CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

25-12-09.23 Relevant stuk 3. BOPA motivering Bemmelseweg 58 Elst_20250310

Gemeenteraadsvergadering 9 december 2025, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Adviesrecht Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): realiseren bedrijfshal en omvormen woning naar bedrijfswoning Bemmelseweg 58-60, Elst15.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Toetsing

Conclusie

Het aspect ‘Gezondheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig pro-

lige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte

4.10.2

4.11.3

In de huidige situatie bevindt zich een woning op het projectgebied.

laag mogelijk is (gezondheidsbescherming). De gemeente moet bij de

Aangezien de bestemming ‘Wonen’ is, is eerder gemotiveerd dat er

evenwichtige toedeling van functies in het omgevingsplan rekening hou-

sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omlig-

den met het belang van het beschermen van de gezondheid. Het Rijk

gende bedrijven en percelen niet worden belemmerd. Voor bedrijfswo-

legt ondergrenzen vast voor de bescherming van de gezondheid, bij-

ningen geldt echter zelfs een lager beschermingsniveau. Op grond van

voorbeeld door middel van instructieregels of omgevingswaarden voor

de bruidsschat gelden de waarden voor geur niet voor een bedrijfswo-

geluid, luchtkwaliteit, geur, trillingen, waterkwaliteit en bodem. Het Bkl

ning die een functionele binding heeft met de activiteit die deze milieu-

bevat specifieke instructieregels voor de bescherming van de gezond-

belasting veroorzaakt (artikel 22.93). Er worden geen nieuwe geurge-

heid en het milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl). Deze aspecten worden in dit

voelige functies mogelijk gemaakt. De bestaande woning (geurgevoelige

hoofdstuk gemotiveerd.

functie) wordt omgezet naar een bedrijfswoning met een lager beschermingsniveau. Gezien het een omzetting naar een bedrijfswoning van

Decentrale overheden hebben de mogelijkheid om hun eigen gezond-

hetzelfde bedrijf betreft, is een nader onderzoek naar geur niet vereist.

heidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten

Daarbij vallen er geen geurgevoelige gebouwen in de milieuzonering

zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's.

van de beoogde bedrijfshal, ook niet ten aanzien van geur (zie paragraaf 4.3). Bovendien wordt de beoogde bedrijfshal voorzien van instal-

4.11.2

Toetsing

laties die voldoen aan de geldende regelgeving en reguliere werkproto-

Bij de uitbreiding van de productiefaciliteit door middel van een nieuwe

collen.

hal wordt rekening gehouden met gezondheid en een veilige werkomge-

jectvoornemen.

4.12

Ladder voor Duurzame Verstedelijking

4.12.1

Toetsingskader

Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden te worden met: 1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en, 2. de mogelijkheden om binnen stedelijk gebied of binnen stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Dit wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking genoemd (par. 5.1.5.4 Bkl). Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening, of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Er is geen wettelijke ondergrens voor de genoemde ontwikkelingen. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij een woningbouwplan van 12 woningen of meer in beginsel

ving. De nieuwe hoge hal wordt zodanig ontworpen dat de werkomstan4.10.3

digheden optimaal zijn, met aandacht voor ventilatie en geluidsbeper-

Conclusie

Het aspect ‘Geur’ vormt geen belemmering voor onderhavig projectvoor-

king. Dit draagt bij aan een gezonde en veilige werkomgeving voor me-

nemen.

dewerkers. Daarnaast draagt de nieuwe hal aan de verduurzaming van het elektriciteitsnet. Een duurzamere leefomgeving draagt direct bij aan een betere gezondheid van mens en natuur.

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

20

sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.1 Voor alle andere ste-

meer duurzame energie op. De initiatiefnemer een aanzienlijk deel van

Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor:

delijke functies wordt in beginsel een oppervlakte van 500 m2 bruto

deze productie realiseren en hebben daarom de behoefte om hun pro-

vloeroppervlak aangehouden als ondergrens.2 Daarnaast geldt het ver-

ductiefaciliteit verder te optimaliseren en uit te breiden.

