CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

25-12-09.22 Relevant stuk 3 Ruimtelijke motivering Rijksweg Noord 16-16a Elst

Gemeenteraadsvergadering 9 december 2025, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Project (transformatie) Rijksweg-Noord 16, Elst18.226 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De optredende cumulatieve geluidsbelastingen zijn daarmee acceptabel. Toetsing Bbl Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 4.102 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. De hoogste gezamenlijke geluidsbelasting bedraagt 61 dB. Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (61-33=) 28 dB worden bereikt. Als de gevels van de nieuwe woningen voldoen aan het Bbl, dan worden de binnenwaarden van 33 dB ook gehaald.

34

6.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.2

Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2

Onderzoek

Het initiatief zorgt voor een toename van acht woningen. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk.

35

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2023 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In navolgende afbeelding is de locatie van het luchtkwaliteitskaart van het CIMLK weergegeven. De projectlocatie is met een rode cirkel aangegeven. Het dichtbijzijnde rekenpunt is met de rode pijl aangegeven.

Luchtkwaliteitskaart nabij projectgebied

Het rekenpunt (51468751_15564674) dat het dichtst bij het projectgebied ligt is gelegen aan de A325 op circa 1,5 km afstand. Dit rekenpunt kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2023: NO2: 24,6384 µg/m3 PM10: 16,2006 µg/m3 PM2,5: 8,9448 µg/m3 Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijven ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en

36

leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 6.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.3

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1

(Wettelijk) kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geur. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies (paragraaf 5.1.4.6). Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten: geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf; geur door het houden van fokteven van nertsen; geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken; Voor andere activiteiten bepaalt het Bkl dat een ruimtelijk besluit ervoor moet zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld. 6.3.2

Onderzoek

Met het initiatief is sprake van de realisatie van een kleinschalig appartementengebouw ter plaatse van een bedrijfsloods met bedrijfswoning. De negen appartementen worden beschouwd als geurgevoelige gebouwen. In de omgeving van het projectgebied zijn twee geurveroorzakende bedrijven (veehouderijen) gelegen waarvoor een vaste afstandsnorm geldt van 100 m tussen de geurgevoelige gebouwen en het projectgebied. De geurveroorzakende bedrijven (Rijksweg-Noord 105 en Aamsepad 2) liggen op meer dan 1 km afstand van het projectgebied. Daarnaast zijn er meerdere woningen tussen het projectgebied en de geurveroorzakende bedrijven gelegen. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het projectgebied. Daarnaast geldt dat het initiatief niet zorgt voor een beperking van de bedrijfsvoering van de geurveroorzakende bedrijven in de omgeving. Het initiatief voorziet in de realisatie van negen appartementen ter plaatse van een bedrijfsloods. De beoogde functies en gebouwen zijn geen geuroverlastgevende functies of gebouwen. 6.3.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

37

6.4

Bodemkwaliteit

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.4.2

Onderzoek

Voor het project is door Montferland Milieu B.V. en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in januari 2024. In de bijlage is de volledige rapportage van dit onderzoek opgenomen als Bijlage 4. Navolgend de samenvatting van de resultaten. Ter plaatse van één boring is in de laag van 2,5 tot 3,2 m -mv een lichte brandstof geur waargenomen. Na analyse zijn hier geen verhoogde gehalten aangetoond. De bovengrond van één grondmengmonster is licht verontreinigd met lood en matig verontreinigd met PAK. Na het uitsplitsen van dit mengmonster is geen sprake van een overschrijding van de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde. In de ondergrond ter plaatse van een eerder geconstateerde restverontreiniging in het oosten van het projectgebied (boring C01) in de laag van 2,00 tot 3,00 m -mv een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. In de overige boven- ondergrond(meng)monsters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met xylenen (som) en 1,1,2-trichloorethaan. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen voorliggend initiatief, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 6.4.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.5

Water

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water.

