CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

24-04-02.03 Stratgisch Huisvestingsplan Overbetuwe 22 september 2020

Voorronde Zaal 2 2 april 2024, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Informatiebijeenkomst van het college Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs11.504 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Strategisch meerjarig Huisvestingsplan Onderwijs Gemeente Overbetuwe (2020-2036)

Opstellers: Gerard Mudde – gemeente Overbetuwe Henkjan Kok – Retrain, bureau voor organisatieontwikkeling September 2020

Vastgesteld in de gemeenteraadsvergadering van: 1

2

Inhoudsopgave: Ter introductie 1. Realisatie onderwijshuisvesting op maat 1.1. Inleiding 1.2. Proces 1.3. Status van het SHP 2. Visies en regelgeving m.b.t. onderwijshuisvesting van de toekomst 2.1. Wettelijke zorgplicht 2.2. Visie 2.3. Gemeentelijke verordening onderwijshuisvesting 2.4. Doordecentralisatie 2.5. Wetsvoorstel weeffouten in het financieringsstelsel 2.6. Het financieringsstelsel 2.7. Normering kosten onderwijshuisvesting 2.8. Transitieatlas onderwijs 2017 2.9. Gemeentelijk sociaal domein 2.10. Verbinding onderwijs en zorg 2.11. Constructie beheer en exploitatie brede scholen 2.12. Manifest kopgroep Kinderopvang 2.13. Bouwstenen voor beleid 3. Samenwerking gemeente, schoolbesturen en kinderopvang 3.1. Rolverdeling/regie 3.2. Samenwerking per kern/wijk/regio: inhoud gaat voor bouw 4. Opstellen strategisch meerjarig huisvestingsplan onderwijs (SHP) 4.1. Basisgegevens 4.2. Spreiding (Transitieatlas) 4.3. Leerlingenprognoses 4.3.1. Leerlingenprognose PO 4.3.2. Leerlingenprognose VO 4.4. Ruimtebehoefte PO en VO 5. Omgevings-, Onderwijskundige- en Technische analyse per Wijk/kern 6. Uitwerking en Financiën 6.1. Kwaliteitskader 6.2. Duurzaamheid 6.3. Uitvoeringsagenda 6.3.1. Keuzemotieven 6.3.2. Investeringsopgave 7. Vervolgproces 8. Bijlagen

3

5 6 6 6 7 8 8 8 9 9 10 10 11 11 11 13 13 13 14 15 15 15 16 16 17 19 19 20 21 23 24 24 24 25 25 26 32

4

Ter introductie Voor u ligt het Strategisch meerjarig Huisvestingsplan Onderwijs gemeente Overbetuwe (SHP). Dit plan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen de gemeente Overbetuwe, de partners uit de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk, de schoolbesturen en de organisaties die ter voorbereiding uitvoerende werkzaamheden hebben verricht, zoals HEVO en Pronexus BV. Een bijzonder woord van dank verdient de werkgroep onderwijshuisvesting die constructief en kritisch dit proces heeft begeleid. Daarnaast hebben zij een actieve rol genomen bij de voorbereiding en uitvoering van de kennisconferentie die als start van dit proces gezien mag worden. September, 2020 Wethouder Onderwijs, Rob Engels

5

1. Realisatie onderwijshuisvesting op maat 1.1. Inleiding De gemeente Overbetuwe vindt goede onderwijshuisvesting een belangrijke factor voor de kwaliteit van het onderwijs in deze gemeente. Vanuit de wettelijke zorgplicht behoort het tot de taak van de gemeente om te zorgen voor adequate huisvesting voor zowel het primair- als het voortgezet onderwijs. Het is belangrijk voor de ontwikkeling en onderwijskwalificatie van onze jonge kinderen en jeugd, waarvoor we met elkaar – scholen en gemeente – verantwoordelijk zijn. Goede huisvesting is ook belangrijk voor alle medewerkers in onze scholen. Al die leerlingen en medewerkers verdienen ook goede huisvesting! Vanuit dat belang willen we samen met de schoolbesturen blijven investeren in kwalitatieve, functionele, eigentijdse scholen, die de diverse onderwijskundige en maatschappelijke vraagstukken aankunnen. De gemeente, de schoolbesturen en de partners vanuit de kinderopvang staan voor een grote opgave. Samen voelen zij zich verantwoordelijk voor het faciliteren van een ononderbroken ontwikkeling van kinderen. Vanuit de door hen omarmde visie `It takes a whole village to raise a child´ worden ook andere, op kinderen gerichte partners, betrokken bij deze opgave. In de rapportage van de Transitieatlas1 is gebleken dat de leerlingendaling grotendeels aan onze gemeente voorbijgaat.

Per dorp/wijk/kern is gekeken naar de toekomstige behoefte in relatie tot de bestaande voorziening(en). In bijvoorbeeld Elst is tussen de verschillende locaties sprake van onbalans in ruimtevraag en ruimteaanbod in m2´s. De conclusies en de eventuele consequenties staan verwoord in dit SHP. Daarnaast is er gekeken naar de wijze waarop schoolgebouwen multifunctioneel kunnen worden ingezet in relatie tot het totale accommodatiebeleid van de gemeente. De eerdergenoemde visie èn de veranderende opvattingen over de wijze waarop het onderwijs in de praktijk vorm wordt gegeven, maakt dat in het kader van dit SHP niet alleen kritisch gekeken is naar de technische kwaliteit van gebouwen, maar ook naar de onderwijskundige functionaliteit. Vanuit de ambitie voor behoud van keuzevrijheid, een goede spreiding en bereikbaarheid èn passend onderwijs, is gekozen voor een integrale aanpak die terug is te vinden in dit Strategisch Huisvestingsplan waarin het tussen schoolbesturen en gemeente overeengekomen beleid staat beschreven, inclusief het investeringsprogramma voor de eerste fase (periode 2020-2023), met een doorkijk naar fase 2 (2024- 2027), en fase 3(2028-2036). 1.2.

Proces In het schooljaar 2015-2016 hebben de schoolbesturen voor Primair Onderwijs, de gemeente Lingewaard en de gemeente Overbetuwe subsidie van het ministerie van OCW ontvangen voor het aanstellen van een procesbegeleider leerlingendaling en voor het opstellen van de Transitieatlas Primair Onderwijs voor beide gemeenten. Met behulp van deze atlas was het mogelijk om scenario’s op te stellen waarin de gevolgen van de leerlingendaling voor de afzonderlijke scholen zichtbaar gemaakt konden worden.

1 Zie Eindnotitie ´Transitieatlas primair en voortgezet onderwijs Lingewaard en Overbetuwe´ d.d. 15 juni 2017

6

De eindconclusies uit het onderzoek waren als volgt: * Het onderwijs in de regio kent op veel vlakken een goede startpositie vanwege het innovatieve karakter van het onderwijs. Zo kent de regio al intensieve samenwerking met vroeg- en voorschoolse voorzieningen in IKC’s en brede scholen en in een aantal kernen een intensieve samenwerking tussen po en vo. * In het po komen scholen door de leerlingendaling naar verwachting niet in de gevarenzone in 2025. In het vo zal de verwachte leerlingendaling zijn weerslag hebben op de grootte van afdelingen. * Hoewel schoolbesturen (van po en vo) aangeven dat de leerlingendaling geen aanleiding is om het spreidingsbeeld van het onderwijs te veranderen, is er wel veel werk aan de winkel de komende jaren. Aanwezigen bij de interactieve bijeenkomsten gaven aan met elkaar hard aan de slag te willen om de kwaliteit van het onderwijs te borgen en verder te innoveren en daarmee de regionale concurrentiepositie van het onderwijs te vergroten. Daarbij verdient in het vo bestuurlijke samenwerking ook veel prioriteit om de diversiteit en duurzaamheid van het aanbod te kunnen garanderen gegeven de verwachte stevige daling van grootte van de afdelingen.

* De bijeenkomst voor het po en de bijeenkomst voor het vo laten een grote motivatie zien om gezamenlijk na te denken over de toekomst van het onderwijs in de regio en concrete vervolgstappen te zetten om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen en verder te innoveren. De interactieve bijeenkomsten kunnen gezien worden als het begin van een langer durend veranderingsproces waarbij vroeg- en voorschoolse voorzieningen, po en vo intensiever gaan samenwerken om de bereikbaarheid en diversiteit van het onderwijsaanbod te waarborgen en verder te innoveren. Tijdens de interactieve bijeenkomsten was er met name ook veel draagvlak en enthousiasme voor het invoeren van doorlopende leerlijnen van 0-18 jaar, dicht in de buurt en goed verankerd in de lokale gemeenschappen. Het SHP van de gemeente Overbetuwe sluit hier zoveel mogelijk op aan. Vervolgens heeft de gemeente Overbetuwe besloten tot het opstellen van een Strategisch meerjarig huisvestingsplan onderwijs (SHP) voor het onderwijs en voorzieningen.

