25-06-19.09 relevant stuk 1 Toelichting, regels en bijlagen regels BP Elst, Lingezicht
Tekst van het document
De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1. Vanwege wegverkeerslawaai en spoorweglawaai zijn de geluidbelastingen binnen het plan in het onderzoek inzichtelijk gemaakt door middel van geluidcontouren. De geluidbelastingen zijn berekend op de gevels van de toekomstige woningen op 1,5, 4,5 en 7,5 meter hoogte (1,5 meter boven de verdiepingsvloer). Uit de onderstaande tabellen en de geluidcontouren in de bijlage bij het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarden in delen van het plangebied worden overschreden. In het overgrote deel van het plan is het woon- en leefklimaat acceptabel tot goed. Hier wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde vanwege alle omliggende bronnen of hebben slechts vanwege een enkele bron een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Nergens binnen het plan wordt de maximale ontheffingswaarde overschreden.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
Wegverk eerslawaai
Spoorweglawaai
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
Tabel 5.1 benodigde hogere waarden Wgh
Hogere waarden Voor de woningen waarbij de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten, alvorens een hogere waarde vast te stellen, maatregelen onderzocht worden om de geluidbelasting te reduceren. In het onderzoek in Bijlage 1 zijn deze mogelijke maatregelen beschouwd. Bronmaatregelen Ten aanzien van railverkeer kan door het toepassen van raildempers een reductie gerealiseerd worden van maximaal 3 dB. Hiermee is het niet mogelijk om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Deze maatregel heeft derhalve niet het gewenste doel. Daarnaast raakt deze maatregelen de belangen van ProRail. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het treffen van bronmaatregelen niet mogelijk
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Elst, Lingezicht of doelmatig is en stuit op bezwaren van verkeerskundige aard. Overdrachtsmaatregelen Mogelijk overdrachtsmaatregelen betreffen een geluidscherm of -wal of het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger. Een eventueel geluidscherm dient dermate lang en hoog te zijn, dat dit zal stuiten op zowel financiële als stedenbouwkundige bezwaren. Het vergroten van de afstand tussen de bron en de ontvanger is een mogelijkheid om de geluidbelasting te reduceren. Vanwege de omliggende bebouwing is het niet mogelijk om de afstand tussen de weg en de woningen dermate te vergroten dat zal worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Het vergroten van de afstand gaat tevens ten koste van de hoeveelheid woningen die gerealiseerd kunnen worden en/of ten koste van de ruimtelijke opzet van het plan. Daarom wordt deze maatregel niet wenselijk geacht. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het nemen van maatregelen in de overdracht stuit op financiële, stedenbouwkundige, landschappelijke en verkeerskundige bezwaren. Maatregelen bij de ontvanger Omdat het treffen van maatregelen aan de bron en in de overdracht niet mogelijk is, dienen maatregelen getroffen te worden bij de ontvanger. Bij de uitwerking van het plan is derhalve nader onderzoek nodig naar te treffen van maatregelen bij de ontvanger.
Hiervoor dient een hogere waarde te worden verleend. Voor het verlenen van een hogere waarde dient tevens getoetst te worden aan het gemeentelijk beleid. De gemeente heeft op 24 juli 2024 een besluit tot het verlenen van hogere waarden genomen. Voor de nieuw op te richten woningen, waarvan een aantal gevelbelastingen niet voldoet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB en 55 dB voor wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai, zijn in dit besluit hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is redelijkerwijs niet mogelijk. Bij de nieuw te bouwen woningen wordt niet altijd voldaan aan de ambitiewaarden uit het geluidsbeleid maar wèl in alle gevallen aan de hoogst toelaatbare geluidsbelastingen. Hiermee wordt voldaan aan het hoofdcriterium en één van de overige voorwaarden uit de Nota hogere grenswaarden van de gemeente Overbetuwe. Het verlenen van hogere waarden is daarom redelijkerwijs mogelijk. Ten behoeve van de uiteindelijke realisatie van de nieuwe woningen dient door de initiatiefnemer te zijner tijd bij de aanvraag om omgevingsvergunning uiteraard nog wèl een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidswering van de gevels om zodoende te kunnen garanderen dat aan de eis voor het binnenniveau (33 dB), zoals opgenomen in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit, wordt voldaan.
De geluidsbelastingen zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek, exclusief aftrek conform artikel 110g, dienen hiervoor als uitgangspunt. Aanleg nieuwe wegen Binnen het plan worden diverse wegen gerealiseerd voor het ontsluiten van de nieuwe woningen. De wegvakken met een verzamelintensiteit van 200 mvt/etmaal of meer zijn opgenomen in het onderzoek. Omdat de te realiseren wegen in het plangebied een rijsnelheid hebben van ten hoogste 30 km/u is de Wet geluidhinder niet van toepassing. De geluidbelasting is in het kader van goede ruimtelijke ordening wel inzichtelijk gemaakt. De voorkeursgrenswaarde conform de Wet geluidhinder wordt hierbij als richtwaarde gehanteerd. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de wegen in het plan ten hoogste 46 dB (inclusief aftrek 5 dB ex artikel 110g Wgh) bedraagt ter plaatse van bestaande omliggende woningen. Aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt bij omliggende woningen voldaan. Het verkeer in het plan leidt daarom niet tot onacceptabele geluidbelastingen bij omwonenden. Reconstructie van de weg Bij een wijziging op of aan een weg dient conform de Wet geluidhinder (Wgh) onderzoek gedaan te worden naar het effect van de geluidbelasting ter plaatse van omliggende woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen. Wanneer de geluidbelasting significant toeneemt is er sprake van reconstructie in de zin van de Wgh.