38

6.5.1

(Wettelijk) kader

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In paragraaf 5.4 is het beleid van het waterschap beschreven. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen initiatief in overeenstemming is met het beleid van het waterschap. Ten aanzien van het onderzoek is het wateradvies ingevuld om na te gaan welke waterbelangen er voor het initiatief in het projectgebied relevant zijn. 6.5.2

Onderzoek

Het wateradvies Voor het doorlopen van het wateradvies gebruikt het waterschap de website www.hetwateradvies.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Via het wateradvies is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. Voor dit initiatief is op 28 april 2025 het wateradvies doorlopen. Deze is als Bijlage 5 bijgevoegd. Waterschap Rivierenland is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. In de toekomstige situatie zal er minder verharding zijn, wordt het water op eigen terrein afgekoppeld en wordt extra vergroening toegevoegd. Om deze reden geldt de korte procedure. Dit houdt in dat een waterparagraaf moet worden opgenomen in de toelichting. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het project voor de taken en belangen van het waterschap. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk project dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegeneerd wateradvies. Er zal in de toekomstige situatie minder verharding aanwezig zijn.

Om deze reden geldt de korte procedure. Huidige situatie Het projectgebied ligt aan de Rijksweg Noord tussen de straten De Enk en de Thorbeckestraat. Het projectgebied bestaat uit bedrijfsbebouwing met achtergelegen tuin. Aan de oostzijde van de bedrijfsbebouwing zijn enkele bomen gesitueerd. In de huidige situatie is het projectgebied aan de voorzijde van de bedrijfsbebouwing volledig verhard. In de navolgende tabel is de verhouding van verharde/onverharde oppervlaktes in de huidige situatie binnen het plangebied opgenomen. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat de tuinen voor 1/3 voorzien worden van een verharding. Huidige situatie Bebouwing overige verharding subtotaal verhard groen subtotaal onverhard totaal oppervlak projectgebied

Oppervlakte (m 2) Circa 345 Circa 698 Circa 1.043 Circa 522 Circa 522 Circa 1.565

Overzicht verhard/onverhard oppervlak huidige situatie projectgebied

Toekomstige situatie Het stedenbouwkundig plan voorziet in een appartementengebouw met negen woningen. Het gebouw bestaat uit drie bouwlagen met drie appartementen aanelkaargeschakeld. De drie woningen op de

39

eerste bouwlaag hebben een eigen tuin. De zes woningen op de tweede en derde woningen hebben ieder een balkon. De balkons op de tweede bouwlagen worden omgeven met sedumbeplanting. Iedere woning is voorzien van een externe berging. In de navolgende tabel is de verhouding van verharde/onverharde oppervlaktes in de toekomstige situatie binnen het plangebied opgenomen. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat de tuinen voor 1/3 voorzien worden van een verharding. Toekomstige situatie Bebouwing (incl. bergingen) Bestrating Carports Uitgeefbare tuin (75% van in totaal circa 200 m2) Halfverharding zijkant bebouwing (50% van in totaal circa 90 m2) Parkeerplaatsen straatzijde, halfverharding (50% van in totaal circa 120 m2) Subtotaal verhard Groen Uitgeefbare tuin (25% van in totaal circa 200 m2) Halfverharding zijkant bebouwing (50% van in totaal circa 120 m2) Parkeerplaatsen straatzijde, halfverharding (50% van in totaal circa 120 m2) Subtotaal halfverhard Totaal oppervlak projectgebied

Oppervlakte (m 2) Circa 430 Circa 175 Circa 110 Circa 150 Circa 45 Circa 60 Circa 970 Circa 440 Circa 50 Circa 45 Circa 60 Circa 595 Circa 1.565

Overzicht verhard/onverhard oppervlak toekomstige situatie projectgebied

Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak met circa 73 m2 afnemen. Benodigde waterberging Volgens het beleid van de gemeente Overbetuwe en Waterschap Rivierenland is het niet noodzakelijk om extra waterberging te realiseren wanneer de totale toename van verhard oppervlak binnen bestaand stedelijk gebied minder bedraagt dan 500 m2. Op basis van de voorgenomen ontwikkeling zal het totaal oppervlak van het projectgebied afnemen van circa 1043 m2 naar 970 m2. Dit is een afname van 73 m2. Hoewel compensatie voor waterberging volgens Het wateradvies van Waterschap Rivierenland in principe niet noodzakelijk is, blijft een toelichting op de afvoer van hemelwater van belang. De gemeente hanteert als uitgangspunt dat regenwater afkomstig van daken en verhardingen op eigen terrein moet worden verwerkt. Dit kan bijvoorbeeld door het opvangen van hemelwater in een regenton met overloop, door hemelwater bovengronds op eigen terrein af te voeren via groene infiltratievoorzieningen of door hemelwater te bergen via oppervlaktewater. Daarnaast heeft de gemeente voorkeur voor waterdoorlatende verharding op het erf bij vervangen van gesloten verharding of vegetatiedaken uitgevoerd met een drainage- en bescherm/filter-laag.