functie binnen een bestaand bedrijventerrein wordt onnodige uitbrei-

eiste dat het moet gaan om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit

ding van stedelijk gebied voorkomen;

wordt beoordeeld aan de hand van het nieuwe planologische ruimtebe-

De beoogde ontwikkeling in Elst omvat de bouw van een nieuwe be-

slag dat met de stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt of wan-

drijfshal van 1.200 m² en de omzetting van een bestaande woning naar

neer wordt voorzien in een functiewijziging van enige omvang.3

een bedrijfswoning. Deze uitbreiding is noodzakelijk om de productieca-

Toetsing

Beperking van milieubelasting: de nieuwe bedrijfshal wordt gebouwd binnen een bestaand bedrijventerrein;

paciteit te vergroten en efficiënt te kunnen inspelen op de toenemende 4.12.2

Duurzaam ruimtegebruik: door het herbestemmen van een woon-

Goede ontsluiting: de locatie is goed bereikbaar via bestaande infrastructuur, wat extra verkeersdruk minimaliseert.

vraag naar transformatorstations. 4.12.3

Voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaand be-

Conclusie

drijventerrein door de bouw van een nieuwe bedrijfshal van 1.200 m² en

Uit de landelijke vraag naar netversterking blijkt dat er een structurele

Het aspect ‘Ladder voor Duurzame Verstedelijking’ vormt geen belem-

de omzetting van een bestaande woning naar een bedrijfswoning. Het

behoefte is aan deze ontwikkeling. Het toevoegen van extra productie-

mering voor onderhavig projectvoornemen.

voorliggende projectvoornemen is hierdoor aan te merken als nieuwe

ruimte draagt direct bij aan de realisatie van deze infrastructuur, wat es-

stedelijke ontwikkeling (> 500 m² bvo). Echter betreft het wel een func-

sentieel is voor een betrouwbare en toekomstbestendige energievoor-

tiewijziging en intensivering binnen een bestaand bedrijventerrein. Een

ziening.

bedrijventerrein wordt in de ruimtelijke ordening doorgaans als een stedelijke functie beschouwd. De Ladder hoeft niet volledig te worden door-

Ruimtelijke mogelijkheden binnen bestaand bedrijventerrein

lopen als het gaat om herstructurering of transformatie binnen bestaand

De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand bedrijventerrein. Door

stedelijk gebied. Bovendien ligt het projectgebied al binnen een bedrij-

de herbestemming van een woonfunctie naar bedrijvigheid wordt het ter-

venterrein in Elst, gemeente Overbetuwe. De ontwikkeling draagt bij aan

rein efficiënter benut zonder onnodige uitbreiding naar nieuw buitenge-

een efficiënter ruimtegebruik, omdat de uitbreiding binnen het be-

bied. Vanwege de functionele samenhang met de bestaande productie-

staande stedelijk gebied plaatsvindt en niet leidt tot nieuwe uitbreiding

faciliteit is uitbreiding op de huidige locatie de meest logische en duur-

buiten reeds bestaande stedelijke functies. De ladderverantwoording is

zame keuze. Dit voorkomt versnippering van bedrijvigheid en onnodige

daarom alleen gericht op de beschrijving van de behoefte. Een ver-

vervoersbewegingen tussen verschillende locaties.

zwaarde motivering is niet nodig. Verantwoorde locatiekeuze Prangende behoefte door stijgende energievraag

De voorgestelde uitbreiding sluit aan bij het bestaande bedrijventerrein

In Nederland moeten tenminste 45.000 extra transformatorstations wor-

en past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. De transforma-

den toegevoegd aan het elektriciteitsnet om de energietransitie te on-

tie van de woonfunctie naar een bedrijfsfunctie draagt bij aan een logi-

dersteunen. Deze nieuwe transformatorstations zijn nodig omdat we in

sche en efficiënte indeling van het gebied, zonder afbreuk te doen aan

Nederland steeds meer overstappen op schone energie. We wekken

de leefbaarheid.

1

2

ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953.

ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724.

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

4.13

Luchtkwaliteit

4.13.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).

3

ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075.

21

Niet in betekenende mate

4.13.2

Toetsing

De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet al-

Het projectgebied valt niet in een van de aangewezen aandachtsgebie-

tijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomge-

4.14

Natuur en landschap

den voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek

4.14.1

Toetsingskader Natura 2000-gebieden

naar de luchtkwaliteit ter plaatse is daarom niet benodigd.