Er is sprake van reconstructie in de zin van de Wgh als aan de
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht volgende voorwaarden wordt voldaan: Het gaat om een fysieke wijziging op of aan een aanwezige weg; Ten gevolge van de wijziging bedraagt de toename van de geluidsbelasting 2 dB of meer. Het is in de Wet geluidhinder en jurisprudentie niet uitputtend geformuleerd wat wel en niet onder een fysieke wijziging van een aanwezige weg valt. Zo vallen het wijzigen van de wegbreedte of het wegdek onder een fysieke wijziging, alsmede de wijziging van het aantal rijstroken en verandering van het snelheidsregime. Een snelheidsverlaging of vervanging van wegdek met geluidreducerende werking valt niet onder een fysieke wijziging. In dit geval is er sprake van het toevoegen van een afslag op een bestaande weg. Over deze situatie is de gemeente geen specifieke jurisprudentie bekend. Omdat er sprake is van een toename van de verkeersintensiteit is er, in het kader van goede ruimtelijke ordening, besloten om het toevoegen van de ontsluiting zekerheidshalve te behandelen als een reconstructie. De geluidbelasting vanwege de Ceintuurbaan tussen de Regenboog en de Rijksweg Noord leidt bij de woningen aan de Stapelwolk tot een significante toename in de geluidbelasting. Bij de overige wegen is er geen sprake van een significante toename in de geluidsbelasting.
Maatregelen om de toename te reduceren zijn onderzocht, te weten: Bronmaatregelen: Zowel het reduceren van de rijsnelheid naar 30 km/u als het aanbrengen van stiller asfalt kan de toename in de geluidbelasting voldoende reduceren; Overdrachtsmaatregelen: Een geluidscherm ten zuiden van de Ceintuurbaan of in de middenberm kan de geluidbelasting voor een groot deel van de woningen aan de Stapelwolk voldoende reduceren; Maatregelen bij de ontvanger: Zonder bron- of overdrachtsmaatregelen zijn geen voorzieningen bij de woningen aan de Stapelwolk nodig. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan 'Groenoordstrip' zijn hogere geluidbelastingen dan in het onderhavig plan vastgesteld. Het binnenniveau in de woningen is vanwege in 2016 vastgestelde hogere waarden voldoende geborgd. Ondanks dat de realisatie van Lingezicht leidt tot een significante toename in de geluidbelasting ter plaatse van de woningen aan de Stapelwolk, zijn maatregelen voor de betreffende woningen niet nodig. Reeds vastgestelde hogere waarden beschermen de bewoners tegen hogere geluidbelastingen. Het treffen van maatregelen stuit daarbij op bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke aard en financiële aard. Conclusie In een groot deel van het plangebied vormt de Wgh geen belemmering. Toch zijn voor diverse woningen hogere waarden benodigd in verband met verschillende geluidbronnen.
De zones waarvoor dit noodzakelijk is, zijn in beeld gebracht en de gemeente heeft hogere waardenbesluiten genomen. Hogere waarden kunnen redelijkerwijs worden verleend en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan met het treffen van maatregelen worden bereikt. Dit aspect vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3
Luchtkwaliteit Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Elst, Lingezicht Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2µg/m3). Beoordeling en conclusie Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in de realisatie van een nieuw woongebied met maximaal 395 woningen. Hiermee blijft het project (ruimschoots) onder de drempelwaarde uit de Regeling NIBM voor woningbouwlocaties, te weten 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Het project valt daarmee onder de in de Regeling NIBm genoemde categorieën van gevallen. Nader onderzoek is daarom niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de monitoringstool van het NSL inzicht verkregen in de luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de meest nabijgelegen rekenpunten ruimschoots aan de normen voldoet voor wat betreft de concentraties PM10, NO2 en het maximum aantal overschrijdingsdagen. Daarbij wordt opgemerkt dat de betreffende rekenpunten direct grenzend aan hoofdverkeerswegen, zoals de A325, liggen. De luchtkwaliteit rondom het plangebied zal normaliter gunstiger zijn. Er is in de huidige situatie derhalve geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De luchtkwaliteit in het plangebied wordt aanvaardbaar geacht.
5.4
Bedrijven en milieuzonering
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype.
Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Beoordeling Invloed omgeving op plan Dit bestemmingsplan maakt enkele nieuwe woongebieden mogelijk. Hiermee is er sprake van nieuwe gevoelige functies. Daarom moet worden onderzocht of de ontwikkeling kan leiden tot belemmeringen voor omliggende milieubelastende functies en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied. Door Econsultancy is een onderzoek milieuzonering uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2. Hierna worden de voornaamste bevindingen besproken. In de omgeving van het plangebied bevinden zich de volgende milieubelastende functies. Hierbij is getoetst aan de richtafstanden ten opichte van een rustige woonwijk. In afbeelding 5.2 is de situering van deze functies zichtbaar en is het plangebied geel gemarkeerd. Adres
Functie
Milieucat.
Richtafstand Afstand feitelijk*
Rijksweg Noord 103
Garagebedrijf
2
30 m
32
ca. 26 m
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
Rijksweg Noord 105
Grondgebonden veehouderij
4.1
200 m
ca. 30 m
*kortste afstand tussen de rand van het plangebied en de rand van het perceel Hierna wordt ingegaan op beide locaties.
Afbeelding 5.2: milieuzones bedrijvigheid in relatie tot het plangebied (bron: Econsultancy) Bedrijfslocatie Rijksweg Noord 103 Een zeer klein gedeelte van het plangebied ligt binnen de richtafstand van het garagebedrijf. Binnen deze zone (maximaal 4 meter breed) worden echter geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Hierdoor is er geen sprake van belemmeringen over en weer. Veehouderij Rijksweg Noord 105 Ten aanzien van deze grondgebonden veehouderij is het aspect geur maatgevend. De richtafstand van overige aspecten reikt niet over het plangebied. Het onderdeel geurhinder wordt in pargaraaf 5.5 beschouwd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van onevenredige belemmeringen. Invloed plan op omgeving Centraal-westelijk in het plangebied wordt een gestapeld woongebouwmogelijk gemaakt, waarbinnen maatschappelijke voorzieningen in de vorm van medisch-therapeutische diensten mogelijk zijn. Dergelijke voorzieningen behoren volgens de VNG-brochure tot milieucategorie 1. De bijbehorende richtafstand is 10 meter. Alle bestaande woningen liggen buiten deze richtafstand, zodat het optreden van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat uitgesloten is. Dat geldt ook voor de grondgebonden woningen in het plangebied. Aangezien er binnen het gebouw ook woningen worden voorzien, is het volgende van belang.