Beoogde waterberging Binnen het projectgebied is sprake van zand tot circa 3,0 m-mv en een GHG van 2,0 m-mv rond de bebouwing waardoor infiltratie mogelijk wordt geacht. Verder richting de achtertuin, bestaat de bodem tot 1,5 m-mv uit klei met een GHG van circa 1,0 m-mv. Hier wordt, zonder grondverbetering, geen infiltratie mogelijk geacht. Binnen het projectgebied worden daarom andere oplossingen gekozen, zoals het toepassen van groene daken en berging onder parkeerplaatsen met vertraagde afvoer: Uitgaande van een waterbergende hoogte van 0,10 meter en een totale dakoppervlakte van 120 m2, kunnen de groene daken circa 12 m3 water bergen. Uitgaande van een oppervlakte van 210 m2, een cunetdiepte van 30 cm en een verzadigingsgraad van

40

30% bij gebruik van grof zand, kan in de halfverharding van de parkeerplaatsen circa 18,9 m3 water worden geborgen. Riolering Door de realisatie van de woningen wordt een toename van de DWA verwacht bij de ontwikkeling. Het bedrijfspand is niet in gebruik en heeft geen DWA-productie. In de nieuwe situatie zullen binnen het projectgebied negen appartementen gerealiseerd worden. In de toekomstige situatie dient rekening gehouden te worden met een DWA (droogweerafvoer) piekbelasting van circa 0,23 m3/uur. In overleg met de gemeente zal bekeken moeten worden of en hoe de te realiseren woningen op het bestaande rioolsysteem aangesloten kunnen worden. Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het projectgebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 6.5.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.6

Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). De gemeente Overbetuwe neemt hierdoor ook verkeersveiligheid mee in haar afwegingen. Zo zal verkeersveiligheid, een goede afhandeling van verkeersstromen en het voorkomen van (voorzienbare) parkeerhinder voor de gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) in het omgevingsplan. De inrichting en inpassing van infrastructuur in de omgeving heeft invloed op de veiligheid. Zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Maar ook bebouwing of een bouwwerk naast de weg kan effect hebben op de verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid is dan ook een onderdeel van de afweging om ruimte te verdelen en gebieden aan te wijzen voor een bepaalde functie. 6.6.2

Onderzoek

Verkeer In de huidige situatie is het projectgebied in gebruik als bedrijfsloods en bedrijfswoning. Voorliggend initiatief voorziet van de realisatie van negen appartementen in het projectgebied. Dit zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. De verkeersgeneratie is bepaald met behulp van de CROW-publicatie "Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering" (2024) en "Demografische kerncijfers per gemeente" van het CBS. De verkeersaantrekkende werking is afhankelijk van de stedelijkheid van de gemeente, de ligging t.o.v. het centrum en het woningtype. Elst is gelegen in de gemeente Overbetuwe. Volgens het CBS valt de gemeente Overbetuwe binnen de categorie 'weinig stedelijk'. Daarnaast wordt de ligging van het projectgebied getypeerd als 'schil centrum', aangezien het projectgebied op circa 120 m van het centrum ligt.

