CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

24-01-09.03 Relevant stuk 9. Ecologisch onderzoek - Eisenhowerplas

Voorronde Zaal 1 9 januari 2024, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Voorbereidende vergadering Verklaring van geen bedenkingen voor drijvend Zonnepark Eisenhowerplas15.628 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen de plas, de oevers rondom en de watergang ten oosten van de plas gebruiken als water- en landbiotoop. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals heikikker, poelkikker, rugstreeppad of kamsalamander worden niet verwacht in het plangebied vanwege het aanwezige, ongeschikte biotoop voor deze soorten. De oevers zijn vrij steil; het wordt snel diep, een goed ontwikkelde watervegetatie voor de afzet van eieren ontbreekt en ondiepe, visvrije delen die snel opwarmen zijn afwezig. Ook is rondom de plas geen goed vergraafbare bodem aanwezig waar rugstreeppad of heikikker kan overwinteren. Hierbij geldt dat de oevers blijven behouden alsmede aanwezige rietvegetaties waar heikikker en poelkikker gebruik van zouden kunnen maken voor hun waterbiotoop. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De uit te voeren maatregelen zullen naar verwachting leiden tot een tijdelijk en beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Dit zal

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 24

zijn ter plaatse van de werkruimte waar de panelen worden gemonteerd. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, worden op basis van de aanwezige biotoop ter plaatse van de plas niet verwacht. Doordat de oevers blijven behouden en daarmee een eventuele functie van waterbiotoop, is er geen sprake van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

Vissen Voorkomen en functie De Eisenhowerplas biedt geschikt biotoop voor vissoorten. Met name de oevers, ruimte tussen het puin en de rietvegetatie dat dekking biedt. Bekend is dat kleine modderkuiper, baars, drie- en tiendoornige stekelbaars en snoek in de plas voorkomen (Sinke, 2015). Dit werd bevestigd door de aanwezige futen en visdieven die boven/in de plas foerageerden. Ook is tijdens het veldwerk waargenomen dat een aalscholver een vis ving. Door het ontbreken van een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie, wordt niet verwacht dat beschermde vissoorten als grote modderkruiper de plas gebruiken als voortplantingsplaats. Wel staat de plas in verbinding met de waterloop aan de oostzijde. De plas biedt diepe delen die door grote modderkruiper gebruikt kunnen worden om te overwinteren. Effecten en ontheffing Doordat de panelen op de oever worden gemonteerd (werkruimte) en op de plas worden gevaren, is geen sprake van demping of vergraving van de oevers. Negatieve effecten op beschermde vissoorten kunnen dan ook worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

Ongewervelden Voorkomen en functie Geschikt biotoop voor de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) bestaat onder andere uit heideterreinen, goed ontwikkelde watergangen met een rijke oever- en watervegetatie en venranden. Op de oevers is dergelijk biotoop niet tot matig aanwezig. Beschermde ongewervelden worden dan ook niet ter plaatse verwacht. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied. Effecten en ontheffing In het plangebied is geschikt biotoop voor beschermde ongewervelden niet tot matig aanwezig. Doordat de werkzaamheden plaatsvinden op de oever en op de plas, waarbij de oevers niet worden vergraven, is geen sprake van negatieve effecten op eventueel aanwezige ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 25

6 Waterkwaliteit Het hoofdstuk Waterkwaliteit is een extra toevoeging. Dit hoofdstuk maakt geen onderdeel uit van de toetsing die is gedaan in het kader van de Wet natuurbescherming. Het beschrijven van mogelijke effecten op de waterkwaliteit aan de hand van een analysetool, is met name relevant voor het waterschap als beheerder om input te geven voor mogelijke effecten op de waterkwaliteit.

Veranderingen leefomstandigheden De aanleg van een drijvend zonnepark kan invloed hebben op de waterkwaliteit waardoor de leefomstandigheden voor flora en fauna (kunnen) veranderen. Onderstaande afbeelding (Afbeelding 7) geeft aan welke beïnvloeding er mogelijk is op verschillende kwaliteitselementen.

Afbeelding 7. Overzicht van de kwaliteitselementen die invloed uitoefenen op waterkwaliteit en leefomstandigheden flora en fauna. Bron: Loos & Wortelboer, 2018.

Om te bepalen in welke mate de waterkwaliteit verandert en welke effecten dit heeft op het voorkomen van soorten is de Analysetool uit de “Handreiking voor vergunningverlening drijvende zonneparken zon op water” van STOWA gebruikt (Loos & Wortelboer, 2018). Deze tool geeft inzicht op de verandering van zeven indicatoren voor de waterkwaliteit (Afbeelding 8). Aan de hand van deze indicatoren brengen we in beeld welk effect verwacht wordt en welke invloed dit heeft op de kwaliteit van het plangebied.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 26

Afbeelding 8. Indicatoren voor de waterkwaliteit in de analysetool zon op water, inclusief deel indicatoren (Loos & Wortelboer, 2018).