Volgens de VNG-Handreiking is het mogelijk om – op gebouwniveau – lichte bedrijvigheid direct toe te laten naast gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-Handreiking kent daartoe een lijst van typen activiteiten die geschikt zijn voor zogenaamde 'functiemenging'. Categorie A-activiteiten uit deze lijst kunnen direct naast woningen worden toegelaten en categorie B-activiteiten eveneens, onder de voorwaarde dat er sprake is van bouwkundige scheiding met de woningen. De toegestane activiteiten vallen geheel onder de categorie A van de Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Hierdoor zijn er geen
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Elst, Lingezicht belemmeringen te verwachten. De plint wordt bouwkundig overigens van de woningen op de hogere verdiepingen gescheiden. Onevenredige hinder tussen de functies binnen het onderhavige plan wordt vanwege de voorgaande factoren niet verwacht. Spuitzones Ten aanzien van boom- en fruitteeltbedrijven is niet alleen de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van belang, maar ook spuitzones in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij deze bedrijven. In het bestemmingsplan 'Elst, Schil Westeraam A325', dat op de agrarische gronden nabij het plangebied van toepassing is, de uitoefening van fruit- en boomteelt niet uitgesloten. In beginsel mogen binnen een afstand van 50 meter tot teeltgronden, waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, geen gevoelige functies worden gerealiseerd in verband met de gezondheidsrisico's van het gebruik van deze middelen. Deze afstand wordt algemeen aanvaard, maar er kan volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand. In het plangebied zijn momenteel agrarische gronden aanwezig, maar is feitelijk geen sprake van teeltgronden. De agrarische functie in het plangebied verdwijnt met de beoogde ontwikkeling geheel. Ook in de omgeving van het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig.
Een deel van deze gronden ligt binnen 50 meter van het nieuwe woongebied. In feitelijk opzicht is er geen sprake van teeltgronden binnen deze afstand, omdat deze al jaren in gebruik en ingericht zijn voor hobbymatig agrarisch gebruik. Daardoor zijn er bij voortzetting van de huidige situatie geen belemmeringen aan de orde. De betreffende gronden binnen 50 meter van het plangebied zijn in eigendom van diverse eigenaren, verdeeld over kleine percelen. Door deze eigendomssituatie is het in de praktijk uitgesloten dat er in de toekomst van een bedrijfsmatig agrarisch grondgebruik met gebruik van bestrijdingsmiddelen sprake zal zijn. Hierdoor is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de huidige en toekomstige situatie verzekerd. Ook leidt de ontwikkeling niet tot onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden voor de eigenaren van de betrokken agrarische percelen. Zorgvuldigheidshalve is, aanvullend op de voorgaand beschreven beleidslijn van de gemeente, tevens een locatiespecifiek spuitzone-onderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 3. Hierin is onderzocht: 1. Of toevoeging van nieuwe driftgevoelige bestemmingen mogelijk tot aantasting van bestemde gebruiksmogelijkheden van deze agrarische gronden kan leiden. Met andere woorden: de vraag of de nieuwe functies mogelijk zullen leiden tot strengere milieuregels in de toekomst; 2.
Of sprake is van goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1, lid 1 Wet ruimtelijke ordening) c.q. een evenwichtige toekenning van functies aan locaties (artikel 2.1 lid 3 onder k van de Omgevingswet). Het onderzoek bevestigt de eerder genoemde constatering dat de relevante omliggende gronden als grasland kunnen worden aangemerkt. Voor de gronden ten noordwesten van het plangebied, is tevens relevant dat sprake is van een voorwaardelijke verplichting (artikel 5.4.4 van de planregels 'Elst, Rijksweg-Noord 94'), op grond waarvan dient te worden voorzien in landschappelijke inpassing in samenhang met het realiseren van de nieuwe woningen. De agrarische bestemming in dit plangebied zal volledig worden aangewend voor deze landschappelijke inpassing. Voor deze gronden is een agrarische inrichting, waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, ook juridisch-planologisch redelijkerwijs uitgesloten. Ook kan op basis van het onderzoek worden geconcludeerd dat op de overige gronden alleen teelt, waarbij spake zal zijn van neerwaarts spuiten, mogelijk is. Daarmee is duidelijk dat de standaard richtafstand van minimaal 50 meter in dit geval een overschatting is.
Blijkens diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak avn de Raad van State kan in principe worden gekomen tot een ruimtelijk inpasbare situatie door afscherming toe te passen tussen gewaspercelen en percelen waar regulier menselijk verblijf niet kan worden uitgesloten. Gelet op de omstandigheid dat enkel sprake zal zijn van teelten waarbij neerwaarts gespoten wordt, kan worden uitgegaan van een voorzorgafstand van 12,5 meter. Gronden met verblijfsfuncties die zijn gelegen op meer dan 12,5 meter uit de agrarische percelen behoeven niet te worden afgeschermd. Hier is in ieder geval sprake van langs de watergang, aangezien
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht hier sprake zal zijn van een dergelijke onderlinge afstand, mede rekening houdend met een teeltvrije zone van 0,5 meter. Verreweg de meeste woonpercelen liggen (ruimschoots) buiten de genoemde voorzorgsafstand. Omdat een klein gedeelte van het woongebied binnen deze afstand ligt, moet afscherming in de vorm van een afschermend gewas met 90% bladdichtheid worden gerealiseerd aan enkele randen van het woongebied. Diverse bladverliezende haagsoorten komen hiervoor in aanmerking, zoals haagbeuk, els of liguster. In geval een afscherming op meer dan 5 meter uit de grens met een gewasperceel moet worden geplaatst, dient te worden gekozen voor een afscherming met een zo hoog mogelijke dichtheid. Dit kan worden bereikt met bijvoorbeeld coniferensoorten met hoge bladdichtheid dan wel met een schutting. Afbeelding 5.3 geeft de benodigde maatregelen weer. Ter waarborging van het woon- en leefklimaat is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie van een afschermende haag, zoals beschreven in het rapport. Met deze aanvullende borging kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen over en weer optreden.