Bij de bespreking van dit besluit heeft het overlegplatform Lokaal Educatieve Agenda (LEA) aangegeven dat huisvesting faciliterend is en besluiten over onderwijshuisvesting direct gerelateerd moeten zijn aan de inhoudelijke doelstellingen van het onderwijs en moeten passen in de brede visie op kindontwikkeling die de gemeente Overbetuwe heeft gekozen: “It takes a whole village to raise a child”. Een werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de voorschool, basisonderwijs, voortgezet onderwijs, de gemeente en de procesbegeleider, heeft op 22 november 2018 een kennisconferentie “Het beste voor het kind” voorbereid. Vanuit de drukbezochte conferentie was de conclusie: “Dat de verschillende partijen elkaar steeds beter weten te vinden op inhoud. Vanuit deze inhoud vindt een vertaalslag plaats naar de realisatie van onderwijsvoorzieningen.” In het SHP staat daarvan de concrete uitwerking beschreven (zie bijlage 1) 1.3. Status van het SHP Na vaststelling van dit SHP beschikt de gemeente Overbetuwe over een Strategisch Plan voor de onderwijshuisvesting waarin de gemeente na overleg met de schoolbesturen het huisvestingsbeleid voor de komende 16 jaar heeft bepaald en het investeringsprogramma voor de komende 8 jaar heeft vastgelegd. De uitwerking kent 4 fases: 1e fase: 0- 4 jaar 2e fase: 5 - 10 jaar 3e fase: 11 - 16 jaar 7

4e fase:

Na 16 jaar

2. Visies en regelgeving m.b.t. onderwijshuisvesting van de toekomst (Bron: Bouwstenennotitie2) 2.1. Wettelijke zorgplicht De gemeente heeft op het gebied van onderwijshuisvesting de wettelijke zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente moet voorzien in adequate huisvesting voor het Primair Onderwijs, (Voortgezet) Speciaal Onderwijs en Voortgezet Onderwijs. De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is, zijn vastgelegd in de wetgeving. De gemeente is verantwoordelijk voor o.a. (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud van de gebouwen, zowel binnen- als buitenkant, en de exploitatie is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Vooralsnog is renovatie van gebouwen nog niet wettelijk geregeld. Er is geen zorgplicht voor de voorzieningen voor kinderopvang. Indien de gemeente wel de initiële investering hiervoor doet, dan dienen de kosten hiervoor te worden vergoed vanuit de exploitatie van de kinderopvang. Dit houdt in dat de investering voor kinderopvang zich moet terugverdienen. 2.2. Visie Kernpartners en ketenpartners Naast de wettelijke zorgplicht heeft de gemeente zich vanuit de eerder beschreven visie uitgesproken voor een bredere benadering van de onderwijshuisvesting.

Onderwijshuisvesting is de vindplaats van kinderen waarin in principe plaats is voor alle partijen die een inhoudelijke bijdrage kunnen leveren aan de eerdergenoemde visie: “It takes a whole village to raise a child”. Uitgangspunt daarvan is, dat in de brede scholen c.q. Integrale Kindcentra (IKC’s) de scholen en daarmee de schoolbesturen, als eerstverantwoordelijken worden beschouwd. Kort gezegd: “De scholen zijn in de lead.” Samen met de voorschoolse partijen vormen zij de kernpartners. Een kernpartner heeft een plaats in die brede school of IKC vanuit de zorgplicht van de gemeente of men heeft een langjarig (ten minste 10 jaar) huurcontract afgesloten met het schoolbestuur, dan wel met de gemeente. In dergelijke gevallen zal er òf sprake zijn van lege lokalen òf sprake van specifiek voor de voorschool gerealiseerde m2s. In de eerste situatie wordt een huurovereenkomst gesloten met het schoolbestuur, in de tweede situatie kan dat ook het schoolbestuur zijn, maar ook de gemeente. Dit hangt van de specifieke situatie af. Andere organisaties waarmee de kernpartners een geformaliseerde samenwerking afsluiten, en die een aanvullende of ondersteunende rol vervullen in de richting van de kernpartners, noemen we ketenpartners.

Het is voor commerciële zorgpartijen die op basis van door de gemeente gesubsidieerde middelen ondersteuning aan het onderwijs verlenen, niet toegestaan om al dan niet als ketenpartner ruimte te huren in een schoolgebouw. Wanneer zij structureel gebruik maken van bestaande ruimte (al dan niet via een huurovereenkomst) in de betreffende brede school of IKC, verloopt dat in principe via medegebruik die gemeld moet worden aan de gemeente. Ander (incidenteel) gebruik wordt ook gezien als medegebruik, maar behoeft niet gemeld te worden aan de gemeente.

2 De Bouwstenennotitie is vastgesteld in de gemeenteraadsvergadering van 3 december 2019

8

Voor de kernpartners geldt dat de gemeente bij een eventueel ruimtetekort geen gebruik zal maken van haar vorderingsrecht (art. 107 WPO), voor alle andere vormen van verhuur c.q. medegebruik blijft het vorderingsrecht zoals vastgelegd in de WPO en de Gemeentelijke verordening onderwijshuisvesting van toepassing. Het is voor commerciële zorgpartijen die op basis van door de gemeente gesubsidieerde middelen ondersteuning aan het onderwijs verlenen, niet toegestaan om al dan niet als ketenpartner ruimte te huren in een schoolgebouw. Gemeentelijke investeringen ten behoeve van de kinderopvang in nieuw te bouwen c.q. aan te passen schoolgebouwen zullen op basis van zuivere kapitaalslasten worden verrekend in de huursom. 2.3. Gemeentelijke verordening onderwijshuisvesting Voor de uitvoering van de wettelijke zorgplicht is een gemeentelijke verordening van kracht: verordening onderwijsvoorzieningen 2017 gemeente Overbetuwe. De gemeenteraad is verplicht om een dergelijke verordening vast te stellen. Vanuit de VNG wordt regelmatig een modelverordening opgesteld, die onze gemeente nagenoeg volledig overneemt vanwege de uniformiteit. Deze verordening regelt het onderwijshuisvestingsbeleid en geeft uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij de gemeente.

De gemeente toetst aan de opgenomen criteria of een aangevraagde voorziening al dan niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eigendom schoolgebouwen Over het algemeen hebben schoolbesturen het juridisch eigendom van schoolgebouwen, met uitzondering van de brede schoolaccommodaties in onze gemeente. In deze voorzieningen is/wordt e.e.a. geregeld in de beheersovereenkomst, waarin tevens bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van exploitatie en ruimtebeheer. Het schoolbestuur is als eigenaar van het gebouw juridisch aansprakelijk. Op het moment dat het schoolgebouw niet meer gebruikt wordt voor het onderwijs, vervalt het gebouw en terreinen terug aan de gemeente. Dit laatste noemt men ook wel het economisch claimrecht. De praktijk wijst uit dat schoolbesturen bij leegstand een gedeelte van het gebouw in medegebruik geven (onderwijs of maatschappelijke partij) of verhuren (commerciële partij). De gemeente moet bij structurele verhuur hiervoor op grond van de verordening wel toestemming geven. 2.4. Doordecentralisatie De gemeente kan er in samenspraak met één of meerdere schoolbesturen voor kiezen dat de schoolbesturen zelf geheel verantwoordelijk zijn voor de onderwijshuisvesting met inbegrip van o.a. nieuwbouw en uitbreiding. Hiervoor ontvangt een schoolbestuur jaarlijks een bedrag van de gemeente. We spreken hier dan over doordecentralisatie.