41

In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit een bedrijfswoning en een bedrijfsloods ten behoeve van een installatiebedrijf. Een installatiebedrijf valt binnen de categorie 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)'. Volgens de 'CROW parkeerkencijfers 2024' zijn het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie gemiddeld 4,2 per 100 m2 bvo. De totale vloeroppervlak van de bedrijfsloods bedraag circa 219 m2. Het aantal verkeersbewegingen voor de bedrijfsloods in de huidige situatie zijn dus (4,2 * 2,19 =) 9,2 verkeersbewegingen per etmaal. De bedrijfswoning valt binnen de categorie 'Koop, huis, vrijstaand'. Het aantal verkeersbewegingen zijn hiervoor gemiddeld 8,2 per etmaal. Het totaal aantal verkeersbewegingen voor het projectgebied in de huidige situatie is dus 17,4. Het voorliggende initiatief bestaat uit de realisatie van drie koopappartementen binnen de categorie 'Koop, appartementen, > 100 m2 bvo', en zes koopappartementen binnen de categorie 'Koop, appartementen 75-100 m2 bvo'. De verwachte verkeersgeneratie voor één koopappartement (> 100 m2) bedraagt gemiddeld 7,3 verkeersbewegingen per etmaal. De verwachte verkeersgeneratie voor één koopappartement (75-100 m2) bedraagt gemiddeld 5,9 verkeersbewegingen per etmaal. In de toekomstige situatie leidt dit tot een totale verkeersgeneratie van circa 57,3 bewegingen per etmaal.

Dit betekent dat er met de nieuwbouw een toename van (57,3 - 17,4 =) 39,9 verkeersbewegingen per etmaal zal zijn. De woningen worden ontsloten op de Rijksweg Noord. De Rijksweg Noord is voor Elst een belangrijke doorgaande weg. Deze straat heeft dan ook voldoende capaciteit om de toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen. Parkeren De parkeerberekening heeft als doel om de parkeerdruk en de daaruit volgende restcapaciteit van de parkeerplaatsen in de omgeving van de Rijksweg Noord in beeld te brengen. De parkeerbehoefte is berekend conform de CROW-richtlijnen en de 'Nota Parkeernormen Gemeente Overbetuwe 2016'. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies verwoord. CROW: Volgens de CBS classificatie wordt de gemeente Overbetuwe aangemerkt als een ‘weinig stedelijk' en is het projectgebied gelegen in 'Schil centrum'. Bovendien voorziet voorliggend initiatief van drie woningen in de categorie ''Koop, appartement, > 100 m2 bvo'. Er geldt binnen dit deelgebied en voor deze categorie gemiddeld een parkeernorm van 1,6. Daarnaast zijn er zes woningen in de categorie 'Koop, appartement, 75-100 m2 bvo'. Er geldt binnen dit deelgebied en voor deze categorie een gemiddelde parkeernorm van 1,3 per woning. Bovendien geldt een bezoekersnorm van 0,3 per woning. De totale parkeerbehoefte van deze variant bedraagt dus (3 * 1,6 + 6 * 1,3 + 9 * 0,3 =) 15,3 parkeerplaatsen.

Gemeente Overbetuwe: Volgens de Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016' is het projectgebied gelegen in de classificatie 'Elst - Zetten' en 'Rest bebouwde kom'. Bovendien voorziet voorliggend initiatief van drie woningen in de categorie 'Koop, etage, duur'. Er geldt binnen dit deelgebied en voor deze categorie gemiddeld een parkeernorm van 2,4. Daarnaast vallen zes woningen in de categorie 'Koop, etage, midden'. Er geldt binnen dit deelgebied en voor deze categorie gemiddeld een parkeernorm van 2,3. Deze parkeernorm is inclusief bezoekersnorm. De totale parkeerbehoefte van deze variant bedraagt dus (3 * 2,4 en 6 * 2,3 =) 21 parkeerplaatsen. Met het voorliggende initiatief worden in totaal 21 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hierdoor wordt voldaan aan de CROW-richtlijnen en de 'Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016'. Deze parkeerberekening toont aan dat een parkeernorm van 21 in het projectgebied gerechtvaardigd kan worden. Dit wordt onderbouwd met gegevens van het CBS waaruit blijkt dat slechts 50% van de senioren, de doelgroep van de beoogde appartementen, beschikt over een eigen auto. Bovendien is de gemeentelijke parkeernorm gebaseerd op uitgangspunten uit 2016. Sindsdien zijn de woningprijzen