Analysetool voor de Eisenhowerplas Onderstaande afbeelding (Afbeelding 9) laat de uitkomsten zien van de analysetool op de verschillende indicatoren. Doordat gebruik moet worden gemaakt van vaste waarden, is een grootte van de plas van 10 hectare aangehouden (in plaats van de werkelijke 20 hectare) en een diepte van 10 meter wat overeenkomt met de werkelijke diepte van de plas. Voedselrijkheid van het water: mesotroof (matig voedselrijk) en bodemtype zand. Er is aangehouden dat 50% van de plas wordt bedekt met panelen wat overeenkomt met de maximale hoeveel panelen die kunnen worden geplaatst. Voor een worst-case scenario een lichtdoorlatendheid van 0%. Daarna is een tweede keer berekend waarbij overige waarden hetzelfde zijn maar een lichtdoorlatendheid van de panelen van 25% (maximale waarde) is aangehouden (Afbeelding 10). Zie voor een vergroting van beide afbeeldingen Bijlage 2.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 27

Afbeelding 9. Uitgangspunten en resultaten op basis van de planvorming uitgewerkt met het model ‘Analysetool uit de handreiking voor vergunningverlening drijvende zonneparken op water’, met lichtdoorlatendheid van de panelen van 0%.

Afbeelding 10. Uitgangspunten en resultaten op basis van de planvorming uitgewerkt met het model ‘Analysetool uit de handreiking voor vergunningverlening drijvende zonneparken op water’, met lichtdoorlatendheid van de panelen van 25%.

Effecten op waterplanten, licht, temperatuur en algen De uitkomst van de tool laat zien dat met de toepassing van panelen die geen licht doorlaten, met name effecten zijn op de geschiktheid van de bodem voor waterplanten, lichtintensiteit onder het de zonnepanelen, de temperatuur van het water en het chlorofyl-a gehalte in het zomerhalfjaar voor de totale oppervlaktelaag.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 28

6.3.1 Waterplanten op de bodem Bij zowel panelen die geen licht doorlaten als bij het toepassen van panelen die wel lichtdoorlatend zijn, is er sprake van effecten op de geschiktheid van de bodem voor waterplanten.

6.3.2 Lichtintensiteit Bij beide type panelen, zal een afname zijn van de lichtintensiteit. Dit effect is sterker bij gebruik van panelen die geen licht doorlaten.

6.3.3 Temperatuur Plaatsing van zonnepanelen op het water zorgt ervoor dat de temperatuur van het water onder de panelen licht zal toenemen: • De gemiddelde watertemperatuur gedurende het zomerhalfjaar stijgt. • De maximum watertemperatuur stijgt niet. Er is geen verschil in effecten tussen het type panelen dat zou worden toegepast.

6.3.4 Chlorofyl-a Chlorofyl-a gehalte staat als maat voor de biomassa van algen. Als dit in de bovenste laag toeneemt, ontstaat er meer bloei aan het oppervlakte, onder de panelen. Bij beide uitkomsten is sprake van een ander beeld: • bij het toepassen van panelen die wel of geen licht doorlaten neemt de bloei van algen in de oppervlakte laag buiten de PV-panelen neemt in beide gevallen toe, • bij gebruik van panelen die geen licht doorlaten neemt dit af voor de oppervlakte laag totaal, • bij panelen met een lichtdoorlatendheid van 25% neemt dit voor de oppervlakte laag totaal toe.

6.3.5 Effecten en monitoring Waterplanten op de bodem en lichtintensiteit Het areaal dat geschikt is voor waterplanten (met voldoende licht op de bodem) vermindert door de plaatsing van zonnepanelen. Als het een relatief klein systeem is dat boven het diepe gedeelte van een plas wordt geplaatst, dan is het effect verwaarloosbaar. Maar bij ondiepe plassen, waarin waterplanten in principe over de gehele bodem kunnen groeien, is het effect groot. De lichtdoorlatendheid van zonnepanelen kan dit effect deels compenseren. Een afname van waterplanten kan grote betekenis hebben voor het ecologisch functioneren van een watersysteem. De balans tussen fytoplankton en waterplanten in de concurrentiestrijd om licht en nutriënten kan verschuiven naar het fytoplankton. Door toename fytoplankton wordt het water troebeler en kunnen waterplanten uiteindelijk helemaal verdwijnen. Ook de levensgemeenschappen van macrofauna en vissen zullen hierdoor veranderen. Of een watersysteem door plaatsing van zonnepanelen een dergelijke verandering ook werkelijk ondergaat, is afhankelijk van locatie-specifieke factoren. In de studie van STOWA is bij de modellering de interactie tussen waterplanten en fytoplankton niet meegenomen (de waterplanten zelf zijn niet gemodelleerd). Het vrijhouden van oevers van panelen en de aanleg van natuurlijke oevers bij de Eisenhowerplas draagt bij aan een goed ecosysteem.

