CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

24-11-05.13 Relevant stuk 1, Beleidsplan “Onderwijskansenbeleid: Samen bouwen aan gelijke kansen in Overbetuwe (2024-2028)”

Gemeenteraadsvergadering 5 november 2024, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Beleidsplan “Onderwijskansenbeleid: Samen bouwen aan gelijke kansen in Overbetuwe (2024-2028)”10.075 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderwijskansenbeleid: ‘Samen bouwen aan gelijke kansen in Overbetuwe’ 20242028 Gemeente Overbetuwe

1. Inhoudsopgave 1.

Inhoudsopgave ................................................................................................................................2

2.

Inleiding en leeswijzer .....................................................................................................................3

3.

Onderwijskansenbeleid in de gemeente Overbetuwe ....................................................................4 3.1

Landelijke context: de kaders van het onderwijsachterstandenbeleid ...................................4

3.2

Lokale context .........................................................................................................................5

3.3

Huidige invulling onderwijskansenbeleid in de gemeente ......................................................6

3.4

Terugblik op de vorige beleidsperiode ....................................................................................8

3.5

Lokale visie op onderwijskansen .............................................................................................8

3.6

Uitgangspunten .......................................................................................................................9

4.

Voorschoolse educatie ..................................................................................................................10 4.1

Doelgroep voorschoolse educatie .........................................................................................10

Wat gaan we de komende periode doen? ........................................................................................11 4.2

Indicatie en toeleiding ...........................................................................................................11

Wat gaan we de komende periode doen? ........................................................................................12 4.3

Bereik.....................................................................................................................................12

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? .............................................................................12 4.4

Aanbod en uitvoering ............................................................................................................12

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? .............................................................................13 5.

Doorgaande lijn kinderopvang – onderwijs ...................................................................................14 Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? .............................................................................15

6.

Onderwijsachterstandenbestrijding in de basisschool ..................................................................16 Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? .............................................................................16

7.

Overkoepelende thema’s ..............................................................................................................17 7.1

Ouderbetrokkenheid .............................................................................................................17

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? .............................................................................17 7.2

Resultaatafspraken ................................................................................................................18

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? .............................................................................18 7.3

Monitoring en evaluatie ........................................................................................................18

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? .............................................................................18 8.

Samenwerking en overleg .............................................................................................................19

9.

Begroting .......................................................................................................................................20

10.

Werkagenda ..............................................................................................................................21

2

2. Inleiding en leeswijzer Voor u ligt het beleidsplan Onderwijskansenbeleid Overbetuwe voor de periode 2024-2028. Het beschrijft de wijze waarop de gemeente, met haar partners, in de komende beleidsperiode invulling geeft aan een deel van het onderwijskansenbeleid in Overbetuwe. De afgelopen jaren heeft de gemeente specifieke uitkeringen ontvangen van het Rijk voor de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid. Een nieuw beleidsplan vraagt ook om een nieuwe blik op onderwijsachterstanden. Wij spreken liever niet over achterstanden, maar zien vooral kansen om de ontwikkeling van kinderen te versterken Vandaar dat wij het in Overbetuwe hebben over het Onderwijskansenbeleid in plaats van de landelijke term onderwijs-achterstandenbeleid. Het beleidsplan richt zich op kinderen tussen 2 en 12 jaar. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de kinderen in de voor-en vroegschoolse educatie in de leeftijdsperiode van 2 tot 6 jaar. De gemeente wil de komende periode de doorlopende leer- en ontwikkellijn versterken. Hiermee willen wij jonge kinderen in Overbetuwe een sterke basis geven,, van waaruit zij veilig, gelukkig en gezond verder kunnen opgroeien, hun talenten kunnen ontwikkelen en naar vermogen kunnen bijdragen aan de maatschappij. Dit willen we bereiken in samenspel met onze partners, hun ouders en hun omgeving.

In de komende periode zal de gemeente in de samenwerkingsagenda van het Lokale Educatieve Agenda overleg afspraken maken over hoe wij de kansen op de doorgaande ontwikkellijn voor alle jongeren in Overbetuwe zullen en blijven vergroten. Dit beleidskader is tot stand gekomen in samenwerking met de educatieve partners in de gemeente; kinderopvangorganisaties, onderwijs, jeugdgezondheidszorg en het samenwerkingsverband. Al vele jaren werkt de gemeente samen met haar partners om kinderen met een (risico op) (taal)achterstand die ondersteuning te bieden die zij nodig hebben om succesvol deel te nemen aan het onderwijs en maatschappij. Als gemeente hebben we gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van deze partners om tot een nieuw beleidskader onderwijskansenbeleid te komen. Een beleidskader dat concrete aanknopingspunten biedt om de komende 4 jaar gemeente breed samen te werken aan kwaliteitsgericht onderwijskansenbeleid. Leeswijzer Dit beleidskader is opgebouwd uit een aantal onderdelen. In het eerste hoofdstuk schetsen we de recente ontwikkelingen in de landelijke regelgeving, die belangrijke kaders bieden voor het lokale beleid. Ook beschrijven we de lokale visie op onderwijskansen en formuleren we een aantal doelen, ambities en speerpunten voor de nieuwe beleidsperiode. In de hoofdstukken daarna is het nieuwe beleid uitgewerkt in een aantal kernthema’s.

Per kernthema is beschreven wat we met elkaar willen bereiken en hoe we dat de komende beleidsperiode willen gaan doen (welke activiteiten, initiatieven). In het laatste hoofdstuk gaan we in op de samenwerking en overlegstructuur.

3

3. Onderwijskansenbeleid in de gemeente Overbetuwe In dit inleidende hoofdstuk plaatsen we het onderwijskansenbeleid in de gemeente Overbetuwe in context. Eerst laten we in vogelvlucht zien hoe het beleid vanuit het Rijk invulling krijgt. Daarna zoomen we in op de gemeente Overbetuwe. We beschrijven de visie van de gemeente en haar partners in het bredere sociale domein. Het onderwijskansenbeleid zal onder deze ‘paraplu’ een duidelijke eigen plek krijgen. Deze eigen plek is nodig, alleen al omdat het bij het onderwijsachterstandenbeleid gaat om geoormerkt geld voor een specifieke doelgroep en er door de GGD en Inspectie van het Onderwijs toezicht wordt gehouden op een aantal wettelijke verplichtingen. Vervolgens beschrijven we op hoofdlijnen hoe het onderwijskansenbeleid in Overbetuwe momenteel vorm en invulling krijgt, ondersteund met een aantal kengetallen rondom kinderopvang en onderwijs. Ook blikken we terug op de afgelopen beleidsperiode, omdat dit het vertrekpunt vormt voor het nieuwe beleid. In de laatste paragraaf staat een uitwerking van onze visie en uitgangspunten, die de basis vormen van de ambities en keuzes die we formuleren in dit beleidsplan.

3.1 Landelijke context: de kaders van het onderwijsachterstandenbeleid Een van de manieren waarop we in Nederland aan gelijke onderwijskansen werken is via het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid (goab). De doelgroep van het goab zijn kinderen die op basis van hun omgevingskenmerken (dat wil zeggen: het gezin of de buurt waarin zij opgroeien) een vergroot risico lopen op een onderwijsachterstand. Van een onderwijsachterstand is sprake als kinderen door contextgebonden factoren (denk bijvoorbeeld aan armoede, twee- of meertaligheid, vluchtsituatie, weinig spelmogelijkheden thuis) minder ontwikkeling(sgroei) laten zien dan zij bij een gunstiger situatie ‘zouden kunnen’ (gezien hun potentieel, intelligentie). Het goab valt in twee delen uiteen: • Beleid voor de voorschoolse periode (de gemeente ontvangt de middelen vanuit het Rijk) • Beleid voor de basisschoolperiode (de schoolbesturen ontvangen de middelen vanuit het Rijk). Gemeenten hebben een wettelijke verantwoordelijkheid voor het realiseren van een voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod voorschoolse educatie (ve) voor peuters van 2,5 – 4 jaar oud. Voorschoolse educatie vindt plaats in de kinderopvang.