De genoemde zorgplicht behoudt de gemeente overigens wel, hetgeen betekent dat uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de realisatie van adequate onderwijshuisvesting bij de gemeente blijft liggen. Echter de schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering etc. Gemeente en schoolbesturen maken afspraken over o.a. monitoring en de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd. De vraag is echter of doordecentralisatie momenteel een passend en urgent item is. Juist in een tijd waarbij een integrale aanpak in de wijk of kern gewenst is. Daarom is in samenspraak met de schoolbesturen besloten om in het huidige traject SHP geen nader onderzoek te doen naar doordecentralisatie. Het werken vanuit een integrale visie heeft prioriteit. 9

2.5. Wetsvoorstel weeffouten in het huidige financieringsstelsel Hoewel de huidige rolverdeling tussen gemeente en schoolbesturen op papier helder is, vertoont de rolverdeling toch enige gebreken. Deze richten zich met name op het financiële vlak doordat beide partijen de mogelijkheid hebben de uitgaven te beperken. Enerzijds kan de gemeente de uitgaven beperken door relatief goedkope of niet duurzame gebouwen te realiseren ten koste van hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Anderzijds kunnen schoolbesturen de eigen uitgaven beperken door te weinig te investeren in onderhoud en op die manier eerder voor (vervangende) nieuwbouw in aanmerking te komen. Kortom de onderwijshuisvesting is en blijft een gezamenlijke verantwoordelijkheid. 2.6. Het financieringsstelsel De financiering van het onderwijs is complex. Samengevat heeft het onderwijs te maken met twee partijen: - Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; - De gemeente die door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gelden ontvangt via het gemeentefonds. Daarnaast voorziet de Rijksoverheid via diverse kanalen scholen en gemeenten van specifieke doelsubsidies die zich de laatste tijd vooral richten op duurzaamheids- en energiemaatregelen. In schema ziet dat er als volgt uit:

Bron: HEVO

figuur 1

Daarnaast zijn er tussen deze twee geldstromen nog diverse aspecten die niet geregeld zijn (zie: hiaten in regelgeving). Dit is ook voor de PO-Raad, de VO-Raad en de VNG aanleiding geweest om een gezamenlijk voorstel te sturen naar de staatssecretaris onderwijs om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor de onderwijshuisvesting op te lossen. Het voorstel heft een aantal geconstateerde tekortkomingen op en brengt de gemeente en schoolbesturen in een min of meer gelijkwaardige positie van elkaar.

10

Enkele belangrijke elementen uit het voorstel zijn: - De in de verordening beschreven jaarcyclus voor aanvragen voor de onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin de gemeente na overleg met de schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een integraal huisvestingsplan (SHP), met een doorkijk tot het 16e jaar. - De mogelijkheid om renovatie als een volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie zou daarom moeten worden opgenomen als een voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie/startconditie die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op een levensduurverlenging van het gebouw van ten minste 25 jaar. - Het investeringsverbod voor het PO en SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de huidige bepalingen zoals die gelden voor het VO. PO en SO krijgen dan de mogelijkheid te investeren in de huisvesting. De huidige financieringsstromen blijven gehandhaafd, maar de versoepeling van het investeringsverbod kan leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten of versnellen. Naar verwachting zal de ingangsdatum van deze wetwijzigingen liggen op 1 januari 2023.

Met de opstelling van een strategisch meerjarig huisvestingsplan onderwijs (SHP) worden bovenstaande elementen waar mogelijk meegenomen en lopen we binnen de kaders van de vigerende wetgeving op het genoemde wetsvoorstel vooruit. 2.7. Normering kosten onderwijshuisvesting Vanuit de VNG is in 2018 aan de gemeenten geadviseerd om de normkosten voor nieuwbouw etc. met 40% te verhogen. De reden is dat de jaarlijkse indexering van de normbedragen over de afgelopen jaren de werkelijke prijsontwikkelingen niet goed blijkt te hebben gevolgd. De mogelijke verhoging van de normbedragen is echter slechts een advies aan gemeente. Vanuit het Rijk ontvangt de gemeente geen verhoging van de inkomsten hiervoor. Aanpassing van de normbedragen aan de actuele ontwikkelingen in de markt is echter noodzakelijk. Daarom zal parallel aan de procedure tot vaststelling van het SHP de Raad voorgesteld worden om de normbedragen te actualiseren. In de financiële uitwerking is met geactualiseerde normbedragen gerekend. 2.8. Transitieatlas onderwijs 2017 Samen met de gemeente Lingewaard en de samenwerkende voorschoolse- en onderwijspartners is in 2017 een Transitieatlas onderwijs opgesteld, waarbij de gevolgen van de leerlingendaling zijn geformuleerd. Daarbij is een aantal scenario’s uitgewerkt. Voor Overbetuwe zijn de gevolgen van de leerlingendaling niet dramatisch.

Directe sluiting van scholen is niet aan de orde. Bovendien is de leerlingendaling binnen onze gemeente zeer lokaal. In verschillende kernen/wijken is zelfs sprake van een stijging van het aantal leerlingen. Ook stijgt het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs in Elst. Daar waar het lokaal gewenst is, worden de conclusies vanuit de Transitieatlas onderwijs meegenomen. 2.9. Gemeentelijk sociaal domein De gemeente is verantwoordelijk voor de resultaten binnen het sociaal domein. In de praktijk betekent dit dat de gemeente regie en beleid moet voeren gericht op het aanbod voor alle kinderen. Het werken met en voor kinderen moet in de praktijk binnen de kaders van het sociaal domein, een 11

ongedeelde, gesegmenteerde werkelijkheid zijn. De huidige werkelijkheid is dat maatschappelijke partijen (jeugdzorg, scholen, kinderopvang) werken vanuit hun eigen opdracht en verantwoordelijkheid binnen de gescheiden wet- en regelgeving. De gemeente is de enige partij die het algemeen belang moet afwegen. Zij is mede hierdoor bij uitstek de partij om maatschappelijke partijen te verbinden en tot maatschappelijk partner te maken op basis van een gezamenlijke en gedragen visies en doelen. Samen kunnen maatschappelijke partijen meer betekenen voor de ontwikkeling van kinderen tot gelukkige, gezonde en participerende burgers. Een voorbeeld is de ontwikkeling van het concept ‘kindcentrum’ (van brede scholen naar (integrale) kindcentrum)( zie figuur 2) Voor de gemeente betekent dit rekening houdend met de lokale situatie (lees: maatwerk per kern/wijk) het verbinden van (maatschappelijke) partijen op inhoud en het faciliteren van het proces.

Bron: VNG Figuur 2

12

Het kindcentrum-concept betekent dat kinderen binnen de reguliere voorzieningen die ondersteuning (zorg, taal etc.) krijgen die ze nodig hebben om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Met andere woorden je regelt alles om het kind heen, het kind centraal dus. Vanuit het perspectief van het sociaal domein komt zo ook het uitgangspunt van de gemeentelijke jeugdzorg: zicht op kind en gezin in beeld. Dat geeft de mogelijkheid dat meer preventief en sneller en gerichter actie kan worden ondernomen bij kinderen met beginnende zorgproblemen. Dat geldt natuurlijk ook voor andere stagnaties in de ontwikkeling van kinderen, denk bijvoorbeeld aan taalachterstanden. Meer inzet op preventie zorgt voor snellere regulering van de problemen. Dit heeft niet alleen positieve financiële voordelen (zorgbudgetten), maar vooral ook een positieve invloed op een stabiele ontwikkeling van kinderen. In die zin kan het concept ‘kindcentrum’ gezinnen ook ontzorgen. Ouders kunnen zich gesteund voelen doordat sprake is van pedagogisch partnerschap. Ouders staan er niet alleen voor, maar voelen de steun van de mede-opvoeders. Het gaat in de kindcentra uiteraard niet alleen om zorgproblematiek, ook het accent op individuele talentontwikkeling wordt verhoogd. Het concept is geen blauwdruk, maar blijft lokaal maatwerk, afgestemd op vraag/behoeften van kinderen en hun ouders.

Het concept biedt de juiste randvoorwaarden voor toegankelijke, moderne en op het kind afgestemde opvang, ontwikkeling en onderwijs. Naast de ontwikkeling rondom het jonge kind, zijn er ook initiatieven om de kloof tussen het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs te dichten. Dit krijgt vorm in zgn. 10-14 onderwijs waarbij programmatisch het onderwijs tussen de bovenbouw van het primair onderwijs en de onderbouw van het Voortgezet Onderwijs steeds meer op elkaar worden afgesteld, zodat ook daar sprake zal zijn van een ononderbroken ontwikkelingslijn. 2.10. Verbinding onderwijs en zorg Alle kinderen en jongeren hebben recht op de beste kansen om zichzelf te ontwikkelen. Om eventuele obstakels tijdig te signaleren en op te pakken is het van belang dat onderwijs en jeugdhulp goed met elkaar samenwerken en elkaar versterken, zodat ze tot een integrale aanpak kunnen komen. Om die samenwerking te versterken is het belangrijk dat men weet wat de ander te bieden heeft en wat men van elkaar nodig kan hebben. Dat bevordert de erkenning van elkaars expertise, wederzijds respect en vertrouwen, waarmee een basis wordt gelegd voor een optimale verbinding. Doel daarvan is altijd het bevorderen van optimale ontwikkelingskansen voor iedere jeugdige. Initiatieven die de samenwerking tussen onderwijs en zorg ondersteunen, kunnen rekenen op positieve ondersteuning vanuit de gemeente. 2.11.