42

aanzienlijk gestegen, waardoor de toenmalige prijsklassen niet meer representatief zijn voor de huidige woningmarkt. De indeling van de CROW parkeernormen uit 2024, specifiek de categorie ‘Koop, appartement, 75-100 m² bvo’, sluit beter aan bij de bouwingtypologie en prijsklasse van de beoogde ontwikkeling. De parkeerkencijfers van het CROW zijn het meest recent en daarom beter geschikt als uitgangspunt voor het bepalen van een parkeernorm van het projectgebied. Daarnaast voorkomt het hanteren van de feitelijke parkeernorm onnodig verlies van groene ruimte, die op basis van de verouderde gemeentelijke parkeernorm uit 2016 zou worden ingericht voor parkeerplaatsen die niet nodig blijken te zijn. Op basis van deze parkeerberkening kan gemotiveerd worden dat 21 parkeerplaatsen voldoen aan de feitelijke parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. Bovendien kunnen alle beoogde parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden. Er hoeven dan ook geen aanvullende parkeerplaatsen buiten het projectgebied gerealiseerd te worden. Het aantal geplande parkeerplaatsen binnen het projectgebied voldoet daarmee aan de beoogde parkeerbehoefte. 6.6.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.7

Omgevingsveiligheid

6.7.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);

43

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.7.2

Onderzoek

In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit een bedrijfsloods en bedrijfswoning. De bedrijfsloods dient als opslagplaats voor een installatiebedrijf en vormt in de huidige situatie geen risicobron voor de omgeving. Daarnaast wordt de huidige bedrijfswoning beschouwd als kwetsbaar gebouw. Het initiatief voorziet in de realisatie van een kleinschalig appartementengebouw van negen appartementen ter plaatse van de bedrijfsbebouwing. Deze woningen worden tevens beschouwd als kwetsbare gebouwen. Het aantal mensen dat gebruik maakt van het projectgebied zal naar verwachting beperkt toenemen, omdat er per saldo 'slechts' acht woningen toegevoegd worden. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving. De globale ligging van het projectgebied is aangegeven met een rood kader.

Uitsnede kaart omgevingsveiligheid, bron: Atlas leefomgeving

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er bestaat een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en

44

concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: Brandaandachtsgebied Explosieaandachtsgebied Gifwolkaandachtsgebied Het projectgebied ligt op circa 130 m van de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. Hierdoor ligt het projectgebied binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied afkomstig van de nabijgelegen spoorlijn. Het projectgebied ligt volledig buiten het plaatsgebonden risico contour. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Door een ongeval op het spoor kan bij een ketelwagen gevuld met een toxisch gas of toxisch vloeistof de aansluiting van de afsluiter afbreken. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische gas of vloeistof vrijkomt. Alle vrijgekomen toxische stof verdampt direct en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. De toxische wolk kan bij lage concentraties worden geroken. Hogere concentraties veroorzaken vergiftiging. Hierdoor kunnen personen in de omgeving slachtoffer worden. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving en de weersomstandigheden.

Op basis van voorgaande scenario's adviseert de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) om: 1. De zelfredzaamheid van de aanwezige personen zo groot mogelijk te laten zijn, door gebruik te maken van NL-alert. 2. De gebouwen dusdanig te situeren dat aanwezigen bij een (dreigende) brand bij een risicobron gelegenheid hebben te vluchten. Hierbij dient minimaal één (nood)uitgang van de risicobron af gericht te zijn. Alle (nood)uitgangen dienen aan te sluiten op de infrastructuur binnen en buiten het projectgebied. 3. De benodigde ontsluitingswegen en/of bluswatervoorzieningen in overleg met Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland te realiseren. Hierbij wordt vooral gekeken naar de voorzieningen binnen het projectgebied, maar waar nodig ook bij de risicobron. 4. Zorg te dragen dat het ventilatiesysteem goed functioneert. Om te kunnen schuilen voor een toxisch scenario, is het noodzakelijk dat bezoekers in zo'n situatie naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie handmatig door de gebruikers kan worden uitgezet. 5. Zorg te dragen voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, opdat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. U kunt hierbij denken aan publieke voorlichtingscampagnes als 'Denk vooruit'/ 'Wees Voorbereid'. 6.

