CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

24-01-09.06 Relevant stuk 2, Bijlagenboek BP Elst, Rijksweg-Noord 94

Voorronde Zaal 1 9 januari 2024, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Voorbereidende vergadering Vaststelling bestemmingsplan “Elst, Rijksweg Noord 94”25.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

3 •

•

•

Tijdens het locatiebezoek zijn de bebouwing (met asbestverdachte dakbedekking zonder goede afwatering) en de (element)verhardingen op het erf zijn bevestigd. Daarnaast zijn een wasplaats en een bovengrondse brandstoftank waargenomen. De watergangen rondom de onderzoekslocatie zijn watervoerend; Met het locatiebezoek bleek dat een deel van perceel N612 tijdelijk in gebruik is als opslag voor wegwerkzaamheden in de buurt. Het betreffende deel is gedeeltelijk geasfalteerd. Aangenomen wordt dat er een eindsituatie onderzoek zal plaatsvinden zodra de tijdelijke opslag wordt opgeheven en derhalve worden hier geen boringen gesitueerd; Naar verwachting wordt er geen grond van de locaties afgevoerd. Indien toch grond van de onderzoekslocatie wordt afgevoerd, dient rekening te worden gehouden met een aanvullend onderzoek van de verdachte grondlaag op PFAS.

Op basis van het historisch onderzoek dient op alle locaties een verkennend onderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Daarbij vormen de diverse (voormalige) bodembedreigende activiteiten, de (voormalige) grond(water)verontreinigingen, de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag aandachtspunten. Tevens dient er en verkennend onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 ter plaatse van erf. Hierbij vormen de diverse (element)verhardingen en de asbestverdachte dakbedekking zonder goede afwatering aandachtspunten. Daarnaast dienen de nog niet onderzochte watergangen op de onderzoekslocatie te worden onderzocht conform de NEN 5720, waarbij de waterbodem aanvullend geanalyseerd wordt op PFAS. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Conclusies verkennende bodemonderzoeken Erf Voor het erf is voor de algemene kwaliteit de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Algemene kwaliteit Op basis van de resultaten wordt de gestelde verdachte hypothese verworpen, aangezien in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen enkel overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden.

Aangezien de (gestandaardiseerde meetwaarden) de interventiewaarden en de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen duidelijke waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergangen. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. (Voormalige) bodembedreigende activiteiten en/of voormalige grond(water)verontreinigingen Ter plaatse van de (voormalige) bodembedreigende activiteiten en/of voormalige grond(water)verontreinigingen zijn (nog) maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. BBK Op basis van indicatieve toetsing aan de BBK is de ondergrond op het erf ter plaatse van de (voormalige) grond(water)verontreinigingen maximaal niet toepasbaar. Voor de rest van de onderzoekslocatie heeft de grond maximaal de klasse industrie. Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

4 Agrarisch gebied op perceel N612 Voor het agrarisch gebied op perceel N612 is voor de algemene kwaliteit de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Algemene kwaliteit Op basis van de resultaten wordt de gestelde verdachte hypothese aangenomen, aangezien in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen enkel overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde meetwaarden) de interventiewaarden en de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen duidelijke waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergangen. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. BBK Op basis van indicatieve toetsing aan de BBK heeft de bovengrond maximaal de klasse industrie en de ondergrond is altijd toepasbaar.

Agrarisch gebied op perceel N1885 Voor het agrarisch gebied op perceel N1885 is voor de algemene kwaliteit de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Algemene kwaliteit Op basis van de resultaten wordt de gestelde onverdachte hypothese aangenomen, aangezien in de ondergrond (na uitsplitsing) maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond. In de bovengrond en het grondwater zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen (na uitsplitsing) enkel overschrijdingen van de achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde meetwaarden) de interventiewaarden en de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen duidelijke waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergang. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergang verwijderd en is de watergang gedempt met gebiedseigen grond. BBK Op basis van indicatieve toetsing aan de BBK is de bovengrond altijd toepasbaar en heeft de ondergrond de klasse industrie (zand) en de overige ondergrond (klei) is tevens altijd toepasbaar.

Teeltlaagonderzoek In de (oorspronkelijke) teeltlaag zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte OCBparameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. De voormalige boomgaarden hebben derhalve niet geleid tot een bodemverontreiniging met OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

5 Conclusies verkennend onderzoek naar asbest erf Voor wat betreft het erf is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde verdachte hypothese ons inziens worden verworpen, aangezien zintuiglijk (fractie > 20 mm) op zowel op het maaiveld als in de grond geen asbest is waargenomen en analytisch (fractie < 20 mm) geen noemenswaardig gehalte voor asbest is aangetoond. Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (verhardingen en vegetatie) op het maaiveld. Conclusies verkennend waterbodemonderzoek Als hypothese werd uitgegaan van een verspreidbare waterbodem. Op basis van resultaten kan de hypothese (gedeeltelijk) worden aangenomen. Het slib is op basis van het aangetoond gehalte voor met name minerale olie geclassificeerd als klasse ‘niet toepasbaar’ (T1), ‘klasse B’ (T3) en als ‘verspreidbaar’ (T5). Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters voldoet het slib aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader.

