesteld bij het verrichten van grondwaterbedreigende activiteiten. Met het onderhavig project worden echter geen mijnbouwwerk of grondwaterbedreigende activiteit gerealiseerd. Ook worden er geen handelingen verricht waardoor de beschermende werking van een bodemlaag wordt of kan worden aangetast. Beschermen van landschap De provincie wil de landschappelijke waarden binnen de provincie behouden, beschermen en in stand houden. Daarom moet de toelichting van een omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het
16
plangebied aanwezige kernkwaliteiten bevatten, als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat. Het besluitgebied is gelegen binnen de Gelderse streek Over-Betuwe. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Over-Betuwe wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Over-Betuwe. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen zijn weergegeven in de navolgende tabel:
Kernkwaliteiten 1
Ontwikkeldoelen
Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse
Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening
poort van de delta”) tussen Pannerdens Ka-
met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwali-
naal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling
teiten van Over-Betuwe. De ontwikkeling van
van enkele nog relatief open (vrij van bebou-
het landschap van Over-Betuwe richten op de
wing) overwegend agrarische landschappen. versterking van de identiteit als ‘poort van de delta’. Creëren van een robuust landschap als groene basis voor het verstedelijkende landschap van Arnhem-Nijmegen. Dijkversterking met versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de dijk als scenic route. 2
Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de
De aantrekkingskracht van de landschappelijk
stuwwallen van Montferland, Nijmegen en
unieke splitsingspunten van rivieren meer toe-
Veluwe. Met indrukwekkende en unieke split- ristisch-recreatief benutten. singspunten van rivieren: Rijn-Waal en RijnIJssel. Ruimtelijke ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt. 3
Rivierengebied met klassieke opbouw van ri-
Accentueren van de landschappelijke opbouw
vier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajec- van het rivierengebied: rivieren met natuurrijke ten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen
uiterwaarden, kleinschalige diversiteit op de oe-
en min of meer open (lager gelegen) kom-
verwal met veel historische waarden en een ri-
gronden. Landschap mede gevormd door
vierkomlandschap met rationele verkaveling en
continue strijd tegen het water en de klei-,
grote maten. In contrast met de hoge, droge en
zand- en grindwinning van de laatste decen-
bosrijke (en zichtbare) stuwwallen Veluwe en
nia. Dorpspolderstructuren met (dwars)dij-
Nijmegen.
ken, kaden, weteringen, sluizen etc. 4
Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnen-
Zichtlijnen behoeden voor verstorende elemen-
dijkse landschap, over de rivieren en naar de
ten.
stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen. 5
Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen
Voorkomen dat het verstedelijkte gebied door
via ‘riviersprongen’, aangevuld met land-
mogelijk conflicterende, ruimtelijke ontwikkelin-
schapspark Lingezegen als buffergebied.
gen verrommelt, door te sturen op ruimtelijke
Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur
kwaliteit en adequaat in te zetten op aantrekke-
en bebouwing.
lijke landschapsbouw: door inrichting van een 17
robuuste groene dooradering van het hele landschap met Park Lingezegen als belangrijke kern, gekoppeld aan verbeterde recreatieve toegankelijkheid, goed aangesloten op de steden en dorpen. Zorgvuldige ruimtelijke ordening van ontwikkelingen langs de snelwegen (inclusief doortrekking van A15), gekoppeld aan landschappelijke investeringen, om ecologische barrièrewerking en landschappelijk kwaliteitsverlies te voorkomen. 6
Gegraven Linge als structurerend land-
Versterken van de Linge als landschapsstruc-
schapselement.
tuur, gekoppeld aan kansen voor natuur, waterbeheer en recreatie.
7
Waardevol open komgebied Hollanderbroek:
Behoud van de open weidsheid door zeer terug-
uitgestrekt grootschalig open landschap en
houdendheid te zijn ten aanzien van ruimtelijke
rustig en stil gebied met oud ontwaterings-
ontwikkelingen. Blijvend benutten voor grond-
systeem met de Linge. Zicht op de stuwwal-
gebonden en duurzame veehouderij en moge-
len van het Veluwemassief.
lijk voor klimaatadaptatie. Zoveel mogelijk de karakteristieke verkaveling en zichtlijnen respecteren.
8
IJssellinie: (relicten van) een historische ver-
De IJssellinie behouden en markante onderde-
dedigingslinie uit de jaren 50 van de 20e
len herstellen en recreatief toegankelijk maken,
eeuw.
mogelijk in combinatie met klimaatadaptatie in de voormalige inundatievlakten.