Doordat 50% van de plas wordt bedekt waarbij wordt gelegd vanuit het midden van de plas, wordt voorkomen dat de hele bodem van de plas ongeschikt tot minder geschikt wordt voor waterplanten.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 29

Watertemperatuur Voor de Eisenhowerplas komt naar voren dat de gemiddelde watertemperatuur onder de panelen stijgt, maar de maximum watertemperatuur niet stijgt. Dit is alleen van toepassing voor het zomerhalfjaar. Bij de analysetool is alleen rekening gehouden met het effect van instraling op de watertemperatuur. De zonnepanelen warmen gedurende de dag op en kunnen die warmte afgeven aan het water, waardoor afkoeling gedurende de dag niet plaatsvindt en zoals uit de analysetool blijkt, de temperatuur van de bovenste waterlaag laten stijgen. De uitwisseling van warmteproductie en warmteafgifte aan de lucht en aan het water is zeer complex en laat zich lastig modelleren. Het type zonnepanelen en de plaatselijke omstandigheden als instraling, windsnelheid en -richting zijn hier van grote invloed op. Echter, op basis van de modellen is wel een trend waar te nemen in de watertemperatuur van de bovenste waterlaag. Meer bedekking met panelen, toont een lagere temperatuur aan de bodem. Dit komt doordat de menging van water tijdens de stratificatie onvolledig is, waardoor de doorspoeling van water in de bovenste waterlaag groter is dan onderin de plas. Dit effect is bij verschillende dieptes van de waterplas zeer verschillend en verklaarbaar: hoe dieper hoe meer volume water er moet worden opgewarmd om de temperatuur van de onderste waterlaag te verhogen.

Ook verminderd het mengend effect als er sprake is van minder invloed van wind. Bij een diepte van de waterplas van 10 meter ontstaat wel een stabiele stratificatie (gelaagdheid van een waterkolom door verschillen in watertemperatuur). Een minder sterke stratificatie betekent normaal gesproken dat de menging verticaal sterker is, dat daarmee meer zuurstof van het oppervlakte naar de bodem wordt getransporteerd en meer nutriënten vanuit de onderlaag naar het oppervlakte kunnen komen. Voor de Eisenhowerplas geldt dat niet de gehele plas wordt bedekt met panelen. Buiten de panelen is daardoor geen sprake van toename in temperatuur. Door de diepte van de plas en doordat het water kan mengen, worden effecten op de waterkolom, zoals zuurstofloze lagen, niet verwacht. Chlorofyl-a gehalte De toename in het chlorofyl-a gehalte kan worden toegeschreven aan een gevolg van licht tekort. Door horizontale watermenging kunnen er nog wel algen, een deel van de dag, aanwezig zijn onder panelen met een lichtdoorlatendheid van 0%, doordat zij profiteren van het licht wanneer zij niet onder de panelen drijven. Een hoger gehalte chlorofyl-a in de bovenste waterlaag heeft te maken met de veranderingen van de mate van licht, temperatuur en menging van het water.

Door minder verticale menging van het water, verblijven de algen langer in de bovenste waterlagen en kunnen daar gebruik maken van het daar aanwezige licht om veel te produceren. Hierdoor vindt algenbloei vooral oppervlakkiger plaats in de waterkolom. Dit treed met name op bij de biomassa van blauwalgen bij een bedekking van 50% van het wateroppervlakte met panelen. Andere groepen algen laten bij een bedekking van 50% en meer alleen een verlaging van de bloei zien, zodat kan worden geconcludeerd dat het aandeel van blauwalgen toeneemt. Een hoger chlorofyl-a gehalte in het water betekent dat er meer voedsel aanwezig is voor zoöplankton en daarmee voor vis en vogels. Ook hier is de balans tussen algen in het water en waterplanten die vanaf de bodem groeien belangrijk. Conclusie Het areaal waterbodem dat voldoende licht ontvangt en daarmee geschikt is voor waterplanten, vermindert door de plaatsing van zonnepanelen. De lichtdoorlatendheid van zonnepanelen kan dit effect deels compenseren. Afwezigheid van waterplanten, of een grotere vermindering in aantal, kan grote effecten hebben op de ecologie van de waterplas. Het vrijhouden van oevers van panelen en de aanleg van natuurlijke