Zodoende bestaan voor het slib voor wat betreft de PFAS-parameters geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden. Algehele conclusies, opmerkingen en aanbevelingen Middels de voorliggende (water)bodemonderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voor de onderzoekslocatie (erf en agrarisch gebied) gelegen aan de Rijksweg Noord 94 en omgeving te Elst, in voldoende mate onderzocht Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan, ons inziens, geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of bestemmingsplanwijziging, rekening houdend met onderstaande aanbevelingen. Indien in de toekomst civieltechnische werkzaamheden worden uitgevoerd zijn, conform de CROW400, geen veiligheidsklasse van toepassing. De rapportage van de bepaling van de veiligheidsklasse conform de CROW 400, op basis van de hoogste aangetoonde gehalten, is in bijlage 9 bijgevoegd. Bij de eventuele afvoer van de grond dient rekening gehouden te worden met zowel de resultaten van de NEN-, OCB-parameters als het onderzoek naar asbest. Er dient met name rekening te worden gehouden met de niet toepasbare ondergrond, op basis van minerale olie, ter plaatse van de voormalige grond(water)verontreinigingen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

6 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 7

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 7

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 7 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 7 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725 EN NEN 5717) ............................................................................... 7

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE......................................................................................... 11 4.1. BODEMOPBOUW ........................................................................................................................................ 11 4.2. GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 11

5.

HYPOTHESE ............................................................................................................................................. 11

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 11 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN ............................................................................ 11 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 13

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 16 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 16 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 17 7.3. WATERBODEM .......................................................................................................................................... 18

8.

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 21 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 21 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 21 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 27

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 31 9.1. CONCLUSIES VERKENNENDE BODEMONDERZOEKEN............................................................................... 31 9.2. CONCLUSIES VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST ERF ................................................................... 32 9.3. CONCLUSIES VERKENNEND WATERBODEMONDERZOEK ......................................................................... 32 9.4. ALGEHELE CONCLUSIES, OPMERKINGEN EN AANBEVELINGEN ............................................................... 33

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 34

BIJLAGEN

1. 2a-c. 2d-e. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

Situering in de regio Situatieschetsen met geplaatste boringen, peilbuizen, proefgaten en grepen Situatieschetsen met dwarsdoorsnedes waterbodem Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater, asbest en waterbodem Achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Indicatieve toetsingstabellen Besluit bodemkwaliteit Veldwerkformulieren verkennend onderzoek naar asbest, inclusief foto’s Toetsingstabellen waterbodem Bepaling veiligheidsklasse CROW 400 Relevante historische informatie

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

7

1.

INLEIDING Jansen Bouwontwikkeling B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een verkennend waterbodemonderzoek, inclusief historische onderzoeken, voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst. De diverse (water)bodemonderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de voorgenomen onroerend goed transactie en/of bestemmingsplanwijziging ten behoeve van toekomstige woningbouw. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], de NEN 5717:2017 [2], de NEN 5740/A1:2016 [3], de NEN 5707:2015/C2:2017 [4] en de NEN 5720:2017 [5]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren ing. H.M.W. van der Donk en J.P.G. Boerakker.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem (inclusief asbest) op de onderzoekslocaties vast te leggen en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of bestemmingsplanwijziging ten behoeve van toekomstige woningbouw. Tevens worden de veiligheidsklasse(n) volgens CROW 400 vastgelegd.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De onderzoekslocaties zijn gelegen aan de Rijksweg noord 94 en omgeving te Elst (GLD.) en staan kadastraal bekend als de gemeente Elst, sectie N, nummers 508 en 617. De locatie betreft deels een boerenerf (maximaal 1 ha) en is grotendeels in gebruik als landbouwgrond / braakliggend (maximaal 6 ha). Op circa 70 meter van kadastraal perceel N617 ligt er aan de Ceintuurbaan nog een perceel welke tevens tot de onderzoekslocatie behoort. Dit perceel staat kadastraal bekend als de gemeente Elst, sectie N, nummer 1885 en heeft een oppervlakte van circa 9.435 m2. Het perceel is volledig in gebruik als landbouwgrond / braakliggend. Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.

