24-03-19.17 Relevant stuk 1, Elst, Industrieweg politielocatie_Toelichting
Tekst van het document
Elst, Industrieweg politielocatie
32
Het plangebied ligt op ca. 100 meter van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, op ca. 1.300 meter van de Betuweroute en op ca. 1.400 meter van de snelweg A15. Over deze transportassen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, Betuweroute en de snelweg A15. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en de Betuweroute en de snelweg A15 dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Voor de spoorlijn Arnhem – Nijmegen heeft de initiatiefnemer een risicoberekening aangeleverd, genaamd: 'Bestemmingsplan wijziging Politie – Cellencomplex Industrieweg Elst, onderzoek externe veiligheid Industrieweg Elst (referentie: BH6911IBR2111091700, d.d. 10 november 2021). Uit de risicoberekening blijkt dat zowel voor de huidige en toekomstige situatie een groepsrisico van 0,073 maal de oriëntatiewaarde wordt berekend (zie onderstaande figuur).
Dit betekent dat het groepsrisico zich beneden de oriëntatiewaarde bevindt en het groepsrisico niet toeneemt door het plan. Het berekende groepsrisico is dusdanig laag dat het zich beneden de 10% van oriëntatiewaarde bevindt dat we spreken over een verwaarloosbaar groepsrisico. Hierdoor kan er voor spoorlijn Arnhem – Nijmegen eveneens volstaan worden met een beperkte verantwoording groepsrisico. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Figuur 5.4: Groepsrisico huidige en toekomstige situatie spoorlijn Arnhem-Nijmegen. Inrichtingen Ten noorden van het plan ligt de inrichting H&S Coldstores B.V. waar een ammoniak koelinstallatie aanwezig is. Deze koelinstallatie valt onder de werkingssfeer van het Bevi en is een zogenaamde categoriale inrichting. Dit betekent dat in de regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) vaste afstanden zijn opgenomen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Die kunnen bepaald worden aan de hand van een aantal technische gegevens van de ammoniakkoelinstallatie en hetgeen vergund in de omgevingsvergunning. Voor het plaatsgebonden risico is bijlage 1 tabel 6 uit de regeling externe veiligheid inrichtingen geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 is. Dit vormt geen belemmering voor het initiatief. Voor het groepsrisico is bijlage 2 tabel 3 uit de regeling externe veiligheid inrichtingen geraadpleegd. Hieruit blijkt eveneens dat er geen invloedsgebied groepsrisico is. Hierdoor kan een verdere beschouwing van het groepsrisico achterwege blijven. De risico's zijn nihil vanwege de aanwezigheid van uitschakelbeveiliging op de ammoniak koelinstallatie. Buisleidingen
Elst, Industrieweg politielocatie
33
Aan de zuidoostzijde van het plangebied ligt een aardgastransportleiding (N578-03). Het plangebied is echter niet gelegen binnen het invloedsgebied hiervan. Dit vormt geen belemmering voor het plan. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, Betuweroute en snelweg A15. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 16 juni 2022 (kenmerk: 2022-002084), zie hiervoor bijlage 4 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de aanwezige voorzieningen.
De VGGM is hiervoor voor advies gevraagd. Uit advies is naar voorkomen dat bereikbaarheid van de locatie en beschikbaarheid van voldoende bluswater een aandachtspunt is. Uit doorvraag is gebleken dat de bereikbaarheid goed is. Het plan is namelijk van meerdere kanten via de Energieweg/Industrieweg en Handelsweg/Industrieweg te benaderen. Voor de bestrijdbaarheid is eveneens navraag gedaan. Rondom het plan zijn meerdere brandkranen gesitueerd waarvan gebruik kan worden gemaakt bij een eventuele calamiteit. Verder kan er gebruik worden gemaakt van de Aamseplas voor secundair bluswater bij een eventuele grote calamiteit. Het plan voldoet dan ook aan de uitgangspunten van de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid van Brandweer Nederland. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: Door de nieuwbouw gaat er een groep celbewoners en werknemers van de politie gehuisvest worden.