Afbeelding 5.3: maatregelen in verband met spuitzones (bron: Adromi) Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan. Er treden geen belemmeringen voor omliggende functies op en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldoende gewaarborgd. Daarnaast is uitvoerig en locatiespecifiek onderzoek uitgevoerd ten aanzien van spuitzones van nabij gelegen agrarische percelen. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van belemmeringen. Ter (aanvullende) waarborging van het woon- en leefklimaat is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie van een afschermende haag.
5.5
Geurhinder (veehouderijen)
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Elst, Lingezicht aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Beoordeling Het bestemmingsplan maakt het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten (woningen) mogelijk. In de directe omgeving van het plangebied is één veehouderij aanwezig. Dit betreft de grondgebonden veehouderij Rijksweg Noord 105 (zie ook paragraaf 5.5). De veehouderij heeft een vergunning voor het houden van varkens en melkvee (vergunning d.d. 13 april 2022). Deze veehouderij ligt in een lint met andere (woon)bebouwing. De veehouderij moet al rekening houden met de bestaande geurgevoelige objecten. De afstand tot de woningen in het plangebied is ongeveer 50 meter. Er wordt voldaan aan de vaste afstand van artikel 4, eerste lid, sub a van de Wgv, die ten aanzien van het houden van melkvee geldt ten opzichte van woningen buiten de bebouwde kom. In de huidige situatie ligt het plangebied geheel buiten de bebouwde kom, maar na realisatie van het plan behoort het plangebied tot de bebouwde kom. Dan wordt niet binnen het gehele plangebied voldaan aan de vaste afstandsnorm, omdat deze 100 meter bedraagt ten opzichte van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom.
Op basis van artikel 4, derde lid van de Wgv geldt in dat geval dat, indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de betreffende vaste afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt, een vergunning niet wordt geweigerd. In dit kader is relevant dat in de huidige situatie meerdere bestaande geurgevoelige objecten op korte afstand van de veehouderij liggen. Dit betreft de bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning van het autobedrijf aan de Rijksweg-Noord 103 (afstand tot rand bouwvlak ca. 21 meter en afstand tot bedrijfswoning ca. 41 meter) aan de zuidzijde, de woning Rijksweg-Noord 109 aan de noordzijde (ca. 58 meter afstand) en de woning Rijksweg-Noord 94 (ca. 56 meter) aan de oostzijde. Ten opzichte van de eerstgenoemde locatie wordt in de bestaande situatie niet aan de vaste afstandsnorm voldaan. Deze locatie is en blijft maatgevend voor de mogelijkheden van de melkveehouderij aan de zijde van het plangebied. Gelet op de reeds bestaande beperkingen van de veehouderij, wordt de veehouderij door de onderhavige planontwikkeling niet onevenredig nadelig belemmerd. Ten aanzien van het houden van varkens zijn geen vaste afstanden van toepassing.
Hoewel het op basis van de bij de gemeente tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan bekende informatie aannemelijk is dat er op korte termijn geen sprake meer zal zijn van het houden van varkens, is deze situatie eveneens beschouwd. Er is in het kader van de ontwikkeling op de locatie Rijksweg-Noord 94 een indicatieve geurberekening uitgevoerd. Afbeelding 5.3 geeft de geurhindercontouren weer (inclusief de betreffende separate herontwikkeling van het perceel Rijksweg Noord 94). De norm voor woningen in het buitengebied is 8 odorunits; voor woningen binnen de bebouwde kom bedraagt deze 2 odorunits. In de huidige situatie ligt het plangebied geheel buiten de bebouwde kom, maar na realisatie van het plan behoort het plangebied tot de bebouwde kom. Aan de norm van 8 odorunits buiten de bebouwde kom wordt bij alle woningen in het plangebied ruimschoots voldaan. De geurbelasting op de meest nabij gelegen woningen in het plangebied is minder dan 5 odorunits, zie de bruine lijn in afbeelding 5.4. Deze lijn ligt op de uiterste rand van onderhavig plangebied. Uit deze afbeelding blijkt dat in een beperkt gedeelte van het plangebied niet aan de norm van 2 odorunits binnen de bebouwde kom wordt voldaan. Deze norm geldt in geval van een nieuwe vergunningaanvraag voor de veehouderij.
Voor de veehouderij Rijksweg-Noord 105 zijn en blijven de woningen op het perceel Rijksweg-Noord 94 ook na planrealisatie maatgevend. De betreffende veehouderij wordt daarom niet onevenredig in haar belangen geschaad. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen andere relevante geurbronnen aanwezig. Andere veehouderijen bevinden zich op aanzienlijk grotere afstand en dragen niet relevant bij aan de achtergrondbelasting. Zorgvuldigheidshalve is een onderzoek uitgevoerd naar de achtergrondbelasting. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 6. Uit het onderzoek blijkt dat de achtergrondbelasting in het plangebied maximaal 4,7 odorunits bedraagt. Een achtergrondgeurbelasting tot 5 odorunits wordt op basis van de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Overbetuwe 2018 aanvaardbaar geacht. Hieraan wordt voor het gehele plangebied dus voldaan. In vrijwel het gehele plangebied is de geurbelasting (aanzienlijk) lager. Er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
Afbeelding 5.4: berekening geurcontouren achtergrondbelasting (bron: Econsultancy) Conclusie De Wgv vormt geen belemmering in het kader van dit plan.
