25-04-08.16 Relevant stuk 4. Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
Tekst van het document
Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. De kraamkolonies zijn verlaten in deze tijd van het jaar. Slechts weinig vleermuizen bezetten nog de zomerverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar en het merendeel van de vleermuizen is vertrokken naar de winterrustplaats, of zit diep weggekropen in gebouwen en holle bomen. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek en voortplantingswateren van amfibieën omdat amfibieën de winterverblijfplaats bezetten in deze tijd van het jaar.
Amfibieën zitten in de sliblaag van wateren of zitten weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of
16
soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het onderzoeksgebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het onderzoeksgebied uitsluitend als foerageergebied. Er nestelen geen vogels in het onderzoeksgebied. Het grasveld is door het gevoerde beheer ongeschikt als nestelplaats voor vogels. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en wordt geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. De betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor vogels neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het onderzoeksgebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het onderzoeksgebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van soorten zoals huisspitsmuis en veldmuis. Deze soorten gebruiken het gebied hoofdzakelijk als foerageergebied maar mogelijk bezetten deze soorten een vaste rust- en voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond.
Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen (mits er geen dieren gedood worden); Vleermuizen • Verblijfplaatsen In het plangebied zijn geen bomen of gebouwen aanwezig. Daarom wordt het plangebied niet als een geschikte plek voor verblijfplaatsen van vleermuizen beschouwd. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt er geen verblijfplaats beschadigd en vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten boven het grasveld. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen plannen neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. 17
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt leefgebied voor amfibieën. Geschikte plekken voor amfibieën om een verblijfplaats ontbreken. Ook ontbreekt voortplantingsbiotoop in het plangebied. Mogelijk foerageren algemene en weinig kritische amfibieën zoals bruine kikker en gewone pad in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en wordt geen vaste rustof voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en wordt geen vogelnest of nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een gewone huisspitsmuis of veldmuis gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats van deze soort beschadigd of vernield. De in het plangebied voorkomende beschermde grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat er beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen). De betekenis van het plangebied als foerageergebied is, voor de in het plangebied voorkomende soorten, niet beschermd.
18
Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 20-03-2023). Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, (mits er zorgvuldig gehandeld wordt) Vleermuizen • Verblijfplaatsen Als gevolg van de voorgenomen activiteit wordt er geen vleermuis gedood en wordt er geen verblijfplaats verstoort, beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af.
19
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermde amfibie gedood en wordt geen (winter)rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
1
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 20
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren
Huisspitsmuis en veldmuis Huisspitsmuis en veldmuis Diverse soorten
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a
Geen
Vogels
Niet aanwezig Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing
Niet van toepassing
Geen
Vleermuizen Vleermuizen
Verblijfplaats Foerageergebied
Niet van toepassing Niet aanwezig Diverse soorten
Geen Geen
Vleermuizen Vleermuizen
Vliegroute Doden van dieren
Niet van toepassing Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing
Amfibieën
Foerageergebied
Geen
Amfibieën Amfibieën Amfibieën
Vaste rustplaats Voortplantingsplaats Doden van dieren
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing
Overige soorten
Dieren en overige functies
Niet van toepassing
Geen
Vogels
Foerageergebied
Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten Niet aanwezig Niet aanwezig Niet van toepassing Niet aanwezig
Geen Geen dieren doden
Geen
Geen Geen
Geen Geen Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep
Vaste rustplaats
Voortplantingsplaats
Vliegroute (vleermuizen)
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Ja
n.v.t.
Essentieel foerageergebied Nee
Vogels Vleermuizen
Nee Nee
Ja Nee
n.v.t. Nee
Amfibieën
Nee
Nee
n.v.t.
Wettelijke consequenties Ja
Nader onderzoek vereist Nee
Ontheffing vereist
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee, mits er geen dieren gedood worden. Nee Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
6.5 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
21
HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode2. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand niet worden uitgesloten. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelen gebruiksfase. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde vogels, vleermuizen en amfibieën uitsluitend benut als foerageergebied. Grondgebonden zoogdieren bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Grondgebonden zoogdieren (huisspitsmuis en veldmuis) bezetten in het plangebied mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats van deze soort beschadigd of vernield. De in het plangebied voorkomende beschermde grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat er beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen). De betekenis van het plangebied als foerageergebied is, voor de in het plangebied voorkomende soorten, niet beschermd. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden.
2 Voor dit type activiteit is geen toepasbare gedragscode beschikbaar.
22
Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
23
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.
24
Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.
Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
25
Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan om van de onderstaande soorten de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het opzettelijk ‘doden’ van onderstaande soorten is in sommige provincies eveneens toegestaan. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.
26
Overzicht algemene vrijstellingen soorten per provincie
27
Legenda ‘Overzicht algemene vrijstellingen soorten per provincie’.
28
Bijlage 3. Fotobijlage
29
Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/ https://www.ndff.nl/
30
Bijlage 5 Aeriusberekening bouwfase (incl. uitgangspunten)
Bijlagen
123
Toelichting Aerius berekening bouwfase
Voorgenomen verandering De initiatiefnemer is voornemens aan de Reethsestraat 17B in Elst een nieuwe kas te bouwen. De kas is in de onderstaande afbeelding weergegeven met letter H.
Afbeelding 1: nieuwe kas
Bouwplannen kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen en de afvoer van sloopmaterialen). Om op de juiste wijze de stikstofdepositie van de bouwfase te bepalen, is in kaart gebracht welk bouwmaterieel en transportbewegingen noodzakelijk zijn. Het overzicht van het bouwmaterieel en de transportbewegingen is toegevoegd als bijlage 1. Effecten op Natura 2000-gebieden Met het programma Aerius calculator 2023 is een berekening gemaakt om de mogelijke stikstofdepositie tijdens de bouwfase te bepalen. De uitkomst is dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op de relevante Natura 2000 gebieden. Er zijn daarom geen nadelige gevolgen te verwachten op relevante Natura 2000 gebieden. De Aerius berekening is toegevoegd als bijlage 2.
Bijlage 1: Overzicht transportbewegingen en bouwmaterieel
In het dieselverbruik van de mobiele werktuigen is rekening gehouden met het stationair draaien van de motoren.
Bijlage 2: Aeriusberekening bouwfase
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rombou BV Reethsestraat 17-b, 6662 PK Elst Eurofins berekening bouwfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RXBWPGQv1t52 19 december 2023, 13:10 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Bestaande situaite - Beoogd Bestaande situaite - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RXBWPGQv1t52 (19 december 2023)
2024 -
0,5 kg/j
67,8 kg/j
2/7
Projectberekening
Bestaande situaite (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | mobiele werktuigen Verkeersnetwerk
RXBWPGQv1t52 (19 december 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,5 kg/j 36,5 g/j
66,9 kg/j 0,8 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RXBWPGQv1t52 (19 december 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Bestaande situaite" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RXBWPGQv1t52 (19 december 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Bestaande situaite, Rekenjaar 2024 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte
mobiele werktuigen X:184795,29 Y:434334,53 0,23 ha
NOₓ NH₃
Naam
Stageklasse
Draaiuren AdBlue verbruik
Stof Emissie
betonstorter
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 156 l/j SCR: ja
0 l/j
NOₓ 5,2 kg/j
Stage-IV, 2014-2018, 56-75 kW, diesel, 50 l/j SCR: ja
8 u/j
0 l/j
NH₃ 37,4 g/j NOₓ 1,7 kg/j
graafmachine Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 469 l/j SCR: ja
24 u/j
0 l/j
verreikers
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 602 l/j SCR: ja
60 u/j
0 l/j
hijskraan
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 625 l/j SCR: ja
32 u/j
0 l/j
kepbakken
Stage-IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
120 l/j
12 u/j
0 l/j
triplaten
Stage-IV, 2014-2018, <= 56 kW, diesel, 19 l/j SCR: nee
12 u/j
compactor / wals
2
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Brandstofverbruik
66,9 kg/j 0,5 kg/j
Verkeer X:185286,36 Y:434497,35 1.379,93 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
8 u/j
NH₃ 12,0 g/j NOₓ 15,6 kg/j NH₃ 0,1 kg/j NOₓ 20,2 kg/j NH₃ 0,1 kg/j NOₓ 20,8 kg/j NH₃ 0,2 kg/j NOₓ 3,1 kg/j NH₃ 28,8 g/j NOₓ 0,4 kg/j NH₃ 0,0 kg/j
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
632,0 /jaar 60,0 /jaar 122,0 /jaar 0,0 /jaar
0,8 kg/j 0,2 kg/j 36,5 g/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. RXBWPGQv1t52 (19 december 2023)
6/7
Projectberekening
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.1_20231207_46ea8e9191 Database versie 2023.1_46ea8e9191_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RXBWPGQv1t52 (19 december 2023)
7/7
Bijlage 6
Aeriusberekening gebruiksfase
Bijlagen
135
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rombou BV Reethsestraat 17-b, 6662 PK Elst Eurofins berekening gebruiksfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RoWDsZjk2N4x 19 december 2023, 10:45 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Bestaande situaite - Beoogd Bestaande situaite - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RoWDsZjk2N4x (19 december 2023)
2024 -
0,8 kg/j
191,3 kg/j
2/6
Projectberekening
Bestaande situaite (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1
Landbouw | Glastuinbouw | Verwarming kas Verkeersnetwerk
RoWDsZjk2N4x (19 december 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,8 kg/j