Historisch onderzoek (NEN 5725 en NEN 5717)

Voorafgaand aan de diverse (water)bodemonderzoeken is een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 (landbodem) en de NEN 5717:2009 (waterbodem). Door Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) zijn de websites www.bodemloket.nl en www.topotijdreis.nl bekeken. Daarnaast is de historische informatie in maart 2021 reeds opgevraagd en verkregen van de betreffende instanties. Derhalve dient met het historisch onderzoek enkel aanvullend te worden nagegaan of er in de periode van maart 2021-heden bijzonderheden, zoals bijvoorbeeld een calamiteit heeft plaatsgevonden op de onderzoekslocatie. Uit de Omgevingsrapportage van de Provincie Gelderland blijkt dat er geen aanvullende informatie is sinds maart 2021. De relevante historische gegevens zijn opgenomen in bijlage 10. Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

8 (Water)bodemkwaliteitsgegevens Uit www.bodemloket.nl blijkt dat er een nader onderzoek en een saneringsevaluatie van het erf bekend zijn. Enkel de saneringsevaluatie van de bodem- en tanksanering is aangeleverd. Van de overige locatie zijn voor zover bekend geen gegevens met betrekking tot de (water)bodemkwaliteit. Recent zijn door VMT diverse (water)bodemonderzoek uitgevoerd direct ten oosten en zuiden van de percelen N508 en N617 en direct ten noorden, oosten en westen van perceel N1885 (kenmerk B21.8125, d.d. 14 april 2021). Daarnaast blijkt uit de Omgevingsrapportage dat er aan de Rijksweg 100, ten zuidwesten van de onderzoekslocaties, diverse bodemonderzoeken zijn uitgevoerd en een dieselpompinstallatie en diverse bovengrondse brandstof tanks aanwezig zijn (geweest). Er zijn geen overige relevante gegevens bekend van de directe (< 25 m) omgeving. Saneringsevaluatie erf Uit de saneringsevaluatie (Technoinvent b.v., kenmerk MAE-b-2195, d.d. 18 juli 1997) van het erf blijkt dat er drie ondergrondse brandstoftanks (éénmaal 10.000 L en tweemaal 3.000 L) zijn gesaneerd (gereinigd en afgevoerd). Hierbij is tevens alle met minerale olie verontreinigde grond rondom het voormalige tankstation, de ondergrondse brandstoftanks en in de loods afgegraven. De verontreiniging ter plaatse van de oude wasplaats is tijdens de aanleg van een nieuwe wasplaats ontgraven.

Met de sanering is tevens een drain aangelegd op een diepte van 2,3 m-mv voor een grondwatersanering met een duur van maximaal 3 jaar. De sanering is volgens het saneringsplan uitgevoerd en de saneringslocaties zijn aangevuld met schoon zand. Omgeving In de directe omgeving van de onderzoekslocaties zijn diverse (water)bodemonderzoeken (VMT, kenmerk B21.8125, d.d. 14 april 2021) uitgevoerd. Hierbij zijn in de grond zintuiglijk maximaal zwakke bijmengingen met kolengruis waargenomen ten zuidoosten van perceel N612. Een deel van de watergangen op de perceelsgrenzen van onderhavige onderzoekslocatie zijn reeds onderzocht. De watergangen op de grens met perceel N617 waren water- en slibhoudend en de watergangen op de grens met perceel N1885 waren enkel waterhoudend, maar niet slibhoudend. Analytisch zijn in de boven- en ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. Er zijn geen verhoogde gehalten voor OCB aangetoond in de teeltlaag en in het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor barium en/of naftaleen aangetoond, waarbij in één van de peilbuizen de indexwaarde van 0,5 voor barium wordt overschreden. De onderzochte vaste waterbodem is altijd toepasbaar / verspreidbaar en het slib heeft de klasse wonen voor toepassen op de bodem, altijd toepasbaar in oppervlaktewater en verspreidbaar op aangrenzend perceel.

De (vaste) waterbodems hebben op basis van de PFASparameters de functieklasse “landbouw/natuur”. Aan de Rijksweg Noord 100 zijn een onderzoek naar asbest en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Met het onderzoek naar asbest (d.d. 27 januari 2003) is visueel asbest aangetoond en is aanbevolen tot een nader onderzoek. Met het verkennend bodemonderzoek (d.d. 25 februari 2003) zijn zintuiglijk puin en baksteen(-bijmengingen) waargenomen. Analytisch zijn in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. Waterbodem De aanwezige watergangen op de onderzoekslocatie betreffen naar verwachting B-watergangen. De watergangen dienen als opvang van hemelwater en betreffen zoet water. De kwaliteit van het eventuele slib en de vaste waterbodem in de watergangen is mogelijk beïnvloed door de aanwezigheid van voormalige agrarische activiteiten. Historisch kaartmateriaal Op basis van het historische kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl zijn er naar verwachting circa zes deels aaneengesloten voormalige watergangen op de percelen N508 en N617 aanwezig. Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