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 30

oevers bij de Eisenhowerplas draagt bij aan een goed ecosysteem. Doordat 50% van de plas wordt bedekt waarbij wordt gelegd vanuit het midden van de plas, wordt voorkomen dat de hele bodem van de plas ongeschikt tot minder geschikt wordt voor waterplanten. Dit heeft op de hele plas een positieve werking. Meer chlorofyl-a betekent dat er meer voedsel aanwezig is voor zoöplankton en daarmee voor vis en vogels, al speelt de balans tussen de mate van licht, waterplanten, diepte, chlorofyl-a en invloed van windsnelheid- en richting een grote rol bij mogelijke effecten. Vanuit de modellering kan worden gesteld dat: zonnepanelen boven diep water hebben waarschijnlijk geen grote effecten op de waterkwaliteit en de ecologie bij bedekking van 90% of meer van de waterplas en het toepassen van panelen die geen licht doorlaten, leidt tot een plas waarin weinig productie optreed van fytoplankton en waterplanten waarin de ecologische toestand zich nauwelijks kan ontwikkelen. het toepassen van licht doorlatende panelen zwakt effecten af. De combinatie van bedekking en lichtdoorlatendheid kan worden geoptimaliseerd per situatie. Voor de Eisenhowerplas heeft het toepassen van licht doorlatende panelen met name effect op het zuurstofgehalte op verschillende dieptes en de chlorofyl-a concentratie in het zomerhalfjaar in de oppervlaktelaag.

Het bedekken van het water met panelen betekent niet automatisch dat er dan minder algen in het water zullen komen en ook niet dat daarmee in voedselrijke situaties automatisch een algenbloei kan worden voorkomen. De balans is belangrijk om ervoor te zorgen dat niet één type alg de overhand neemt, zoals de blauwalg. Als het water kan blijven mengen, wordt een bloei van blauwalg voorkomen. Monitoring Vanuit de STOWA is veel kennis vergaard op het gebied van waterkwaliteit, middelen om inzicht te krijgen in de kwaliteit en het verbeteren van deze. Daarnaast gaat de initiatiefnemer monitoren conform de richtlijn zon op water. Mocht (uit de monitoring) blijken dat de ecologische gesteldheid van Eisenhowerplas achteruit gaat, is kennis aanwezig om in kaart te brengen waar het probleem zit en op te lossen. De monitoring wordt uitgevoerd conform een gestandaardiseerd meetprogramma en monitoringsmethodiek, zodat gegevens met elkaar kunnen worden vergeleken. Er wordt gestart met een nul-meting om de uitgangssituatie goed in beeld te hebben. Per aspect wordt bepaald hoe frequent wordt gemonitord en in welke periode van het jaar. Aanbeveling Aanwezigheid van diersoorten geeft een goede indicatie van de ecologische kwaliteit van de plas. Zo komen in de huidige situatie futen voor op de Eisenhowerplas. De fuut eet vis en is daarvoor aangewezen op licht om de vis te kunnen zien.

Is water te troebel of te donker, dan kan de fuut de vis niet zien. Is het water te helder, dan ziet de vis de fuut van grote afstand aankomen en kan de vis zicht verschuilen. Door de monitoring van de plas deze en andere soorten op te nemen, wordt een goed beeld gegeven van beschikbaar voedsel en de ecologische situatie van de waterplas onder water.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 31

7 Kansen voor natuur Met de ontwikkeling van de Eisenhowerplas kunnen kansen die hier liggen voor natuur eventueel worden meegenomen. De Quickscan flora en fauna dient als basis voor het inventariseren van de bestaande natuurwaarden. De kansen maken vooralsnog geen onderdeel uit van de ontwikkeling van de Eisenhowerplas en moeten worden gezien als advies.

Optimaliseren visstand De aanwezigheid van visetende vogelsoorten visdief, fuut en aalscholver welke tijdens het veldbezoek veelvuldig zijn waargenomen, geven een goede indicatie van de visstand in de Eisenhowerplas. Naast voedsel zijn broedplekken van belang. De drie genoemde vogelsoorten kiezen elk een andere nestlocatie. • Visdief is een koloniebroeder en broedt op plekken die voor grondpredatoren moeilijk te bereiken zijn als kale tot grazige eilandjes of platte daken van panden met een kiezelbodem. Deze zijn waarschijnlijk aanwezig in het bedrijventerrein rondom de plas. • Futen maken nesten op het water, verscholen tussen het riet en gefixeerd aan bijvoorbeeld een tak. Zij duiken 2 tot 4 meter diepe wateren naar vis en hebben een voorkeur voor een niet al te dichte onderwatervegetatie. • Aalscholvers broeden ook in kolonies, meestal in bomen maar ook wel eens op de grond of tussen het riet. Er wordt genesteld bij visrijk water. In de huidige situatie ontbreekt veelal een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie langs de oevers. Er zijn wel plekken met riet, al is dit pluksgewijs en zijn het vaak smalle stroken. Het realiseren van flauwe oevers waar de water- en oevervegetatie zich kan ontwikkelen, zoals een rietkraag, draagt bij aan de ontwikkeling van de oevers en de functie van deze voor soorten.