177,0 kg/j 14,3 kg/j
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RoWDsZjk2N4x (19 december 2023)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Bestaande situaite" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RoWDsZjk2N4x (19 december 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/6
Projectberekening
Bestaande situaite, Rekenjaar 2024 1
Landbouw | Glastuinbouw
Naam Verwarming kas Uittreedhoogte Locatie X:184745,96 Warmteinhoud Y:434321,39 Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Verwarming van Ruimten (Zonder Seizoenscorrectie) 2
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
8,0 m 0,400 MW
Verkeer X:185286,36 Y:434497,35 1.379,93 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
NOₓ
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
177,0 kg/j
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
60,0 /etmaal 6,0 /etmaal 2,0 /etmaal 0,0 /etmaal
14,3 kg/j 3,2 kg/j 0,8 kg/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.1_20231207_46ea8e9191 Database versie 2023.1_46ea8e9191_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RoWDsZjk2N4x (19 december 2023)
6/6
Bijlage 7
142
Archeologisch onderzoek
Bouw kas Reethsestraat 17B, Elst
Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek) karterende fase Reethsestraat 19 Elst Gemeente Overbetuwe
KSP Archeologie
Colofon Versie Status
: :
KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : :
1.0 Nog niet door de opdrachtgever ter goedkeuring aangeleverd bij de bevoegde overheid. Over dit rapport heeft nog geen (inhoudelijke) afstemming met de bevoegde overheid plaatsgevonden. 23151 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 27 oktober 2023
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl
Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’ en protocol 4003 ‘inventariserend veldonderzoek – onderdeel overig’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.2 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
6 7 7 7 7 8 9 11 11 11 16 21 26 27 29 31 31 31 32 33 34 35 35 35 37 38
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Voorbeeld bouwplan kas
Lijst van afbeeldingen
Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 5 Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever). 8 Figuur 3: Het plangebied op de paleogeografische kaart van de Rijn-Maas delta (Cohen e.a. 2012). 13 Figuur 4: Themakaart Overbetuwe in de Romeinse Tijd (bron: Heunks 2004). 14 Figuur 5: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (versie 4, bron: www.ahn.nl). 15 Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (versie 2 uit 2012, bron: www.ahn.nl). 15 Figuur 7: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 18 Figuur 8: Het plangebied op de kaart uit 1871, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1931 (bron: www.topotijdreis.nl). 19 Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl). 19 Figuur 11: Het plangebied op de topografische kaart uit 1985 (bron: www.topotijdreis.nl). 20 Figuur 12: Het plangebied op de topografische kaart uit 1997 (bron: www.topotijdreis.nl). 20 Figuur 13: Het plangebied op de topografische kaart uit 2013 (bron: www.topotijdreis.nl). 21 Figuur 14: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Overbetuwe (Willemse e.a. 2019).
25 Figuur 15: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Overbetuwe (Willemse e.a. 2019). 26
KSP Archeologie
3
Figuur 16: Het noordelijke deel van het plangebied loopt richting het erf geleidelijk op. Gefotografeerd richting noorden (bron: KSP Archeologie). 31 Figuur 17. Het plangebied gezien vanaf het zuiden met op de voorgrond het wortelenveld. Gefotografeerd richting noorden (bron: KSP Archeologie). 32 Figuur 18: De boorpunten geprojecteerd op het AHN2-kaartbeeld uit 2012. 33
Lijst van afbeeldingen Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen (op 700-850 m ten oosten), onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 300 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
KSP Archeologie
22 27
4
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek
: : : : :
23151 Flynth Rombou, Gert-Jan Festen KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Overbetuwe Regioarcheoloog van de Omgevingsdienst Regio Arnhem
: : : : : : :
5471407100 Gelderland Overbetuwe Reethsestraat 19 Elst x: 184.791 / y: 434.338 Sectie m, nummer 1934 (deels) Oktober 2023
Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
5
Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Reethsestraat 19 in Elst (gemeente Overbetuwe). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouwplannen van een kas. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op de Ressenstroomgordel Fase B en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving geldt voor het plangebied geen verwachting meer voor vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Laat-Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een middelhoge verwachting voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke bodem een poldervaaggrond is. Er zijn vanaf een diepte van 80-135 cm -mv bedding- en oeverafzettingen van de Ressenstroomgordel Fase B aangetroffen.