Creëer voor ambulances een goede bereikbaarheid door voldoende toe- en uitgangswegen te realiseren. Voor ambulances is het namelijk niet alleen van belang om zo snel mogelijk bij de gebouwen te kunnen komen, maar ook om zo snel mogelijk weer weg te kunnen rijden zonder hinder te ondervinden van andere (hulpverlenings-)voertuigen. 7. Ambulances dienen dicht bij de gebouwen geparkeerd te kunnen worden. Obstakels op de weg en het terrein dienen dus zodanig te worden ingericht dat ambulances snel en goed bij de gebouwen kunnen komen. Het beperken van trappen, paaltjes, drempels, grote bloembakken, e.d. draagt bij aan een goede bereikbaarheid van de gebouwen voor ambulances en brancards. 8. Zorg voor een eenduidige, duidelijke bewegwijzering, waarbij borden en nummers zodanig zijn geplaatst, dat bij een calamiteit in/bij de gebouwen duidelijk is waar de hulpverleners naar toe moeten. 9. Om de gebouwen voor brancards goed begaanbaar te houden, is het van belang om met name de ingang begaanbaar te houden. Grind voor de ingang en het gebruik van grote rubberen ringmatten vormen voor ambulancepersoneel en het slachtoffer op de brancard namelijk een obstakel. Een

45

schoonloopmat is een goed alternatief om binnen bij de ingang te plaatsen. 10. Plaats een AED op een strategische locatie. In geval van een circulatiestilstand wordt, door z.s.m. te defibrilleren, de overlevingskans van de betreffende persoon vergroot. Als deze AED aan een buitenmuur wordt bevestigd en beschikbaar wordt gesteld voor algemeen gebruik, kan deze AED ook gebruikt worden bij nood in de omgeving van naam bedrijf in naam plaats. 11. Plaats een Stop de bloeding-set naast de AED. Dit is een pakketje met extra hulpmiddelen om bloedingen te stoppen. Omstanders en niet-medische hulpverleners kunnen de overlevingskansen van slachtoffers van (bom) aanslagen en grote ongelukken aanzienlijk verhogen. Door ernstig bloedverlies meteen adequaat te stelpen, worden levens gered. Dat geldt natuurlijk ook voor meer alledaagse verwondingen waarbij levensbedreigend bloedverlies optreedt, bijvoorbeeld bij ongevallen met machines, een val door een glazen deur of ernstige open botbreuken. 6.7.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt, met de toepassing van bovenstaande adviezen, geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

6.8

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.8.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.8.2

Onderzoek

Door BNL advies is in 22 december 2023 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. De conclusies van het onderzoek worden hieronder kort behandeld. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen betreft het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' dat op circa 4,8 km ten zuidoosten van het onderzoeksgebied ligt. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 km van het projectgebied vandaan.

46

Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk circa 4,8 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat er een Natura 2000-gebied op minder dan 10 km afstand van het onderzoeksgebied ligt, vindt er mogelijk een stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van dit Natura 2000-gebied. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken is er een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uitgevoerd voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase (zie kopje Stikstof).

47

Ligging projectgebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (groen gearceerd)

Het projectgebied ligt op circa 1,2 km afstand van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de ligging buiten dit gebied worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het NNN bij de werkzaamheden niet aangetast. Soortenbescherming Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde soorten. Uit de quickscan komt naar voren dat er geen negatieve te verwachten zijn op de vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten. Het kan wel zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene broedvogels en andere diersoorten in en rond het onderzoeksgebied voorkomen, bijvoorbeeld de egel en de haas. Op basis van de uitgevoerde quickscan zijn negatieve effecten op strikt beschermde plant- en diersoorten hiermee uitgesloten. Er is geen nader onderzoek nodig en de werkzaamheden kunnen zonder vergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden uitgevoerd. Stikstof Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juni 2025 een voortoets stikstof uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 7 bijgevoegd. Uit de rekenresultaten blijkt dat op verschillende stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen van Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie groter 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt in de realisatiefase. Op gebieden met een hersteldoel zijn tevens geen rekenresultaten groter dan 0,00 mol N/ha/jr gehaald.

Vanuit het aspect stikstof zijn dus geen belemmeringen voor de uitvoering van het initiatief.