Constructie beheer en exploitatie brede scholen Momenteel werkt de gemeente met de betreffende schoolbesturen aan een overeenkomst voor een beheerconstructie voor de brede scholen in onze gemeente. De verwachting is dat er in de loop van 2020 een beheerconstructie wordt vastgesteld. De uitkomst van die overeenkomst maakt onderdeel uit van het beleid voor dergelijke accommodaties en wordt opgenomen in het SHP (Bijlage 2). 2.12. Manifest kopgroep Kinderopvang “Veranker de unieke expertise van de kinderopvang”. Onder deze titel hebben de drie brancheorganisaties in de kinderopvang (BK, BMK en BOinK3) een manifest opgesteld waarin zij de 3 BK= Brancheorganisatie Kinderopvang

BMK= Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang

13

verantwoordelijken oproepen om de unieke expertise die aanwezig is in de kinderopvang duurzaam te verankeren. Concreet worden de volgende drie pijlers benoemd: - de rol van kinderopvang bij de ontwikkeling van het jonge kind (0-6-jaar), - de rol van kinderopvang bij de brede talentontwikkeling van het oudere kind (6-12 jaar) en - ondersteuning van en dienstverlening aan ouders. Citaat: ‘Kinderopvang is goed voor de ontwikkeling van kinderen. “Investeren in kinderen loont, in het bijzonder op jonge leeftijd. De stroom wetenschappelijke studies die dat als conclusie hebben, is lang.” Kinderopvang is meer en moet meer zijn dan een arbeidsmarktinstrument, meer dan gescheiden werelden voor kinderen mét en kinderen zonder een achterstand. Dit denken wint steeds meer terrein’. (……) De maatschappij zal antwoord moeten vinden op twee majeure problemen. Het eerste is de nog steeds toenemende laaggeletterdheid die tot gevolg heeft dat grote groepen volwassenen in onze maatschappij buiten spel komen te staan. Het tweede en met het eerste nauw verbonden probleem, is de steeds permanentere kloof tussen groepen kinderen als gevolg van de grote verschillen in sociaaleconomische status van hun ouders. De kinderopvang kan, samen met het primair onderwijs, een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van deze twee problemen.

Een integraal en inclusief aanbod waarbij ieder kind in de voorschoolse periode de kans krijgt om zich op zijn of haar eigen niveau optimaal te ontwikkelen is daarbij het uitgangspunt (waarbij het herkennen en ondersteunen in het vroegste stadium van kinderen met een achterstand van doorslaggevend belang is net als de brede talentontwikkeling van oudere kinderen.’ 2.13. Bouwstenen voor beleid In de Raad van 3 december 2019 is de zgn. Bouwstenennotitie SHP gemeente Overbetuwe vastgesteld. Deze bouwstenen zijn richtinggevend geweest bij de scenario-ontwikkeling voor de verschillende huisvestingsvraagstukken zoals deze zijn opgenomen in dit SHP. Besluiten in het kader van het SHP: • De gemeente ziet af van het economisch claimrecht voor zover het kernpartners van een brede school c.q. IKC betreft. • Doordecentralisatie van de onderwijshuisvesting is in de gemeente Overbetuwe niet aan de orde. Vanuit de brede visie op onderwijshuisvesting hebben schoolbesturen en de gemeente geconcludeerd dat doordecentralisatie deze samenwerking niet ondersteunt. • Binnen de kaders van het beleid ten aanzien van verhuur/medegebruik zal bij nieuwbouw ten behoeve van een kinderopvangorganisatie aan de betreffende organisatie worden voorgelegd of zij zelf wil en kan investeren. Op dat moment zijn nadere afspraken nodig over de eigendomsverhoudingen.

De onderwerpen van de investering in deze voorziening en de te betalen huur wordt per deelproject uitgewerkt.  Het is voor commerciële zorgpartijen die op basis van door de gemeente gesubsidieerde middelen ondersteuning aan het onderwijs verlenen, niet toegestaan om al dan niet als ketenpartner ruimte te huren in een schoolgebouw.  Voor de kernpartners geldt dat de gemeente bij een eventueel ruimtetekort geen gebruik zal maken van haar vorderingsrecht (art. 107 WPO).  Uitgaan van de normbedragen zoals die jaarlijks door de VNG aan haar leden wordt geadviseerd. Dit houdt een aanzienlijke verhoging in van de investering in huisvestingsvoorzieningen.  Nieuwe schoolgebouwen zullen worden gerealiseerd volgens duurzaamheidsniveau BENG. Om dat te kunnen realiseren is aanvullende financiering boven op de VNG-normbedragen noodzakelijk. Per investeringsopgave nadere afspraken nodig over de verdeling van deze extra BOink= Belangenvereniging van Ouders in zijn de Kinderopvang kosten tussen de gemeente en het betreffende schoolbestuur/ c.q. schoolbesturen. 14  De normbedragen in de Huisvestingsverordening Onderwijs zullen worden geactualiseerd.

3. Samenwerking gemeente, schoolbesturen en kinderopvang Om de toekomstige onderwijshuisvesting vorm en inhoud te geven, is het noodzakelijk dat de direct betrokken partijen nauw samenwerken. Dit zijn uiteraard gemeente en schoolbesturen, maar zeer zeker ook de voorschoolse partners. De kinderopvang zou eigenlijk een nutsvoorziening dienen te zijn. Het gaat daarbij over de wijze waarop de toekomstige organisatie en financiering van de onderwijshuisvesting gaat plaatsvinden. Ook de samenhang tussen onderwijs en jeugdbeleid is goed om hier te benoemen. Nog niet is specifiek aan te geven in hoeverre dat zich straks in de onderwijshuisvesting vertaalt. Dit geldt ook voor de relatie onderwijs met het bedrijfsleven. Tot op heden zijn er in onze gemeente 4 fysieke brede scholen. De mogelijke ontwikkeling van een Integraal Kindcentrum (IKC) valt ook onder dit SHP. 3.1. Rolverdeling/regie De gemeente en de schoolbesturen voeren samen de regie op schoolgebouwen. De gemeente is verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie van de schoolgebouwen. De schoolbesturen voeren de regie op het onderwijsaanbod en de diversiteit daarvan. In het SHP vindt afstemming plaats van deze regie via een gezamenlijk overleg. Deze samenwerking overstijgt de samenwerking zoals is geregeld in de verordening onderwijshuisvesting.

Dit houdt in dat het onderwijshuisvestingsbeleid in eerste instantie leidend is voor alle betrokken partijen. De genoemde verordening geldt daarbij als vangnet. De wijze van samenwerking kan in de toekomst bij specifieke projecten uitmonden in een convenant of overeenkomst waarin de samenwerking en de verdeling van de diverse verantwoordelijkheden expliciet worden geregeld. 3.2. Samenwerking per kern/wijk/regio: inhoud gaat voor bouw De huisvestingssituatie is per kern/wijk erg verschillend. In bepaalde kernen is sprake van daling van het aantal leerlingen (Zetten en Heteren), terwijl elders in de gemeente sprake is van een groei van het aantal leerlingen zoals in Elst-Westeraam (VO en BO) en Driel. Ook speelt de grootte van de kern en de diversiteit aan voorzieningen binnen kernen een rol. Vandaar dat er binnen het op te stellen SHP wordt gekozen voor lokaal maatwerk, waarbij de uitgangspunten vanuit het SHP wel overeind blijven. Uiteraard wordt gekeken naar de mogelijkheden om een zo optimaal mogelijk (onderwijs-) voorzieningenniveau te bereiken. Daarbij is een goede (inhoudelijke) samenwerking tussen betrokken partijen een eerst vereiste. Voorzieningen onder één dak zal niet in alle kernen mogelijk zijn, maar is ook geen voorwaarde om een optimaal voorzieningenniveau te bereiken.

In het SHP wordt per kern/wijk inzichtelijk gemaakt hoe er in samenwerking met betrokken partijen een zo goed mogelijk voorzieningenniveau kan worden bereikt. De door HEVO uitgevoerde QuickScans van de schoolgebouwen zijn hierin een wezenlijk element bij de beoordeling c.q. uitwerking per kern/wijk.

Besluit in het kader van het SHP:  Het onderwijshuisvestingsbeleid is leidend voor alle betrokken partijen.  De Huisvestingsverordening wordt gezien als vangnet.