Het is een aanbod van spelenderwijs leren waarbij gebruik wordt gemaakt van ontwikkelingsgerichte programma’s, waarin op gestructureerde en samenhangende wijze wordt gewerkt aan de Nederlandse taal, rekenen, motoriek en sociaalemotionele ontwikkeling van kinderen. Vanuit de overheid worden de laatste jaren steeds nieuwe eisen aan voorschoolse educatie gesteld met het doel de kwaliteit en opbrengsten te verhogen. Zo is op 1 augustus 2020 het aantal uren voorschoolse educatie verhoogd naar 960 uur in de leeftijdsperiode van 2,5 jaar tot 4 jaar oud (in veel gevallen vertaald naar 40 weken per jaar, 16 uur per week, maar variaties in aantal weken en dagdelen zijn mogelijk). Ook dient vanaf 1 januari 2022 een ve-aanbieder een pedagogisch beleidsmedewerker/coach in te zetten (op hbo werk- en denkniveau)1.

1 https://wetten.overheid.nl/BWBR0027961/2022-01-01

4

Schoolbesturen in het basisonderwijs ontvangen naast de lumpsum aanvullende OAB-middelen die ze kunnen inzetten om onderwijsachterstanden bij leerlingen in de school te bestrijden, bijvoorbeeld in de vroegschoolse periode (groep 1 en 2). De hoogte van budget voor gemeenten en schoolbesturen wordt bepaald op basis van een relatief nieuwe en complexe rekenmethode, waarbij het CBS op basis van vijf omgevingsfactoren (o.a. opleidingsniveau ouders, herkomstland, verblijfsduur in Nederland) het risico op onderwijsachterstanden van iedere school bepaalt. Hoe hoger dat risico, hoe hoger het budget.2 Indien er in een gemeente aan de wettelijke verantwoordelijkheid voor voorschoolse educatie is voldaan, mag het resterende gemeentelijke budget ook worden ingezet voor het bestrijden van onderwijsachterstanden bij kinderen in de basisschoolleeftijd. Naast de bovenstaande beschreven eigen verantwoordelijkheden, zijn er ook gezamenlijke verantwoordelijkheden: de gemeente, de kinderopvangaanbieders en de schoolbesturen dienen minstens één keer per jaar te overleggen over het beleid voor voor- en vroegschoolse educatie (vve). Er dienen afspraken te zijn over wie de doelgroepkinderen zijn voor voorschoolse educatie, over de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie.

De Inspectie van het Onderwijs ziet er op toe dat gemeenten en scholen aan hun wettelijke taak ten aanzien het van GOAB voldoen. Op niveau van de ve-aanbieder inspecteert zowel de GGD als de Inspectie van het Onderwijs.

3.2 Lokale context Iedere gemeente in Nederland ontvangt een eigen budget voor het uitvoeren van het onderwijsachterstandenbeleid en is vrij om -binnen de wettelijke kaders- eigen beleid te ontwikkelen dat past bij de lokale context. In de gemeente Overbetuwe valt het beleidsplan voor onderwijskansen onder de bredere paraplu van het beleidsplan ‘Sociale Domein Overbetuwe 2020-2025’.3 In het beleidsplan ‘Sociale Domein Overbetuwe 2020-2025’ beschrijven de gemeente en haar sociale partners de doelen en beleidsvoornemens gericht op een sterke sociale basis in Overbetuwe en een integraal aanbod van ondersteuning dat ook in de toekomst betaalbaar is. Het beleidsplan Sociaal Domein beschrijft het belang van een systemische aanpak rondom het gezin en de ondersteuningsstructuur die daar in Overbetuwe voor is opgezet. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de inzet van jeugd- en gezinsconsulenten en maatschappelijk werkers. Ook voor kinderen die tot de doelgroep van het onderwijsachterstandenbeleid behoren is dit netwerk van groot belang.

Het onderwijskansenbeleid in cijfers Eind 2023 is een monitor uitgevoerd onder de vve-partners (JGZ, kinderopvangaanbieders- en locaties, basisscholen) om zicht te krijgen op de huidige invulling van het beleid in Overbetuwe. Ook zijn cijfers van CBS en DUO geanalyseerd. Dit geeft het volgende beeld: • In de gemeente zijn volgens cijfers van het CBS4 op 1 februari 2023 760 peuters tussen 2,5 en 4, waarvan er 65 (9%) onder de doelgroep van het onderwijsachterstandenbeleid vallen. • JGZ indiceert peuters voor voorschoolse educatie. Op 1 oktober 2023 waren er volgens JGZ 67 peuters tussen 2,5 en 4 jaar met een indicatie (peuters tussen 2 en 4 jaar: 89 indicaties)

2 https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-onderwijsachterstanden 3 Beleidsplan Sociaal Domein Overbetuwe 2020-2025. Een sterke sociale basis in Overbetuwe. Registratienummer 20bij10526 4 https://dashboards.cbs.nl/v5/onderwijsachterstanden/

5

• • •

• •

•

•

•

Deze peuters kunnen in de gemeente terecht bij 20 locaties (van in totaal vier aanbieders) waar voorschoolse educatie wordt geboden. Volgens de aanbieders maken 53 van de 89 peuters tussen 2 en 4 jaar gebruik van het aanbod, dat is een bereik van 60%5. In Overbetuwe zijn er volgens het CBS 4395 basisschoolleerlingen, waarvan er 370 (8%) in de doelgroep van het onderwijsachterstandenbeleid vallen. Vier van de 21 basisscholen in Overbetuwe ontvangen via hun bestuur OAB-middelen vanuit het Rijk. Scholen geven aan dat ongeveer 60% van de doelgroepkleuters een NT2-achtergrond heeft. VE-aanbieders zijn in een afgenomen enquête over het algemeen genomen (zeer) tevreden over het aanbod dat zij de ve-peuters kunnen bieden (denk hierbij aan het bieden van een rijke leeromgeving, betekenisvolle speelleeractiviteiten en de pedagogisch-didactische vaardigheden van de leerkracht) De basisscholen beoordelen hun eigen kwaliteit iets vaker als “voldoende”. Zij geven aan extra maatregelen te treffen voor doelgroepleerlingen, zoals bijvoorbeeld meer formatie bij de kleuters (50% van de scholen) en/of door instructietijd/oefening buiten de klas (63%). Ongeveer de helft van de scholen werkt samen met de bibliotheek. Ongeveer drie kwart van de ve-locaties en scholen is tevreden over de overdracht van vekinderen van kinderopvang naar basisschool.

Deze vindt volgens de aanbieders voor bijna alle vve-kinderen plaats, meestal tussen pedagogisch medewerker en leerkracht. Een wens is verder samen te werken op het inhoudelijke aanbod. De scholen geven aan dat de helft van de doelgroepkleuters zonder taalachterstand naar groep 3 gaat.

3.3 Huidige invulling onderwijskansenbeleid in de gemeente De gemeente Overbetuwe investeert momenteel in een aantal organisaties en projecten die de onderwijskansen voor kinderen vergroten. Dit doet de gemeente in samenwerking met de partners, via reguliere subsidies of via bekostiging van projecten. Jeugdgezondheidszorg Om deel te nemen aan een ve-programma is een indicatiestelling nodig. Deze indicatiestelling is binnen alle gemeenten van de regio Gelderland-Midden belegd bij de Jeugdgezondheidszorg. De vaststelling van de indicatie geschiedt conform een aantal vastgestelde lokale criteria. Een peuter kan aan één of meerdere criteria voldoen. De jeugdverpleegkundige screent tijdens de contactmomenten op het consultatiebureau peuters op diverse ontwikkelingsgebieden. Als een peuter voldoet aan de vecriteria, geeft de jeugdverpleegkundige een ve-indicatie af en kan een kind verwezen worden naar een ve-locatie. Mocht een jeugdverpleegkundige twijfelen, dan kan zij contact opnemen met een jeugdarts of (preventieve) logopedie. Daarnaast zijn de taken van voorschoolse zorgcoördinator (VZC) belegd binnen de JGZ. Op de leeftijd van 5-6 jaar wordt een kind opnieuw gescreend door de JGZ, waaronder op taal en spraak. Mochten er signalen zijn om die wijzen op een mogelijke achterstand in de ontwikkeling dan wordt doorverwezen naar de jeugdverpleegkundige of jeugdarts van de GGD.