Bij een incident zijn de celbewoners alleen door een geoefende bedrijfsnoodorganisatie in veiligheid te brengen. De mate van zelfredzaamheid van de celbewoners is daarbij geheel afhankelijk van het functioneren van deze bedrijfsnoodorganisatie. Voor werknemers ligt het in de verwachting dat zij, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd, zichzelf in veiligheid brengen. Het plan ligt in het scenario toxische wolk (hele plangebied) en explosie (westelijk deel plangebied). De kans daarop is klein; Wel adviseert de VGGM, ter verbetering van de zelfredzaamheid, de situering van gebouwen onderling (scenario 1 heeft de voorkeur), de indeling van de verschillende functies in gebouwen ten opzichten van de risicobronnen, de ontvluchtbaarheid en mogelijkheden tot evacuatie, bouwwijze en gebruik van bouwmaterialen (bijv. geen grote glasoppervlak aan risicozijde), de organisatie van de bedrijfsnoodorganisatie, in het ontruimings-/evacuatieplan moeten de aanwezige incident-/rampscenario's in meegenomen en beoefend worden en er moet aandacht zijn voor risicocommunicatie. Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-Alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Daarnaast zal de gemeente de initiatiefnemer inlichten over de aanwezige risico's rondom het plan.
Waarbij het belang van een goede BHV organisatie wordt benadrukt in geval van een calamiteit en cellencomplex moet ontruimd worden. Verder is het plan te ontvluchten via de Handelsweg van de risicobron af. Ten aanzien van de indeling van het terrein, scenario 1 heeft voorkeur vanuit de VGGM. In dit scenario wordt het cellencomplex afgeschermd van de risicobron door een ander gebouw van de politie. In het bestemmingsplan is geborgd dat alleen scenario 1 gerealiseerd kan worden. Gezien voorgaande
Elst, Industrieweg politielocatie
34
maatregelen acht de gemeente het niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen enkel ter verbetering en in aantal gevallen niet ruimtelijk relevant. Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen, Betuweroute en de snelweg A15. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
5.9
Bodemkwaliteit
Wettelijk kader/inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.
Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Onderzoek In de jaren ’50 van de vorige eeuw is door Luxan gestart met de productie en opslag van bestrijdingsmiddelen aan de Industrieweg 2 te Elst. In 2007 zijn deze activiteiten op het terrein beëindigd. Hierbij is echter ook vastgesteld dat door de activiteiten van Luxan een bodemverontreiniging is ontstaan en dat hiervoor een sanering noodzakelijk was. Daarom is in 2012 een saneringsplan (Bijlage 5 Saneringsplan Industrieweg 2 Elst) opgesteld, bestaande uit 3 fasen. Sanering De sanering is gestart in maart 2015, waarbij gebouwen zijn gesloopt, het terrein is opgeschoond, verhardingen, kabels en leidingen zijn afgevoerd. Vervolgens is het terrein onderzocht op niet gesprongen explosieven, waarbij een deel van de bovengrond is ontgraven. Onverwacht zijn hierbij diverse tanks gevonden, waarna deze zijn gereinigd, verwijderd en verschroot. De sterk verontreinigde grond ter plaatse van de tanks is gedeeltelijk ontgraven. Desondanks zijn sterk verhoogde gehalten achtergebleven. Vervolgens zijn fase 1 en 2 van het saneringsplan uitgevoerd.
Het terrein is voorzien van een leeflaag van zand (0,5 tot 1 m dik) waarin drains zijn aangebracht voor het opvangen van infiltrerend hemelwater. Via pompen wordt het hemelwater geloosd op het riool van de gemeente. Fase 3 is daarna gestart en is nog in uitvoering. Deze fase 3 bestaat uit maandelijkse controle van de grondwateronttrekking en tweejaarlijkse monitoring van het grondwater. Second opinion
Elst, Industrieweg politielocatie
35
Royal HaskoningDHV heeft in 2020 een second opinion opgesteld betreffende de bodemkwaliteit ter plaatse van de Industrieweg 2 te Elst (Bijlage 6 Second opinion bodemkwaliteit Industrieweg 2 Elst). Daaruit blijkt dat de kwaliteit van de bodem op het terrein afdoende inzichtelijk is gemaakt. Dit blijkt ook uit het besluit tot vaststelling van de ernst van de bodemverontreiniging en de noodzaak tot spoedige sanering c.q. urgentie van sanering. Het saneringsplan is gedegen van opzet en heeft een pragmatische en functiegerichte insteek. Dit blijkt ook uit het besluit tot instemming op het saneringsplan door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (in casu de provincie Gelderland). In het onderzoek en bij de toepassing van de grond in het kader van het realiseren van de leeflaag is indertijd geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van PFAS. Gelet op de indertijd geldende weten regelgeving is dit echter verklaarbaar. De locatie betreft een locatie waar sprake is van een zogenoemde IBC-variant. Er zijn derhalve beperkingen in het gebruik van de locatie. Deze beperkingen zijn relevant op het moment dat ontgravingen moeten worden uitgevoerd en bestaan uit: a. Verplichting tot melden van de activiteit bij het bevoegd gezag (rekening houden met proceduretijden) b.
