24-01-09.03 Relevant stuk 3. Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
In de zone rondom de A15 en Betuweroute ontstaat een energielandschap waar in verschillende projecten (met windturbines en zonneweides) ruim 500 TJ aan duurzame stroom gaat worden opgewekt. Meer dan de energievraag van alle gezinnen in Overbetuwe, en in lijn met de tussendoelen voor 2020 en 2023 die in de ‘Routekaart Duurzaamheid’ wordt gehanteerd (zie paragraaf 3.5.2). Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan draagt bij aan het realiseren van de energiedoelstellingen die de gemeente heeft. De gemeente heeft uitgesproken het goede voorbeeld te willen geven en doet dat onder andere door in dit voorliggende project grond beschikbaar te stellen (een deel van de gronden in het projectgebied zijn in eigendom van de gemeente).
Routekaart Duurzaam Overbetuwe, uitwerking ambities duurzaamheid gemeente Overbetuwe 2017-2020 De Routekaart Duurzaam Overbetuwe presenteert de weg die de gemeente wil gaan om te komen tot een duurzame samenleving. Een weg waarbij inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven en gemeenten nauw samenwerken. De gemeentelijke organisatie wil daarbij het goede voorbeeld geven, maar het echte succes wordt gemaakt in Overbetuwe. De routekaart legt de nadruk op energiebesparing en duurzame energie en biedt daarnaast ruimte voor verduurzaming in de breedte. De gemeente Overbetuwe wil minimaal 1,5% energie per jaar besparen en wil ultimo 2020 minimaal 14% van de energievraag dekken met duurzame energie die in de gemeente is geproduceerd. De Raad heeft gevraagd om waar mogelijk meer te doen dan deze ambitie om zo voor 2050 energieneutraal te kunnen zijn. Hoe eerder het gebruik van fossiele brandstoffen als aardgas, kolen en aardolie niet meer nodig is, hoe beter. Zo wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de fossiele CO2-uitstoot en daarmee de vertraging van de temperatuurstijging op aarde.
De gemeente Overbetuwe gaat de energie doelen halen door: • Aan te zetten tot energie besparen bij bedrijven, in de gebouwde omgeving en in de eigen organisatie; • Kleinschalige productie van duurzame energie bij bedrijven en woningen te stimuleren; • Grootschalige productie van duurzame energie mogelijk te maken. 30
Naast energiebesparing zal het potentieel voor duurzame energie in Overbetuwe (531 TJ) over de volle breedte moeten worden benut. Daarvan moet zeker 381 TJ gerealiseerd zijn in 2020. Hierbij wordt ingezet op 213Tj door zonnecellen. De invulling mag anders zijn, als het doel in 2020 maar gehaald wordt. De duurzame energieprojecten in Overbetuwe zullen bestaan uit een mix van kleinschalige en grootschalige projecten. Uit een evaluatie in 2020 blijkt inmiddels dat de doelstelling van 14% hernieuwbare energie in 2020 niet is gehaald. De doelstelling van 16% hernieuwbare energie in 2023 is met de nu bekende windenergie en zonnepark initiatieven wel haalbaar, als de initiatieven doorgaan. Hierbij is op de Eisenhowerplas, bij deze evaluatie uit 2020, een zonneveld van 10 hectare voorzien. In het algemeen geldt dat de gemeente Overbetuwe openstaat voor grootschalige duurzame energie initiatieven. Geen enkele optie wordt op voorhand uitgesloten.
Wel gelden randvoorwaarden zoals: • De mogelijkheid om te participeren als burger; • Het project moet voordelen bieden voor inwoners die in de buurt wonen; • Zorgvuldige communicatie gericht op in kaart brengen zorgen en creëren draagvlak; • Zo duurzaam mogelijk uitvoeren van het project, doe waar mogelijk meer dan wet vereist; • Initiatief moet ruimtelijk inpasbaar en vergunbaar zijn; • Overlast tijdens de bouw en exploitatie moet geminimaliseerd worden. De gemeente wil grootschalige zonPV projecten mogelijk maken, minimaal 2 ha maar bij voorkeur 4 tot 5 ha op locaties die daarvoor geschikt zijn. Daarbij wordt gedacht aan: • Aamse (Eisenhower) plas; • Park Lingezegen; • Eigen grond, grond van overheden. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het voorliggende plan past binnen de routekaart. Naast de landschappelijke inpassing van het zonnepanelenveld, worden de oevers heringericht, waarmee naast een natuurlijke impuls, ook een verbeterde relatie tussen het bedrijventerrein en de plas wordt beoogd. De Eisenhowerplas gaat dienen als een pauzelandschap met groene en grijze voorzieningen. Door op deze plas duurzame energie op te gaan wekken, wordt enerzijds bijgedragen aan de klimaatdoelstellingen en wordt anderzijds schaarse grond optimaal gebruikt, gecombineerd met natuurontwikkeling en extensieve recreatie langs de randen van de plas.