5.6
Bodem
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond. Beoordeling Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van een nieuw woongebied op gronden die momenteel agrarisch in gebruik zijn. Het toekomstige gebruik betreft een gevoelige functie. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit in het plangebied is daarom noodzakelijk. Er zijn twee onderzoeken uitgevoerd: voor het oostelijk deel van het plangebied en voor het westelijk plandeel (Rijksweg Noord 94). Deze zijn opgenomen in respectievelijk Bijlage 4 en Bijlage 5. Hierna worden de onderzoeken achtereenvolgens besproken. Verkennend bodemonderzoek en waterbodemonderzoek gronden oostelijk plandeel Dit onderzoek ziet op de kadastrale percelen gemeente Elst, sectie N, nummers 330, 3759, 3781 en 3782. Het onderzoek bestaat uit een historisch onderzoek en een verkennend booronderzoek land- en waterbodem (NEN 5725 en NEN 5717). Uit het onderzoek in Bijlage 4 volgen de volgende conclusies: in het grondwater is een licht (indexwaarde > 0,5) verhoogd gehalte voor barium aangetoond.
Deze is naar alle waarschijnlijkheid toe te schrijven aan van nature verhoogde achtergrondconcentraties; in zowel de boven- als de ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. Deze waarden geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek; zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergangen; in de teeltlaag zijn geen verhoogde gehalten voor de OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. De voormalige boomgaarden in de directe omgeving hebben derhalve niet geleid tot een bodemverontreinigingen met OCB in de oorspronkelijke teeltlaag;
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Elst, Lingezicht uit het waterbodemonderzoek volgt dat voor de vaste waterbodem, wat betreft PFAS, geen bezwaren voor toepassing elders bestaan, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de boven- en ondergrond en het grondwater geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De gemeten gehalten vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. De bodem en waterbodem zijn voldoende onderzocht voor deze ruimtelijke procedure. Verkennend bodemonderzoek en waterbodemonderzoek gronden westelijk plandeel (Rijksweg Noord 94) Dit onderzoek ziet op de locatie Rijksweg Noord 94. Een klein gedeelte daarvan valt buiten het plangebied van dit bestemmingsplan. Het onderzoek bestaat uit een historisch onderzoek en een verkennend booronderzoek land- en waterbodem en een verkennend asbestonderzoek (NEN 5725, NEN 5717, NEN 5740 en NEN5720). Uit het onderzoek in Bijlage 5 volgen de volgende conclusies: in de ondergrond zijn (na uitsplitsing) maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond.
Deze overschrijden alleen de achtergrondwaarden en geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek; in de bovengrond en het grondwater zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond; zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen duidelijke waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergang; in de (oorspronkelijke) teeltlaag zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte OCB-parameters aan getoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden; aangezien zintuiglijk (fractie > 20 mm) op zowel op het maaiveld als in de grond geen asbest is waargenomen en analytisch (fractie < 20 mm) geen noemenswaardig gehalte voor asbest is aangetoond, wordt de planlocatie niet als asbestverdacht aangemerkt. Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, omdat deze nog niet volledig kon worden onderzocht. Voor deze bestemmingsplanherziening vormt dat geen belemmering; uit het waterbodemonderzoek volgt dat voor de vaste waterbodem, wat betreft PFAS, geen bezwaren voor toepassing elders bestaan, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de boven- en ondergrond en het grondwater geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De gemeten gehalten vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik.
De bodem en waterbodem zijn voldoende onderzocht voor deze ruimtelijke procedure. Daarnaast kan de planlocatie grotendeels als onverdacht op asbest worden beschouwd. Een gedeelte zal echter voor de uitvoering van het plan nog nader moeten worden onderzocht. Conclusie Er is uitvoerig onderzoek verricht naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Gebleken is dat er geen belemmeringen voor het beoogde gebruik aan de orde zijn. Er zijn hooguit lichte verontreinigingen in de bodem en het grondwater aangetroffen. Daarnaast wordt verwacht dat er geen belemmeringen ten aanzien van asbestverontreiniging aan de orde zijn.
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
5.7
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Beoordeling Dit bestemmingsplan maakt een grootschalig woongebied met maximaal 395 woningen mogelijk. Met het plan worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt en neemt het aantal personen binnen het plangebied toe.
Er wordt geen nieuwe risicobron mogelijk gemaakt. De beoogde ontwikkeling is vanuit externe veiligheidsoogpunt relevant. Daarom is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 7. Rondom het plangebied zijn de volgende externe veiligheidsrisicobronnen relevant. Het beoogde woongebied ligt gedeeltelijk binnen 200 meter van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen. Overige risicobronnen liggen op grote afstand van het plangebied. Kwantitatieve risicoanalyse spoorlijn Arnhem-Nijmegen Voor de spoorlijn langs het plangebied dient, op basis van het Bevt, getoetst te worden aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieraan is in het onderzoek in Bijlage 7 invulling gegeven. Voor de beschouwde spoorlijn geldt geen plasbrandaandachtsgebied. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied. Er geldt namelijk een afstand van 0 meter. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 reikt daarom niet over het plangebied.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
Het groepsrisico is berekend voor de huidige en de toekomstige situatie. Uit de groepsrisicoberekeningen blijkt dat het groepsrisico van de spoorlijn ten gevolge van dit plan in niet toeneemt. De curves zijn identiek aan elkaar. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Uit de resultaten blijkt dat dus het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde en niet toeneemt door de voorgenomen ontwikkeling, ondanks een toename van het aantal aanwezige personen in het invloedsgebied. Dit komt doordat het ongevalspunt met de grootste bijdrage aan het groepsrisico en de kilometer met het hoogste groepsrisico op het zuidelijk deel van de route liggen, op enige afstand van het plangebied. Aangezien er geen toename van het groepsrisico wordt berekend en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden, kan conform het Bevt volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit houdt in dat er enkel inzicht gegeven hoeft te worden in de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid (artikel 7 van het Bevt). Beperkte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron.