Beperkingen in en extra kosten voor de afzet van grond afkomstig uit de verontreinigde laag onder de deklaag (in geval ontgraving dieper is dan de leeflaag) c. Mogelijk extra kosten voor het veilig en verantwoord uitvoeren van deze werkzaamheden in het kader van arbeidsomstandigheden (CROW 400) De bodem is niet onderzocht op de aanwezigheid van PFAS. In geval van afvoer van grond van de locatie kan dit, afhankelijk van de daadwerkelijke gehalten aan PFAS en het op dat moment geldende handelingskader, tot beperkingen in de afzet leiden met bijbehorende financiële risico’s. Het langjarige beheer van de verontreiniging valt onder de verantwoordelijkheid van Mourik Groot-Ammers. Dit bedrijf blijft ook verantwoordelijk voor deze nazorg. Wel dient rekening te worden gehouden met het feit dat Mourik Groot-Ammers voor de uitvoering van de nazorg op enig moment werkzaamheden op het terrein zal moeten/kunnen uitvoeren. Op basis van de second opinion is voorgesteld om de kwaliteit van met name de leeflaag voor de parameter PFAS vast te leggen door middel van een onderzoek conform NEN 5740 uitgaande van een strategie voor een diffuus verdachte locatie met een homogene verdeling op monsternemingsniveau (VED-HO). Verkennend bodemonderzoek PFAS Door Royal HaskoningDHV is in 2020 een verkennend bodemonderzoek PFAS uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek PFAS Industrieweg 2 Elst).
Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat de toetsingsnorm voor PFOS en PFOA in geen van de monsters wordt overschreden. Met de uitvoering van het bodemonderzoek is aanvullende informatie verkregen over de kwaliteit van de bovengrond ter plaatse van de onderzoekslocatie met betrekking PFAS. Hierbij zijn geen overschrijdingen van de norm voor een nieuwe toepassing van de grond elders vastgesteld. Conclusie Het aspect bodem vormt, met inachtneming van bovenstaande uitgangspunten, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.10
Water
Wettelijk kader / inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder (in dit geval Waterschap Rivierenland). De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het
Elst, Industrieweg politielocatie
36
ruimtelijke plan wordt opgenomen. Onderzoek Op 18 mei 2021 is de digitale watertoets doorlopen, met als conclusie dat de reguliere procedure dient te worden gevoerd. Vervolgens is overleg geweest met het waterschap Rivierenland. Volgens het waterschap geldt voor het bepalen van de referentiesituatie voor compenserende waterberging een periode van maximaal 5 jaar. Voor de planlocatie is inmiddels 8 jaar braakliggend, sinds de sloop van de voormalige Luxan gebouwen. Er moet dus worden uitgegaan van een braakliggend terrein waar geen verharding aanwezig is. Alle verharding (middels gebouwen en terreinverharding) die wordt aangebracht wordt getoetst als zijnde nieuwe verharding. In het verleden was het bedrijf Luxan gevestigd ter plaatse van de planlocatie. Het bedrijf hield zich bezig met de productie en opslag van bestrijdingsmiddelen. Deze activiteiten zijn al geruime tijd geleden beëindigd. Echter, het terrein was sterk verontreinigd (grond en grondwater). Het volledige terrein is in 2015 gesaneerd. Daarbij is een leeflaag aangebracht van 0,5 tot 1 meter. De overgang naar de verontreinigde grond is gemarkeerd met een scheidingsdoek. Door middel van een grondwaterbeheersysteem (grondwatersanering) wordt voorkomen dat verontreinigd grondwater zich kan verspreiden. Deze saneringsmaatregel moet 150 jaar in stand gehouden worden.