•

De vve-werkgroep zal jaarlijks de doelgroepdefinitie voor peuters evalueren. Extra aandacht zal uitgaan naar de groep kinderen met een NT2-achtergrond. 5

6

Onderwijs en kinderopvang Het onderwijskansenbeleid krijgt concreet vorm door het verstrekken van subsidie voor: • voorschoolse educatie (kinderopvangorganisaties); • ondersteuning aan onderwijs en kinderopvang bij onderwijs aan nieuwkomers die geen of nauwelijks Nederlands spreken (Stichting Pas); • het vergroten van de onderwijskansen voor de Woonwagen-Roma-en Sinti kinderen (Stichting Pas). Uit andere budgetten wordt ook geïnvesteerd in projecten die bij kunnen dragen aan de vergroting van onderwijskansen voor kinderen. Echter, deze projecten zijn momenteel niet ingebed in een beleidsplan. Het gaat om de volgende projecten: • Voorleesexpress: kinderen die moeite hebben met taal worden een half jaar lang thuis voorgelezen door een vrijwilliger; • Schoolmaatschappelijk werk: wordt ingezet op alle reguliere basisscholen in Overbetuwe, bestaat uit ondersteuning IB’ers en leerkrachten, individuele begeleiding van ouders en leerlingen en professionaliseringsactiviteiten voor scholen op het gebied van sociaalemotionele ontwikkeling en welzijn van kind en gezin; • Preventieve logopedie: in een vroeg stadium opsporen en aanpakken van problemen op gebied van spraak en taal via onderzoek op de scholen; • Ouderbijeenkomsten Ik & Mijn Kind, georganiseerd door het Sociaal Team Overbetuwe.

Overgang voor- naar vroegschoolse educatie In 2015 is een protocol opgesteld om een uniforme overdracht van voorschoolse voorziening naar het basisonderwijs mogelijk te maken. Doel van het protocol is om de doorgaande lijn in de ontwikkeling van kinderen te bevorderen en om een uniforme overdracht in de gemeente te realiseren. Het belang van het kind staat bij elke overdracht voorop. Ouders worden in een vroeg stadium betrokken bij de ontwikkeling van het kind. De pedagogisch medewerker heeft daarbij een belangrijke rol om ouders tijdig te informeren. De kinderopvangorganisaties zijn verantwoordelijk voor het initiëren van de overdracht. Kinderen met een VVE-indicatie krijgen een warme overdracht rond de leeftijd van 3 jaar en 9 maanden. Dit kan via een telefonische of een persoonlijke overdracht. Voor kinderen die extra zorg behoeven is eerder contact tussen kinderopvang en onderwijs wenselijk. Het is onduidelijk in hoeverre de afspraken in het protocol momenteel uitvoering krijgen. Lokale overlegstructuren Binnen de gemeente Overbetuwe vindt er overleg plaats met partners over onderwijskansen en vooren vroegschoolse educatie. Het gaat om het: • Lokale Educatieve Agenda overleg: het lokale educatieve agenda overleg vindt twee keer per jaar plaats.

Het doel is van dit bestuurlijke overleg is om afspraken te maken met partners over de jeugd en in het bijzonder met het accent op de ontwikkeling van het onderwijs en de kinderopvang. • Kinderopvang Overleg Overbetuwe: het overleg vindt drie keer per jaar plaats met partners rondom de kinderopvang. Het doel van het overleg is afstemming over ontwikkelingen rondom kinderopvang in Overbetuwe. • Werkgroep voor-en vroegschoolse educatie: het overleg met de werkgroep is recentelijk weer opgestart en zal de komende periode verder vorm gaan krijgen naar gelang het beleid verder wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Naast bovenstaande overleggen zijn nog andere gelieerde overleggen rondom opvang en onderwijs in de gemeente, zoals de Werkgroep Kansrijke Start, het IB’ers-netwerk en netwerkbijeenkomsten onderwijs-jeugdhulp. 7

3.4 Terugblik op de vorige beleidsperiode In de afgelopen oab-periode (2019-2022) heeft de gemeente specifieke uitkeringen vanuit het Rijk ontvangen voor het onderwijsachterstandenbeleid. Er is voor deze periode geen apart beleidsplan gemaakt. De beleidskaders voor vve zijn gestoeld op een in 2013 geformuleerde en door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnotitie met daarin de kaders voor peuteropvang en VVE voor doelgroeppeuters6. In de eerste twee jaren van de afgelopen oab-periode (2019-2020) is met name het accent gelegd op het inventariseren van wat in Overbetuwe nodig is om onderwijsachterstanden te bestrijden. Hiervoor is het Lokale Educatieve Agenda (LEA) overleg als platform ingezet om op strategisch niveaus in dialoog te gaan met bestuurders vanuit het onderwijs en de kinderopvang. Om inhoudelijke thema’s uit te diepen op het gebied van voor-en vroegschoolse educatie is een werkgroep voor-en vroegschoolse educatie (werkgroep vve) opgericht. Door capaciteitstekorten bij de gemeente heeft in de periode 2021 tot en met 2022 het uitwerken van de lokale accenten van het onderwijskansenbeleid nagenoeg stilgelegen. Eind 2022 is er weer nieuw leven ingeblazen en is een start gemaakt met het herijken van het oab-beleid. Na twee jaar stilstand zijn in 2023 ook het Lokale Educatieve Overleg en de werkgroep vve weer opgestart.

3.5 Lokale visie op onderwijskansen De gemeente Overbetuwe en haar educatieve partners willen alle kinderen de beste ontwikkelkansen geven. Ieder kind in Overbetuwe verdient een eerlijke kans op een succesvolle onderwijsloopbaan en een verantwoordelijke plek in de maatschappij, ongeacht waar zijn of haar wieg staat. De eerste levensjaren zijn hierin van groot belang. We streven in Overbetuwe naar een integrale aanpak voor deze groep kinderen, waarin we de volgende drie doelen nastreven: 1) Het eerste doel dat we met elkaar nastreven is dat kinderen een zo goed mogelijke start op de basisschool kunnen maken. Dit betekent dat wij ons inspannen om voldoende en kwalitatief hoogwaardig aanbod aan voorschoolse educatie en ondersteuning voor peuters met een (risico op) taal- of onderwijsachterstand te realiseren. Binnen het gemeentelijke beleid is en blijft dit de hoogste prioriteit: we zetten ons in om jonge kinderen zoveel mogelijk ontwikkelingskansen te bieden, zodat zij goed voorbereid het onderwijs instromen. De gemeente neemt hierin verantwoordelijkheid en regie, en werkt hierin nauw samen met onder andere kinderopvangaanbieders, Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en onderwijs. 2) Tegelijkertijd weten wij dat niet alle taal- en onderwijsachterstanden bij de start van het onderwijs verdwenen zijn.

Ook zijn er kinderen met een taal- en onderwijsachterstand die tussentijds instromen in het onderwijs, zoals bijvoorbeeld nieuwkomers. Het onderwijs is de primaire verantwoordelijke om – wanneer dit het geval is - deze kinderen te ondersteunen. Het tweede doel van het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid is dan ook het onderwijs te ondersteunen zodat zij de ontwikkeling van kinderen uit de oab-doelgroep zo

6 Beleidsnotitie “Voorschoolse voorzieningen in Overbetuwe: Harmonisatie en invoering VVE” (J.A.M Zondag, 13INT03516)

en “Besluit Voorschoolse voorzieningen in Overbetuwe: Harmonisatie en VVE” (Gemeenteraad, 13RB000193)

8

goed mogelijk kunnen stimuleren. We streven naar voldoende, kwalitatief sterke voorzieningen voor schoolgaande kinderen met een onderwijsachterstand. 3) Ons derde doel is dat de educatieve partners met elkaar samenwerken om het aanbod en de voorzieningen met elkaar te verbinden en op elkaar aan te laten sluiten. De gemeente treedt op als regisseur waar het gaat om het realiseren van verbindingen tussen partijen binnen het netwerk rondom kinderen.