De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanlei-

vingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de

Om aan te tonen dat beoogde geen negatieve effecten heeft op de om-

ding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten op-

luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet ho-

geving is een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool. Hierbij is uitge-

treden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden

ger is dan 1,2 ug/m 3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaar-

gaan van 75 extra verkeersbewegingen (zie paragraaf 4.2 voor de bere-

middels een voortoets (afd. 11.1 Bal). Projecten en activiteiten die een

gemiddelde concentraties.

kening) met een aandeel van vrachtverkeer van 75%. Uit de berekening

significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Na-

met de NIBM-tool volgt dat het project niet in betekenende mate bij-

tura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project

draagt aan de luchtkwaliteit. De toename van de concentratie NO2 en

nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de

binnen de NIBM-grens blijft:

PM10 is niet hoger dan 1,2 ug/m 3. Hiermee is sprake van een NIBM-pro-

specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mo-

1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een

ject

gelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.

aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ 4.14.2

vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet

Toetsing

wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat

Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet bin-

aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura

nen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detail-

2000-gebied, “Rijntakken”, bevindt zich op circa 3,2 kilometer afstand

berekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt

ten zuidoosten van het projectgebied.

overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-

Voor de aanleg- en gebruiksfase is inzicht gevraagd in de aard en om-

grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening vol-

vang van de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden.

doende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een een-

Uit de rekenresultaten blijkt dat er zowel in de aanlegfase als gebruiks-

voudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt

fase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.

aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als

4.14.3

aanvulling op de NIBM-tool. Figuur 4.3: NIBM-tool

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via

4.13.3

het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor onderhavig

Conclusie

projectvoornemen.

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

Conclusie

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie door onderhavige ontwikkeling uitgesloten worden. Het aspect ‘Stikstof’ vormt geen belemmering voor onderhavig projectvoornemen.

22

4.14.4

Toetsingskader Flora en fauna

Soortenbescherming

NNN-gebieden

NNN-gebieden

Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild

Het projectgebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde

Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedepu-

voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aan-

onderdeel van het NNN ligt ongeveer 1 kilometer ten oosten van het

teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-

tal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeld-

projectgebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de

houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd

zame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2

omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke

‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden

Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgon-

aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is

vogels

derzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk ge-

een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurge-

Europees beschermde soorten

acht.

bieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het

nationaal beschermde soorten

Natuurnetwerk is opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk

Houtopstanden

wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en

Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wan-

Het projectgebied is gelegen binnen de bebouwingscontour houtkap.

ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met

neer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Om-

Toetsing aan beschermde houtopstanden is in dit geval niet aan de

elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten

gevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit met mogelijke

orde. Wel kan de kap van de bomen volgens gemeentelijk beleid ver-

in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten

gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Dit heeft

gunningsplichtig zijn.

hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen

betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het be-

worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

voegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling

Soortenbescherming

geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op

Met betrekking tot de sloop zijn schadelijke handelingen ten aanzien van

de situatie in de provincie.

het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en verblijfplaat-

Houtopstanden De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstan-

sen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten.

dige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een opper-

Ook geldt er een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen zoveel mo-

vlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bo-

gelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt voor alle

men omvat, gelegen buiten de zogenaamde bebouwingscontour hout-

beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die

Vervolgonderzoeken

kap (afdeling 11.3 Bal). Wanneer deze houtopstanden worden geveld,

soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soor-

Momenteel worden de vervolgonderzoeken nog door BRO uitgevoerd.

geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende

ten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.

Tijdens de najaarsrondes van het vleermuisonderzoek zijn er geen

provincie. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen,

Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden ge-

waarnemingen gedaan van vleermuisverblijfplaatsen binnen het project-

dienen binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op

troffen om nadelige gevolgen te voorkomen.

gebied. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen binnen het pro-

dezelfde grond nieuwe houtopstand te worden geplant. Er geldt een al-

Derhalve worden vervolgonderzoeken naar deze soorten nodig geacht.

jectgebied is echter alleen volledig uit te sluiten wanneer de voorjaars-

gehele vrijstelling van deze herplantplicht voor houtopstanden die ge-

4.14.5

kapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Daarnaast

Quickscan

geldt er een specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Indien natuurbe-

Op 5 juni 2024 is door BRO een quickscan Flora en Fauna verricht. De

Om de aanwezigheid van de huismus binnen het projectgebied uit te

scherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke

volledige quickscan is in de bijlagen opgenomen.

sluiten dient verdere vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen –

Toetsing

rondes van het vleermuisonderzoek zijn uitgevoerd.

waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevol-

tevens de voorjaarsperiode – uitgevoerd te worden om hieromtrent uit-

gen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te

sluitsel over te geven.

laten.