Conclusie Vuilwater wordt gescheiden afgevoerd van het hemelwater. Op het bedrijventerrein is een gemeentelijk riool aanwezig (DWA), waarop de afvoer van sanitair afvalwater wordt aangesloten. Hemelwater wordt gescheiden afgevoerd naar de sloot ten westen van het plangebied. Ten behoeve van de realisatie wordt een waterhuishoudingsplan opgesteld waarin de wijze en dimensionering van afvoer van hemel- en afvalwater wordt geregeld.
5.11
Ecologie
Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.
Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Situatie plangebied Het plangebied is gelegen in het zuidoosten van Elst. Het betreft een onbebouwd perceel op het lokale industrieterrein De Aam. Alle voormalige bebouwing is al enkele jaren geleden gesloopt. Het terrein is grotendeels begroeid met mos en enkele algemene grassoorten. Her en der groeien wat ruderale kruiden als grote brandnetel en ridderzuring. Op veel plekken is het terrein vergraven door konijnen. Onderzoek Door Royal HaskoningDHV is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. In het rapport wordt ingegaan op soort- en gebiedsbescherming.
Elst, Industrieweg politielocatie
37
Soortbescherming Het voorkomen van beschermde vaatplanten, vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen, vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, (nesten van) algemene broedvogels, vissen, reptielen en ongewervelden is niet te verwachten dan wel uitgesloten op basis van de algemene verspreidingsgegevens en aanwezige biotoop in het plangebied. Het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën is te verwachten of niet op voorhand uitgesloten. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten wordt het voorkomen van konijn bewezen geacht. Van de amfibieën kan op voorhand het voorkomen van algemene soorten, als bruine kikker en gewone pad, niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het is hierdoor niet noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij overtreding van de verbods-bepalingen ten aanzien van deze soorten. Wél dienen voorzorgs- en mitigerende maatregelen genomen te worden om effecten zo veel als mogelijk te voorkomen, dan wel te verzachten. Voor niet onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten, geldt daarnaast te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Deze plicht houdt in dat iedereen 'voldoende zorg' in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving.
De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk zijn. Voor onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten geldt dat, indien mogelijk, voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om optredende negatieve effecten te voorkomen. Indien het voorkomen van negatieve effecten ondanks het nemen van maatregelen niet te voorkomen is, is het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk. Voor de optredende overtreding van verbodsbepalingen van het vrijgestelde konijn en algemene amfibieën hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Voor alle soorten geldt daarnaast vanuit de Wet natuurbescherming te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). Onderstaand is een advies opgenomen over de te nemen vervolgstappen: Omdat een konijnenburcht aanwezig is binnen het plangebied, moet doding van juveniele konijnen worden voorkomen. Het uitdrukkelijk te adviseren de te nemen maatregelen ter voorkoming van overtreding van verbodsbepalingen en het beperken van optredende negatieve effecten, in een ecologisch werkprotocol uit te werken, én het afgraven van de burcht onder ecologische begeleiding te laten plaatsvinden.
Het ecologisch werkprotocol dient te zijn afgestemd op de omvang en aard van de voorgenomen werkzaamheden, en moet voorafgaande de start van werk (incl. het bouwrijp maken van het terrein) bij de aannemer of uitvoerder bekend zijn en in acht genomen worden. Er wordt op een dergelijk manier gewerkt dat aanwezige kleine (zoog)dieren, zoals konijnen of amfibieën, van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten (werk dus niet richting een dood-lopende hoek of drukke weg) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) ligt op circa 4 kilometer afstand van het plangebied (zie onderstaande afbeelding). De afstand van de Natura 2000-gebieden tot het plangebied is dusdanig groot dat negatieve effecten door de meeste storingsfactoren op planten- en diersoorten op voorhand uitgesloten kunnen worden. Verzuring en vermesting door stikstofdepositie zijn de enige storingsfactoren, die niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Mogelijke effecten ten gevolge van depositie van stikstof op daarvoor gevoelige natuurwaarden dienen daarom in kaart te worden gebracht met behulp van het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator. Dat betreft een separaat onderzoek met separate rapportages. Het stikstofepositieonderzoek is uitgevoerd door Royal HaskoningDHV.
Dit onderzoek is toegevoegd aan bijlage 9 voor de gebruiksfase en bijlage 10 voor de realisatiefase. Uit deze onderzoeken blijkt dat het initiatief niet leidt tot een stikstofdepositiebijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden. Daarom is zowel de gebruiksfase als de realisatiefase niet vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming.