15

4. Opstellen strategisch meerjarig huisvestingsplan onderwijs (SHP) De gemeente stelt in samenspraak met de schoolbesturen een SHP op in de lijn van het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG. Het SHP bestrijkt een periode van 16 jaar en in ieder geval vindt om de 4 jaar een actualisatie plaats. Uiteraard is actualisatie ook afhankelijk van de lokale en/of de landelijke ontwikkelingen. Het SHP geeft schoolbesturen straks meer duidelijkheid over de vervangingstermijn van de schoolgebouwen, zodat schoolbesturen ook de reservering voor onderhoud kunnen afstemmen op de geplande investering. De opgestelde QuickScans van de schoolgebouwen (zie 4.1) zijn medebepalend voor de prioritering van de huisvestingvragen. Vanuit de zorgplicht financiert de gemeente de noodzakelijke voorzieningen. De schoolbesturen kunnen een deel financieren op basis van Total Cost of Ownership in een nieuwbouw of renovatie. De bijdrage kan een gunstig effect hebben op de duurzaamheid van het gebouw voor het onderhoud en de exploitatie. Deze gunstige effecten blijken echter in veel ‘nieuwe’ gebouwen tegen te vallen vanwege de vaak dure onderhoudskosten aan de steeds ingewikkelder wordende installaties. De schoolbesturen zetten hiervoor de vergoeding van het rijk voor de materiële instandhouding (voor zover verantwoord binnen het kader van het geldend investeringsverbod en de totale schoolexploitatie) in.

De scholen besparen in de aanloop naar de investering op groot onderhoud en besparen na realisatie van de voorziening op energie- en onderhoudslasten. Belangrijke voorwaarde is dat het schoolgebouw voldoet aan de eisen duurzaamheid en kwaliteit, zoals dat hierna is geformuleerd. 4.1. Basisgegevens Om een goede kwalitatieve vergelijking van de bestaande schoolgebouwen in de gemeente Overbetuwe te kunnen maken is aan HEVO (experts in huisvesting en vastgoed) uit ’s Hertogenbosch de opdracht verstrekt om een zgn. QuickScan uit te voeren. De uitkomsten van deze QuickScan zijn opgenomen in een eindrapport dat integraal is opgenomen als bijlage 3 bij dit SHP. Het rapport biedt inzicht in de kwalitatieve en kwantitatieve situatie van de schoolgebouwen voor de korte, middellange en langere termijn, inclusief de noodzakelijke investeringen die daarmee gepaard gaan. In het rapport zijn de volgende zaken zichtbaar gemaakt: Functionaliteit en onderwijskundige staat van het schoolgebouw Binnenmilieu, exploitatie, bereikbaarheid, veiligheid, duurzaamheid en uitstraling van het schoolgebouw Inzichtelijk maken welke maatregelen nodig zijn om het schoolgebouw bijna energieneutraal te maken en te laten voldoen aan frisse scholen klasse B Inzichtelijk maken welke investeringen noodzakelijk zijn voor de komende 20 jaar, gesplitst naar schoolbestuur en gemeente.

Als norm voor dit onderzoek is het Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting gehanteerd zoals dat is opgesteld door Kenniscentrum Ruimte OK4. In het proces zijn alle gebouwen bezocht en op de uitgebrachte rapportage hebben schooldirecteuren en hun bestuurders kunnen reageren. De eindrapportage is door alle betrokken partijen geaccordeerd. De bevindingen zijn samengevat in onderstaande matrix: 4 Partners van Ruimte OK zijn: VNG, PO- en VO-Raad en Brancheorganisatie Kinderopvang

16

Bouwkundige staat

Veiligheid

Binnenmilieu

Exploitatie

Onderwijskundige functionaliteit

3

1

2

2

3

Driel

1957

62

De Vallei

5

4

5,5

4

4

5

53,5

Wonderwijs

Oosterhout

1965

54

Sam-Sam

5,5

4

6

4

5,5

4

54,5

Wonderwijs

Zetten

1979

40

De Okkernoot

5

4

5,5

5

5

5

57,5

C.P.O.V.e.o.

Zetten

1978

41

Ds. van Lingen

5

4

6

5

4

6

59,0

Stichting Trivium

Driel

1948

71

De Meeuwenberg

5,5

5

5,5

4

5,5

5

60,0

Wonderwijs

Valburg

1965

54

St. Jacobusschool

5,5

4

6

4,5

4

7

61,5

Wonderwijs

Driel

1960

59

De Kameleon

5,5

5

6

5,5

4

5,5

62,0

Onderwijs Over- en Midden Betuwe

Zetten

1974

45

Dr. Lammerts van Bueren

5,5

5

6

5

4

6

62,5

Wonderwijs

Elst

1977

42

Stap voor Stap

5,5

4

6

5

4

7

62,5

Wonderwijs

Elst

1953

66

Sunte Werfert

5,5

5

6

5

4

6

62,5

Stichting Trivium

Herveld

1971

48

Clara Fabricius

5,5

5

6

6

5

5

63,5

Wonderwijs

Heteren

1986

33

De Klimboom

5,5

4

6

5

5

7

64,5

Stichting Trivium

Elst

1977

42

De Ark

5,5

4

6

6

4

7

64,5

Stichting Katholiek Onderwijs Herveld-Andelst

Herveld

1904

115

St. Willibrordus

6

5

6

6

5,5

5

65,0

Stichting Scholen met de Bijbel in de Betuwe

Randwijk

1952

67

School met de Bijbel

5,5

5

6

6

4

7

67,5

Stichting Trivium

Heteren

1992

27

Julianaschool

7

7

6

5,5

4

5

68,0

Onderwijs Over- en Midden Betuwe

Zetten

2006

13

Dr. Lammerts van Bueren

6

7

5,5

5

6

6

72,5

Wonderwijs

Valburg

2008

11

St. Jacobusschool

6

7

6

4,5

6

7

75,0

Wonderwijs

Elst

1953

66

De Esdoorn

7

6

6

6

5,5

7

75,0

Stichting Trivium

Elst

2008

11

De Wegwijzer

7

7

6

5,5

6

6

75,0

Wonderwijs

Elst

2008

11

De Zonnepoort

7

7

6

5,5

6

6

75,0

Wonderwijs

Heteren

2010

9

De Haafakkers

7

8

6

5,5

6

5

75,0

Stichting Scholen met de Bijbel in de Betuwe

Randwijk

2006

13

Gymzaal - School met de Bijbel

6

7

6

5

4

8

75,0

Wonderwijs

Elst

2008

11

De Elstar

7

7

6

6

6

6

76,0

Wonderwijs

Driel

2015

4

De Kameleon

6

8

7

5,5

6

5,5

76,5

Wonderwijs

Elst

2008

11

De Esdoorn

6

7

6

6

6

7

78,0

Wonderwijs

Elst

2005

14

t Startblok

7

7

6

5

6

8

80,0

Exploitatie

Onderwijskundige functionaliteit

Schoolnaam

1

3

1

2

2

3

Scholengroep Over- en Midden Betuwe

Elst

1966

53

OBC Elst (Mozartstraat)

5,5

4

5,5

4

4,5

5

55,0

Scholengroep Over- en Midden Betuwe

Zetten

1970

49

HPC

5,5

4

5,5

5

4,5

6

60,0

De Onderwijsspecialisten

Zetten

1935

84

Meforta

5,5

4

6

4

4

8

63,5

Scholengroep Over- en Midden Betuwe

Zetten

2002

17

HPC

5,5

6,5

5,5

5

4,5

6

67,5

Quadraam

Elst

2004

15

Westeraam, Elst

6

7

6

6

5,5

7

77,0

De Onderwijsspecialisten

Zetten

2005

14

Meforta

6

7

6

6

5,5

8

80,0

Quadraam

Elst

2011

8

Lyceum Elst

8

8

6

5,5

7

6

81,0

Voortgezet Onderwijs & Speciaal Onderwijs

Schoolbestuur

Bouwjr. Leeftijd

Advies normaliter Bij < 57 punten: Bij 57 - 63 punten: Bij 63 - 69 punten: Bij > 69 punten:

binnen 5 jaar renovatie of nieuwbouw binnen 5 - 10 jaar renovatie of nieuwbouw binnen 10 - 20 jaar renovatie of nieuwbouw na 20 jaar of langer renovatie of nieuwbouw

Advies specifiek restgebruik Nieuwbouw of levensduurverlenging < 5 jaar

restgebruik Nieuwbouw of levensduurverlening 5 - 10 jaar

restgebruik Nieuwbouw of levensduurverlenging 10 - 20 jaar

Totaalscore

Binnenmilieu

Schoolnaam

Veiligheid

Bouwjr. Leeftijd

Bouwkundige staat

Kern

Uitstraling gebouw

Schoolbestuur

Totaalscore

Uitstraling gebouw

1

Stichting Democratisch Onderwijs De Vallei

Primair Onderwijs

restgebruik Nieuwbouw of levensduurverlenging > 20 jaar x

Figuur 3: Bron: HEVO-Eindrapport QuickScan Overbetuwe 2019.