Er wordt een zorgvuldig omgevingsproces doorlopen en er worden financiële participatiemogelijkheden geboden. Tijdens de exploitatiefase is er geen overlast te verwachten van het drijvende zonnepanelenveld. Af en toe zullen er onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden, maar dit zal maximaal eens per jaar zijn. Tijdens de bouwfase wordt de overlast op omgeving en de ecologie zoveel mogelijk beperkt. Er wordt een bouwterrein ingericht aan de zuidkant van de plas, waar enkele maanden gebouwd gaat worden. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur.
Visie Elst Zuidoost Met deze visie legt de gemeente Overbetuwe haar strategisch ruimtelijk-functioneel beleid voor de langere termijn voor het gebied Elst Zuidoost vast. De visie geeft aan waar de gemeente met het gebied naar toe wil en hoe ze het goed functioneren van het gebied wil veilig stellen. Deze visie bevat algemeen ruimtelijk-functioneel beleid van de gemeente Overbetuwe voor het gebied Elst Zuidoost. Het is daarmee geen formele structuurvisie, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, maar een gemeentelijke visie die de gemeente heeft opgesteld vanuit haar algemene bevoegdheid om beleid te ontwikkelen voor haar grondgebied. Onderhavig projectgebied maakt onderdeel uit van het gebied waar de Visie Elst Zuidoost betrekking op heeft. Hierin is aangegeven dat de 31
herinrichting van de Eisenhowerplas nog veel mogelijkheden heeft. De Eisenhowerplas blijft in de visie functioneren als zelfstandig element in het bedrijventerrein, maar de gemeente wil deze plas het grotendeels anders inrichten en gebruiken. Hierbij worden de oevers van de plas verder opgerekt door de plas te verondiepen. Hierdoor wordt de Eisenhowerplas als zelfstandig element geaccentueerd en wordt de plas als herkenbaar structurerend element op het terrein versterkt.
Figuur 11: Uitsnede Ontwikkelbeeld 2025, uit de Visie Elst Zuidoost.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met het voorliggende plan wordt een zonnepanelenveld gerealiseerd op de Eisenhowerplas. Het zonnepanelenveld wordt landschappelijk ingepast, waarbij de oevers worden heringericht. Hierbij is waar mogelijk aangesloten op de uitgangspunten zoals benoemd in de Visie Elst Zuidoost. Het parklandschap wordt momenteel gekenmerkt door solitaire bomen met ruim zicht op het water. Door op tactische plekken (dunne) bomen en de onderbegroeiing te verwijderen, wordt de plas weer zichtbaar. Door aan de noordzijde inheemse boomsoorten aan te planten, wordt het zicht op de aangelegen bedrijfsgebouwen geminimaliseerd. Dit komt de beleving van het parklandschap ten goede. De beplanting op de oevers worden op meerdere plekken ‘open gemaakt’ waardoor de beleving van de plas, met aangrenzende rietkragen, wordt bevorderd. Wandelpaden worden frequenter uitgemaaid wat een natuurlijk, maar verzorgde, uitstraling
32
teweegbrengt. Door o.a. deze maatregelen wordt de Eisenhowerplas als zelfstandig element geaccentueerd en wordt de plas als herkenbaar structurerend element op het terrein versterkt.
Landschapsontwikkelingsplan In september 2010 heeft de gemeente Overbetuwe een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld. Hierin staat hoe de gemeente de komende jaren aandacht besteedt aan natuur en landschap. Daarbij wordt aangegeven welke inzet nodig is om plannen samen met initiatiefnemers te realiseren. Het dient ervoor om alle ontwikkelingen in het buitengebied te (be)geleiden die te maken hebben met landschap. Omdat het planvoornemen niet binnen het geldende bestemmingsplan past, moet het initiatief getoetst worden aan het toetsingskader in het LOP. Overbetuwe is onderverdeeld in 16 deelgebieden; waarvoor de specifieke problematiek, visie en aanbevelingen en acties zijn opgesteld. Het projectgebied van het zonnepanelenveld ligt binnen deelgebied 16. Relevant m.b.t. het voorliggende plan is met name het aantrekkelijk maken van stedelijk uitloopgebied en aanleg natuurvriendelijke oevers. De gemeente zet breed in op de aanleg van natuurvriendelijke en waterbergingsoevers. Door de aanleg van natuurvriendelijke en waterbergingsoevers wordt de groen-blauwe dooradering van het komgebied versterkt. Naast vergroting van de waterberging en verbetering van de waterkwaliteit zal ook de ecologische waarde van de watergangen toenemen, bijvoorbeeld voor migratie van fauna en ontwikkeling van bijzondere kwelafhankelijke vegetaties.