9
Ecologische waarden met name langs de ri-
Intensief inzetten op het verder aanleggen van
vieren en zegen en in weidevogelgebieden.
ecologische verbindingszones en behoud en
Natura 2000 waarden in Rijntakken en Huis-
ontwikkeling van weidevogelgebieden.Bescher-
sense waarden.
men Natura 2000 waarden.In de uiterwaarden is, naast de functie voor de doorstroming van het rivierwater en voor landbouw, natuur- en landschapsontwikkeling van belang, evenals benutting als recreatief uitloopgebied voor de steden en dorpen en voor klimaatadaptatie.
10
11
Overblijfselen en verwijzingen naar de Hol-
Bijzondere aandacht geven aan de beleefbaar-
landse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes
heid van de cultuurhistorische linies als uniek
(UNESCO-waarde).
deel van het rivierenlandschap.
Relatieve stilte en rust als contrast met de
Verschillende recreatievormen afstemmen op
stedelijke zones, zoals in omgeving van Door- rust en stilte, eventueel werken met zonering. nenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek. De omgeving van de kern Randwijk bestaat nog steeds uit een relatief open en overwegend agrarisch landschap. Door de woningen te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied, blijft dit landschap zo veel mogelijk behouden. Daarnaast wordt met het ontwerp aangesloten op bestaande (historische) bebouwing in de 18
omgeving van het besluitgebied. De woningen worden gerealiseerd op de oorspronkelijke oeverwal waardoor ook de klassieke opbouw van het rivierlandschap niet wordt aangetast. Daarnaast zijn de woningen vanaf de Randwijkse Rijndijk niet te zien, waardoor het vrije uitzicht vanaf de dijk niet wordt aangetast. De werkzaamheden kunnen van invloed zijn op Natura 2000-gebied de Rijntakken, dat op ca. 300 meter van het besluitgebied ligt. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.13. De projectlocatie ligt niet nabij Park Lingezegen, de Linge, het komgebied Hollanderbroek, de IJssellinie, de omgeving van Doornenburg en de brede uiterwaarden. De genoemde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen gerelateerd aan deze locaties zijn daarom niet relevant voor het besluitgebied. De locatie valt wel binnen de Limes. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie om vast te stellen of er mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn binnen het besluitgebied. De toetsing aan het aspect archeologie en het archeologisch onderzoek wordt nader toegelicht in paragraaf 4.14. Wonen In artikel 5.64 van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgelegd dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. In paragraaf 3.3.1 en 3.3.2 wordt getoetst aan de regionale woondeal regio Arnhem-Nijmegen en de Woonagenda subregio Arnhem.
Daarnaast worden in paragraaf 4.17 de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte op lokaal niveau besproken. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen de doelstellingen van het woonbeleid. Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In de beschrijving worden in ieder geval de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte betrokken. Daarnaast moet de opgestelde beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap. Het aspect klimaatadaptatie wordt nader besproken in paragraaf 4.11.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Woondeal 2.0 regio Arnhem-Nijmegen Het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeenten uit de regio Arnhem-Nijmegen hebben gezamenlijk een woondeal gesloten. De woondeal regio Arnhem-Nijmegen bevat afspraken over onderwerpen en thema’s die van belang zijn voor de gehele regio, zoals de woningbouwopgave, het betaalbaar houden van de woningvoorraad, het versterken van het groene profiel van de regio en de bereikbaarheids- en leefbaarheidsvraagstukken. Dit heeft geleid tot kernafspraken op het gebied van: 1 Woningbouwopgave en versnelling 2 Betaalbaarheid 3 Groen en circulair 19
4 Leefbaarheid 5 Verstedelijking en gebiedsontwikkeling 6 Specifieke doelgroepen en overige thema’s In de woondeal wordt aangegeven dat de regio te maken heeft met een autonome groeiopgave, een bestaand woningtekort en een hoge binnenkomende migratie uit binnen- en buitenland. Geconstateerd wordt dat tot 2030 een minimale bouwproductie van 33.000 nieuwe woningen nodig is. Dit betekent een ophoging van de realisatie van nu 3.300 woningen per jaar naar zo’n 3.700 woningen per jaar. Op dit moment is er voor de periode tot en met 2030 voldoende plancapaciteit van minimaal 48.000 woningen, waarvan 13.800 woningen harde plancapaciteit. Daarmee is er in theorie voldoende plancapaciteit en zijn er mogelijkheden om eventueel een grotere productie te realiseren ten behoeve van een toenemende woningbehoefte. Daarnaast heeft de regio afgesproken om 2/3 van de zachte plancapaciteit te realiseren in het betaalbare segment (sociale- en middeldure huur en betaalbare koop tot de NHG-grens, conform landelijke definities) en in de nieuwe woningbouwplannen spannen partijen zich in om minimaal 25% circulair te laten ontwikkelen. Ook leefbaarheid speelt een belangrijke rol, de regio spant zich in om sterke, toekomstbestendige en gemengde/gedifferentieerde wijken te realiseren.