3.6 Uitgangspunten Op hoofdlijnen stellen we met elkaar een aantal uitgangspunten vast die de basis vormen voor de keuzes die we de komende beleidsperiode met elkaar maken. •

•

•

•

Wie? We richten ons in het onderwijsachterstandenbeleid op een afgebakende doelgroep: kinderen van 2 tot 12 jaar met (een risico op) taal- of onderwijsachterstanden als gevolg van factoren in hun thuisomgeving, zoals armoede, anders-taligheid, een vluchtverleden of onvoldoende rijk taal- en spelaanbod. Het gaat om kinderen die extra ondersteuning en begeleiding nodig hebben om zich tot hun volle potentieel te ontwikkelen. Door het aanbieden van een rijk aanbod in opvang en onderwijs willen we de ontwikkeling van deze kinderen stimuleren. Volgens berekeningen van het CBS valt in de gemeente Overbetuwe 5-10% van de kinderen binnen de doelgroep van het oab: het gaat dus gemiddeld genomen om 1 of 2 kinderen per klas in het basisonderwijs en in totaal om ongeveer 60 peuters tussen 2,5 en 4 jaar. We vinden het belangrijk om te benoemen dat het niet alleen gaat om kinderen met een daadwerkelijke achterstand (bijv. kinderen die beneden gemiddelde scores behalen of leeftijdsdoelen niet halen) maar ook om kinderen met een dreigende achterstand die nu nog geen achterstand laten zien, maar hier in de toekomst mogelijk wel risico op lopen Waar? Om gelijke kansen te bieden durven wij ongelijk te behandelen. We weten dat kansen ongelijk verdeeld zijn: de ene wijk, school of locatie heeft meer doelgroepkinderen dan de andere.

We hebben daarom in ons beleid extra aandacht voor “hotspots”: we besteden extra tijd, aandacht en middelen aan die plekken (opvanglocaties, scholen, kernen) waar de problematiek het zwaarst is. Wat? We vinden het van groot belang dat kinderen uit de doelgroep zich in de volle breedte kunnen ontwikkelen. We kiezen onze aanpak voor een focus op het stimuleren van de taalontwikkeling, omdat we weten dat taal één van de belangrijkste sleutels is tot een succesvolle onderwijsloopbaan. Ons uitgangspunt daarbij is dat we taalontwikkeling niet los kunnen zien van andere ontwikkelingsgebieden. Voor een goede start op school hebben doelgroepkinderen grote baat bij ondersteuning van hun sociaal-emotionele ontwikkeling, executieve functies (taakgerichtheid, werkhouding, aandacht, zelfcontrole) en het vergroten van hun kennis van de wereld. Daarnaast weten we dat doelgroepkinderen profiteren van versterking van de opgroei- en opvoedomgeving. Waarmee? Bij het kiezen van (nieuwe) aanpakken en activiteiten onderzoeken we altijd eerst of er bewijs is voor effectiviteit, zowel in de wetenschap als in de (eigen) praktijk en of er draagvlak is onder het voorschoolse en/of onderwijsveld.

De volgende hoofdstukken behandelen de belangrijkste thema’s van het onderwijskansenbeleid in Overbetuwe. We beschrijven daarbij steeds eerst wat onze doelen en (gewenste) werkwijze zijn en formuleren daarna de acties die nodig zijn om daar te komen. 9

4. Voorschoolse educatie Dit eerste thematische hoofdstuk gaat over voorschoolse educatie. Voorschoolse educatie is een belangrijk onderdeel van het onderwijskansenbeleid. Voorschoolse educatie is een aanbod in de kinderopvang van spelenderwijs leren als voorbereiding op de basisschool voor kinderen tussen 2,5 en 4 jaar. JGZ indiceert bij het consult rond de tweede verjaardag de kinderen die hiervoor in aanmerking komen. Kinderen met een indicatie kunnen in anderhalf jaar 960 uur (meestal vier dagdelen per week) gebruik maken van voorschoolse educatie. De gemeente heeft een wettelijke verantwoordelijkheid om te zorgen voor voldoende plekken en een kwalitatief goed aanbod. Dit hoofdstuk beschrijft welke kinderen in Overbetuwe in aanmerking komen voor voorschoolse educatie en hoe deze kinderen naar voorschoolse educatie worden toegeleid. Ook besteedt dit hoofdstuk aandacht aan de uitvoering van voorschoolse educatie. Het gaat dan om de spreiding en kwaliteit van het aanbod, maar ook om de financiering en de samenwerking met andere partners.

4.1 Doelgroep voorschoolse educatie De meeste gezinnen met jonge kinderen binnen de gemeente zijn in beeld bij de Jeugdgezondheidszorg (JGZ). De jeugdarts en/of jeugdverpleegkundige van JGZ geeft bij het consult rond tweejarige leeftijd de indicaties voor voorschoolse educatie af. Daarvoor wordt in Overbetuwe de volgende doelgroepdefinitie gebruikt: Kinderen die voor voorschoolse educatie in aanmerking komen zijn peuters woonachtig in de gemeente Overbetuwe tussen 2,5 en 4 jaar oud, die: 1. door JGZ geïndiceerd zijn met een achterstand in de taal-spraakontwikkeling, of hierop een significant risico lopen. Toelichting: Het gaat nadrukkelijk om kinderen met een blootstellingsachterstand. Dat zijn kinderen waarbij de taalontwikkeling achterblijft (vertraagd is) als gevolg van onvoldoende blootstelling aan een rijk en stimulerend taal- en spelaanbod in de thuisomgeving. Risicofactoren hiervoor zijn bijvoorbeeld een laag opleidingsniveau van ouders, een vluchtverleden, armoede of stress in de thuissituatie. Bij kinderen met een blootstellingsachterstand is de verwachting, anders dan bij kinderen met taalontwikkelingsstoornis7, dat de achterstand/vertraging in de taalontwikkeling met een rijk aanbod (gedeeltelijk) in te lopen is. Bij kinderen die opgroeien in een gezin waar (ook) een andere taal dan het Nederlands gesproken wordt, is een vve-indicatie geen gegeven.

Daar waar in de andere thuistaal een rijk taal- en spelaanbod wordt geboden en geen andere risicofactoren aan de orde zijn, kunnen andere vormen van voorschools aanbod (zoals kinderopvang, reguliere peuteropvang) vaak voldoende mogelijkheden bieden om de Nederlandse taal tot ontwikkeling te laten komen. 7 Deze kinderen hebben een stoornis in hun taalleermechanisme, waardoor de taalontwikkeling niet alleen langzamer, maar ook afwijkend verloopt.

https://www.jgzrichtlijnen.nl/alle-richtlijnen/richtlijn/?richtlijn=47&rlpag=2701

10

2. door JGZ geïndiceerd zijn met achterstand in de bredere ontwikkeling, zoals de sociaal-emotionele of motorische ontwikkeling, of hierop een significant risico lopen. Toelichting: Naast de taalontwikkeling kan de bredere ontwikkeling een argument zijn om een kind door te verwijzen naar voorschoolse educatie. De inschatting moet zijn dat het om “inhaalbare” achterstanden gaat: met voorschoolse educatie kan de ontwikkeling van het kind verder worden gestimuleerd. Kinderen met een vermoeden van een (aangeboren) taalontwikkelingsstoornis of andere ontwikkelingsproblemen worden door JGZ voor verder onderzoek doorverwezen naar andere organisaties, zoals een audiologisch centrum, logopedie of integrale vroeghulp. Daarmee is het overigens niet uitgesloten dat deze kinderen gelijktijdig deelnemen aan voorschoolse educatie of daar in ieder geval een start maken.