9 Daarnaast zijn op perceel N508 en N617 boomgaarden aanwezig geweest. Hierbij is mogelijk gebruik gemaakt van organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB). Op en nabij perceel N1885 is voor zover bekend één voormalige watergang aanwezig en zijn enkel boomgaarden in de omgeving aanwezig (geweest). Asbest Op het erf is bebouwing aanwezig waarop deels asbestverdachte dakbedekking aanwezig is zonder goede afwatering. Daarnaast zijn er diverse (element)verhardingen aanwezig, waaronder mogelijk een puinstabilisatie is toegepast. Op de overige percelen (agrarisch / braakliggend) zijn voor zover bekend geen bebouwing en (element)verhardingen aanwezig (geweest). Overige (voormalige) bodembedreigende activiteiten (zoals boven- en/of ondergrondse brandstoftanks) Uit de beschikbare informatie van onder ander www.bodemloket.nl blijkt dat er ter plaatse van het erf een benzine-service-station aanwezig is (geweest) met diverse ondergrondse brandstoftanks. Daarnaast zijn er een olie-benzineafscheider (OBAS), controleput en zwembad aanwezig (geweest). De afgegraven verontreinigde grond van de onderzoekslocatie is op de onderzoekslocatie opgeslagen in een windrow voor reiniging. Locatiebezoek Op 5 maart 2021 is door een medewerker van VMT een bezoek gebracht aan de onderzoekslocaties.

Tijdens het locatiebezoek zijn de bebouwing (met asbestverdachte dakbedekking zonder goede afwatering) en de (element)verhardingen op het erf zijn bevestigd. Daarnaast zijn een wasplaats en een bovengrondse brandstoftank waargenomen. De watergangen rondom de onderzoekslocatie zijn watervoerend. Met het locatiebezoek bleek dat een deel van perceel N612 tijdelijk in gebruik is als opslag voor wegwerkzaamheden in de buurt. Het betreffende deel is gedeeltelijk geasfalteerd. Aangenomen wordt dat er een eindsituatie onderzoek zal plaatsvinden zodra de tijdelijke opslag wordt opgeheven en derhalve worden hier geen boringen gesitueerd. Verder zijn tijdens het locatiebezoek geen bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. PFAS Op 13 december 2021 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing verklaard. Dit heeft gevolgen voor de acceptatie van grond en baggerspecie bij grondbanken en verwerkers. Dus zodra er grond van de locatie moet worden afgevoerd en elders toegepast, dient onderzoek plaats te vinden naar PFAS (28 parameters) en/of GenX in de verdachte grondlaag (0,0-1,0 m-mv). GenX betreft geen verdachte parameter voor deze regio.

Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Uit het historisch onderzoek blijkt het volgende: • Ter plaatse van het erf is een nader onderzoek uitgevoerd en is een saneringsevaluatie bekend. Van het nader onderzoek zijn geen gegevens bekend. Op het erf zijn er drie ondergrondse brandstoftanks gesaneerd (gereinigd en afgevoerd). Hierbij is tevens alle met minerale olie verontreinigde grond rondom het voormalige tankstation, de ondergrondse brandstoftanks en in de loods afgegraven. De verontreiniging ter plaatse van de oude wasplaats is tijdens de aanleg van een nieuwe wasplaats ontgraven. Met de sanering is tevens een drain aangelegd voor de grondwatersanering met een duur van maximaal 3 jaar. De sanering is volgens het saneringsplan uitgevoerd en de saneringslocaties zijn aangevuld met schoon zand; Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

10 •

•

• • • •

•

•

•

In de directe omgeving zijn recent diverse (water)bodemonderzoeken uitgevoerd. Analytisch zijn in de boven-, ondergrond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. Er zijn geen verhoogde gehalten voor OCB aangetoond in de teeltlaag. De onderzochte (vaste) waterbodem heeft maximaal de klasse wonen voor toepassen op de bodem en is altijd toepasbaar in oppervlaktewater en verspreidbaar op aangrenzend perceel. De (vaste) waterbodems hebben op basis van de PFAS-parameters de functieklasse “landbouw/natuur”; De aanwezige watergangen op de onderzoekslocatie betreffen naar verwachting Bwatergangen. De watergangen dienen als opvang van hemelwater en betreffen zoet water. De kwaliteit van het eventuele slib en de vaste waterbodem in de watergangen is mogelijk beïnvloed door de aanwezigheid van voormalige agrarische activiteiten; In totaal zijn er op perceel N508 en N617 voor zover bekend circa zes deels aaneengesloten voormalige watergangen aanwezig; Op perceel N508 en N617 zijn naar verwachting boomgaarden aanwezig geweest; Op en nabij perceel N1885 is voor zover bekend één voormalige watergang aanwezig geweest en zijn enkel boomgaarden in de omgeving aanwezig (geweest); Ter plaatse van het erf is een benzine-service-station aanwezig is (geweest) met diverse ondergrondse brandstoftanks.