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

23

4.14.6

Conclusie

In het omgevingsplan worden beperkingen gesteld met betrekking tot

Het projectvoornemen maakt een nieuwe bedrijfshal en een omzetting

Het aspect ‘Natuur en landschap’ vormt vooralsnog geen belemmering

externe veiligheid. Zo wordt de grenswaarde voor het plaatsgebonden

van een bestaande woning naar een bedrijfswoning mogelijk. Een be-

voor onderhavig projectvoornemen.

risico in acht genomen. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar

drijfshal wordt als een beperkt kwetsbaar gebouw gezien. Door de func-

dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De

tionele binding dat de bedrijfswoning met de bedrijfshal heeft, gelden de

grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald

regels voor het plaatsgebonden risico van een activiteit niet. Dit bete-

naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als

kent dat de aandachtsgebieden geen belemmering hoeven te vormen

(zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsge-

voor het projectvoornemen.

4.15 4.15.1

Omgevingsveiligheid Toetsingskader

Externe veiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand,

bonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Ook kunnen

ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden (par. 5.1.2

in het omgevingsplan aandachtsgebieden en voorschriftengebieden zijn

In de huidige situatie is op de locatie reeds een woonfunctie toegestaan.

Bkl). Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de

aangewezen in het verband met het groepsrisico. Het groepsrisico gaat

Met betrekking tot omgevingsveiligheid is dit niet de meest ideale juri-

omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beper-

over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als recht-

disch-planologische situatie, gezien de woning in een brandaandachts-

ken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een ri-

streeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

gebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied van de

sicovolle activiteit van groot belang. Er wordt daarbij op basis van bijlage

Er zijn drie typen aandachtsgebieden:

omliggende activiteiten gelegen is. Een woonfunctie wordt namelijk als

VI van het Bkl onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en lo-

1. brandaandachtsgebied;

een kwetsbare functie/locatie beschouwd. Voor een bedrijfswoning geldt

caties’:

2. explosieaandachtsgebied;

er echter een lager beschermingsniveau dan voor een 'normale' woning.

1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);

3. gifwolkaandachtsgebied.

Een bedrijfswoning is hierdoor juridisch-planologisch gezien beter inpas-

2. kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat daarbij om bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor, buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarnaast worden ook de volgende activiteiten beschouwd als risicobronnen: 

opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk;

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik;

exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven;

baar in de omgeving. 4.15.2

Toetsing

Op 23 oktober 2023 is het projectvoornemen ambtelijk getoetst door de

Bovengenoemde argumenten en overwegingen kunnen in het advies

gemeente Overbetuwe. In hun adviesbrief geven ze aan dat de locatie

van de ODRA in acht worden genomen.

gelegen is binnen maatwerkzones van spoorlijn Arnhem-Nijmegen alsmede een aardgasbuisleiding. Daarom wordt geadviseerd een advies

4.15.3

Conclusie

externe veiligheid bij de ODRA op te vragen. Dit advies wordt na de in-

Het aspect ‘Omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor onder-

diening van onderhavige motivering ingewonnen. Onderstaande punten

havig projectvoornemen.

kunnen meegenomen worden in het advies. Verantwoording externe risico’s

4.16

Ontplofbare oorlogsresten

4.16.1

Toetsingskader

Om de externe risico’s ten aanzien van de omgevingsveiligheid onder het nieuwe stelsel van de Omgevingswet te kunnen beoordelen, is de Atlas Leefomgeving kaartlaag ‘Externe veiligheid’ geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het projectgebied in een aandachtsgebied gelegen is ten aanzien van brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

Naar aanleiding van de oorlogshandelingen, ten tijde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, bestaat er een mogelijkheid tot het spontaan aantreffen of toucheren van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem. Hierdoor ontstaat

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik.

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

24

een verhoogd veiligheidsrisico door het mogelijk ongewenst tot (uit)wer-

Uit vergelijking van historisch luchtfotomateriaal met recent satelliet-

dienen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.4 Bkl). Indien de trillingen niet

king treden van dit militair wapentuig. Dergelijke ongecontroleerde uit-

beeld is gebleken dat sinds 1945 binnen het projectgebied slechts be-

meer bedragen dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake

werkingsgevolgen kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materiaal

perkte bodemroerende werkzaamheden zijn uitgevoerd. De huidige be-

van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden

en omgeving tot gevolg hebben. Daarnaast kunnen spontane vondsten

bouwing was tijdens de oorlog al aanwezig en het omringende gebied

voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen zijn aange-

van OO resulteren in stagnatie en meerwerkkosten van de uitvoerings-

werd gebruikt voor landbouw, waarbij bodemroering waarschijnlijk be-

geven in onderstaande tabellen. Trillinggevoelige gebouwen zijn gebou-

werkzaamheden.

perkt is gebleven. Wel is een belangrijke gasleiding door het projectge-

wen met een woonfunctie, onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie.

bied aangelegd.