Daarnaast zijn afspraken gemaakt over de huisvesting van speciale doelgroepen als kwetsbare groepen, ouderen, dak- en thuislozen, arbeidsmigranten, woonwagenbewoners, studenten en jongeren. Toetsing Voorliggend plan is reeds opgenomen in de zachte plancapaciteit. Met de uitvoering van onderhavig plan wordt de zachte plancapaciteit omgezet naar harde plancapaciteit en wordt een bijdrage geleverd aan de ambities zoals gesteld in de Woondeal. In de planmonitor van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is de plancapaciteit per gemeente opgenomen. Voor de gemeente Overbetuwe geldt dat circa 51% van de plancapaciteit ‘zacht’ is. Met voorliggend plan worden 16 woningen gerealiseerd. De gemeente kent een restopgave van 2.845 woningen. Het voorliggend past daarom binnen de plancapaciteit. Binnen het besluitgebied worden alleen levensloopbestendige sociale huurwoningen gerealiseerd. Daarom valt de gehele ontwikkeling binnen het betaalbaar segment (sociale huur en betaalbare koop), waardoor ruim wordt voldaan aan de doelstelling van de woondeal. De woningen worden duurzaam en gasloos ontwikkeld en binnen het plan wordt aandacht besteed aan klimaatadapatieve maatregelen. De woningen zijn geschikt voor ouderen en starters, derhalve is er oog voor speciale doelgroepen. Het project is in lijn met de woondeal regio Arnhem-Nijmegen.
20
3.3.2
Woonagenda subregio Arnhem Voor de subregio Arnhem en omgeving (gemeenten Arnhem, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden en Rozendaal) is voor de periode 2019-2030 behoefte aan een netto toevoeging van circa 12.510 te realiseren woningen. De groei is het grootst in de komende vijf jaar: een kleine 1.800 woningen gemiddeld per jaar. In de huidige plancapaciteit van gemeenten zijn ca. 12.000 woningen opgenomen, waarvan ruim 6.300 in harde plannen en ruim 5.700 in zachte plannen is. Er zijn nog onvoldoende plannen om te voorzien in de restopgave tot 2025. Verder is er weinig ruimte voor planuitval, terwijl de praktijk leert dat hiermee wel rekening moet worden gehouden. Bij goed adaptief programmeren is het nodig dat er steeds voldoende potentiële bouwplannen klaarliggen om vertraging en uitval zoveel mogelijk te beperken. Toetsing Het onderhavig plan valt onder de zachte plancapaciteit binnen de gemeente Overbetuwe en voorziet in de lokale woningbehoefte. Het plan past binnen de woonagenda subregio Arnhem.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 De gemeenteraad van Overbetuwe heeft op 1 oktober 2019 de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie is erop gericht de kwaliteit van de leefomgeving op niveau te houden en waar mogelijk (verder) te verbeteren. Een vitale en aantrekkelijke leefomgeving in Overbetuwe is belangrijk, voor nu en in de toekomst. Om deze optimaal te houden, hanteert Overbetuwe haar identiteit als fundament. De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid. In de (door)ontwikkeling als gebied, moet rekening gehouden worden met belangrijke trends. Deze trends dwingt Overbetuwe in de verdere ontwikkeling te kiezen voor een focus op zes opgaven: •
Vitaal buitengebied in beweging,
•
Innovatieruimte voor ondernemerschap,
•
Samen werken aan energietransitie,
•
Gevarieerde dorpse woonomgeving,
•
Netwerk verbonden met samenleving,
•
Voorzieningen geclusterd.