Daarnaast zijn er een olie-benzineafscheider (OBAS), controleput en zwembad aanwezig (geweest). De afgegraven verontreinigde grond van de onderzoekslocatie is op de onderzoekslocatie opgeslagen in een windrow voor reiniging; Tijdens het locatiebezoek zijn de bebouwing (met asbestverdachte dakbedekking zonder goede afwatering) en de (element)verhardingen op het erf zijn bevestigd. Daarnaast zijn een wasplaats en een bovengrondse brandstoftank waargenomen. De watergangen rondom de onderzoekslocatie zijn watervoerend; Met het locatiebezoek bleek dat een deel van perceel N612 tijdelijk in gebruik is als opslag voor wegwerkzaamheden in de buurt. Het betreffende deel is gedeeltelijk geasfalteerd. Aangenomen wordt dat er een eindsituatie onderzoek zal plaatsvinden zodra de tijdelijke opslag wordt opgeheven en derhalve worden hier geen boringen gesitueerd; Naar verwachting wordt er geen grond van de locaties afgevoerd. Indien toch grond van de onderzoekslocatie wordt afgevoerd, dient rekening te worden gehouden met een aanvullend onderzoek van de verdachte grondlaag op PFAS.

Op basis van het historisch onderzoek dient op alle locaties een verkennend onderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Daarbij vormen de diverse (voormalige) bodembedreigende activiteiten, de (voormalige) grond(water)verontreinigingen, de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag aandachtspunten. Tevens dient er en verkennend onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 ter plaatse van erf. Hierbij vormen de diverse (element)verhardingen en de asbestverdachte dakbedekking zonder goede afwatering aandachtspunten. Daarnaast dienen de nog niet onderzochte watergangen op de onderzoekslocatie te worden onderzocht conform de NEN 5720, waarbij de waterbodem aanvullend geanalyseerd wordt op PFAS.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

11

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.

Bodemopbouw

Op de onderzoekslocatie is een circa 3 meter dikke deklaag die is opgebouwd uit Holocene afzettingen. Dit is een complexe eenheid bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Het onderliggende eerste watervoerend pakket is circa 11 meter dik en bestaat uit midden tot grof zand van de Formatie van Kreftenheye. Hieronder bevindt zich een circa 1 meter dikke scheidende laag die is opgebouwd uit zandige klei en klei van de Formatie van Kreftenheye en het Laagpakket van Zutphen. Hieronder bevindt zich het tweede watervoerend pakket tot circa 25 m-mv. 4.2.

Geohydrologie

De stromingsrichting van het ondiepe grondwater is, naar verwachting, globaal noordelijk gericht in de richting van de Linge. De stromingsrichting van het ondiepe grondwater kan worden beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De locaties zijn voor zover bekend niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

5.

HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie is voor de algemene bodemkwaliteit van het erf de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Daarbij vormen de diverse (voormalige) bodembedreigende activiteiten, de (voormalige) grond(water)verontreinigingen, de voormalige watergangen, het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag, de diverse (element)verhardingen en de asbestverdachte dakbedekking zonder goede afwatering aandachtspunten. Voor de algemene bodemkwaliteit van de agrarische / braakliggende percelen de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Hierbij vormen de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag aandachtspunten. Voor de waterbodem wordt momenteel uitgegaan van verspreidbare baggerspecie, waarbij het mogelijk voorkomen van PFAS een aandachtspunt betreft.

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken

Verkennende bodemonderzoeken Algemene kwaliteit erf Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit van het erf wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie “diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging” (VED-HE-NL) voor een locatie van maximaal 1 ha. Voor de ondergrond wordt uitgegaan van een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL; < 1 ha). Aangezien op het erf diverse (element)verhardingen aanwezig zijn, worden alle boringen doorgeboord tot minimaal 1,0 m-mv. Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

12 (Voormalige) bodembedreigende activiteiten erf De (voormalige) bodembedreigende activiteiten (wasplaats, bovengrondse tank, OBAS en controleput) ter plaatse van het erf worden onderzocht conform de NEN 5740 volgens de onderzoeksstrategie voor een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Aangezien de (voormalige) bodembedreigende activiteiten nabij elkaar zijn gelegen kunnen ze gezamenlijk onderzocht worden en hebben een maximale oppervlakte van 500 m2. In verband met de diverse activiteiten op zowel het maaiveld als in de ondergrond is er één extra NEN-pakket opgenomen. Verificatie (voormalige) grond(water)verontreinigingen erf In verband met de (voormalige) grond(water)verontreinigingen ter plaatse van het erf, worden er diverse boringen in combinatie met de algemene kwaliteit in de kernen van de (voormalige) grond(water)verontreinigingen gesitueerd.