Het gaat om activiteiten anders dan wonen die trillingen in een frequen-

Om bovenstaande situaties te voorkomen dient een werkgever de ri-

tie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in trillinggevoelige ruimte van een tril-

sico’s van de werkzaamheden vooraf te inventariseren en te evalueren.

Op locaties waar naoorlogs bodemroerende werkzaamheden zijn uitge-

linggevoelig gebouw, uitgezonderd industrieterreinen en verkeer op we-

Deze zogenoemde risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) is zeker voor

voerd mag worden aangenomen dat (tot op zekere diepte) eventuele

gen, vaarwegen en spoorwegen.

bouw gerelateerde activiteiten (werkzaamheden in of op de (water)bo-

aanwezige OO’s reeds opgemerkt en verwijderd zijn. In de niet-naoor-

dem) noodzakelijk. Tijdens het ontwerpen van het werk moeten de ri-

logs geroerde bodem kan worden gesteld dat de (sub)soorten geschut-

Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen in de buurt van

sico’s in beeld worden gebracht (V&G voorbereidingsfase), waaronder

munitie en klein-kalibermunitie aanwezig kunnen zijn. Het kleinste zoek-

spoorwegen moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van

mogelijke OO in de bodem. Door de privatisering van het opsporen van

doel van mogelijk aan te treffen OO kan worden gedefinieerd als ‘ge-

een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In som-

OO, ontstond de behoefte aan normalisatie en regelgeving gericht op

schutmunitie > 2cm’.

mige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot

kwaliteit en veiligheid. Dit resulteerde in de certificatieplicht in het Arbobesluit.

250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake Daar waar de bodem niet aantoonbaar naoorlogs geroerd is, adviseert

van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een

de gemeente Overbetuwe om voorafgaande aan de voorgenomen bo-

grotere afstand dan 100 meter bestaan.

Per 1 januari 2021 is het nieuwe, wettelijk verplichte Certificatieschema

demroerende werkzaamheden een opsporingsproces uit te voeren om

Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (opsporing) in werking getreden.

de risico’s met betrekking tot het aantreffen van OO’s te minimaliseren.

4.17.2

Daarbij is (gelijktijdig) het vrijwillige Certificatieschema Vooronderzoek

Het opsporingsproces wordt uitgevoerd, zodat een veilige werkomge-

Het projectgebied ligt op circa. 55 m afstand van het spoor. Daarnaast

en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten in werking getreden.

ving ten behoeve van de ontwikkeling wordt gegarandeerd en eventuele

bevindt de locatie zich op een bedrijventerrein, waar diverse activiteiten

risico’s op explosieve oorlogsresten worden uitgesloten.

plaatsvinden. In de huidige situatie is op de locatie reeds een woonfunc-

4.16.2

Toetsing

Toetsing

tie toegestaan. Aangezien de huidige bestemming Wonen is, is er al

Naar aanleiding van de geplande bodemroeringen heeft Den Ouden

4.16.3

Bodac B.V. een historisch vooronderzoek naar de mogelijke aanwezig-

Het aspect ‘Ontplofbare oorlogsresten’ vormt geen belemmering voor

Conclusie

en leefklimaat en dat omliggende bedrijven/ percelen niet worden be-

heid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd. De volledige rap-

onderhavig projectvoornemen.

lemmerd. Er is geen sprake van een toevoeging van een trilligsgevoe-

portage is in de bijlagen opgenomen. Projectleiderssamenvatting OO’s Door de gemeente Overbetuwe is ten behoeve van de ontwikkeling op het projectgebied een projectleiderssamenvatting OO (hierna: PLS-OO) opgesteld. Deze is in de bijlagen opgenomen.