21
Toetsing Het besluitgebied valt binnen de bebouwde kom van Randwijk en voorziet in een deel van de lokale woningbehoefte. De woningen worden duurzaam ontwikkeld waarbij aandacht wordt besteed aan de energietransitie en klimaatadaptatie door het aanleggen van zonnepanelen en groen. Ook worden de woningen stedenbouwkundig logisch ingepast. Het project draagt dan ook bij aan het bereiken van een kwalitatief goede en gevarieerde dorpse woonomgeving, door het toevoegen van verschillende woonvormen die passen binnen een dorpse omgeving en aansluiten op de stedenbouwkundige structuur van Randwijk. De beoogde ontwikkeling past derhalve binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.4.2
Woonagenda Overbetuwe 2025 In de Woonagenda 2025 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een uitgangspuntennotitie opgesteld. Daarnaast vonden woningmarktanalyses en gesprekken met stakeholders bij de voorbereiding van de Woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. Centraal staat dat de gemeente over voldoende woningen met de juiste kwaliteit wil beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief. De Woonagenda omvat vier centrale thema's: •
Voorraadstrategie: nieuw en bestaand;
•
Verduurzaming en koppelkansen;
•
Bijzondere doelgroepen en woonvormen;
•
Wonen en zorg.
Elk van deze thema's is nader beschouwd in de Woonagenda. De woningbehoefte voor de gemeente Overbetuwe in de periode 2019-2030 is minstens 2.000 woningen. De woningbouwproductie blijft achter bij deze groei. Daarnaast wil de gemeente een extra bijdrage leveren aan de versnellings- en groeiopgave vanuit de regionale Woondeal. Dit gaat om een nog nader te bepalen aantal woningen, waarbij gedacht wordt aan circa 3.000 à 4.000 extra woningen in het middengebied (Overbetuwe en Lingewaard). In kwalitatief opzicht is van belang dat betaalbaar wonen onder druk staat. Dit heeft verschillende oorzaken. De gemeente werkt in de Woonagenda toe naar een streefprogramma in de woningbouwprogrammering om de woningmarkt beter in balans te krijgen. Hierin wordt ook rekening gehouden met de veranderende woningvraag door bekende trends, zoals het toenemende aantal eenpersoonshuishoudens en de groei van het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder.
22
Toetsing Met de realisatie van 16 sociale huurwoningen levert dit plan een extra bijdrage aan de versnellings- en groeiopgave binnen de gemeente. Met het levensloopbestendige en relatief kleine karakter van de wooneenheden wordt ingespeeld op het toenemende aantal eenpersoonshuishoudens en de groei van het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder. Vanwege de bouw van levensloopbestendige woningen waarbij met het aanleggen van zonnepanelen en groen aandacht wordt besteed aan de energietransitie en klimaatadaptatie, is er sprake van een duurzame ontwikkeling. Het plan is derhalve in lijn met de ambities van de Woonagenda Overbetuwe 2025.
23
4 Gevolgen fysieke leefomgeving 4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
4.1.2
Toetsing Onderhavig project (de realisatie van de woningen) is een project zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit, namelijk ‘een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (nr. J11). Voor dit project geldt een mer-beoordelingsplicht, aangezien sprake is van aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een directe mer-plicht is voor projecten onder nummer J11 niet van toepassing. Vanwege het feit dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling nodig. In de m.e.r.-beoordeling1 is beoordeeld of vanwege de 1
SAB (2025). Mer-beoordeling Randwijk woningbouwontwikkeling Kerkstraat en Koninging Julianastraat. 230428 en 230429, 28 april 2025
24
woningbouwontwikkeling nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer. Aspect
Beoordeling milieueffecten
Natuur
Op grond van het stikstofonderzoek kunnen
(gebiedsbescherming)
negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof worden uitgesloten.
Natuur
Volgens de verleende ontheffing is er een controle
(soortenbescherming)
uitgevoerd of de panden ongeschikt zijn gemaakt voor beschermde soorten en of dit volgens de voorschriften uit de ontheffing is gedaan. Daarnaast is een check uitgevoerd of nog aanwezige vleermuizen aanwezig waren in het pand. Uit deze check blijkt dat er geen vleermuizen aanwezig zijn.
Verkeer
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de omliggende wegen zonder te verwachten afwikkelingsproblemen. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht.
Geluid
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er geen sprake zijn van een merkbare toename van de geluidbelasting als gevolg van de extra verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve (milieu)effecten zijn daarmee uitgesloten.