Voor de visetende vogels zorgen flauwe oevers voor meer voedsel: rietkragen en oevervegetaties zorgen voor paaiplaatsen van vissen, schuilplaatsen en voedsel wat bijdraagt aan het optimaliseren van de visstand en resulteert in weerbaardere populaties.

Positief effect van geleidelijke/natuurlijke oevers Een natuurvriendelijke oever is een geleidelijke oever en heeft als belangrijkste voordeel dat er ruimte is voor de aanwezige gradiënten op het talud en in het water, waardoor de bijbehorende natuurwaarden zich beter kunnen ontwikkelen (STOWA, 2011). Naast de aanwas van jonge vis heeft dit een positieve werking op de waterkwaliteit en een hogere diversiteit aan waterplanten (drijfblad- en oeverplanten), macrofauna en amfibieën. Ook veel insecten profiteren ervan mee, qua voortplantingsplekken en voedselbron. Een oever gericht op het zuiden heeft de voorkeur boven een oever gericht op het noorden, vanwege de warmere ligging en de grotere lichtintensiteit. Er zijn veel varianten mogelijk. Optimaal is een oever waarin diverse vegetatie aanwezig is. Als streefbeeld voor een natuurvriendelijke oever geldt een zo flauw mogelijk talud van 1:10. Een natuurvriendelijke oever kan worden opgedeeld in zeven zones (Afbeelding 11).

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 32

1. Bloemrijk grasland: De eerste zone van de natuurvriendelijke oever is de meest droge zone, waarin bijvoorbeeld het wilgenroosje te vinden is en (spits)muizen kunnen voorkomen. 2. Vegetatie van vochthoudende grond: In de tweede zone van de natuurvriendelijke oever komen vegetaties van vochthoudende grond voor, zoals kattenstaart. Ook voelt de ringslang zich hier thuis. 3. Vegetatie van natte ruigtes (plas-dras): De derde zone van de natuurvriendelijke oever staat regelmatig onder water. Soorten zoals de gele lis en diverse libellen profiteren hiervan. 4. Moerasplanten die in ondiep water staan: De vierde zone van de natuurvriendelijke oever staat permanent onder water. In deze zone kunnen de lisdodde en de spinnende watertor voorkomen. 5. Moerasplanten die in dieper water staan: De vijfde zone van de natuurvriendelijke oever bestaat uit planten die goed gedijen in diep water, zoals bijvoorbeeld riet. Ook kan hier de kleine karekiet gezien worden. 6. Drijfbladplanten: De zesde zone van de natuurvriendelijke oever groeien de zogenaamde drijfbladplanten. De waterlelie is hiervan een bekende soort. Deze zone is ook ideaal voor de kleine watersalamander. 7. Ondergedoken waterplanten: In de zevende en laatste zone van de natuurvriendelijke oever groeien vooral ondergedoken waterplanten, zoals grof hoornblad. Ook vissen, zoals de snoek, zijn hier aanwezig. Afbeelding 11.

Zeven zones bij een natuurvriendelijke oever. Bron: STOWA, 2009

Positief effect op het foerageergebied In de huidige situatie zijn de oevers beperkt qua breedte waardoor de schuilmogelijkheden voor grondgebonden zoogdieren als egel, kleine marters en steenmarter beperkt zijn. Bredere, natuurlijke oevers zorgen voor hen, voor schuilplekken en geleiding wanneer zij zich verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. Bij toename van de diversiteit aan planten en insecten, neemt ook het voedselaanbod toe voor grondgebonden zoogdieren die zelf ook als voedselbron dienen. Denk hierbij aan muizensoorten die worden gegeten door steenmarter, kleine marters of roofvogels. De vliegende zoogdieren: zoals gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen en laatvlieger maken gebruik van groenelementen om te foerageren en om zich door het landschap te verplaatsen. Een toename van het aantal en soorten insecten, zorgt voor een toename aan voedselaanbod. De oeverzwaluw is een soort die mee kan profiteren van een toenemend aantal insecten, mits er in de omgeving geschikte nestverblijven zijn. Een kans voor deze soort is het plaatsen van een oeverzwaluwwand (Afbeelding 12).