eerder gemotiveerd dat er hier sprake is van een aanvaardbaar woon-

lige functie. De bestaande woning wordt omgezet naar een bedrijfswo-

4.17

Trilling

4.17.1

Toetsingskader

Er dient rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in

ning, waarvoor een lager beschermingsniveau geldt dan voor een woning. Gezien er geen sprake is van nieuwbouw en de bestaande woning wordt omgezet naar een functie met een lager beschermingsniveau, is een nader onderzoek naar trillingen niet benodigd.

trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Deze trillingen

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

25

De bedrijfshal wordt niet als een trillingsgevoelig gebouw beschouwd.

waterschapsverordening opgesteld. Deze vervangt de voormalige Keur

Weging van het waterbelang

Derhalve is nader onderzoek naar trillingen in het kader van de planolo-

en bijbehorende algemene regels en heeft een andere opzet. In de wa-

Oppervlaktewater

gie niet van toepassing.

terschapsverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten,

Door de ligging in een ‘stedelijke’ omgeving is ter plaatse en in de di-

waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaar-

recte omgeving geen oppervlaktewater aanwezig. Vanuit het project-

4.17.3

Conclusie

den. De regels zijn nu specifiek gekoppeld aan bepaalde gebieden waar

voornemen is derhalve geen direct effect te verwachten op het be-

Het aspect ‘Trilling’ vormt geen belemmering voor onderhavig project-

ze gelden en toegespitst op activiteiten die iemand kan doen. Activitei-

staande oppervlaktewaterstelsel.

voornemen.

ten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de water-

4.18 4.18.1

Weging van het waterbelang Toetsingskader

Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het project op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater (par. 5.1.3.1 Bkl). De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Regionaal beleid Het projectgebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. De doelstellingen en hoe het waterschap dit wil gaan halen voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het waterbeheerprogramma (WBP). Hiernaast heeft het waterschap een Watervisie 2050 opgesteld. De drie belangrijkste aspecten zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid en een gezond, schoon watersysteem. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Met dit beleid is er meer aandacht voor klimaatadaptatie en een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Voor

schapsverordening. Middels het omgevingsloket kan dit gecontroleerd

Afvalwater

worden.

De bestaande woning is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Het huidige woonhuis zal worden aangewend als huisvesting van mede-

Gemeentelijk beleid

werkers. Derhalve zal de vuilwaterhoeveelheid mogelijks licht toenemen

De gemeente Overbetuwe heeft een gemeentelijk rioleringsplan (GRP)

Het projectvoornemen betreft daarnaast het realiseren van een nieuwe

voor de planperiode 2018-2022 opgesteld. Middels het GRP beschrijft

bedrijfshal ter opslag en logistiek. Bij nieuwbouw dient en zal op eigen

de gemeente de zorgplicht en strategie voor overtollig hemelwater, af-

terrein een gescheiden stelsel aangelegd worden dat op het bestaand

valwater en grondwater. Daarnaast is zij verantwoordelijk voor het be-

stelsel aangesloten zal worden. De ontwikkeling heeft naar verwachting

heer van de overige, niet-primaire watergangen welke tot haar eigen-

geen grote invloed op het gemeentelijk rioolstelsel.

dom behoren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden een aantal uitgangspunten gehan-

Grondwater

teerd ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang

Het projectgebied ligt binnen een peilgebied. Ter plaatse wordt een

zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheer-

streefpeil van 7,8 m +NAP aangehouden, met een zomer en winter-

ders. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor plannen worden door

marge van +/- 0,15 ,meter. Op basis van een grondwatermonitoringsput

het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Eventuele compensatie dient

in de buurt van het projectgebied wordt een GHG van circa8,0 m +NAP

plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie bin-

verwacht. Dit komt overeen met een ontwateringsdiepte van circa 0,8 tot

nen projectgebied, retentie buiten projectgebied of berging in bestaand

1,4 meter onder maaiveld. Door het aanhouden van een vloerpeil van

watersysteem.

minimaal 9,4 m +NAP zoals bij de bestaande bebouwing wordt het risico op grondwateroverlast vermeden.