De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de aanwezige voorzieningen. De VGGM wordt hiervoor voor advies gevraagd. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. De VGGM zal hierover om advies worden gevraagd. Door de ontwikkeling wijzigt de personendichtheid nabij de risicobron. Het ligt in de lijn der verwachting dat de aanwezige personen, mits tijdig gewaarschuwd, zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Het plan ligt in het scenario toxische wolk en explosie. De kans op het optreden van deze scenario's is klein. In het kader van de zelfredzaamheid is aandacht nodig voor risicocommunicatie, de ontvluchtbaarheid en de mogelijkheden tot evacuatie van het gebied, alsmede om zorg te dragen voor meerzijdige bereikbaarheid van het plan. Deze uitwerkingsaspecten vormen geen belemmering voor het plan. Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-Alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Gezien het voorgaande kan de zelfredzaamheid als voldoende worden beschouwd.
Conclusie Het groepsrisico vanwege het plan is verantwoord conform vigerende wetgeving. Op basis van deze overwegingen wordt de hoogte van het groepsrisico aanvaardbaar geacht. Advies Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) Het onderzoek externe veiligheid is ook voorgelegd aan de VGGM. In het advies van de VGGM zijn enkele advies- en aandachtspunten meegegeven die kunnen worden betrokken bij de verdere uitwerking van de planvorming. Als het gaat om het verbeteren van de zelfredzaamheid en rampenbestrijding adviseer de VGGM om: De bewoners te informeren over de risico's in hun omgeving en de mogelijke handelingsperspectieven bij een (dreigend) incident. Goede risicocommunicatie vergroot de zelfredzaamheid van de burgers;
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht Te letten op de ontvluchtbaarheid en mogelijkheden tot evacuatie van (een deel van) het gebied. U kunt hierbij denken aan nooduitgangen en vluchtwegen/-routes uit het plangebied in tegengestelde richting van de risicobron (in dit geval de spoorlijn Arnhem – Nijmegen); Zorg te dragen voor meerzijdige bereikbaarheid en toegankelijkheid van het plangebied voor de hulpdiensten; In aanvulling op het bovestaande adviseert VGGM om bij de uitwerking van plannen rekening te houden met: De bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Voor de uitgangspunten verwijst VGGM naar de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid van Brandweer Nederland; De toegankelijkheid van zorgvoorzieningen ten behoeve van de toekomstige bewoners van het plangebied; De toegankelijkheid van appartementengebouwen voor de ambulancedienst; Relevante milieu aspecten in en om het plangebied; Geluidsreducerende maatregelen. Voor de adviezen ten aanzien van milieu en geluidsreduceren maatregelen is in hoofdstuk 5 van deze toelichting aandacht geschonken. Voor de overige adviezen geldt dat deze zullen worden meegenomen bij de verdere planuitwerking. Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met externe veiligheidsrisico.
De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen. Op basis van de kwalitatieve risicoanalyse en beperkte verantwoording groepsrisico (zie voorgaand) kan worden geconcludeerd dat het plan geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
5.8
Explosieven
De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) ging er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.
Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, uitvoeren van graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten (OO) van belang. Dergelijke werkzaamheden zijn voor de realisatie van het plan nodig. Daarom moet een explosievenonderzoek worden uitgevoerd, voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend en voordat kan worden gestart met de uitvoering van overige werkzaamheden, zoals graafwerkzaamheden ten behoeve van het openbaar gebied. Een deel van de gronden is voor vaststelling van het bestemmingsplan reeds onderzocht en vrijgegeven. Voor het overige is dit aspect met name van belang voor de uitvoering van het plan en staat het aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op voorhand niet in de weg.
5.9
Kabels en leidingen
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig, die in de geldende bestemmingsplannen een dubbelbestemming hebben gekregen of anderszins relevant zijn. Uitzondering hierop is een rioolpersleiding uiterst oostelijk in het plangebied. Hier wordt een calamiteitenroute beoogd. Deze vorm geen belemmering voor het functioneren van deze leiding. De dubbelbestemming 'Leiding - Riool' wordt gehandhaafd. Dit aspect levert geen belemmeringen op voor het plan.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
5.10
Waterparagraaf
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Voor onderhavig plan is een waterstructuurplan opgesteld. Dit is opgenomen in Bijlage 8. Tevens is een watertoets opgesteld in de betreffende bijlage. Hierna wordt op basis van het waterstructuurplan en het rapport een samenvatting van de waterparagraaf beschreven. Beleidskader Europees beleid Vanaf 2000 is ter verbetering van de chemische en ecologische waterkwaliteit van alle Europese wateren de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De kaderrichtlijn omvat regelgeving voor zowel het opper-vlaktewater als het grondwater. De streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015, maar eventueel kan, mits goed onderbouwd, uitstel worden verleend tot uiterlijk 2027 (derogatie). De plannen voor de (deel)stroomgebied zijn door de verschillende partijen, met uitzondering van het Rijk, in 2009 vastgesteld en bevatten doelen, ambities en maatregelen. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is in diverse nota's vastgelegd. Het meest directe beleids-plan is de Vierde Nota Waterhuishouding en het vernieuwde Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-actueel 2008).
Het bestuursakkoord heeft tot doel "om in de periode tot 2015 het hoofdwatersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden en te anticiperen op de klimaatsverandering". Verder is de watertoets ook in het NBW-actueel een belangrijk instrument om water verantwoord in te passen in ruimtelijke ontwikkelingen. In de Nota Ruimte is water een belangrijk, structurerend principe voor bestemming, inrichting en gebruik van de ruimte. Om problemen met water te voorkomen moet, anticiperend op veranderingen in het klimaat, de ruimte zo worden ingericht dat water beter kan worden vastgehouden of geborgen. Dit anticiperen is ook terug te vinden in de Waterwet die op 22 december 2009 van kracht is geworden. In de Waterwet zijn ondermeer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor het vasthouden en afvoeren van regenwater en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht. Provinciaal en regionaal beleid Op provinciaal niveau is het waterbeheer vastgelegd in het Waterplan Gelderland. Het Waterplan gaat verder op de ingeslagen weg van het derde Waterhuishoudingsplan. Nieuw is de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water en de verplichtingen die voortvloeien uit de waterwet. Een belangrijk aanpassing uit de Waterwet is dat de vergunningverlening voor het onttrekken van grondwater grotendeels is overgedragen aan de waterschappen.