Voor de (voormalige) grond(water)verontreinigingen worden twee minerale olie analyses opgenomen voor de grond en het grondwater wordt in combinatie met de algemene kwaliteit onderzocht Algemene kwaliteit agrarisch / braakliggend perceel (N612 ged.) Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit van het agrarisch / braakliggend perceel (N612 ged.) wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie “grootschalige onverdachte niet-lijnvormige locatie” (ONV-GR-NL) voor een locatie van maximaal 6 ha. Rondom het gebied, dat tijdelijk in gebruik is als opslag voor wegwerkzaamheden, worden de boringen doorgezet tot minimaal 1,5 m-mv. Algemene kwaliteit agrarisch / braakliggend perceel (N1885) Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie “grootschalige onverdachte nietlijnvormige locatie” (ONV-GR-NL) voor een locatie van maximaal 1 ha. Teeltlaagonderzoek Aanvullend zal een teeltlaagonderzoek worden uitgevoerd ter plaatse van /nabij de voormalige boomgaarden. Aangezien met een voorgaand onderzoek in de directe omgeving geen verhoogde gehalten voor OCB zijn aangetoond in de teeltlaag, kan ons inziens worden volstaan met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte grootschalige niet lijnvormige locatie (ONV-GR-NL; < 7 ha).

De (oorspronkelijke) teeltlaag wordt separaat bemonsterd en geanalyseerd op OCB. Ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergangen op de gehele onderzoekslocatie worden zes dwarsraaien van 3 boringen tot circa 2,0 m-mv haaks op de voormalige watergangen gesitueerd. Hiervoor zijn twee extra grondanalyses op een standaard NEN-pakket opgenomen. Verkennende onderzoeken naar asbest (erf) Voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van het erf wordt de strategie voor een diffuus belaste verdachte locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging gehanteerd volgens de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 conform halfverhardingslagen voor een locatie van < 1 ha. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest worden minimaal 22 proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m, tot minimaal 0,5 m-mv, waarvan minimaal 4 proefgaten dieper worden doorgeboord tot in de onverdachte/ongeroerde ondergrond. Ter plaats van de druppelzone, waar de dakgoot ontbreekt en het onbedekte maaiveld door ‘asbestregen’ mogelijk verontreinigd is geraakt met asbestvezels, wordt de grond onderzocht conform de NEN 5707 (VEP, < 100 m2). Deze proefgaten hebben een omvang van 1,0 x 1,0 m in de contactlaag (0,0-0,1 m-mv) en worden vervolgens tot 0,5 m-mv doorgegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m. Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o.

te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

13 Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Minimaal 4 (meng)monsters van de meeste verdachte grond- en/of puinlaag worden geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin (< 20 mm). Aanvullend is één mengmonster opgenomen voor het onderzoek naar asbest ter plaatse van de druppelzone bij de bebouwing met asbestverdachte dakbedekking met slechte afwatering op het maaiveld. Voor het aantonen van respirabele vezels in de fijne fractie (< 0,5 mm) dient mogelijk aanvullend een SEM (stereo elektronen microscoop) analyse uitgevoerd. Verkennende waterbodemonderzoeken De verkennend waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5720:2017, onderzoeksstrategie voor overig water, lintvormig, normale onderzoeksinspanning (OLN) met een maximale lengte van 500 meter. De waterbodemmonsters worden geanalyseerd op een C2 waterbodempakket. Daarnaast worden er waterbodemmonsters samengesteld voor analyse op PFAS. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen, proefgaten en grepen wordt rekening gehouden met de diverse bekende aandachtspunten. 6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001: het plaatsen van boringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2003: veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6) en protocol 2018 locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De peilbuizen zijn, na een standtijd van minimaal één week en minimaal twee maal afpompen, bemonsterd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schep, Edelmanboor en zuigerboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 31 januari en 1 t/m 4 februari 2022

Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker De heer M.A.H. van Baal

11 februari 2022

Verhoeven Milieutechniek B.V.

De heer M.A.H. van Baal

Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2003 (v. 6) 2002 (v. 6)

Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van de diverse bodemonderzoek. Verkennend bodemonderzoek Grond Ten behoeve van het bepalen van de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie conform de onderzoeksopzetten voor de diverse bodemonderzoeken zijn in totaal 100 boringen (B101 t/m B130, B201 t/m PB236 en B301 t/m B321) geplaatst. De 100nr’s zijn ter plaatse van het erf gesitueerd, de 200nr’s ter plaatse van het agrarisch gebied op perceel N612 en de 300nr’s ter plaatse van perceel N1885. Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