Herinrichting van de watergangen maakt bovendien recreatief gebruik van de oevers mogelijk, bijvoorbeeld over onderhoudspaden. Het bijbehorende toetsingskader in het LOP is opgebouwd uit zes thema’s: • • • • • •
Agrarisch. Wonen en werken. Infrastructuur. Water, ecologie en landschapselementen. Recreatie en toerisme. Archeologie en cultuurhistorie.
Als er een ontwikkeling speelt, wordt bekeken binnen welk thema het initiatief valt. Valt het initiatief binnen de beoogde ontwikkeling volgens het LOP en is het landschappelijk gezien wenselijk? Zo ja (Ja, mits), dan geeft het toetsingskader aan hoe het initiatief, landschappelijk gezien, ontwikkeld dient te worden. Is het landschappelijk gezien minder wenselijk (nee tenzij), dan wordt aangegeven aan welke eisen het moet voldoen om landschappelijk gezien toch aanvaardbaar te zijn en welke tegenprestaties daarvoor geleverd moeten worden. Zonneparken zijn niet direct binnen één van deze thema’s te passen. Het drijvende zonnepanelenveld heeft met name raakvlakken met het thema ‘Water, ecologie en landschapselementen’. Ecologische potenties moeten benut worden en de waterkwaliteit van oppervlakte- en grondwater moet behouden en versterkt worden. Ook archeologische en cultuurhistorische waarden moeten behouden blijven. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met het voorliggende plan is met name ingezet op een goede landschappelijke inpassing van het zonnepanelenveld, het weer kunnen beleven van de Eisenhowerplas, en extensief recreatief medegebruik (zo wordt een pluktuin gerealiseerd en wordt er ontbrekend wandelpad aangelegd, waardoor er straks een rondje om de plas kan worden gelopen).
Door de voorgenomen ingreep wordt minder dan 50% van het wateroppervlak bedenkt, wat geen wezenlijke gevolgen heeft voor het watersysteem en -vegetatie. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van Bifacial-panelen. Deze panelen zijn lichtdoorlatend waardoor het onderliggende water niet geheel wordt afgedekt/bedekt. Dit betekent dat er nog steeds licht door de panelen komt en het wateroppervlakte onder het drijvende zonnepanelenveld bereikt. De panelen liggen nagenoeg vlak op het water, waardoor je over de panelen heen kijkt. De panelen (mede door de lichtdoorlatendheid) hebben de kleur van het water, waardoor op het oog niet een gesloten drijvend vlak ontstaat. Er worden geen cultuurhistorische en archeologische waarden aangetast. 33
Hiermee past het plan, voor zover mogelijk en relevant, binnen de uitgangspunten van het LOP.
Integraal Kwaliteitsplan Openbare Ruimte De gemeenteraad van Overbetuwe heeft op 23 februari 2021 een Integraal Kwaliteitsplan Openbare Ruimte vastgesteld. Hiermee wordt voor zowel het bestuur, de organisatie en de inwoners vastgelegd wat men mag verwachten van de openbare ruimte en waar de organisatie controle op uitoefent en op stuurt. In het kwaliteitsplan spelen de ambities van de gemeente op het gebied van Identiteit, Gezond en inclusief, Klimaatadaptatie, Biodiversiteit, Duurzaam en circulair en Veilig een grote rol. Voor bedrijventerreinen is benoemd dat participatiekansen benut moeten worden. Deze zitten vooral in cocreatie en het stimuleren van ondernemers om maatregelen te treffen op het gebied van klimaatadaptatie, duurzaamheid en veiligheid. De openbare ruimte en de bedrijfspercelen worden in samenhang bezien. Tevens zijn de volgende uitgangspunten benoemd: • Watergangen en wadi’s bevatten oeverbeplanting. Jaarlijks blijft minimaal 1/3 van de vegetatie behouden door pleksgewijs niet te maaien. • Grasstroken grenzend aan randen van het bedrijventerrein en grotere vrijliggende grasvelden (>500m2) worden beheerd als bloemrijke vegetatie. • Randen langs wegen en zichthoeken van kruisingen worden regulier onderhouden voor de overzichtelijkheid en verzorgde uitstraling van de weg.