Luchtkwaliteit
Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de projectbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.
Archeologie
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek. Daaruit blijkt dat de gronden op de plaats van de ontwikkeling geen noemenswaardige sporen bevatten. Negatieve (milieu)effecten zijn niet te verwachten.
4.1.3
Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de bijbehorende effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
25
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
4.2.2
Toetsing Vanwege de realisatie van bodemgevoelige objecten in de vorm van woningen is er een verkennend bodemonderzoek2 conform de NEN 5740 uitgevoerd om te bepalen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 2.270 m2. De locatie betreft een viertal woningen (2 twee-onder-één-kap blokken) met voor- en achtertuin. Tijdens de visuele terreininspectie zijn geen mogelijk bodem belastende omstandigheden of activiteiten waargenomen op de onderzoekslocatie. Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de bodem van de onderzoekslocatie niet of slechts licht verontreinigd is en derhalve de hypothese ‘onverdacht’ geldt. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: de bodem is opgebouwd uit zand met in de ondergrond leem en veenlagen; •
Zintuigelijk is in de bodemlaag van 0,2 tot 0,5 m-mv ter plaatse van boring 109 (voortuin Julianastraat 2) een bodemvreemde bijmenging aangetroffen in de vorm van baksteenpuin. Ter plaatse van het overige terrein zijn geen bijzonderheden waargenomen.
•
In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen en PAK aangetroffen.
•
2
In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan nikkel aangetoond.
Vink Milieutechnisch Adviesbureau (2024). Verkennend bodemonderzoek; Kerkstraat 26-30 en Julianastraat 2 te Randwijk. Projectnummer: P23M0107, 16 januari 2024.
26
•
De bodemlaag onder de aangetroffen bodemvreemde bijmening ter plaatse van boring 109 is (net als de overige grond) licht verontreinigd met diverse zware metalen en PAK.
•
Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
•
In de gegraven inspectiegaten ter plaatse van de aanwezige grindpaden is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de fijne fractie uit de inspectiegaten is geen asbest aangetroffen.
Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘onverdacht’ formeel verworpen dient te worden. De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor verlening van een omgevingsvergunning (bouwen). 4.2.3
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.3
Geluid
4.3.1
Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
27
Grenswaarde in Lden (dB) Geluidbronsoorten
Standaardwaarde in Lden (dB)
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen
aanpassing bron
50
60
65
53
70
70
55
65
70
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en
Aanleg of
waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden.
Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit project maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). Voor de beoordeling van 28
geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: 3 Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). 4 Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie; 5 Indirecte geluidhinder; dit is de geluidhinder afkomstig van het wegverkeer van en naar de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeente brede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009' nog wel relevant.
Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.3.2
Toetsing Geluid door wegen In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer. Derhalve is een akoestisch onderzoek geluid wegverkeer3 uitgevoerd. Navolgende afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel.
3
SAB. Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer, Randwijk, Koningin Julianastraat. 230428, 12 juli 2024
29
Akoestisch rekenmodel
Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van het bouwkundig ontwerp, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Gemeentewegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden in zijn geheel niet overschreden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 48 Lden. Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl. Het aspect geluid door wegverkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door activiteiten De ontwikkellocatie ligt in het noordwesten van de kern Randwijk. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van voornamelijk woonbebouwing. Alleen ten noorden en westen van de ontwikkellocatie liggen enkele maatschappelijke- en bedrijfsfuncties. De omgeving is dan ook een gebied waar functiemenging vrijwel afwezig is en kan dan ook getypeerd worden als ‘woongebied’. De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van een 16 rug-aan-rug-woningen. Woningen worden niet gezien als een hinderveroorzakende activiteit. Op basis van het Bkl (artikelen 3.21 & 5.91) worden woningen wel gezien al een geluidsgevoelige functie. Daarom wordt de geluidshinder door milieubelastende activiteiten getoetst op de ontwikkeling. De aanwezige
30
bedrijvigheid met de bijhorende richtafstand voor geluid op basis van de oude VNG publicatie is in de navolgende tabel opgenomen, ook is de werkelijke afstand van de bedrijvigheid tot de nieuwbouwwoningen weergegeven. Bedrijfssoort
Adres
Omschrijving VNG
Richtafstand (m)
Gemeten afstand (m)
Gemengde bestemming Kerkstraat Basisschool Met de Bijbel
Kerkstraat 23
Max. milieucategorie 1 en 2
30 m
± 12 m
Kerkstraat 7
30 m
± 55 m
Hervormde Kerkgemeente Randwijk Gemende bestemmingen Bredeweg Dienstverlening akker- en landbouw
Kerkstraat 1
Scholen voor basisen algemeen voortgezet onderwijs Kerkgebouwen e.d.