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 33

Afbeelding 12. Voorbeeld van een oeverzwaluwwand. Bron: Vivarapro Pro

Naderonderzoek aanbevolen Om na te gaan of en zo ja, welke soorten van de plas gebruik maken om te foerageren, wordt aanbevolen een nader onderzoek uit te voeren naar de foerageerfunctie van de plas voor vleermuissoorten en de functie van de plas als rust- en slaapplaats voor (overwinterende) watervogels. Dit is aanvullende informatie wat inzicht geeft in het effect van drijvende zonnepanelen in relatie tot foerageer(on)mogelijkheden voor vleermuizen en rust- en slaapplaatsen van watervogels en geldt niet als een verplichting vanuit de Wet natuurbescherming.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 34

8 Conclusie Op basis van deze quickscan worden de onderstaande samenvattende conclusies getrokken.

Bescherming soorten De voorgenomen werkzaamheden zullen leiden tot een tijdelijk en beperkt verlies van leefgebied, van enkele overige beschermde soorten. Het gaat daarbij met name om de werkruimte waar de panelen worden gemonteerd en vanaf de oever het water op gaan. Hiervoor zijn door de provincie Gelderland vrijstellingen van de ontheffingsplicht opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling van ontheffingsplicht indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Dit geldt mits de volgende voorwaarden worden aangehouden. Voorwaarden voor verlichting tijdens werkzaamheden In het kader van de zorgplicht moet verstoring van licht worden voorkomen tijdens de actieve periode van vleermuizen. Deze actieve periode duurt van half maart tot eind oktober. Verstoring wordt voorkomen door verlichting achterwege te laten.

Als verlichting noodzakelijk is, moet deze tot een minimum worden beperkt en zijn de volgende maatregelen van toepassing: o verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; o verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; o verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); o beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur (Afbeelding 3); o maak gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige LED-verlichting). Extra inventarisatie naar verblijfplaatsen bever Bij het bepalen van de werkruimte en locaties voor verankering van het drijvende zonnepark in de oever, is een extra inventarisatie naar aanwezige verblijfplaatsen nodig. Worden deze aangetroffen, moet een afstand van minimaal 20 meter worden aangehouden. Is er geen andere mogelijkheid, dan is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Houd rekening met broedende vogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Doordat de werkruimte wordt aangepast aan de aanwezige natuurwaarden en kap wordt vermeden dan wel geminimaliseerd, is het mogelijk de werkzaamheden uit te voeren gedurende het broedseizoen. Bij het eventuele werken in het broedseizoen moet rekening worden gehouden met broedende vogels in de struwelen en bomen rondom de werkruimte. Neem te allen tijde de zorgplicht in acht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 35

voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten Het plangebied ligt op ruim 3 kilometer afstand van Natura 2000-gebied Rijntakken. De aard van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Effect op rust- en slaapplaats vogels De Eisenhowerplas is een relatief kleine plas. Bij verdwijnen of verkleining van dit open water, ondervinden de aangewezen vogelsoorten hier geen significant negatief effect van. Er zijn voldoende en betere slaapplaatsen voor de vogels voor handen. Significante negatieve effecten zijn uitgesloten. Stikstof-gerelateerde effecten Om de depositie van stikstof te bepalen is een berekening uitgevoerd (13 januari 2023) en gerapporteerd (AERIUS kenmerk RnwfaF2Ea5D7). In het rapport zijn de effecten van de realisatie van het plan (drijvend zonnepanelenpark) onderzocht op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In de beoogde situatie is de maximale toename van de stikstofdepositie 0,00 mol N/ha/jaar. Hiermee kunnen significante effecten ten gevolg van de stikstofdepositie worden uitgesloten. Een vergunning Wet natuurbescherming voor het onderdeel stikstofdepositie is hiermee niet nodig.

Bescherming houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom Boswet. Daardoor is de bescherming van houtopstanden vanuit de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Indien sprake is van kap, kan gemeentelijk beleid van toepassing zijn.

Gelders natuurnetwerk De werkzaamheden vinden plaats buiten de begrenzing van GNN- of GO-gebied. Het GNN en het GO kennen geen externe werking. Door de voorgenomen werkzaamheden en de ontwikkeling en de aanwezigheid van de A325 tussen beide worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN significant aantasten. Ook is door de tussenliggende afstand geen sprake van areaal afname. Een nadere toetsing aan de GNN- of GO-kernkwaliteiten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Waterkwaliteit Het areaal waterbodem dat voldoende licht ontvangt en daarmee geschikt is voor waterplanten, vermindert door de plaatsing van zonnepanelen. De lichtdoorlatendheid van zonnepanelen kan dit effect deels compenseren. Afwezigheid van waterplanten, of een grotere vermindering in aantal, kan grote effecten hebben op de ecologie van de waterplas. Vanuit de modellering kan worden gesteld dat: zonnepanelen boven diep water hebben waarschijnlijk geen grote effecten op de waterkwaliteit en de ecologie bij bedekking van 90% of meer van de waterplas en het toepassen van panelen die geen licht doorlaten, leidt tot een plas waarin weinig productie optreed van fytoplankton en waterplanten waarin de ecologische toestand zich nauwelijks kan ontwikkelen.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 36