• Extra biodiversiteit is hier onder andere te realiseren via investeringen zoals nestkasten ophangen, bloembollenstroken aanbrengen, stroken inzaaien met wilde bloemenmengsels, aanplant bloemrijke oeverbeplanting, gradiënt in bodemhoogte en taluds. Co-creatie met bedrijven door toevoegen van nestkasten in gevels, groene daken en gevelbeplanting. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met het voorliggende plan wordt duurzame energie opgewekt met de realisatie van een drijvend zonnepanelenveld. Hierbij wordt samengewerkt met de Stichting Parkmanagement Overbetuwe. Met het plan worden o.a. voormalige gazons omgevormd naar bloemrijke graslanden, verrijkt met een bijen-/insectenhotel. Dit sluit aan op de uitgangspunten zoals genoemd in het Integraal Kwaliteitsplan Openbare Ruimte.
3.6 Conclusie Uit de voorgaande beleidstoets is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid.
34
4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.
4.2 Natuurwaarden De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. Tevens is het effect van het voorliggende plan op de waterkwaliteit onderzocht.
Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de Wet natuurbescherming. Het onderzoek (‘Quickscan flora en fauna, Realisatie drijvend zonneveld Eisenhowerplas’) is als separaat document bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna volgen de belangrijkste conclusies. De voorgenomen werkzaamheden zullen leiden tot een tijdelijk en beperkt verlies van leefgebied, van enkele overige beschermde soorten. Het gaat daarbij met name om de werkruimte waar de panelen worden gemonteerd en vanaf de oever het water op gaan. Hiervoor zijn door de provincie Gelderland vrijstellingen van de ontheffingsplicht opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling van ontheffingsplicht indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Dit geldt mits de volgende voorwaarden worden aangehouden. Voorwaarden voor verlichting tijdens werkzaamheden In het kader van de zorgplicht moet verstoring van licht worden voorkomen tijdens de actieve periode van vleermuizen. Deze actieve periode duurt van half maart tot eind oktober.
Verstoring wordt voorkomen door verlichting achterwege te laten. Als verlichting noodzakelijk is, moet deze tot een minimum worden beperkt en zijn de volgende maatregelen van toepassing: • verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; • verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; • verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); • beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur; • maak gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige LED-verlichting). Met deze voorwaarden wordt rekening gehouden bij de uitvoering. Extra inventarisatie naar verblijfplaatsen bever Bij het bepalen van de werkruimte en locaties voor verankering van het drijvende zonnepanelenveld in de oever, is een extra inventarisatie naar aanwezige verblijfplaatsen nodig. Worden deze aangetroffen, moet een afstand 35
van minimaal 20 meter worden aangehouden. Is er geen andere mogelijkheid, dan is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Houdt rekening met broedende vogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Doordat de werkruimte wordt aangepast aan de aanwezige natuurwaarden en kap wordt vermeden dan wel geminimaliseerd, is het mogelijk de werkzaamheden uit te voeren gedurende het broedseizoen. Bij het eventuele werken in het broedseizoen moet rekening worden gehouden met broedende vogels in de struwelen en bomen rondom de werkruimte. Met deze genoemde voorwaarden wordt rekening gehouden bij de uitvoering van het project. Neem te allen tijde de zorgplicht in acht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht.
Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Nader onderzoek vleermuizen In de ‘Quickscan flora en fauna, Realisatie drijvend zonneveld Eisenhowerplas’ is geconcludeerd dat de plas geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen, maar dat er geen sprake is van een essentiële functie. In het kader van monitoring werd aanbevolen een nader onderzoek te doen naar de foerageerfunctie van de waterplas voor vleermuissoorten. Dit nadere gerichte veldonderzoek geeft duidelijkheid om welke soort(en) en aantallen het gaat. Dit is opgenomen in de bijgevoegde rapportage ‘Nader onderzoek vleermuizen, Eisenhowerplas Elst (GLD)’. Hierin zijn de volgende conclusies opgenomen: Foeragerende vleermuizen Nader onderzoek toont aan dat gewone dwergvleermuis rondom de Eisenhowerplas foerageert en watervleermuis in donker delen (noordwestzijde) boven de plas. Het gaat om een tot enkele individuen. Een essentiële foerageerfunctie is niet aangetoond.