30 m
± 120 m
Bredeweg 53, 51, Max. milieucatego59a en 63 rie 1 en 2
30 m
± 200 m
Bredeweg 65
50 m
± 120 m
Veehouderij
Bredeweg 67
50 m
± 330 m
Cultureel centrum
Bredeweg 8a
30 m
± 300 m
Creativiteitscentrum LPG tankstation Autobedrijf De Beijer Begraafplaats Loonbedrijf en zorgboerderij de Bonte Koe
Bredeweg 69
10 m
± 440 m
30 m
± 450 m
10 m 50 m
± 340 m ± 490 m
Knoppersweg 9
Bredeweg Knoppersweg 12c
Dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m² Fokken en houden van rundvee, overige graasdieren en pluimvee Buurt- en clubhuizen Persoonlijke dienstverlening Benzineservisestations: met LPG > 1000 m3/jr Begraafplaatsen Dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m²
Het plan voldoet niet aan de richtafstand voor het bedrijf aan Kerkstraat 23, voor dit perceel geldt de bestemming gemengd. Voor deze kavel is geen functie aanduiding opgenomen. Maximaal is op de kavel een categorie 1 en 2 bedrijf toegestaan conform de Staat van bedrijfsactiviteiten. De Staat van bedrijfsactiviteiten is gekoppeld aan de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Hieraan zijn de milieucategorieën met richtafstanden opgenomen. Categorie 1-bedrijven hebben (in een rustige woonomgeving) een richtafstand van 10 meter. Categorie 2-bedrijven hebben een richtafstand van 30 meter. Alhoewel de kavel is aangemerkt als ‘gemengd’ is de omgeving als rustig te beschouwen. Tussen de kavelgrens van de bestemming 31
‘gemengd’ en beoogde bestemming wonen bedraagt de afstand 3 meter. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand. Aan de noordzijde van de kavel gemengd, ligt ook een woning. De afstand bedraag 8 meter. Ook hier wordt niet voldaan aan de richtafstand. Doordat niet wordt voldaan aan de richtafstand is nader onderzoek noodzakelijk. Over het algemeen wordt dit gedaan door middel van een akoestisch onderzoek industrielawaai omdat het aspect geluid over het algemeen maatgevend is bij de beoordeling. Op de locatie is een woning aanwezig. Op dit moment is fysiek geen bedrijf aanwezig. Een bedrijf mag zonder beperkende voorwaarden zich vestigen op deze locatie, mits deze voldoet aan categorie 1 of 2 en het bedrijfstype voorkomt Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een dergelijk bedrijf is dus kleinschalig, uitgaande van de grote van de kavel. Bedrijven met veel bedrijvigheid, zoals een supermarkt, kunnen niet op de kavel gerealiseerd worden én zijn dusdanig van aard dat deze altijd door middel van een akoestisch onderzoek moeten melden dat zij een goed woon- en leefklimaat van de bestaande omliggende woningen niet aantasten. De nieuwe woningen zullen hier dan ook onder vallen. Met betrekking tot de echte kleine bedrijven kan opgemerkt worden, dat de activiteiten over het algemeen bestaan uit verkeersbewegingen. Deze kunnen optreden van de vroege ochtend tot de late avond.
Omdat er, in verband met de grote van de kavel, weinig verkeer komt, is zeker aan te nemen dat er maar sprake is van enkele verkeersbewegingen. Dergelijke verkeersbewegingen, ook al is het een vrachtwagenbeweging, zijn omgevingseigen geluiden. Enkele verkeersbewegingen van een mogelijk nieuw bedrijf zijn volledig acceptabel en zullen geen aantasting veroorzaken van een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Omgevingswet wordt gesteld dat hier sprake is van voornamelijk de activiteit wonen. In het kader van een evenwichtige afweging van functies aan locaties kan gesteld worden dat hier sprake is van een evenwichtige afweging. De gebruiksruimte van de overige bedrijven wordt eveneens niet beperkt door de voorgenomen ontwikkeling, nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.3.3
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.