In deze afzettingen is geen bodemvorming en zijn ook geen archeologische indicatoren aangetroffen die erop zou kunnen wijzen dat dit niveau bewoond is geweest. De beddingen oeverafzettingen zijn afgedekt door een 40-80 cm dik komkleipakket, dat deels is afgedekt door een 25-90 cm dik antropogeen opgebrachte kleiige grond. Deels is het opgebrachte pakket grond gebruikt om een sloot te dempen in 2012. In deze grond zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die erop wijzen dat er resten van voorgangers van de boerderij te verwachten zijn die ten noordwesten van het plangebied heeft gestaan. Waarschijnlijk is het opgebrachte pakket grond van recente datum (20e eeuw). De kans dat er binnen het plangebied bebouwingresten van een boerderij of andere bijbehorende sporen aanwezig zijn, wordt zeer klein geacht. Op basis hiervan blijft de conclusie uit het bureauonderzoek dat er geen voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum worden verwacht gehandhaafd. De hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) is bijgesteld naar laag. De resultaten van het booronderzoek geven aanleiding om de middelhoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen naar laag.
Op grond van het deels aanwezige vrij recente (20e eeuw) ophogingspakket en het ontbreken van archeologische indicatoren die erop zouden kunnen wijzen dat er archeologische resten ouder dan de 20e eeuw aanwezig zijn en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie om de archeologische dubbelbestemming voor het plangebied te laten vervallen en geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.
KSP Archeologie
6
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van Flynth Rombou heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Reethsestraat 19 in Elst (gemeente Overbetuwe). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouwplannen van een kas. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen (Afdeling Erfgoed en Archeologie, gemeente Arnhem 2023). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca 3.135 m2 groot en ligt aan de Reethsestraat 19 in Elst (Figuur 1). Het terrein wordt in het noorden begrensd door het erf en een schuur van Reethsestraat 19, in het oosten en zuiden door landbouwgrond en in het westen door een kas van de Reethsestraat 19. 1.3
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Overbetuwe’ van de gemeente Overbetuwe (vastgesteld 30-04-2014) geldt voor het noordelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 1 en voor het zuidelijke deel Waarde – Archeologische verwachting 2). Voor waarde 1 betekent dit dat bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en voor waarde 2 dat bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en in beide gevallen dieper dan 0,3 m archeologisch onderzoek nodig is.
Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Behalve alle graafwerkzaamheden dieper en groter dan de gestelde ondergrens, vallen onder bodemverstoringen (Afdeling Erfgoed en Archeologie, gemeente Arnhem 2023): Ophogingen die zetting veroorzaken in de ondergrond, waardoor de (mogelijk aanwezige) archeologische lagen, sporen en/of vondsten in de ondergrond verstoord worden.
KSP Archeologie
7
Het bovengronds verharden van een archeologische vindplaats waardoor de archeologische sporen en vondsten oxideren en verdrogen of juist reduceren waardoor sporen verblauwen1 en onzichtbaar worden. Grondwaterpeilverlagingen (al dan niet tijdelijk) kunnen zorgen voor verdroging en dus versnelde degradatie van archeologische waarden in de ondergrond. Het rijden van zwaar transport over met name onverharde delen zorgt voor zetting in de ondergrond waardoor de (mogelijk aanwezige) archeologische lagen, sporen en/of vondsten in de ondergrond verstoord worden. Het aanbrengen van hei- of schroefpalen.
Op basis van de verwachting, de richtlijnen van de gemeente en het relatief kleine oppervlak van de locatie is gekozen voor een gecombineerd bureau- en karterend booronderzoek. 1.4
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zal een nieuwe kas worden gebouwd (Figuur 2). De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend. De nieuwe kas krijgt een oppervlakte van ca. 2.295 m2 en wordt gebouwd op poeren. Als voorbeeld is de bouwtekening van de oude kas toegevoegd (Bijlage 7). De poeren hebben daar een diameter van 40 cm. Opdrachtgever heeft aangegeven dat de poeren onder de kas reiken tot ca. 60 cm -mv, de poeren voor de kopgevels en zijgevels reiken een meter dieper, tot ca. 160 cm -mv. Aangenomen wordt dat de gaten voor de poeren worden voorgeboord.
Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever).
Voor zover bekend zijn binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om niet gesprongen conventionele explosieven op te sporen. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten. Verblauwing: de ondergrond wordt plaatselijk vernat doordat door overbouwing regen- en grondwater niet meer kan verdampen. Hierdoor ontstaat een reducerend bodemmilieu onder het overbouwde deel waardoor kleiige ondergrond een egaal grijsblauwe kleur kan krijgen. Archeologische sporen worden aldus onzichtbaar. 1
KSP Archeologie
8
1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, in welke vorm. Daarbij wordt aangegeven waar zich (eventuele) archeologische resten zich kunnen bevinden, welke verschijningsvorm ze hebben en hoe daar systematisch naar gezocht kan worden. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn door de Omgevingsdienst Regio Arnhem drie onderzoeksvragen opgesteld (Afdeling Erfgoed en Archeologie, gemeente Arnhem 2023). 1. 2. 3.
Waar kunnen (eventuele) archeologische resten zich bevinden? Welke verschijningsvorm kunnen deze hebben? Is verder onderzoek noodzakelijk? Zo ja, hoe kan daar systematisch naar gezocht worden?
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het onderzoek is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies. Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen door de bevoegde overheid. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Aan de hand hiervan kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of vrijgave van het plangebied of terreindelen daarvan. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase.
De strategie die gekozen wordt, hangt onder andere af van de omvang van het plangebied, de aard van de geplande werkzaamheden, de verwachte archeologische resten en het archeologiebeleid van de gemeente. Dit onderzoek betreft een karterend onderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die wijzen op een vindplaats. Daarnaast wordt ook gekeken naar de bodemopbouw en de intactheid daarvan. De Omgevingsdienst Regio Arnhem heeft zeven onderzoeksvragen opgesteld voor het karterend veldonderzoek (Afdeling Erfgoed en Archeologie, gemeente Arnhem 2023). 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Wat is de (geologische) samenstelling en opbouw van de ondergrond? Welk bodemprofiel is aanwezig en is deze intact? Zijn in het plangebied indicatoren gevonden die (kunnen) wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats? Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? Wordt de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek bevestigd door het veldonderzoek?
KSP Archeologie
9
7.
Wordt het (potentiële) archeologische niveau verstoord door de ontwikkeling binnen de projectlocatie?
KSP Archeologie
10
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Huidige topografische kaart (Figuur 1); Luchtfoto’s uit 2016 tot heden (PDOK); Grondwaterstanden (Wageningen Environmental Research (2022), https://www.dinoloket.nl/ ondergrondmodellen; Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (geoplaza.vu.nl); Gebouwde rijksmonumenten (archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten; Gemeentelijke monumenten (https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_gemeentelijke_monumenten_in_Overbetuwe#Elst): geen gemeentelijke monument aanwezig; Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding: geen kabels en leidingen aanwezig); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (www.bagviewer.kadaster.nl). Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond. Er is geen bebouwing aanwezig. Binnen het plangebied zijn geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Tot 2006 waren de (freatische) grondwater(spiegeldiepte)standen door middel van grondwatertrappen (I, nat t/m VIII droog) gekoppeld aan de kaarteenheden van de bodemkaart 1:50.000 (Bijlage 2). Het plangebied werd toen gekenmerkt door een matig diepe grondwaterstand, grondwatertrap Vb.
Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 25-40 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. In het meest actuele grondwaterdieptespiegelmodel zijn de verwachte grondwaterstanden gemodelleerd voor blokken van 50 x 50 m. Daarop heeft het plangebied een iets andere grondwaterdynamiek (Wageningen Environmental Research 2022, https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen). De gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt nu tussen 40-80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand wordt dieper dan 120 cm beneden maaiveld aangetroffen. Op basis van het verwachte bodemtype (zie paragraaf 2.2.) ligt de gemiddeld laagste grondwaterstand ruim dieper dan het potentiële archeologische niveau in de top van de C-horizont, waardoor de conserveringsomstandigheden in de bodem voor onverkoolde organische resten slecht zijn. 2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021); Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (www.dinoloket.nl): boring B40C2165 op 120 m ten noorden van het plangebied; Paleogeografische kaart van de Rijn-Maasdelta (Cohen e.a. 2012); Zanddieptekaart van het Rivierengebied (Cohen e.a. 2009); Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2020 (BRO 2022, Maas e.a. 2017); Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2021 (BRO 2022); Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN4 grid 0,5 x 0,5 m);
KSP Archeologie
11