Onderscheid met zorg en passend onderwijs/zorg

We voelen met elkaar een maatschappelijke opdracht tot inclusie. We willen dat kinderen zoveel mogelijk met vriendjes uit de eigen wijk opgroeien en opvang/onderwijs krijgen. Op ve-locaties is het onze primaire taak om kinderen met een indicatie een rijk taal- en spelaanbod te bieden. In de praktijk merken we dat er op ve-groepen ook regelmatig kinderen zitten die meer (individuele) ondersteuning nodig hebben op hun gedrag en/of ontwikkeling dan op een “gemiddelde” ve-groep geboden kan worden. “De kinderopvang is echter geen zorgaanbieder”. Kinderen waarbij serieuze zorgen zijn over het gedrag of de ontwikkeling verwijzen we daarom tijdig door naar externe zorginstanties die de expertise voor deze kinderen in huis hebben, zoals Kentalis of integrale vroeghulp.

Wat gaan we de komende periode doen? De komende beleidsperiode: • Evalueren wij jaarlijks de doelgroepdefinitie voor peuters en de uitvoering daarvan. • Brengen wij de kinderen in beeld die meer nodig hebben dan het reguliere ve-aanbod.

4.2 Indicatie en toeleiding Het doel is dat alle peuters met een indicatie op 2,5-jarige leeftijd starten met voorschoolse educatie en 16 uur per week deelnemen, zodat het kind bij de start van de basisschool 960 uur ve heeft gehad. JGZ indiceert en verwijst ve-geïndiceerde kinderen en hun ouders naar een locatie met voorschoolse educatie. Ook een omgekeerde route is mogelijk: voorscholen kunnen voor kinderen zonder indicatie van wie zij een vermoeden hebben dat er sprake is van een blootstellingsachterstand in de taal en/of problemen in de brede ontwikkeling contact leggen met JGZ voor een “herbeoordeling”. We zorgen met elkaar voor een sluitende en transparante toeleidingsketen, waarin ieders taken en verantwoordelijkheden duidelijk zijn.. Een belangrijk aspect van deze werkwijze is dat JGZ en kinderopvang elkaar in een cyclisch proces op de hoogte houden van het aantal indicaties en plaatsingen en deze ook registreren. De gemeente treedt op als regievoerder en stimuleert samenwerking tussen de verschillende partners.

11

Wat gaan we de komende periode doen? De komende beleidsperiode: • Stellen wij een centrale werkwijze en procedure rondom het indiceren en toeleiden vast en maken deze voor alle betrokken partners toegankelijk. We evalueren jaarlijks de werkwijze.

4.3 Bereik Ouders hebben de vrije keuze om hun kind met een vve-indicatie al dan niet naar een ve-locatie te brengen. Landelijk gezien kiest ongeveer vier op de vijf ouders ervoor om hun kind deel te laten nemen aan ve. Deze kinderen worden ‘bereikt’. Met bereik bedoelen we het aantal of het percentage kinderen met een vve-indicatie in de leeftijd tussen 2,5 en 4 jaar dat een ve-aanbod op een ve-locatie volgt. De gemeente heeft de wettelijke taak om zich in te spannen om zoveel mogelijk kinderen met een indicatie naar een ve-locatie toe te leiden en hen een ve-aanbod te laten volgen. Dit kan worden bewerkstelligd door te zorgen voor voldoende ve-plaatsen, die betaalbaar en bereikbaar zijn en aansluiten bij de wensen en behoeften van ouders en hun kinderen. Om beleidsmatig te kunnen sturen op het bereik is het belangrijk om een goed en steeds actueel zicht te hebben op het aantal geplaatste peuters met een vve-indicatie, wat een gezamenlijke inspanning vraagt van JGZ en kinderopvang. Ook is het belangrijk om zicht hebben op de groep kinderen met een ve-indicatie, die geen gebruik maakt van voorschoolse voorzieningen. Het is zinvol om in kaart te brengen wat de beweegredenen van ouders zijn om kinderen niet deel te laten aan een voorschools programma. Dit kunnen bijvoorbeeld principiële of financiële redenen zijn, maar ook wachtlijsten in de kinderopvang.

Op basis daarvan kunnen oplossingsrichtingen uitgewerkt worden om het bereik onder deze gezinnen te vergroten, denk bijvoorbeeld aan extra informatievoorziening/promotie of een alternatief (thuis)programma. In Overbetuwe streven we met elkaar naar een bereik van 100%. We gunnen alle kinderen met een vve-indicatie een extra boost in hun ontwikkeling voor dat zij instromen in het onderwijs. Idealiter neemt een kind vier dagdelen (ofwel: 640 uur per jaar deel), maar ook kinderen die twee of drie dagdelen per week komen tellen mee in het bereik.

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? De komende beleidsperiode: • Zorgen we dat er goed zicht komt op het aantal geplaatste en niet geplaatste kinderen met een vve-indicatie en wordt er gezorgd voor een rapportage.

4.4 Aanbod en uitvoering Overbetuwe streeft naar thuisnabije voorzieningen: iedere peuter heeft dichtbij huis de mogelijkheid om deel te nemen aan voorschoolse educatie. Dat betekent dat gemeente en kinderopvangaanbieders zich inzetten voor een goed gespreid aanbod over de verschillende wijken, kernen en scholen. Ook streven we zoveel mogelijk naar gemengde groepen waar doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen van elkaar kunnen leren. Peuters met een ve-indicatie tussen 2,5 en 4 jaar hebben recht op 960 uur voorschoolse educatie (vaak 40 weken per jaar; 16 uur per week maar andere varianten zijn mogelijk). 12

Het aanbod is kwalitatief hoogwaardig en er op gericht kinderen een zo goed mogelijke start op de basisschool te geven. De ve-organisaties bieden de kinderen een uitdagende ontwikkelomgeving, waarin de taalontwikkeling volop gestimuleerd wordt. Over de inhoud van deze aspecten voeren we met elkaar het goede gesprek. Aanbieders ontvangen subsidie voor het uitvoeren van ve. Ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage, en worden in de kosten gecompenseerd via kinderopvangtoeslag of via de gemeentelijke regeling. De wijze van subsidiëren en de hoogte van de subsidiebedragen worden in samenspraak met de aanbieders vastgesteld. In de financiering van voorschoolse educatie zoeken we naar een evenwicht tussen 1) financiële houdbaarheid voor de gemeente, passend bij de financiële middelen vanuit het Rijk (GOAB-budget en Asschermiddelen); 2) toegankelijkheid en betaalbaarheid voor ouders; 3) gelijk speelveld voor aanbieders. Voor jonge kinderen en gezinnen met een aanvullende ondersteuningsbehoefte is er een duidelijke zorgstructuur nodig waardoor zij goed en snel de professionele hulp krijgen die zij nodig hebben. JGZ en het Sociaal Team Overbetuwe zijn het eerste aanspreekpunt wanneer er bij ouders of professionals zorgen zijn over de ontwikkeling van het jonge kind.

Aansluiting bij de ontwikkelde integrale ondersteuningsstructuur voor het primair onderwijs is een interessant perspectief voor de komende jaren. In deze ondersteuningsstructuur is vastgelegd hoe ouders, onderwijs, gemeente en andere partners handelingsgericht samenwerken om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen door (preventieve) ondersteuning op school en thuis. Een belangrijk onderdeel van deze samenwerking is het multidisciplinair overleg (MDO). Daarnaast vinden we het belangrijk dat het voor professionals duidelijk is welk taal-, speel- en zorgaanbod voor jonge kinderen en hun gezinnen in de gemeente beschikbaar is en dat de routes hiernaar toe duidelijk zijn vastgelegd.

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? De komende beleidsperiode: • Ontwikkelen wij een lokaal kwaliteitskader voorschoolse educatie. • Stellen wij een nieuwe ve-financiering vast in een subsidieregeling. • Verbeteren wij de (educatieve) kwaliteit en uitvoering van ve, door een stevige positionering van de nieuwe pedagogisch beleidsmedewerkers/coaches VE binnen de organisaties. • Krijgen peuters en kinderopvang een plek in de bestaande integrale ondersteuningsstructuur voor leerlingen in het primair onderwijs.