4.2. Spreiding, (Transitieatlas) Op 19 april 2017 heeft in Elst in het kader van het opstellen van de Transitieatlas een interactieve bijeenkomst voor het primair onderwijs plaatsgevonden met in totaal 62 stemmende deelnemers. Schoolbesturen, schoolleiding, gemeenteraad, gemeentebestuurders en -ambtenaren, vertegenwoordigers van de dorps-/wijkraden, vertegenwoordigers van de GMR en vertegenwoordigers van de vroeg- en voorschoolse voorzieningen waren aanwezig. 17

De aanwezigen bogen zich over de vraag hoe het primair onderwijs in de regio ook in de toekomst vorm kan krijgen. De avond was gericht op het ophalen van normen, waarden en criteria die in de regio belangrijk gevonden worden. Dit werd gedaan door via stem tablets antwoord te geven op meerkeuzevragen. Na het beantwoorden van de vragen was er steeds ruimte voor discussie over de uitslag. In het tweede deel van de bijeenkomst zijn scenario’s getoond met mogelijke gevolgen voor de spreiding van locaties voor het primair onderwijs in Lingewaard en Overbetuwe. Onderstaand is de discussie samengevat aan de hand van de thema’s bereikbaarheid, kwaliteit, bedrijfsvoering en samenwerking. Bereikbaarheid De aanwezigen hechten veel belang aan de bereikbaarheid van scholen en het behoud van een basisschool in elke kern. Zo vindt het grote merendeel (82%) van de aanwezigen dat een basisschool noodzakelijk is voor leefbaarheid in een kern of wijk. Aanwezigen geven aan dat een school ervoor kan zorgen dat jonge gezinnen in een kern blijven wonen. De meerderheid van de deelnemers stemt dan ook voor een relatief korte afstand, 2 á 4 km, tot een basisschool in kleine (55%) en grote (63%) kernen. Eénderde (34%) van de deelnemers vindt een afstand van meer dan 4 kilometer in kleine kernen ook acceptabel.

Twaalf procent van de deelnemers vindt een afstand van meer dan 4 kilometer tot een basisschool in grote kernen acceptabel. Met name de schoolleiding vindt dat een afstand van meer dan 6 kilometer tot een basisschool in kleine kernen en grote kernen nog acceptabel is. Andere aanwezigen kiezen hier nauwelijks voor. Kwaliteit De aanwezige scholen in de regio worden gekenmerkt door diversiteit in denominatieve en onderwijskundige grondslag. Aan pedagogische of onderwijskundige identiteit wordt door de aanwezigen veel belang gehecht: alle stemmende deelnemers schatten in dat de pedagogische of onderwijskundige identiteit (redelijk) belangrijk is voor de schoolkeuze van ouders. De aanwezigheid van scholen met diverse onderwijskundige identiteit is dan ook een belangrijk aspect van de regionale concurrentiepositie van het primair onderwijs. Over het belang van denominatie als criterium voor de schoolkeuze van ouders zijn de meningen verdeeld: bijna de helft (45%) van de deelnemers die deze vraag beantwoorden geeft aan dat denominatie onbelangrijk is. De andere helft van de deelnemers (ook 45%) denkt dat denominatie redelijk belangrijk is bij de schoolkeuze van ouders. Slechts één tiende van de deelnemers geeft aan dat denominatie (zeer) belangrijk is. Het belang van denominatie verschilt ook per kern.

Zo wordt door één van de aanwezigen aangegeven dat denominatie in Zetten een belangrijke rol speelt. Ook wordt aangegeven dat het belang van denominatie bepaald wordt door het onderwijsaanbod: in een kern waar drie scholen zijn en keuze bestaat, is het belangrijk. Als er slechts één school per kern is en de keuze beperkt is, speelt denominatie minder een rol. Bij het bepalen van een ondergrens voor scholen is met name kwaliteit van onderwijs van belang, zo vindt 79% van de aanwezigen. Wanneer kleinere scholen kwalitatief goed onderwijs kunnen bieden, is er geen reden om deze school te sluiten. Financiële belangen en leerlingenaantallen zijn volgens de aanwezigen niet doorslaggevend bij het besluit om scholen te sluiten of open te houden. De afstand tot een basisschool, mogelijkheden tot gezonde financiële exploitatie en het maximaal aantal gecombineerde leerjaren worden dan ook minder vaak genoemd als redenen om een ondergrens voor een school te bepalen. Eén van de aanwezigen geeft wel aan dat er maximaal twee 18

leerjaren per groep gecombineerd zouden moeten worden, omdat het werk voor een leerkracht anders niet te doen is. Het merendeel van de aanwezigen stemt voor een opheffingsnorm die goed aansluit bij de grootte van de aanwezige scholen. Zo stemt de helft van de aanwezigen (53%) voor een opheffingsnorm van 80-100 leerlingen voor een basisschool in een kleine kern. Een derde (35%) stemt voor een opheffingsnorm van 100-130 leerlingen. Eén tiende stemt voor een hogere opheffingsnorm (130 tot 250 leerlingen). Onder vertegenwoordigers van de gemeente is in het geheel geen draagvlak voor een opheffingsnorm van 130 leerlingen of hoger in kleine kernen. In grote kernen mag de opheffingsnorm volgens de aanwezigen wel wat hoger liggen: in dat geval stemt 18% voor een norm van 130-200 leerlingen en 12% vindt zelfs dat de opheffingsnorm hoger mag liggen dan 200 leerlingen. De overige deelnemers stemmen voor een norm die gelijk is aan de in kleine kernen gestelde norm (38%) of een norm van 130 leerlingen of lager (32%). Door de aanwezigen wordt wel onderkend dat kleinere scholen kwetsbaarder zijn dan grotere scholen. Dit geldt echter met name voor kleine éénpitters. Wat niet wil zeggen dat goed presterende kleine éénpitters niet kunnen blijven bestaan binnen het schoollandschap zo vindt men. Wanneer kleine scholen onderdeel uitmaken van een groter bestuur zijn zij echter minder kwetsbaar.

Binnen één bestuur kunnen grote scholen de kleine in stand houden door middel van de 10/6 regeling (zie kader). Op de vraag hoe de kwaliteit van een school het beste geborgd kan worden gaat driekwart van de stemmen uit naar het aanbieden van een doorlopende leerlijn op basis van één pedagogische visie voor kinderen van 0-13 jaar (63%) of kinderen van 0-16 of 0-18 jaar (12%). Eén van de aanwezigen geeft als reden aan dat leerlingen vanuit het basisonderwijs beter kunnen doorgroeien naar het voortgezet onderwijs als er een doorlopende leerlijn is. Naast het aanbieden van doorlopende leerlijnen worden ook andere initiatieven om scholen een kwaliteitsimpuls te geven door de deelnemers genoemd. Eén vijfde van de deelnemers geeft aan dat zij het voor de kwaliteit van het onderwijs belangrijk vinden dat scholen de mogelijkheid hebben om zich te specialiseren en onderscheiden. Een andere deelnemer geeft ook aan dat het voor de kwaliteit van het onderwijs belangrijk is om meer geld vrij te maken om de onderwijsruimte voor leerlingen te verbeteren. Zo wordt gezegd dat de klaslokalen van de schoolgebouwen niet aansluiten bij wat er van het onderwijs gevraagd wordt als het gaat om 21-eeuwse digitale vaardigheden.

Deze antwoorden illustreren de focus van aanwezigen op doorvoeren van onderwijsvernieuwing en het maken van een kwaliteitsslag in het onderwijs, om zo ook in omstandigheden van leerlingendaling kwalitatief goed onderwijs aan te kunnen blijven bieden in elke kern in de regio. 4.3. Leerlingenprognoses Tweejaarlijks laat de gemeente in samenspraak met het onderwijsveld zowel voor het PO als het VO een leerlingenprognose opstellen door Pronexus BV. Dit is noodzakelijk om de ontwikkelingen en leerlingenstromen actueel te houden. De meest recente leerlingenprognose is gebaseerd op de leerlingentelling van 1 oktober 2019. Deze prognoses voor het PO en VO zijn opgenomen als bijlagen 4 en 5. 4.3.1. Prognose PO Ten behoeve van het onderwijsbeleid op gemeentelijk niveau is voor de gemeente Overbetuwe een prognose opgesteld van leerlingenaantallen voor het basisonderwijs de periode 2020 tot en met 2040. In de ramingen van leerlingenaantallen zijn twee ontwikkelingen verwerkt. Dit zijn de trends in de omvang van de basisgeneratie in de afzonderlijke gebieden van de gemeente Overbetuwe en de schoolkeuze. Bij de opzet van de prognoses zijn cijfers verwerkt met een uitsplitsing van leerlingen naar herkomstgebied. 19

Bij de berekeningen voor de periode 2020-2040 is gebruik gemaakt van het softwarepakket G4PRO. Dit programma voldoet aan het “Programma voor het opstellen van leerlingenprognoses” van de VNG. De onderstaande tabel geeft een samenvatting van de belangrijkste resultaten. In de overzichten zijn de leerlingenaantallen van peildatum 1 oktober 2019 weergegeven onder 2020.