Slechts in drie gevallen is de provincie hiervoor nog aanspreekpunt: onttrekkingen voor drinkwaterwinning; onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen zoals koude- en warmte opslag (KWO); industriële onttrekkingen meer dan 150.000 m³ per jaar. De gemeenten in Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN) hebben het Convenant Duurzaam Bouwen in het KAN (2000) opgesteld. Het 'pakket duurzaam bouwen' maakt hier onderdeel van uit. Voor water is het volgende streefbeeld opgesteld: natuurlijke waterhuishouding (vermindering verdroging) en schoon water in de wijk, waardoor natuurontwikkeling mogelijk wordt. Beleid waterschap en gemeente Het stedelijk waterbeheer in Elst is overgedragen aan het Waterschap Rivierenland waardoor de gemeente Overbetuwe rekening dient te houden met het vigerende beleid van waterschap. Relevant beleid voor de gemeente Overbetuwe is het Waterbeheerplan 2010-2015, de keur en de legger van het waterschap en het ambitiedocument Boven-Linge. In dit ambitiedocument zijn opgaven opgenomen die de toon zetten en pijlers vormen voor de ambitie van de Boven-Linge. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Elst, Lingezicht aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat: er geen negatieve verstoring van de grondwaterstanden en -stromingen mag worden veroorzaakt om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen; er maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling; regenwater dat via openbaar terrein afstroomt bovengronds wordt afgevoerd; er voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie; het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt; het gebruik van uitloogbare materialen niet is toegestaan. Doelen van het systeem van waterhuishouding Het systeem van grond- en oppervlaktewater moet de volgende doelen dienen: het voorkomen van wateroverlast als gevolg van hoge grondwaterstanden en extreme neerslag; het creëren van een gezond (duurzaam) en veerkrachtig watersysteem; het afvoeren van teveel aan neerslag en kwelwater; het bergen van extreme neerslag; het bieden van een goed leefmilieu voor een gevarieerde flora en fauna; het bieden van een goed verblijfsmilieu voor de recreant; het bieden van een systeem dat de woonomgeving, de belevingswaarde en het gebruikersgenot vergroot.
Voor de afvoer van hemelwater gelden de volgende doelen: het voorkomen van wateroverlast door grondwater en neerslag; voorkomen dat schoon hemelwater wordt vermengd met vuil water; voorkomen dat de rioolwaterzuivering onnodig wordt belast met schoon hemelwater; het voorkomen of bestrijden van verdroging; het verbeteren of handhaven van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Voor het vuilwater stelsel worden de volgende doelen gesteld: voorkomen van onhygiënische omstandigheden waarin ziektes zich kunnen verspreiden; inzamelen en transport van vuilwater naar een rioolwaterzuivering; voorkomen dat vuilwater en fecaliën zich vermengen met het oppervlaktewater. Oppervlaktewater Het plangebied ligt volledig in het peilgebied OVB153 van Waterschap Rivierenland. Het streefpeil is NAP +7.60 m. In het plangebied liggen twee A-watergangen die gehandhaafd blijven. De bestaande Ben C-watergangen in het gebied worden gedempt. De bestaande afvoerrichting van alle watergangen is richting de rivier De Linge. De Linge ligt aan de noordzijde van het plangebied. Afbeelding 5.5 geeft het bestaande oppervlaktewatersysteem in het plangebied en de directe omgeving weer.
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
Afbeelding 5.5: leggergegevens en peilgebieden (bron: waterschap Rivierenland)
In afbeelding 5.6 is aangegeven welke watergangen worden behouden en welke worden gedempt. Het wateroppervlak dat wordt gedempt moet terugkomen in de toekomstige situatie. Dit oppervlak moet bij de compensatie berging opgeteld worden. In de onderstaande figuur zijn deze watergangen weergegeven. Op basis van een gemiddeld maaiveldniveau van NAP +8.50 m, een waterbreedte op de waterlijn van 1,0 m en talud 1:5 is grofweg de inhoud van de te dempen watergangen berekend. In totaal gaat het om 144 m³ water voor de T=10=10% situatie en 1.296 m³ water voor de T=100+10% situatie. De hoeveelheid water zal in de toekomstige situatie als extra berging meegenomen moeten worden.
Afbeelding 5.6: te behouden en te dempen watergangen in het plangebied (bron: Civil Management)
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
Bij nieuwe uitbreidingen geldt dat verhard gebied het oppervlaktewatersysteem hier niet zonder meer mee belast mag worden. Of het regenwater moet op eigen terrein vastgehouden of gebruikt worden of er moet extra open water gegraven worden om de toename te compenseren. In het geval van compensatie hanteert het waterschap dat voor een T=10 situatie 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak gerealiseerd moet worden, waarbij 0,3 meter peilstijging mag optreden. Voor de T=100 situatie is dit 664 m³/ha (peil tot aan insteek). In dit plan is voldoende ruimte beschikbaar om te voldoen aan de bergingsopgave. In het waterstructuurplan is dit nader uitgewerkt en gedetailleerd berekend. De vereiste waterberging voor de toekomstige situatie is op basis van het stedenbouwkundig plan berekend op 4.775 m³ voor de situatie T=10+10% en op 7.272 m³ voor de situatie T=100+10%. Hemelwater en vuilwatersysteem Voor de ontwikkeldelen geldt dat een geïntegreerd rioolstelsel moet worden aangelegd. Dit betekent dat alleen het afvalwater nog via het afvalwaterriool mag worden afgevoerd. Hemelwater mag niet via een gemengd riool worden afgevoerd, maar moet in de openbare ruimte worden aangeboden. Dit kan zowel bovengronds (oppervlakkige afvoer) als ondergronds (hemelwaterriool). In het plangebied wordt in principe alleen een vuilwatersysteem ondergronds aangelegd.