4.18.2

Toetsing

Door Aeres Milieu een infiltratieonderzoek uitgevoerd en een afweging

Hemelwater

van het waterbelang opgesteld voor de voorgenomen ontwikkeling aan

Momenteel wordt het hemelwater lokaal verwerkt in de bodem en

de Bemmelseweg. De volledige rapportage is in de bijlagen opgeno-

stroomt excessief water af naar het omliggend terrein. Door het project-

men. Hieronder wordt een beknopte samenvatting gegeven van de re-

voornemen is echter een toename aan verharding van 2.614 m², dit be-

sultaten.

treft naast de nieuwe bedrijfshal ook de omliggende verharding op het

het beheer van de diverse wateraspecten en het watersysteem is een

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

terrein. Voor het projectvoornemen dient een berging gerealiseerd te worden van circa 173,5 m3 (2.614 m² x 0,0664 m). Deze berging zal

26

worden uitgevoerd door middel van rockflow onder de vloer van de

4.18.3

Conclusie

nieuwe bedrijfshal. Met deze berging wordt de volledige toename aan

Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor onderhavig project-

den voor de toetsing van het lokale windklimaat in de gebouwde omge-

verharding op het terrein gecompenseerd.

voornemen.

ving op loop- respectievelijk verblijfsniveau in relatie tot het effect van

windgevaar in de gebouwde omgeving geeft eisen en bepalingsmetho-

wind op voetgangers. Deze is bedoeld te worden toegepast bij bouwKlimaatadaptatie

plannen en wordt algemeen gebruikt voor de beoordeling van het wind-

4.19

Welstand

stedelijk gebied enkele hitte-eilanden aanwezig zijn door de vele aanwe-

4.19.1

Toetsingskader

zige verharding. Voor een klimaatrobuustere planinvulling kan naast in-

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in

wen tussen de 15 en 30 meter én voor onbeschut gelegen gebouwen tot

filtratie in de bodem meer groen aangelegd worden zodat de gevolgen

de omgeving passen, denkend aan vorm, maat, kleur of gebruikte mate-

een hoogte van 30 meter, geldt dat een specialist beoordeelt of onder-

ingeperkt worden en een leefbaardere omgeving gerealiseerd wordt.

rialen. Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke

zoek noodzakelijk is.

Ten aanzien van wateroverlast geeft onderstaande afbeelding weer wat

eisen van welstand. Deze kunnen in het omgevingsplan zijn opgenomen

de maximale waterdiepte is bij een bui van 70 mm in 2 uur. Hieruit is af

en uitgewerkt in beleidsregels (welstandsnota) van de gemeente (artikel

te leiden dat neerslag vanuit het projectgebied afstroomt naar het lager

4.19 Ow).

Uit de klimaateffectatlas regio Rivierenland komt naar voren dat er in het

gelegen grasland noord- en oostelijk. 4.19.2 Infiltratieonderzoek

Toetsing

PM

klimaat. In deze norm is opgenomen dat windonderzoek nodig is wanneer gebouwen hoger dan 30 meter zijn. Voor beschut gelegen gebou-

4.20.2

De beoogde bedrijfshal wordt maximaal 14 meter hoog. Hiermee blijft het onder de 15 meter en is een nadere onderbouwing van windhinder niet aan de orde. 4.20.3

Uit de metingen in de onverzadigde zone blijkt dat zwak zandige, kleiige toplaag op de meetlocatie een zeer slechte verticale infiltratiesnelheid

4.19.3

vertoond waardoor de lokale bodem beperkt geschikt is voor infiltratie

Het aspect ‘Welstand’ vormt geen belemmering voor onderhavig project-

(voornamelijk horizontaal). De horizontale doorlatendheid vertoont een

voornemen.

Conclusie

Toetsing

Conclusie

Het aspect ‘Windhinder’ vormt geen belemmering voor onderhavig projectvoornemen.

goede infiltratiesnelheid. Rekening houdend met een veiligheidsfactor kan gerekend worden met een kH-waarde van circa 0,5 m/dag ter hoogte van meetpunt 04, en circa 1,1 m/dag ter hoogte van meetpunt

4.20

Windhinder

4.20.1

Toetsingskader

05. Doordat de kleiige toplaag relatief dun is, kan bij de aanleg van de infil-

Windhinder treedt vooral op als gevolg van het bouwen van hoge ge-

tratievoorziening verbinding gemaakt worden met de onderliggende ma-

bouwen. Windhinder is meer dan enkel overlast voor fietsers en voet-

tig grove, zwak siltige zandlaag. Hierdoor kan de infiltratiesnelheid ver-

gangers. Het kan tevens nadelige sociale en economische effecten ge-

beterd worden. Bij voorkeur wordt een bovengrondse voorziening aan-

ven in het openbaar gebied; mensen vermijden (openbare) ruimtes als

gelegd. Gezien de aangetroffen grondwaterstand op circa 0,8 tot 1,4

winkelgebieden, pleinen en terrassen bij een slecht windklimaat. Wind-

mmv kunnen ook bepaalde ondergrondse infiltratievoorzieningen aange-

hinder is derhalve een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1

legd worden.