-

het toepassen van licht doorlatende panelen zwakt effecten af. De combinatie van bedekking en lichtdoorlatendheid kan worden geoptimaliseerd per situatie. Voor de Eisenhowerplas heeft het toepassen van licht doorlatende panelen met name effect op het zuurstofgehalte op verschillende dieptes en de chlorofyl-a concentratie in het zomerhalfjaar in de oppervlaktelaag.

Het vrijhouden van oevers van panelen en de aanleg van natuurlijke oevers bij de Eisenhowerplas draagt bij aan een goed ecosysteem. Doordat 50% van de plas wordt bedekt waarbij wordt gelegd vanuit het midden van de plas, wordt voorkomen dat de hele bodem van de plas ongeschikt tot minder geschikt wordt voor waterplanten. Dit heeft op de hele plas een positieve werking. Monitoring Vanuit de STOWA is veel kennis vergaard op het gebied van waterkwaliteit, middelen om inzicht te krijgen in de kwaliteit en het verbeteren van deze. Daarnaast gaat de initiatiefnemer monitoren conform de richtlijn zon op water. Mocht (uit de monitoring) blijken dat de ecologische gesteldheid van Eisenhowerplas achteruit gaat, is kennis aanwezig om in kaart te brengen waar het probleem zit en op te lossen. De monitoring wordt uitgevoerd conform een gestandaardiseerd meetprogramma en monitoringsmethodiek, zodat gegevens met elkaar kunnen worden vergeleken. Er wordt gestart met een nul-meting om de uitgangssituatie goed in beeld te hebben. Per aspect wordt bepaald hoe frequent wordt gemonitord en in welke periode van het jaar. Aanbeveling Aanwezigheid van diersoorten geeft een goede indicatie van de ecologische kwaliteit van de plas. Zo komen in de huidige situatie futen voor op de Eisenhowerplas. De fuut eet vis en is daarvoor aangewezen op licht om de vis te kunnen zien.

Is water te troebel of te donker, dan kan de fuut de vis niet zien. Is het water te helder, dan ziet de vis de fuut van grote afstand aankomen en kan de vis zicht verschuilen. Door de monitoring van de plas deze en andere soorten op te nemen, wordt een goed beeld gegeven van beschikbaar voedsel en de ecologische situatie van de waterplas onder water.

Kansen voor natuur In de huidige situatie ontbreekt veelal een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie langs de oevers. Een mogelijkheid is het realiseren van flauwe oevers. Bij deze oevers kan de water- en oevervegetatie zich ontwikkelen wat bijdraagt aan de functie van deze voor soorten. Naast de aanwas van jonge vis heeft dit een positieve werking op de waterkwaliteit en een hogere diversiteit aan waterplanten (drijfblad- en oeverplanten), macrofauna en amfibieën. Ook veel insecten profiteren ervan mee. Bij toename van de diversiteit aan planten en insecten, neemt ook het voedselaanbod toe voor grondgebonden zoogdieren die zelf ook als voedselbron dienen en voedsel voor vleermuizen. Aanbeveling voor naderonderzoek/monitoring Aanbevolen wordt een nader onderzoek te doen naar de foerageerfunctie van de plas voor vleermuissoorten en de functie van de plas als rust- en slaapplaats voor (overwinterende) watervogels. Dit is aanvullende informatie wat inzicht geeft in het effect van drijvende zonnepanelen in relatie tot foerageer(on)mogelijkheden voor vleermuizen en rust- en slaapplaatsen van watervogels en geldt niet als een verplichting vanuit de Wet natuurbescherming.

Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit van het natuurbeleid is het plan uitvoerbaar. Ook vanuit de eisen van de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar met betrekking tot de onderdelen gebiedenbescherming effecten en houtopstanden.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 37

Eventuele effecten als gevolg van stikstof(depositie) in de aanlegfase op (stikstofgevoelige) Natura 2000gebieden moeten nog worden getoetst. Voor het onderdeel soortenbescherming gelden een aantal voorwaarden. Daarnaast dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels.