48

6.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.9

Cultureel erfgoed

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.9.2

Onderzoek

Archeologie Op basis van de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart blijkt dat het projectgebied een 'Waarde - Archeologie' heeft. Deze aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Dit houdt in dat voor bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 2,5 m een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden. De fundering van de huidige bedrijfsbebouwing wordt voor een groot deel hergebruikt voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast zal bij de beoogde ontwikkeling een uitbouw van circa 74 m2 gerealiseerd worden, wat valt binnen de vrijstellingsgrens van 100 m2. Aan de zuidwestelijke zijde van het appartementengebouw worden negen bergingen van elk 6 m2 geplaatst, waarbij de graafdiepte beperkt blijft tot maximaal 30 cm onder het bestaande maaiveld. Gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden en de geringe graafdiepte blijft de ontwikkeling binnen de voorwaarden van vergunningsvrije activiteiten. Daarom wordt nadere toetsing aan het aspect archeologie niet noodzakelijk geacht. Cultuurhistorie De locatie ligt niet in een beschermd stads- of dorpsgezicht en de bestaande bebouwing heeft geen specifieke cultuurhistorische waarde.

Met de voorgenomen ontwikkeling vindt tevens geen aantasting plaats aan cultuurhistorisch waardevolle lijnen of elementen. Het initiatief heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie. 6.9.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

49

6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'. 6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning.

Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie Hoofdstuk 5). 6.10.2 Onderzoek energietransitie Nieuwe gebouwen moeten sinds 1 januari 2021 voldoen aan strengere eisen voor energiegebruik: de Bijna Energieneutrale Gebouw Eisen (BENG-eisen). De nieuwe eisen zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het beoogde kleinschalige appartementengebouw met negen appartementen zal voldoen aan de BENG-eisen van het Bbl. Ieder appartement beschikt over een warmtepomp en wordt volledig gasloos opgeleverd. Daarnaast is er de mogelijkheid om zonnepanelen te realiseren op het dak van dit gebouw. Hiermee is het gebouw klaar voor de energietransitie. 6.10.3 Onderzoek circulariteit Bij de ontwikkeling van het appartementengebouw wordt nadrukkelijk ingezet op circulariteit en duurzaam materiaalgebruik. Waar mogelijk worden bestaande elementen hergebruikt.

Zo wordt de fundering van de voormalige bedrijfsbebouwing voor een groot deel benut en hergebruikt voor de nieuwbouw en zal de gevel van de huidige bedrijfswoning behouden blijven. Daarnaast zullen de bergingen prefab gerealiseerd worden. Door gebruik te maken van prefab bouwelementen, die demontabel en herbruikbaar zijn, wordt een bijdragen geleverd aan een circulair bouwconcept.

50

6.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.11 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.11.1 (Wettelijk) kader Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand.

Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de ladder als volgt omschreven: Een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: 1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en 2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: 1. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; 2. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.

Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

51

6.11.2 Onderzoek Voorliggend project ziet in de realisatie van een kleinschalig appartementengebouw ter plaatse van de bedrijfsloods en de bijbehorende bedrijfswoning. Uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4), blijkt dat woningbouwplannen van 12 of meer woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van negen appartementen. Dit project wordt dus niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. Om die reden is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Wel dient de behoefte aan woningen te worden aangetoond. De woningbouwbehoefte van de gemeente Overbetuwe is toegelicht in de paragrafen 5.3.2 en 5.3.3. 6.11.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het voorgenomen initiatief in het projectgebied.

6.12 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten).

Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook nietplaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld. 6.12.2 Onderzoek intern Met het project is sprake van herontwikkeling van een bedrijfsloods en een bijbehorende bedrijfswoning, naar een kleinschalig appartementengebouw van negen appartementen. Een appartement is geen functie die zorgt voor milieubelastende activiteiten. Voor de woningen zijn voorwaarden opgenomen voor wat betreft de functies beroepen en bedrijven en huis. Deze voorwaarden waarborgen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

52

6.12.3 Onderzoek extern Omliggende bedrijven kunnen zorgen voor (milieu)hinder. In het kader van milieubelastende activiteiten wordt een kleinschalig appartementengebouw aangemerkt als milieugevoelige functie. In de nabije omgeving zijn geen milieugevoelige functies aanwezig. Er ligt een maatschappelijke functie op circa 55 meter afstand. Dit levert geen belemmeringen op voor het project. Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk. 6.12.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het voorgenomen initiatief in het projectgebied.