13

5. Doorgaande lijn kinderopvang – onderwijs Dit tweede thematische hoofdstuk gaat over de doorgaande lijn van kinderopvang naar school. Ieder kind verdient een goede start op de basisschool. Dat zit hem niet alleen in de overdracht van het kind van kinderopvang naar school, maar ook in afstemming met elkaar over onder andere het ontwikkelingsaanbod en pedagogisch-didactisch handelen. Uit onderzoek weten we dat vve-kinderen meer risico lopen op wat langduriger wen- en aanpassingsproblemen rond de start op school. Ook laat onderzoek zien dat het aanbod van voor- en vroegschool voor doelgroepkinderen vaak nog niet aansluitend is. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe de vve-partners in Overbetuwe in gezamenlijkheid willen bijdragen aan een soepele overgang en zachte landing voor vve-kinderen op school. 1. Overdracht kinderopvang naar school Het maakt niet uit van welke opvanglocatie een kind vertrekt of naar welke school een kind gaat, voor elke peuter in Overbetuwe vindt een overdracht plaats. Het doel van de overdracht is het bijdragen aan een goede start op school door kind en ouders te ondersteunen in de overgang. Tevens informeren partners elkaar over de ontwikkel-, onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van het kind.

We streven in Overbetuwe naar een uniforme werkwijze waarin duidelijk is wat we minimaal van de verschillende partijen verwachten, maar daarnaast houden we ook ruimte voor maatwerk op locatieniveau. Op gemeenteniveau maken wij afspraken over wat een (warme) overdracht voor kinderen inhoudt, namelijk: • wie de overdracht initieert; • welke gegevens worden overgedragen; • wanneer de overdracht plaatsvindt; • hoe het gesprek eruit ziet; • en welke personen daarbij aanwezig zijn. De vorm en inhoud van de overdracht is niet voor elke peuter gelijk. We maken onderscheid tussen: • Reguliere peuters • Peuters met een vve-indicatie • Peuters met een ondersteuningsbehoefte op gedrag en/of ontwikkeling of zorgen over de thuissituatie, al dan niet met vve-indicatie We hechten bovendien belang aan een terugkoppeling van vroegschool (onderwijs) naar voorschool (kinderopvang) over hoe het vve-kinderen op school vergaat en zorgen er de komende jaren voor dat dit een structurele plek krijgt in de samenwerking. 2. Versterken van de doorgaande ontwikkellijn Voor kinderen met een vve-indicatie is er extra aandacht voor de doorgaande ontwikkellijn tussen voor- en vroegschool belangrijk. Een doorgaande ontwikkellijn betekent dat voor- en vroegscholen het pedagogisch klimaat en educatief aanbod op elkaar afstemmen. De vroegschool bouwt voort op de voorschool.

14

De doorgaande ontwikkellijn kan op verschillende manieren versterkt worden. Zo weten we uit onderzoek dat het regelmatig ontmoeten van professionals uit kinderopvang en onderwijs zorgt voor wederzijds respect en vertrouwen, dat gezamenlijke professionalisering bijdraagt aan eenzelfde visie en taal en dat het afstemmen van aanbod- en beheersingsdoelen cruciaal is in het voorkomen van een ‘gat’ of juist teveel overlap tussen voor- en vroegschool. Het gemeentelijke vve-overleg is de plek waar we met elkaar nadenken over de inhoudelijke invulling van deze samenwerking. We laten ons inspireren door bestaande initiatieven, eventueel ook uit andere gemeenten, en onderzoeken deze op kwaliteit en uitvoerbaarheid. Het versterken van de doorgaande ontwikkeling in vve is het meest relevant voor kinderopvangorganisaties en scholen met relatief veel vve-kinderen. Het verdient de voorkeur om in eerste instantie juist met deze scholen en voorscholen te investeren in de samenwerking en doorgaande lijn. 3. Doorgaande lijn in zorg Voor kinderen met extra ondersteuningsbehoeften is in veel gevallen een meer intensieve samenwerking van belang. In de eerste plaats zien we hier een rol voor de pedagogisch coaches van de kinderopvang en IB’ers van de basisschool, die op de locaties gezamenlijk optrekken in het realiseren van passende ondersteuning en begeleiding.

Het Sociaal Team Overbetuwe en het samenwerkingsverband zijn aanspreekpunten wanneer de zorgvraag verder onderzoek of ondersteuning vraagt. Zij zijn vervolgens degenen die andere partners betrekken. Behalve het gesprek over individuele kinderen op locatieniveau, willen we ook mogelijkheden hebben om met elkaar het gesprek op meer overstijgend niveau aan te gaan, bijvoorbeeld door het anoniem bespreken van casussen. Deze casussen leveren input op voor het gemeentelijk beleid. Voor de voorschoolse periode is momenteel geen integrale ondersteuningsstructuur uitgewerkt, maar daar willen we wel naar toe.

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? De komende beleidsperiode: • Updaten wij het bestaan protocol rondom de warme overdracht van kinderopvang naar basisschool en wordt het overdrachtsformulier door de vve-werkgroep geactualiseerd. • Krijgt de doorgaande lijn een impuls. • Onderzoeken we met elkaar hoe we het voorschoolse kunnen verbinden aan de bestaande integrale ondersteuningsstructuur voor het onderwijs.

15

6. Onderwijsachterstandenbestrijding in de basisschool Als kinderen vier jaar oud zijn maken ze de overstap naar de basisschool. We streven er naar dat zoveel mogelijk kinderen met een ve-indicatie ook bij de kleuters worden ondersteund met een beredeneerde aanpak, om te voorkomen dat zij met een achterstand instromen in groep 3. Ook na groep 3 geven wij speciale aandacht aan kinderen met taal- en onderwijsachterstanden. We ondernemen hierin activiteiten die bewezen effectief zijn en waar bij voorkeur al positieve ervaringen mee zijn opgedaan. We delen onze initiatieven en leren van elkaar. Als we het hebben over onderwijsachterstandenbestrijding in de basisschool dan onderscheiden we twee lijnen: 1. Het aanbod in groep 1 en 2 (“de vroegschoolse periode”). Hier staat een drietal aspecten centraal: • Een sterk inhoudelijk spel- en activiteitenaanbod, met een focus op taalontwikkeling • Een samenwerking met de kinderopvang om een doorgaande lijn van “voorschool” naar “vroegschool” te realiseren, zowel op individueel kindniveau (denk bijv. aan een warme overdracht) als op groeps-/aanbodniveau (bijv. afstemming over het inhoudelijke aanbod) • Een samenwerking met ouders, waarin vanuit gelijkwaardigheid wordt gewerkt aan optimale ontwikkelingskansen voor het jonge kind 2.

Het aanbod vanaf groep 3, waarin met name de volgende aspecten van belang zijn • Het bestrijden van taalachterstanden • Het vergroten van de kennis van de wereld • De overgang van po naar vo • Het betrekken van de ouders bij de schoolloopbaan en ontwikkeling van het kind Onderwijsachterstandenbestrijding in de basisschoolleeftijd is primair de verantwoordelijkheid van schoolbesturen en scholen. Scholen met veel doelgroepkinderen ontvangen hiervoor via hun bestuur middelen vanuit het Rijk8. De gemeente heeft de keuze en niet de plicht om -nadat zij heeft voldaan de verplichtingen die zij heeft op het vlak van voorschoolse educatie- (taal)activiteiten in het onderwijs (mee) te financieren. Wel heeft de gemeente een overlegverplichting met de schoolbesturen wat betreft doorgaande lijn VVE, resultaatafspraken en bestrijden segregatie.

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? De komende beleidsperiode: • Krijgen wij inzicht in de spreiding van de doelgroepkinderen over de scholen en hoe wij de subsidie doeltreffend kunnen inzetten; • Verkennen wij welke behoeften er liggen binnen de scholen met een veel en/of zware doelgroep en op welke manier er meer samenwerking en kennisdeling er nodig is met de gemeente.