Elst, Industrieweg politielocatie
38
Houtopstanden Aangezien voor de geplande ingreep geen bomen worden gekapt zijn negatieve effecten op onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden op voorhand uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden daardoor op voorhand uitgesloten.
Figuur 5.5: Ligging t.o.v. natura 2000-gebieden (plangebied aangeduid met rode stip) Conclusie Ten aanzien van soortbescherming is een ecologisch werkprotocol opgesteld, met name ten aanzien van de aanwezige konijnen. Voorts geldt de algemene zorgplicht. Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.12
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet welke naar verwachting op 1 juli 2022 in werking treedt. Tot die tijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige danwel te verwachten monumenten.
Elst, Industrieweg politielocatie
39
Onderzoek Archeologie In opdracht van de gemeente Overbetuwe heeft ADC ArcheoProjecten een Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Archeologie uitgevoerd, dit rapport is toegevoegd aan bijlage 11 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Op basis van het bureauonderzoek bestond een lage verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Midden-IJzertijd. Vanaf de Late IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen gold een hoge verwachting voor een archeologische vindplaats in de top van de oeverafzettingen van de Ressense stroomgordel. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen werd in het plangebied een karterend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het veldwerk zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de afzettingen van de stroomgordel van Ressen, de kans op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats op deze afzettingen wordt klein geacht. Bovendien bleek dat de bovengrond is verstoord door de aanleg van bedrijfsopstallen. In enkele delen zijn de aanwezige kom- en oeverafzettingen geheel afgegraven tot op het beddingzand en is het maaiveld opgehoogd en verstevigd met een zandpakket. Op basis daarvan wordt geadviseerd om het terrein op archeologische gronden vrij te geven.
In het bestemmingsplan 'Elst, bedrijventerrein De Aam' (vastgesteld 13 augustus 2013) heeft het plangebied voor een groot deel de dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting 1. Op basis van de resultaten van dit archeologisch onderzoek is deze verwachtingswaarde niet meer opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Op grond van de provinciale omgevingsverordening loopt de Romeinse Limes (vertaald: 'grenspad') over het plangebied. De Romeinse Limes loopt dwars door Nederland. Bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes mogen geen ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van dit erfgoed aantasten. Het plangebied ligt op bedrijventerrein De Aam, op een braakliggende locatie in stedelijk gebied. Op basis van het archeologisch onderzoek blijkt dat de bovengrond verstoord is door de aanleg van voormalige bedrijfsopstallen. Gezien de huidige situatie zijn geen elementen van de Romeinse Limes zichtbaar in het plangebied en diens nabije omgeving. De voorgenomen ontwikkeling doet daarom geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Elst, Industrieweg politielocatie
40
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische planopzet
Standaard en plansystematiek
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Alleen de regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. De plantoelichting bevat de achtergronden, onderzoeken en motieven van het plan. De toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang, maar kan daarnaast van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. De juridische planopzet en de inhoud van de toegekende bestemmingen worden in dit hoofdstuk toegelicht. Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voortvloeiende uit de Wro is het plan mede gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
6.2
Toelichting op de regels
Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels Artikel 3 Maatschappelijk In dit artikel is opgenomen dat de gronden zijn bestemd voor een multifunctionele politielocatie. Hoofdstuk3 Algemene regels Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Artikel 5 Algemene bouwregels In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan. Verder is een regeling voor het overschrijden van bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen opgenomen. Een specifieke regeling is opgenomen voor het ondergronds bouwen ten behoeve van warmte-koude-opslag. Artikel 6 Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.
Elst, Industrieweg politielocatie
41
Artikel 7 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering en overschrijdingen van de bouwgrenzen. Artikel 8 Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels Artikel 9 Overgangsrecht Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, ook brengt het niet met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.
Artikel 10 Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Elst, Industrieweg politielocatie
42
Hoofdstuk 7
7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De initiatiefnemer verwerft grond van gemeente en draagt zorg voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak en maatschappelijk overleg Op grond van artikel 3.1.6 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Het voorontwerpbestemmingsplan is op 3 februari 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Daarnaast is op 7 maart 2022 een informatieavond georganiseerd voor belangstellenden. Er zijn geen inspraakreacties ingediend tegen dit plan. Overleg met andere overheden Op grond van artikel 3.1.1, lid 1 juncto artikel 3.1.6, lid 1 onder c Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. pm vooroverleg
Elst, Industrieweg politielocatie
43