Geldigheid onderzoek Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden. Daarnaast moeten gegevens zo actueel mogelijk zijn.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 38

Literatuurlijst -

-

-

-

-

Boogaard, F.C., O. Akkerman, R. Lima & K. Paxinou. Effect van drijvend zonnepark op waterkwaliteit verwaarloosbaar. Land & Water. Nr. 4 april 2021 Borkent, I. (2019) MEMO Drijvend zonnepark Aamseplas te Elst; vleermuisinspectie. Bosland adviesbureau, 9 juli 2019 Buij, R., R.H. Jongbloed, S. Geelhoed, H. van der Jeugd, E. Klop, S. Lagerveld, H. Limpens, H. Meeuwsen, F. Ottburg, P. Schippers, J. Tamis, J. Verboom, J.T. van der Wal, R. Wegman, E. Winter, A. Schotman, 2018. Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland; Overzicht van effecten van hernieuwbare energie-infrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbaarste soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplossingsrichtlijnen voor een natuurinclusieve energietransitie, Wageningen Environmental Research, Rapport 2883. Eelerwoude (2021). Naderonderzoek vleermuizen. Eisenhowerplas Elst Gld. Definitief 16-9-21. Projectnummer 202259. Gemeente Overbetuwe (2021).

Lijst van monumentale en waardevolle bomen http://qgiscloud.com/GemOverbetuwe/Qgis_MonumentaleBomen/?bl=&l=Monumentale%20Bomen%2CK ernen%2CHuisnummers%2CStraatnamen%20%5Bbeschikbaar%20vanaf%201%3A10000%5D%2CTopografi sche%20ondergrond%20%5Bzichtbaar%20vanaf%20schaal%201%3A10.000%5D%2CKad.%20percelen!%2 CSpooras%20%5Bspoorwegen%3ASpooras%5D!%2Cgemeente%2CWoonplaatsen%2Cmask_blauw%2CLuc htfoto1975!%2CLuchtfoto2003!%2CLuchtfoto2005!%2CLuchtfoto2006!%2CLuchtfoto2007!%2CLuchtfoto2 008!%2CLuchtfoto2009!%2CLuchtfoto2010!%2CLuchtfoto2011!%2CLuchtfoto2012!%2CLuchtfoto2013!%2 CLuchtfoto2014!%2CLuchtfoto2015!%2CLuchtfoto2016!%2CLuchtfoto2017!%2CLuchtfoto2018!%2CLuchtf oto2019!%2CLuchtfoto2020!%2CBRT%20Achtergrondkaart&t=Qgis_MonumentaleBomen&e=648951%2C 6781753%2C657079%2C6785743 Kenniscentrum Bever, 2021 https://www.kenniscentrumbever.nl/sites/default/files/202108/Definitie%20hol%20en%20burcht_20210716.docx.pdf Limpens, H., K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft/Zoogdiervereniging, Arnhem. Loos S. & R. Wortelboer (2018).

Handreiking voor vergunningverlening drijvende zonneparken op water. STOWA. Rapport 73. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Sinke, M. (2015). Quickscan in het kader van de Flora en faunawet. LOO Plan, 13 augustus 2015. STOWA (2009). Handreiking natuurvriendelijke oevers. Vossen, J., D. Verhagen. Utrecht, september 2009. Rapportnummer 2009-37. STOWA (2011). Handreiking natuurvriendelijke oevers. Sollie, S. (Tauw), E. Brouwer (B-Ware) en P. de Kwaadsteniet (Tauw). Amersfoort, september 2011. Rapportnummer 2011–19.

Websites https://www.wur.nl/nl/nieuws/Het-gevaar-van-het-verondiepen-van-plassen-met-buitenlandsebagger.htm Bezocht op 13 oktober 2021

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 39

-

-

Artikel WUR: Het gevaar van het verondiepen van plassen met buitenlandse bagger. 13 juli 2018. https://www.wur.nl/nl/nieuws/Het-gevaar-van-het-verondiepen-van-plassen-met-buitenlandsebagger.htm Provincie Flevoland. Voorbeeld ontheffing werkzaamheden nabij beverburchten in relatie tot afstand tot de burchten. 19 januari 2023. https://www.flevoland.nl/getmedia/7761afae-8f23-4a3d-b41f-1cc25b12dbbb/2465032-Ontheffingverstoring-bever-Hoge-Vaart-Flevoland-dv.pdf Soortinformatie: www.zoogdiervereniging.nl ndff-ecogrid.nl Natura 2000: https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=6b1adc4e421a4c7ebcb84d7c12c b7af6 GNN/ GO: https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=7ee7f076e44b48f18d36528e9f9d 1d87

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 40

Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

2 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 41

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 42

Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.

Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 43

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.

Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 44

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aangewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;

•

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

•

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

•

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

•

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

in het algemeen belang van de betreffende soort.

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 45

Bijlage 2 Resultaten Analysetool Waterkwaliteit

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 46

Realisatie drijvend zonnepark Eisenhowerplas, Elst | Eelerwoude | 47

www.eelerwoude.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=72f5cc0a-2df0-4a2a-88f8-cff300ce39d1