In de gemeente Overbetuwe gaat het eind 2023 om de volgende vier scholen: Stap voor Stap, Sunte Werfert, Sint Willibrordus, Dominee van Lingenschool, zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossieronderwijsachterstanden 8

16

7. Overkoepelende thema’s 7.1 Ouderbetrokkenheid Educatief partnerschap is een proces waarin ouders en professionals vanuit gelijkwaardigheid samenwerken om het leren, de motivatie en de ontwikkeling van kinderen te bevorderen. Voor veel ouders is een stimulerende en ondersteunende rol als het gaat om de (taal)ontwikkeling en de schoolloopbaan van hun kinderen vanzelfsprekend. Vanuit het onderwijskansenbeleid richten we ons ook op de ouders voor wie die rol minder vanzelfsprekend is, bijvoorbeeld omdat zij zelf minder taalvaardig zijn, een andere culturele achtergrond hebben of zelf weinig positieve ervaringen in hun eigen schoolloopbaan hebben gehad. Wij vinden het belangrijk om deze ouders te zien, horen en ondersteunen, passend bij wat kind en ouder nodig hebben. Daarom zijn we bij de overgangsmomenten extra alert dat ouders worden betrokken en zorgvuldig worden geïnformeerd. Ouders zijn idealiter bij de warme overdracht aanwezig en worden tijdens de eerste periode op de voor- en vroegschool actief uitgenodigd de nieuwe (voor)school te leren kennen. Dit zien we als wederkerig proces: op deze manier leren professionals van de (voor)school ook het kind en het gezin kennen en ontstaat een vertrouwensband.

Gedurende de (voor)schoolse periode worden ouders regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van hun kind, aansluitend bij de (taal)mogelijkheden en behoeften van de ouder. Dat kan betekenen dat de informatie niet alleen schriftelijk maar ook mondeling is, dat met foto’s of filmpjes wordt gewerkt of dat gebruik wordt gemaakt van een tolk. We willen stimuleren dat ouders zich betrokken voelen bij de opvang en/of het onderwijs op de groep, wat bijvoorbeeld vorm kan krijgen door middel van een inloop, themabijeenkomsten, meekijkochtenden of uitjes. Uit onderzoek weten we bovendien dat het voor de ontwikkeling van doelgroepkinderen het meest effectief is dat ouders in de thuisomgeving de ontwikkeling en motivatie van hun kind stimuleren. Wij willen ouders hier handvatten voor geven. Bijvoorbeeld door middel van een spelinloop waar ouders kennismaken met verschillende activiteiten, taal- of verteltassen voor thuis of thema-activiteiten. Daarnaast weten we dat ouders van doelgroepkinderen vaak ook andere ondersteuning kunnen gebruiken, bijvoorbeeld bij opvoedingsvraagstukken, de eigen taalvaardigheden of zaken rondom huisvesting en financiën. Onze partners weten welke voorzieningen er zijn voor ouders in de gemeente en hoe wij ouders naar deze vormen van hulp kunnen doorverwijzen.

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? De komende beleidsperiode: • Stellen wij de doelen van educatief partnerschap vast waaraan de vve-werkgroep gezamenlijk mee aan de slag gaat. Dit gaat over activiteiten, materialen, methoden, etc. • Creëren wij een overzicht in aanbod én in welke mate dit aanbod toereikend is voor de doelgroep en hun ouders.

17

•

Creëren wij een laagdrempelig overzicht voor ouders op welke manier zij contact kunnen leggen met het aanbod, de voorzieningen en bij een zwaardere ondersteuningsvraag, de gemeente.

7.2 Resultaatafspraken De gemeente en schoolbesturen hebben de wettelijke verplichting om met elkaar afspraken te maken over de resultaten die zij met vroegschoolse educatie willen bereiken. Resultaten heeft hier betrekking op de ontwikkelingsresultaten van kinderen. Met andere woorden: resultaatafspraken geven antwoord op de vraag of (taal)achterstanden van doelgroepkinderen worden ingelopen. Dit is niet bedoeld als verantwoording, maar als input voor een dialoog over de kwaliteit van vve-beleid en uitvoering: doen wij in Overbetuwe de goede dingen voor doelgroepkinderen?

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? De komende beleidsperiode: • Formuleren we resultaatafspraken. • Wordt jaarlijks een kwaliteitsdialoog gevoerd over deze resultaatafspraken.

7.3 Monitoring en evaluatie Om als gemeente en vve-werkgroep te kunnen sturen op vve en oab-beleid is het van belang zicht te hebben op wat er daadwerkelijk gebeurt. Zo kunnen we samen een cyclus van meten = weten = verbeteren inrichten. Dat begint met een goed zicht op bereik en toeleiding: in hoeverre lukt het ons om de kinderen die tot de doelgroep behoren te identificeren en toe te leiden naar de voorzieningen. Daarbij hoort ook de vraag of het aanbod dat we met elkaar bieden voldoende in omvang en spreiding is: hebben we bijvoorbeeld in alle kernen en wijken een aanbod voor deze groep kinderen in opvang en onderwijs. Maar vervolgens is ook zicht en grip op kwaliteit van belang: welke aspecten van kwaliteit vinden we belangrijk en in hoeverre lukt het ons om die vorm en uitvoering te geven op de kinderopvanglocaties, scholen en in andere voorzieningen.

Wat gaan we de komende beleidsperiode doen? De komende beleidsperiode: • Wordt er jaarlijks een vve-monitor uitgevoerd door Sardes om inzicht te blijven generen in de cijfers. • Wordt er gekeken op welke manier we meer inzicht kunnen genereren in aan de ene kant cijfers, maar aan de andere kant ook de mening en ervaring van ouders.

18

8. Samenwerking en overleg Dit beleidsdocument is op initiatief van de gemeente tot stand gekomen in een werkgroep met vertegenwoordigers van JGZ, kinderopvang en onderwijs. De wens is om de komende beleidsperiode deze overlegvorm voort te zetten als vve-beleidsgroep in de volgende vorm: - Aanwezigheid van vertegenwoordigers uit JGZ (voorschoolse zorgcoördinator, jeugdverpleegkundige), kinderopvang (managers, beleidsmedewerkers, coaches) en onderwijs (intern begeleiders). Op basis van agenda worden andere partijen uitgenodigd, zoals Stichting PAS, bibliotheek of vertegenwoordigers vanuit Jeugdteam. - De gemeente is voorzitter. De gemeente is in staat tot een helikopterview en kan partijen bij elkaar brengen. Bovendien heeft de gemeente een wettelijke verplichting tot regievoering op het lokale onderwijsachterstandenbeleid. Bij de start maken we afspraken over de taak van de voorzitter (bijv. wel/niet agenda samenstellen, wel/niet notuleren). - Belangrijkste doel is het gezamenlijk werken aan en sturen op de invulling en uitvoering van het vve/oab-beleid in de gemeente. Dat doen we vooral door middel van monitoring (kritisch volgen van de processen en uitvoering, past het beleid of moet het aangepast worden) en samenwerking (elkaar vinden op de belangrijke thema’s en deze door ontwikkelen).

- Afstemming met de besturen vindt plaats via de LEA, waar vve/oab een regelmatig agendapunt is. - De vve-werkgroep komt drie tot vier keer per jaar bij elkaar. De wens is uitgesproken om dit niet altijd op het gemeentehuis, maar ook soms bij kinderopvanglocaties of scholen plaats te laten vinden. - Waar we alert op willen zijn is dat het vve-beleid ook naar de werkvloer wordt gebracht. Daarvoor kan het noodzakelijk om naast de beleidsgroep op afroep een “intervisiegroep” te hebben met bijvoorbeeld coaches kinderopvang of een werkgroep met daarin een aantal pm’ers/leerkrachten/ib’ers, die de vertaalslag kunnen maken naar de praktijk. Denk bijvoorbeeld aan het “uittesten” van een nieuw overdrachtsformulier of aanscherpen van het toeleidingsprotocol.