De afvoer van afstromend hemelwater gaat bovengronds naar bodempassages. Binnen het plan Lingezicht heeft bovengrondse afvoer van particulier- en opbaar terrein door middel van goten en wegen op 1 oor te leggen de voorkeur om oppervlakkige afvoer te realiseren. Daar waar dat niet mogelijk is kan men kiezen voor een lokaal ondergrondse afvoer richting de bodempassage. Dit zou bijvoorbeeld in achterpaden het geval kunnen zijn. In het plan is voldoende ruimte beschikbaar om waterberging te realiseren. Hoe de profielen van de droogvallende waterlichamen er precies uit te komen te zien en hoe deze onderling verbonden met elkaar zullen worden zal in overleg met de verschillende beheerders plaatsvinden (rioolbeheerder en waterbeheerder). In afbeelding 5.7 is het principe voorstel voor de hemelwaterafvoer weergegeven waarbij zoveel mogelijk met de verdeling van water rekening is gehouden. Daar waar knelpunten zitten met betrekking tot overige afspraken of ruimtebeslag zullen bij de uitwerking van het waterhuishoudkundigplan afspraken gemaakt moeten worden met de betrokken partijen.
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Elst, Lingezicht
Afbeelding 5.7: principe waterstructuur toekomstige situatie (bron: Civil Management) De afvoer van afvalwater binnen de ontwikkeling geschiedt door middel van vrijvervalriolering (dwa) naar het bestaande rioleringssysteem van de gemeente. Het is niet mogelijk om het gehele gebied onder vrijverval naar het bestaande vrijverval van de kern Elst af te voeren vanwege de grote transportafstanden en diepteligging van het bestaande gemengde riool. In het westelijke deel van het plan is het mogelijk om een aantal woningen op het bestaande drukrioleringssysteem aan te sluiten. In het plangebied zijn afhankelijk van de fasering en gewenste diepeteligging 1 of 2 rioolgemalen nodig die door middel van een persleiding naar het vrijverval systeem van Elst afvoeren. Daarnaast is er nog een mogelijkheid om een aansluiting op de bestaande persleiding van Waterschap Rivierenland te maken. Deze keuze is nog niet gemaakt met de betrokken partijen. Grondwater De berekende GHG ligt in dit gebied rond de +7.60 m NAP. De dynamiek is vrij klein, de waterstanden fluctueren met 10 cm. De berekende GHG van NAP +7.60 is gelijk aan het streefpeil van het oppervlaktewater in het peilgebied OVB153. Omdat er tussen watergangen altijd sprake is van opbolling is het vrij aannemelijk dat de GHG in het gebied hoger is dan dat wordt berekend.
Uitgegaan wordt van een GHG die circa 0,3 meter hoger ligt dan berekend. Inschat wordt dat de GHG rond de NAP +7.90 m uitkomt. Geconcludeerd wordt dat op basis van geohydrologisch oogpunt de ontwatering maatgevend is voor de toekomstige aanleghoogte. Ophoging van het terrein tot minimaal NAP +9.20 m is nodig als uitgegaan wordt van bouwen met kruipruimte. Bij ontwikkelingen in het plangebied is het niet toegestaan dat er een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie ontstaat. Bij de ontwikkelingen moet hier bij de bouw en inrichting dan ook rekening mee worden gehouden. Het bouwen van ondergrondse constructies is niet verboden, maar moeten in ieder geval waterdicht worden aangelegd. Voor grote ondergrondse constructies moeten ook de effecten op de omgeving worden aangetoond.
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Elst, Lingezicht Verder verdient het de voorkeur om onder de wadi's drainage aan te leggen voor voldoende ontwatering binnen het plangebied en vertraagde afvoer te realiseren. Door deze ontwateringsmiddelen kan geen verslechtering van grondwaterstand ontstaan. Overleg waterschap De inhoud van de waterparagraaf is ter toetsing voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland. De opmerkingen van het waterschap zijn in deze paragraaf verwerkt. De realisatie en planontwikkeling is een proces van jaren. Het Waterschap is voortdurend bij de realisatie en ontwikkeling betrokken. Voor dit plan geldt dat bij de ontwikkeling een separaat waterplan wordt opgesteld zodat ruimtelijke consequenties op de waterhuishouding inzichtelijk worden. Conclusie Het stedelijk gebied van de ontwikkeling Lingezicht Elst komt op de plaats van het oorspronkelijke landbouwkundige watersysteem. Er wordt dan ook een nieuw watersysteem aangelegd. Het nieuwe watersysteem kenmerkt zich door een bovengrondse afvoer naar droogvallende retenties (wadi's). Om voldoende drooglegging en ontwatering te creëren om te kunnen bouwen zal het plangebied opgehoogd moeten worden naar minimaal NAP +9.20 m als uitgegaan wordt van bouwen met kruipruimte. De planontwikkeling heeft plaatsgevonden met inachtneming van de eisen die gesteld worden aan een goede waterhuishouding.
Aangetoond is dat ook bij de toekomstige planontwikkeling in voldoende mate rekening wordt gehouden met de aan de waterhuishouding te stellen eisen. Het waterschap, de gemeente en ontwikkelende partijen zijn bovendien steeds nauw betrokken bij de planontwikkeling. Voor de toekomstig uitwerking van het plan is een separaat waterhuishoudingsplan nodig zodat ruimtelijke consequenties nog beter inzichtelijk worden. Dit plan moet door zowel het Waterschap Rivierenland als de beleidsdisciplines van de gemeente Overbetuwe goedgekeurd worden.
5.11
Flora en fauna
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.