14 De boringen B109, B112 t/m B120 en B129 zijn ter plaatse van / nabij de (voormalige) bodembedreigende activiteiten en/of (voormalige) grond(water)verontreinigingen gesitueerd. De boringen PB231 t/m B234C zijn rondom de tijdelijk opslag voor wegwerkzaamheden geplaatst. De raaiboringen (P)B102A-C, B108A-C, B123A-C, B217A-C, B234A-C, en B320A-C zijn ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergangen gesitueerd. Ten behoeve van het grondwateronderzoek zijn de boringen PB102B, PB114, PB118, PB203, PB207, PB209, PB214, PB221, PB231, PB236, PB305 en PB315 dieper doorgezet en afgewerkt met een peilbuis. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden van het verkennend bodemonderzoek weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Circa 0,5 m-mv Erf Algemene kwaliteit -

Circa 1,0-1,5 m-mv

Boringen / peilbuis Circa 2,0-2,5 m-mv

B101, B103, B105 t/m B107, B102A, B102C, B104, B108AB110, B111, B121, B122, C, B123A-C, B124 t/m B128, B130 (Voormalige) bodembedreigende activiteiten en/of (voormalige) grond(water)verontreiniging* B109, B112, B117, B118A#, B113, B115, B116, B119 B120, B129 Agrarisch gebied op perceel N612 B201, B202, B204 t/m B206, B232, B233 B217A-C, B219, B225, B208, B210 t/m B213, B215, B234A-C, B216, B218, B220, B222 t/m B224, B226 t/m B230, B235

Agrarische gebied op perceel N1885 B302 t/m B304, B306, B307, B309 t/m B311, B313, B314, B316 t/m B319, B321 Toelichting bij de tabel: * In combinatie met de algemene kwaliteit; # Gestaakt op ondoordringbare laag.

B301, B308, B312, B320A-C

Peilbuis (filterstelling m-mv)

PB102B (2,0-3,0)

PB114 (1,8-2,8) PB118 (2,5-3,5) PB203 (1,5-2,5) PB207 (1,5-2,5) PB209 (1,5-2,5) PB214 (3,0-4,0) PB221 (1,5-2,5) PB231 (1,5-2,5) PB236 (1,5-2,5) PB305 (2,0-3,0) PB315 (2,0-3,0)

Aangezien slechts één boring is gestaakt en deze is herplaatst, wordt niet verwacht dat dit invloed heeft op de representativiteit en eindconclusie van de rapportage. Grondwater Het grondwater uit de peilbuizen PB102B, PB114, PB118, PB203, PB207, PB209, PB214, PB221, PB231, PB236, PB305 en PB315 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 11 februari 2022 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Verkennend onderzoek naar asbest (erf) Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van het erf dient allereerst een locatie- en maaiveldinspecties te worden uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de locatie grotendeels bedekt is met opgeslagen goederen (10%) en vegetatie en verhardingen (80 %). Er heeft derhalve, in afwijking van de BRL 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Mogelijk zijn hierdoor de resultaten beïnvloed. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdend hiermee, geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet zijn in totaal 28 proefgaten (B101, PB102B en B105 t/m B130) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven.

De proefgaten zijn verdeeld over de locatie. Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

15 Ter plaatse van de druppellijn, waar de asbestverdachte dakbedekking afwatert op het onbedekte maaiveld, zijn twee proefgaten (B103 en B104) gegraven in de druppelzone. De proefgaten hebben in de bovenste 10 cm een afmeting van 1,0 m x 1,0 m en zijn vervolgens doorgegraven tot 0,5 m-mv (0,3 m x 0,3 m). Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. In het vrijgekomen materiaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In het veld zijn 6 grondmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.5 van hoofdstuk 8 weergegeven. Waterbodem Ten behoeve van het waterbodemonderzoek zijn 20 grepen (G101 t/m G120), evenredig verdeeld over de watergangen, van de waterbodem genomen. Van de watergangen is het slib bemonsterd en zijn de grepen vervolgens doorgezet tot in de vaste waterbodem voor een zintuiglijk beoordeling. De veldwerkformulieren van het verkennend onderzoek naar asbest, inclusief foto’s, zijn opgenomen in bijlage 7.

De situatieschetsen met de geplaatste boringen, peilbuizen, proefgaten en grepen zijn opgenomen als bijlagen 2a-c.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

16

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [6]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit. Tot die tijd moet het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 13 december 2021), worden gehanteerd.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

17 In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOS een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Indien tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.

De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

18

7.3.

Waterbodem

De verontreinigingssituatie en/of toepassingsmogelijkheden van baggerspecie kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de betreffende normwaarden. De normwaarden zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de baggerspecie. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de normwaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar de waarden voor standaard bodem. Indien deze niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Afhankelijk van de toepassing van de baggerspecie, nadat deze uit de watergang is verwijderd, moet deze op een andere wijze worden getoetst. In voorliggende rapportage zullen de volgende toepassingsmogelijkheden worden besproken: - Toepassen van de baggerspecie op de bodem (T.1); - Toepassen van de baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam (T.3); - Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5). De tussen haakjes weergegeven T.1, T.3 en T.5 hebben betrekking op de opgegeven naamgeving bij de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Bij het beoordelen van de kwaliteit van de baggerspecie zal gebruik worden gemaakt van BoToVa.