19

9. Begroting De gemeente ontvangt middelen van het Rijk voor het bestrijden van onderwijsachterstanden. In onderstaande tabel wordt de begroting van 2024 weergegeven. Eigen middelen Rijksmiddelen Totaal

€ € €

160.886,00 421.874,00 582.760,00

Het grootste deel van de rijksmiddelen worden nu besteed aan voorschoolse educatie waaronder subsidie aan SKAR, De Kikkerkoning, Ukkiepuk en De Kleine Musketiers. Daarmee voldoet de gemeente aan haar wettelijke taak om voor voldoende voorschoolse voorzieningen te zorgen. Stichting Pas biedt ondersteuning aan kinderopvang en onderwijs bij nieuwkomers. Ook hiervoor worden de rijksmiddelen ingezet. Daarnaast heeft de gemeente de rijksmiddelen ingezet op expertise om te komen tot beleid en afspraken voor samenwerking met partners. Hiervoor zijn Sardes en Oberon ingezet. Per saldo zijn de rijksmiddelen onvoldoende om de kosten te denken. Daarom zet de gemeente ook eigen middelen in. Deels dekken deze middelen de kosten voor voorschoolse educatie, maar ook de subsidie aan Forte School en het project onderwijs aan woonwagenkamp, Roma en Sinti kinderen van Stichting Pas. De gemeente zal met kinderopvanghouders onderzoeken hoe de nieuwe ve-financiering eruit zal zien. Dat zal ook doorvertaald worden naar de begroting voor 2025 en 2026 van de Gemeente Overbetuwe, waarbij uiteraard ook rekening gehouden zal moeten worden met financiële houdbaarheid voor de gemeente.

20

10. Werkagenda In de voorgaande hoofdstukken zijn per hoofdstuk een aantal acties geformuleerd voor de komende beleidsperiode. De uitgebreide beschrijving van de acties wordt onderstaand beschreven. De tentatieve werkagenda voor de komende periode ziet er globaal als volgt uit en is tentatief: 2024 • Start onderzoek nieuwe ve-financiering • Uitvoering vve-monitor 2024 • Start ontwikkeling samenwerkingsagenda voor het lokale educatieve agenda overleg • Planning uitvoeringsprogramma 2024 -2028 2025 • • • • • •

Kick-off uitvoering uitvoeringsprogramma 2024- 2028/vve-werkgroep Kwaliteitsdialoog stakeholders vve-monitor 2024 Oplevering nieuwe subsidiestelsel ve Opstellen subsidieregeling behorend bij nieuwe ve-financiering Oplevering samenwerkingsagenda voor het lokale educatieve agenda overleg Start exploratie voor een lokale kwaliteitskader voorschoolse educatie

Deze werkagenda zal uitgewerkt worden in een specifiekere uitvoeringsagenda die wij samen vaststellen voor 2024 tot en met 2028. Hiervoor zal de gemeente nauw samenwerken met onder andere de gemeentelijke vve-werkgroep en de partners in het lokale educatieve agenda overleg. Uitvoeringsprogramma uitgebreid Per hoofdstuk hebben wij aangegeven wat wij de komende beleidsperiode gaan doen. In onderstaande uitvoeringsprogramma hebben wij de uitgebreide doelstellingen opgenomen. Doelgroep •

• •

Evalueert de vve-werkgroep jaarlijks de doelgroepdefinitie voor peuters en de uitvoering daarvan. Extra aandacht willen we hierbij hebben voor de groep kinderen met een NT2achtergrond en kinderen die vallen onder het tweede criterium van brede ontwikkeling: om hoeveel kinderen gaat het en worden zij terecht geïndiceerd? Indien nodig legt de werkgroep nieuwe (verbeter)afspraken vast. Levert JGZ gegevens aan voor deze evaluatie, bijvoorbeeld het aantal afgegeven indicaties en de reden van indicatie. Daarnaast willen we graag met elkaar zicht krijgen op kinderen die meer nodig hebben dan het reguliere ve-aanbod: om hoeveel kinderen gaat het, wat hebben deze kinderen en hun ouders nodig. We hebben het vermoeden dat er voor peuters een voorziening mist tussen voorschoolse educatie en gespecialiseerde jeugdzorg. We denken dan bijvoorbeeld aan een voorziening met kleinere groepen of hbo/gespecialiseerd personeel.

Indicatie en toeleiding • Stellen gemeente, JGZ en kinderopvangorganisaties gezamenlijk een centrale werkwijze en procedure rondom het indiceren en toeleiden vast, en maken deze voor alle betrokken partners toegankelijk. 21

•

Evalueert de vve-werkgroep jaarlijks of de werkwijze die we met elkaar hebben vastgesteld volstaat. Indien nodig legt de werkgroep nieuwe (verbeter)afspraken vast. Een nieuw onderdeel in de toeleidingsketen dat extra aandacht vraagt in de evaluatie is de terugkoppeling van geplaatste kinderen door de kinderopvangorganisaties aan JGZ.

Bereik • Zorgen JGZ en kinderopvangorganisaties er samen voor dat er zicht komt op het aantal geplaatste kinderen met een vve-indicatie. We gaan met JGZ in gesprek om te gaan op welke manier we deze gegevens kunnen vergaren. • Zorgt JGZ voor een viermaandelijkse rapportage van het aantal geplaatste peuters (bereik) aan de gemeente en de vve-werkgroep. De gemeente ontvangt een rapportage in mei (over januari t/m april), in september (over januari t/m augustus) en in januari (over het hele kalenderjaar). Het gaat dan idealiter om de volgende gegevens: o Aantal indicaties o Inzicht in de redenen van indicatie o Aantal verwijzingen o Aantal geplaatste kinderen op ve-groepen, met onderscheid tussen 2-2,5 jarigen en 2,5-4 jarigen o Inzicht in redenen van non-bereik o Leeftijd bij start vve • Vult de gemeente waar mogelijk deze cijfers aan met relevantie informatie uit de beschikkingen (bijv. wat is het gemiddeld aantal afgenomen uren/dagdelen). • Evalueert de vve-werkgroep drie keer per jaar de bereikcijfers en of de gegevensuitwisseling naar wens verloopt. Er wordt goed gekeken naar verschillen tussen wijken/kernen en naar startleeftijd. • Aanvullend op de gegevens per wijk/kern onderzoeken we of het mogelijk is om ook zicht te krijgen op het aantal vve-kinderen per school.

Dit is belangrijke informatie als het gaat om spreiding van aanbod, de doorgaande lijn en het gesprek daarover met kinderopvangorganisaties (bijv. Willen we een ve-locatie koppelen aan deze school en is dat rendabel? Is daar mogelijk hulp van de gemeente bij nodig?). • Onderzoekt de vve-werkgroep de redenen voor non-bereik en stelt waar nodig een aantal verbeteracties vast. • Onderzoekt de gemeente samen met de vve-partners of het werken met de Peutermonitor of een andere vergelijkbare tool van toegevoegde waarde is voor het monitoren van de deelname aan voorschoolse educatie. Aanbod en uitvoering • Voeren we op regelmatige basis met elkaar het goede gesprek over vve-kwaliteit. Daarvoor worden in eerste instantie het Inspectiekader Voorschoolse educatie en de inspectierapporten gebruikt, en wordt steeds verder toegewerkt naar een lokaal kwaliteitskader voorschoolse educatie, waarin gezamenlijke ambities en afspraken rondom verschillende vve-thema’s, zoals doorgaande lijn, ouderbetrokkenheid en kwaliteitszorg, zijn vastgelegd. Dit kwaliteitskader vormt de basis voor de jaaragenda van de vve-werkgroep. • Stelt de gemeente samen met de kinderopvangaanbieders een nieuwe ve-financiering vast in een subsidieregeling. De gemeente en aanbieders onderzoeken met elkaar verschillende vormen van bekostiging (bijv.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=d05ce648-caae-43fe-b8ff-7f481f0a61d3