Tabel 4 Bron: Pronexus BV

Het aantal leerlingen dat basisonderwijs volgt in de gemeente Overbetuwe was op de 1 oktober telling van 2019 4410, ten opzichte van de vorige telling is het totaalaantal leerlingen gestegen met 9. In de vorige prognose was een totaal leerlingeaantal van 4534 verwacht, in werkelijkheid is het dus 124 leerlingen lager uitgevallen op de 1 oktober telling van 2019. In de prognose daalt het totaalaantal leerlingen naar circa 4160 leerlingen. 4.3.2. Prognose VO De eerste stap in het prognoseproces voor het VO is het prognosticeren van de toekomstige basisgeneratie voor de betreffende schoolsoorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de bevolkingsprognose van 2020 welke in januari 2020 door Pronexus BV is opgesteld en hierboven is weergegeven. Daarna zijn op basis van de herkomstgegevens van de leerlingen per gemeente de belangstellingspercentages voor elke school berekend. Deze percentages zijn het uitgangspunt voor de leerlingenprognose. Er zijn prognoses opgesteld voor 4 instellingen voor Voortgezet Onderwijs. Het betreft hier Het Westeraam, Lyceum Elst, Overbetuwe College en Hendrik Pierson College. Voor de school is de belangstelling en deelname berekend en geanalyseerd. De meest recente 20

teldatum-gegevens, die van 1 oktober 2019 vormen de basis voor de uiteindelijke leerlingenprognose. Na bestudering van de lokale situatie en in overleg met de gemeente zijn, naast de door Pronexus BV opgestelde bevolkingsprognose voor de gemeente Overbetuwe, de ook door Pronexus BV opgestelde bevolkingsprognoses van de regiogemeenten: Arnhem, Lingewaard en Neder-Betuwe gebruikt. De onderstaande tabel geeft een samenvatting van de belangrijkste resultaten. In het overzicht is het leerlingenaantal op 1 oktober 2019 weergegeven onder 2020.

Tabel 5 Bron: Pronexus BV

Uit deze meerjarenprognose valt af te leiden dat overall het leerlingenaantal in het Voortgezet onderwijs licht daalt tot 2035 om daarna weer licht te stijgen. Per school zijn er wel verschillen. Het Westeraam zal na de groei tot 2023 zich redelijk stabiliseren, terwijl Lyceum Elst de huidige omvang zal houden. Het Hendrik Pierson College en het Over Betuwe College dalen licht, maar zijn zeker toekomstbestendig. Wel zal deze daling zich manifesteren in normatieve leegstand. 4.4. Ruimtebehoefte PO en VO De uitkomsten van de leerlingenprognose wegen beleidsmatig mee bij de beoordeling van huisvestingsvraagstukken. Het gaat hierbij vooral om inzicht te krijgen in de ontwikkelingen van het leerlingenaantal en de daaraan gekoppelde ruimtebehoefte. In de gemeente Overbetuwe is sprake van onbalans in de verhouding tussen beschikbare m2s onderwijshuisvesting en benodigde m2s. In met name het basisonderwijs in Elst zien we dat in enkele gebouwen sprake is van een relatief groot volume aan leegstand, terwijl in een ander deel sprake is van een ruimte tekort. Er is een overschot in ‘Stap voor Stap’, ‘Sunte Werfert’, ‘De Ark’ en ‘’t Startblok’, terwijl in ‘De Esdoorn’, ‘De Wegwijzer’, ‘De Zonnepoort’ en ‘De Elstar’ sprake is van een ruimte tekort.

Wanneer we de leerlingenprognoses voor de komende 15 jaar vertalen naar ruimtebehoefte zien we ook dat op enkele plaatsen een tekort zich ontwikkelt tot een overschot (bv. De Zonnepoort). Ook in het voortgezet onderwijs zien we dit verschijnsel. Kent VO Westeraam een overcapaciteit (overigens een weloverwogen keuze van het bestuur bij het ontwerp van dit gebouw) , het Lyceum Elst komt in hoge mate ruimte tekort. Naar verwachting zal dat nog verder groeien. De bovenbouw van De Elstar is gehuisvest in een aantal lokalen van het gebouw van VO Westeraam en in de tijdelijke huisvesting (14 lokalen) waarin overigens ook een deel van het basisonderwijs is ondergebracht. (De Elstar). Ook de komende jaren zal De Elstar gezien de ontwikkeling van het aantal leerlingen hiervan gebruik moeten kunnen maken. Het leerlingenaantal van Het Westeraam ontwikkelt zich beduidend anders dan is aangegeven in de prognose die nu is opgenomen. In die prognose wordt voor 1 okt 2020 uitgegaan van 470 leerlingen terwijl het daadwerkelijke aantal inschrijvingen op dit moment op 530 ligt, een aantal dat in de prognose tot 2040 niet voor komt. 21

Overigens zullen bij afwijkingen van de prognoses de betrokken partijen vanuit de visie samen op zoek gaan naar een passende oplossing, daarbij rekening houdend met de 3e alinea van paragraaf 6.3.2. Voor de korte termijn wordt gekeken naar een oplossing in de vorm van plaatsing van tijdelijke noodlokalen. Voor de lange termijn is van belang of en zo ja hoe de vrijkomende locatie Mozartstraat wordt ingezet. Dit is namelijk bepalend voor het oplossen van de tijdelijke en permanente ruimtebehoefte van het onderwijs in Westeraam. Vooralsnog geven de schoolbesturen er de voorkeur aan om de leerlingengroei op de vangen op de huidige locatie. Dat sluit bij de visie zoals beschreven in het SHP en heeft ook belangrijke onderwijskundige voordelen. Daarnaast vereenvoudigt dit de koppeling met sport/Forum. Nadere afspraken zullen in het bestuurlijk overleg tussen onderwijs en gemeente uitgewerkt worden. In de overige kernen zien we dat in veel gebouwen sprake is van overcapaciteit. Voorbeelden daarvan zien we in Zetten (Okkernoot, Lammert van Bueren en ds. Van Lingen), Heteren (Julianaschool), Valburg (St. Jacobusschool), Herveld (Clara Fabricius) in Driel komt De Meeuwenberg ruimte tekort en heeft De Vallei tijdelijk ruimte over als gevolg van tijdelijk ingevoerde leerlingenstop.

Wel zullen de komende tijd herschikkingen optreden in de dorpen: - In Heteren is De Klimboom opgaan in De Haafakkers. De fusieschool heet nu basisschool Tuin 17. Dit heeft geleid tot herschikking van m2s. Daarmee is de leegstand opgelost. De leegstand van de Julianaschool blijft voortduren. - Door de nieuwbouwplannen in Driel zal voor de Meeuwenberg een school op maat gebouwd worden (Is reeds opgenomen in de kadernota 2020); - In Oosterhout krijgt ‘SamSam’ passende nieuwbouw; - In Zetten is onderzocht op welke wijze in de toekomst het onderwijs gehuisvest gaat worden. Er is door de schoolbesturen gekeken naar een concentratie van onderwijsvoorzieningen met een gemeenschappelijke visie. Gebleken is dat hiervoor helaas nog geen voldoende draagvlak is. In dit SHP zijn daarom de Zettense scholen vooralsnog afzonderlijk opgenomen. Leegstand in gebouwen is op verschillen manieren kostbaar voor de scholen: a. De scholen ontvangen een exploitatievergoeding (bv. energie) per leerling en niet per m2 en b. De vergoeding voor onderhoud is gebaseerd op een volume m2 dat is gebaseerd op het leerlingenaantal. Omdat deze kosten toch gemaakt moeten worden, heeft een schoolbestuur de keuze tussen bezuinigen op de onderwijsmiddelen (wat ten koste gaat van kinderen) dan wel het uitstellen van planmatig onderhoud (wat ten koste gaat van de kwaliteit van het gebouw).

Gelukkig zien we op verschillende plaatsen dat leegstand wordt ingevuld door organisaties uit de kinderopvang c.q. peuterspeelzalen via medegebruik. Daarmee nemen de financiële gevolgen voor de schoolbesturen van de leegstand af. Toch zal in de toekomst ernaar gestreefd moeten worden naar passende huisvesting. Zoals uit onderstaande tabel blijkt, neemt het probleem van de leegstand in de toekomst toe.