Tevens wordt per toepasmogelijkheid aanvullend getoetst aan het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Toepassen van baggerspecie op de bodem (T.1) Voor het toepassen van baggerspecie op de bodem volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de waarde voor wonen en de waarde voor industrie zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast zal worden bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast op de bodem, worden de resultaten getoetst als grond. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als grond met de kwaliteit zoals deze in de tabel 7.1 is weergegeven.

Tabel 7.1: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde)2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde Wonen Groter dan de WO-waarde en kleiner dan de waarde voor industrie (IND-waarde) Industrie Groter dan de IND-waarde en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij tabel 7.1: 1 De normen (AW, WO en IND) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.

(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd; - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd; - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd; - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd; - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

19 In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het toepassen van baggerspecie op de bodem moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit. Toepassen van de baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam (T.3) Voor het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de maximale waarde kwaliteitsklasse A en de maximale waarde kwaliteitsklasse B zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast zal worden bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast onder water, worden de resultaten getoetst als baggerspecie.

Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie met de kwaliteit zoals deze in tabel 7.2 is weergegeven. Tabel 7.2: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau 1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A Klasse A Groter dan de maximale kwaliteitsklasse A en kleiner dan de maximale Klasse B kwaliteitsklasse B Groter dan de maximale kwaliteitsklasse B en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij tabel 7.2: 1 De normen (AW, kwaliteitsklasse A en B) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.

(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde) geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)

In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat bij toepassen van baggerspecie in een ander oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd in bepaalde diepe plassen (voor exacte omschrijving zie het handelingskader), voor PFOS een toepassingsnorm van 1,1 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 0,8 μg/kg d.s. Het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

20 Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5) Voor het verspreiden van baggerspecie over het aan de watergang grenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen, worden de meetwaarden getoetst aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Naast deze individuele maximale waarden wordt er voor een aantal metalen en voor een aantal organische stoffen een msPAF toets (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen) uitgevoerd. De msPAF toets is een methode om ecologische risico’s te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk (combinatie toxicologie). De msPAF waarde wordt berekend waarbij de resultaten als percentage worden weergegeven. De maximale percentages waaraan moet worden voldaan zijn weergegeven in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast mogen de individuele stoffen waarmee de msPAF toets wordt uitgevoerd de interventiewaarde zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 niet overschrijden.

Voor parameters die niet in de msPAF toetst worden meegenomen en waar geen maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zijn vastgesteld, moeten worden getoetst aan de achtergrondwaarde uit de Regeling bodemkwaliteit. In het handelingskader hergebruik is de toepassingsnorm voor verspreiding op aangrenzend perceel vastgesteld op 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie die wel of niet verspreidbaar is over het aangrenzend perceel. Indien de partij verspreidbaar is over het aangrenzend perceel hoeft er niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarnaast is het verspreiden niet meldingsplichtig.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Rijksweg Noord 94 e.o. te Elst Rapportnr.: B21.8392 versie: 01 datum: 7 maart 2022

21

8.

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem op de onderzoekslocatie bestaat ter plaatse van het erf vanaf het maaiveld/onderzijde verharding tot de maximaal geboorde diepte van circa 3,5 m-mv afwisselend uit matig fijn, zwak siltig zand of zwak tot matig siltige klei, waarvan lokaal tot maximaal 1,5 tevens zwak humeus. Ter plaatse van de agrarische gebieden bestaat de bodem vanaf het maaiveld tot circa 3,5 m-mv hoofdzakelijk uit zwak tot sterk siltige of zwak tot matig zandige klei, waarvan tot circa 0,5 m-mv tevens zwak tot matig humeus. Plaatselijk is vanaf 1,0 m-mv tot de maximaal geboorde diepte van 4,0 m-mv matig fijn, zwak siltig of kleiig zand waargenomen. De aanwezige watergangen zijn watervoerend en er is circa 40 tot 50 cm water aanwezig. Er is een slib laag van circa 10 cm tot circa 30 cm aanwezig. De onderliggende vaste waterbodem bestaat uit matig siltige klei. Zintuiglijk zijn op de onderzoekslocatie diverse bodemvreemde bijmengingen aangetroffen, zoals weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen Boring Erf B102A PB102B B102C B103 B108A B108B B108C B110 B113 PB114 PB118 B123A B123B B123C B126

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=d5535af6-d522-4380-b0d0-e9cd4e201280