6.13 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.13.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of; Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.13.2 Onderzoek Voor dit initiatief is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. De beoogde ontwikkeling valt binnen de categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een plan-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. 6.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het voorgenomen initiatief in het projectgebied.

53

6.14 Gezondheid Gezondheid speelt een belangrijke rol in de Omgevingswet. De Rijksoverheid streeft ernaar de veiligheid te waarborgen, de gezondheid en het milieu te beschermen en natuurlijke hulpbronnen te behouden. In de Omgevingswet wordt gezondheid in meerdere artikelen expliciet genoemd. 6.14.1 (Wettelijk) kader Artikel 1.3 (maatschappelijke doelen van de wet) Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 4.22 (rijksregels milieubelastende activiteiten) De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt; e. het ontstaan van afvalstoffen zoveel mogelijk wordt voorkomen en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd; f. energie doelmatig wordt gebruikt; g.

maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken; h. bij de definitieve beëindiging van activiteiten maatregelen worden getroffen om significante nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Artikel 5.32 (weigeren vergunning vanwege ernstige gezondheidsrisico's) Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning weigeren als naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. 6.14.2 Onderzoek Gezondheidsbescherming Gelet op het aspect gezondheidsbescherming voldoet het voorliggende initiatief aan het geldende beleid en de toepasselijke regelgeving op het gebied van klimaat en milieu. In paragrafen 6.1, 6.2, 6.3, 6.5, 6.7, 6.12 worden de resultaten uiteengezet van de omgevingsaspecten die relevant zijn voor gezondheidsbescherming. Op basis van deze analyses kan worden geconcludeerd dat het initiatief in voldoende mate rekening houdt met de relevante klimaat- en milieu factoren die van belang zijn voor gezondheidsbescherming. Daarmee is dit initiatief in overeenstemming met de eisen voor een gezonde fysieke leefomgeving, zoals vastgesteld in de Omgevingswet. Gezondheidsbevordering Ieder appartement beschikt over een buitenruimte.

Dit bevordert de blootstelling van zonlicht en heeft een positieve invloed heeft op zowel de mentale gezondheid als de fysieke gezondheid. Daarnaast zorgt een buitenruimte voor ontspannen, bewegen en zichtbaarheid van medebewoners. De buitenruimte

54

van het appartementengebouw is tevens voorzien van voldoende groen, waaronder bomen, beplanting en een sedumdak, deze inpassingen zorgen voor een verkoelend effect in warme periodes. Daarnaast wordt veel aandacht besteed aan een gezond en comfortabel binnenmilieu. De appartementen worden voorzien van ramen aan meerdere zijden, waardoor er overdag volop natuurlijk daglicht binnenvalt. Om geluidsoverlast van nabijgelegen weg- en railverkeer te beperken, wordt een geluidsluwe gevel toegepast. Daarnaast worden de appartementen volledig drempelvrij opgeleverd om valincidenten te voorkomen. Het gebouw wordt voorzien van brede gangen en deuren (minimaal 85 cm), voldoende verlichting en een lift. Dit maakt het zowel goed toegankelijk als veilig voor bewoners met een beperkte mobiliteit. Met deze maatregelen wordt actief bijgedragen aan een gezonde, toegankelijke en toekomstbestendige woonomgeving. De locatie is gunstig gelegen: een huisartsenpraktijk bevindt zich op circa 350 meter afstand en de supermarkt ligt op 800 meter. Daarnaast is de locatie goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Zo is de bushalte op minder dan 300 meter loopafstand en het treinstation van Elst bevindt zich op circa 550 meter van de projectlocatie. Daarmee is de locatie goed toegankelijk en bijzonder geschikt voor 50-plussers of ouderen.

6.14.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

55

Hoofdstuk 7

Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Onderhavig project raakt geen beperkingsgebieden. Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=67949388-ec28-46a3-ab42-4aa2b3f5a59c