22

Capaciteitsoverzicht basisonderwijs per kern per m2: Tekort/Overschot per kern Basisonderwijs: Driel Elst Herveld Heteren Oosterhout Randwijk Valburg Zetten Tekort/Overschot Overbetuwe Figuur 6

2020 -212 803 120 711 60 100 718 1215 3515

2021 -237 727 115 605 -11 95 678 1225 3197

2022 -373 789 84 500 -16 90 642 1260 2976

2023 -343 789 110 556 -6 80 652 1251 3089

2024 -318 818 125 625 -11 59 647 1275 3220

2029 -262 1075 100 913 -51 59 617 1215 3666

2034 -212 1662 90 1540 -56 65 612 1195 4896

Ten aanzien van het voortgezet onderwijs zien we in m2s het volgende beeld: Jaar 2020 2021 2022 2023 2024 2029 OBC -520 -452 -415 -378 -370 -157 Westeraam -3485 -3461 -3461 -3475 -3527 -3242 Lyceum Elst 1530 1350 1148 947 716 764 -2475 -2563 -2728 -2906 -3181 -2635

2034 13 -2964 975 -1976

HPC Zetten

1.768

950

1.146

1.201

1.348

1.418

1.698

2037 -157 2055 105 2003 -26 85 617 1225 5907

2039 -69 -3110 870 -2309 1.711

Figuur 7

Het volledige capaciteitsoverzicht is opgenomen als bijlage 6. 5. Omgevings-, Onderwijskundige- en Technische analyse per Wijk/kern In het proces voorafgaand aan het opstellen van het SHP heeft een werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers uit de Kinderopvang/Peuterspeelzaalwerk en het onderwijs per kern scenario’s besproken. Het resultaat daarvan is verwerkt in de scenario’s zoals deze zijn opgenomen in het SHP. Bij de uitwerkingen is gebruik gemaakt van de Transitieatlas Basisonderwijs (Public Result), de recente leerlingenprognoses (Pronexus BV) en de eindrapportage van de schouw van de gebouwen zoals deze door HEVO is opgesteld. In deze scenario’s is per kern ook gekeken naar het aantal en de omvang van de voorschoolse partijen in die betreffende kern. Dit is relevant aangezien vanuit de gemeentelijke visie naar de toekomst steeds meer toegewerkt wordt naar de vorming van Integrale Kindcentra (IKC’s) zoals ook is beschreven in paragraaf 2.2. Het totaaloverzicht per kern is opgenomen als bijlage 7 bij dit rapport. Daarnaast is een inventarisatie uitgevoerd naar het aantal Kinderdagverblijven en Buitenschoolse Opvang die in de gemeente Overbetuwe aanwezig zijn. Het betreft het aantal geregistreerde kindplaatsen vanuit het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (www.landelijkregisterkinderopvang.nl).

Opgemerkt moet worden dat één kindplaats door meerdere kinderen verdeeld over een week gebruikt kan worden. Het geheel omvat 53 geregistreerde locaties (stand 20 juli 2019) met in totaal 2052 kindplaatsen. Ook is in dat overzicht benoemd waar VVE-programma’s worden aangeboden. Zie bijlage 8.

23

6. Uitwerking en Financiën (consequentie van paragraaf 5): Op basis van het document ‘Samenvatting scenario’s PO en VO is deze uitvoeringsagenda opgesteld per fase: 1e fase: 0- 4 jaar 2e fase: 5 - 10 jaar 3e fase: 11 - 16 jaar 4e fase: Na 16 jaar Deze fasering komt overeen met die de fasering die HEVO heeft gehanteerd bij de schouw van de gebouwen. HEVO laat zich daarbij leiden door het Kwaliteitskader Huisvesting Primair Onderwijs c.q. Voortgezet Onderwijs dat is opgesteld door Ruimte OK (Kenniscentrum onderwijshuisvesting van VNG/PO- en VO-Raad). 6.1. Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting Het Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting5 werkt uit wat gezamenlijk wordt verstaan onder de basiskwaliteit van gebouwen voor primair onderwijs. Het is een werkdocument met een reeks eenduidige, herkenbare en praktisch toepasbare kwaliteitscriteria ten aanzien van de Beleving, Gebruik en Techniek van een onderwijsgebouw. Het laat ook zien waar deze basiskwaliteit uitstijgt boven de wettelijke minimumeisen uit het Bouwbesluit. Het Kwaliteitskader vertrekt vanuit de overtuiging dat een goed onderwijsgebouw een positief effect heeft op het gedrag, welbevinden en leerproces van de leerlingen en leerkrachten die het gebouw dagelijks gebruiken. De kwaliteitscriteria moeten worden opgevat als richtinggevend en niet als norm.

Ze vloeien voort uit praktijkervaringen en vragen aandacht voor zaken die niet door wetgeving worden ondervangen, maar die wel mede de kwaliteit en instandhouding van de huisvesting gedurende de gehele levensduur bepalen. Het kader kijkt dus verder dan de minimum Bouwbesluit-eisen, maar ook breder dan de technische eisen ten aanzien van binnenmilieu en energieverbruik die zijn geformuleerd in het PvE Frisse Scholen en de duurzaamheidsscore van GPR (GPR is een methodiek om te kunnen sturen op duurzaamheid (met de modules Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde)). 6.2. Duurzaamheid De kwaliteit van de schoolgebouwen in Nederland is qua duurzaamheid gemiddeld onder de maat. Bij duurzaamheid moet overigens niet alleen gekeken worden naar energie en circulariteit, maar ook naar gebouwelijke flexibiliteit. De manier waarop onderwijs gegeven wordt is onderhavig aan verandering en een flexibel schoolgebouw kan de verandering doorstaan. Onderwijsgebouwen zijn in z’n algemeenheid op basis van bouwjaar als volgt in te delen: • Vóór 1975. Gebouw is vanuit bouw niet geïsoleerd, enkel glas, natuurlijke ventilatie, tl-verlichting • Tussen 1975 en 1992. Gebouw is vanuit bouw voorzien van matige isolatie, enkel en dubbel glas, mechanische ventilatie afvoer, tl-verlichting • Tussen 1992 en 2015.

Gebouw is vanuit bouw voldoende/goed geïsoleerd, dubbel glas of beter, balansventilatie, tl-verlichting met veegpuls (tijdschakelklok) • Na 2015. Gebouw is vanuit bouw zeer goed geïsoleerd, HR++ beglazing of beter, balansventilatie met WTW, ledverlichting met veegpuls (tijdschakelklok) 5 Voor basisonderwijs: PO-Raad, VNG, Ruimte-OK.

Voor voortgezet onderwijs: VO-raad en VOION

24

Vanuit het klimaatakkoord is de opgave ten aanzien van de onderwijsgebouwen erg groot. Landelijk gezien gaat het om 11,67 miljoen m2 Bruto vloeroppervlak. De opgave voor het maatschappelijk vastgoed ziet er samengevat als volgt uit:

Figuur 8 Bron: Ruimte OK

In het kader van dit SHP is ervoor gekozen om de duurzaamheidsopgave voor de gemeente met betrekking tot de onderwijsgebouwen in beeld te brengen. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd (kleur verwijst naar HEVO-rapport): * Rood: Realiseren vervangende nieuwbouw tussen nu en 5 jaar. * Geel en Lichtgroen: Opwaarderen tot Frisse scholen C met een afschrijvingstermijn van 15 jaar; * Donkergroen: Opwaarderen tot Frisse scholen B met een afschrijvingstermijn van 25 jaar. In bijlage 9 is een nadere specificatie van de normen Frisse Scholen c en B opgenomen. De financiële vertaling is gebaseerd op de volgende onderleggers: * Bedragen duurzaamheid zijn gebaseerd op ‘Beslisboomverduurzamingscholen’ van Ruimte OK en Arcadis (zie: www.verduurzamingscholen.nl) * Marktconforme bedragen nieuwbouw niveau ENG zijn gebaseerd op Bouwkostengenerator HEVO 2020 (zie: www.hevo.nl/actueel/nieuwbouwkostenconfigurator-2020) *Normbedragen nieuwbouw zijn gebaseerd op normbedragen VNG (zie: https://vng.nl/nieuws/indexering-normbedragen-onderwijshuisvesting) * In de geraamde kosten verduurzaming zijn geen bedragen opgenomen ten behoeve van regulier onderhoud, bouwkundige renovatie c.q.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=a79374d7-ee78-4c9e-8ab1-6c6a27ad1c0c