Omgevingswet), waarmee rekening moet worden gehouden in het kader van een evenwichtig toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De NEN 8100 Windhinder en

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

27

5

5.1

Financiële en maatschappelijke verantwoording

5.2.2

Bezwaar, beroep en hoger beroep

Financiële verantwoording

aanhouding eindigt. De beslistermijn is bij de reguliere procedure (in be-

Voor de BOPA-procedure wordt de reguliere voorbereidingsprocedure doorlopen. De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de ginsel) 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn eenmaal met

5.1.1

Financieel-economische uitvoerbaarheid

maximaal 6 weken verlengen.

De realisatie van het project is in handen van één initiatiefnemer. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten.

Een omgevingsvergunning die is voorbereid met de reguliere voorberei-

Niet is gebleken dat de initiatiefnemer over onvoldoende middelen be-

dingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag

schikt om het project te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan

waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt. Dit is an-

de gemeente te voldoen. Er zijn geen onvoorziene, hoge kosten te ver-

ders als de omgevingsvergunning een activiteit mogelijk maakt, die kan

wachten. De gemeente draagt bovendien geen hoge, financiële risico’s.

leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden

Het project is dus economisch uitvoerbaar.

hersteld. Denk bijvoorbeeld aan kappen of slopen. Dan is het bevoegd gezag verplicht in de omgevingsvergunning op te nemen dat deze 4 we-

5.1.2

Kostenverhaal

ken na de dag van bekendmaking in werking treedt. Hierdoor zijn be-

Het project betreft wel een bouwactiviteit waarvan kosten moeten wor-

langhebbenden in de gelegenheid een verzoek om voorlopige voorzie-

den verhaald, zoals bepaald in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.

ning te doen. Als sprake is van spoedeisende omstandigheden, kan het

Om de verschuldigde kosten te verhalen, is de gemeente op basis van

bevoegd gezag afwijken van de termijn van 4 weken. Na besluitvorming

artikel 13.13 van de Omgevingswet een overeenkomst aangegaan met

is het mogelijk voor belanghebbenden om bezwaar in te dienen. Na be-

de initiatiefnemer. Daarin zijn alle kosten meegenomen inclusief eventu-

zwaar is er nog de mogelijkheid voor beroep en hoger beroep.

ele financiële bijdragen en nadeelcompensatie. Het opnemen van vergunningvoorschriften/kostenverhaalsregels is dus niet noodzakelijk.

5.2

Maatschappelijke verantwoording

5.2.1

Participatie/Omgevingsdialoog

De in de directe omgeving woonachtige bewoners en bedrijven zullen allemaal worden bezocht en hier zal een kort verslag van gemaakt worden.

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

28

6

Belangenafweging en conclusie

6.1

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Om te beoordelen of het planvoornemen resulteert in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving nauwkeurig onderzocht en afgewogen. Met name uit hoofdstuk 4 ‘Omgevingsaspecten’ kan worden geconcludeerd dat de beoogde activiteit leidt tot een situatie waarin er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, waarbij doeltreffend verband is gelegd tussen de instrumenten van de Omgevingswet en recent beleid. Er is een duidelijke link gecreëerd tussen de belangen van de initiatiefnemer, de doelen van de gemeente, en de belangen van omwonenden en andere belanghebbenden.

6.2

Conclusie

Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit adequaat gemotiveerd is, en derhalve de omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bedrijfswoning en bedrijfshal Bemmelseweg 58-60, Elst

29

Separate bijlagen Bijlage 1: Gemeentelijke adviesbrief Bijlage 2: LIP Bijlage 3: MER-beoordeling Bijlage 4: Archeologisch onderzoek Bijlage 5: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 6: Stikstofberekening Bijlage 7: Quickscan flora en fauna Bijlage Bijlage 8: PLS ontplofbare oorlogsresten Bijlage 9: Weging van het waterbelang

Amsterdam Nachtwachtlaan 20 1058 EA Amsterdam +31 (0)20 506 19 99

‘s-Hertogenbosch Willemsplein 2 5211 AK ’s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55

Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=aacf33ec-4869-4df5-8c7d-4f164ef806db