Voor de herinrichting van de waterplas moet in het kader van de zorgplicht verstoring in de actieve periode worden voorkomen. Daarvoor zijn enkele maatregelen gegeven in de bijgevoegde rapportage, welke opgevolgd worden bij de uitvoering van het plan (de eerder genoemde voorwaarden om verstoring door licht te voorkomen). Voortplantingslocatie bastaardkikkers In de waterloop ten zuidoosten van de waterplas zijn vele bastaardkikkers roepend waargenomen. Dit duidt op een voortplantingslocatie. Ook maken enkele tientallen bastaardkikkers gebruik van de waterplas als voortplantingslocatie. Voortplantingswater van de bastaardkikker is niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast blijft met de herinrichting van de waterplas het leefgebied behouden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende plan hiermee uitvoerbaar is, waarbij bij de uitvoering van het project de genoemde voorwaarden in acht genomen moeten worden.
36
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, inmiddels Wet Natuurbescherming) beschermd. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS)/ Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Natura 2000-gebieden: niet- stikstof gerelateerde effecten Het projectgebied ligt op ruim 3 kilometer afstand van Natura 2000-gebied Rijntakken.
De aard van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het projectgebied beperkt blijven. Effect op rust- en slaapplaats vogels De Eisenhowerplas is een relatief kleine plas. Bij verdwijnen of verkleining van dit open water, ondervinden de aangewezen vogelsoorten hier geen significant negatief effect van. Er zijn voldoende en betere slaapplaatsen voor de vogels voor handen. Significante negatieve effecten zijn uitgesloten. Dit is nader onderbouwd in de bijgevoegde ‘Quickscan flora en fauna, Realisatie drijvend zonneveld Eisenhowerplas’. Natura 2000-gebieden: Stikstof gerelateerde effecten In veel Natura 2000-gebieden is er door een overbelasting van stikstof een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie ten gevolgen hebben, kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Met het rekenmodel AERIUS calculator kan de stikstofdepositie worden berekend. Indien uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar), kunnen significante effecten op voorhand worden uitgesloten. In dat geval is er geen vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Voor het voorliggende plan is de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend.
Voor de berekening is gebruik gemaakt van de AERIUS Calculator 2021. De berekeningen zijn uitgevoerd voor het rekenjaar 2023. De maximale toename van de depositie ten gevolge van de bestaande situatie op stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden met een (naderende) overschrijding bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar. Hiermee is het plan uitvoerbaar op dit aspect en is geen vergunning nodig op grond van de Wet natuurbescherming. Zie hiertoe het bijgevoegde rapport ‘Invoer AERIUS Calculator zonnepanelenpark Eisenhowerplas’. Houtopstanden Het projectgebied ligt binnen de bebouwde kom Boswet. Daardoor is de bescherming van houtopstanden vanuit de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Rond de plas zijn geen bomen aanwezig die op de ‘Lijst van monumentale en waardevolle bomen’ staan (gemeente Overbetuwe, 2021). Voor het realiseren van de werkruimte hoeven er geen bomen gekapt te worden.
37
Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Zo gebruikt Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming gelegen in de voormalige EHS. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het GNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een GNN-toetsing uit te voeren. Naast Gelders Natuurnetwerk bestaat ook de Groene Ontwikkelingszone. De Groene Ontwikkelingszone bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met het GNN en daar functioneel mee samenhangen. In deze gebieden wordt ingezet op versterking van die samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden.
Ligging projectgebied Het projectgebied ligt op circa 175 meter afstand van begrensd GNN/GO-gebied, nummer 58 Overbetuwe. Dit gebied ligt aan de oostzijde van het projectgebied, aan de oostkant van de A325. Voor dit gebied zijn verschillende ontwikkelingsdoelen opgesteld. Gevolgen projectgebied De werkzaamheden vinden op de Eisenhowerplas plaats, buiten de begrenzing van GNN- of GO-gebied. Het GNN en het GO kennen geen externe werking. Door de voorgenomen werkzaamheden en de ontwikkeling en de aanwezigheid van de A325 tussen beide worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN significant aantasten. Ook is door de tussenliggende afstand geen sprake van areaal afname. Een nadere toetsing aan de GNN- of GO-kernkwaliteiten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende plan hiermee uitvoerbaar is.
4.3 Archeologische waarden Aardkundige, archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk terplekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met de voorgenomen ontwikkelingen vinden geen grootschalige en diepe bodemingrepen plaats. De zonnepanelen worden op de plas gelegd, waarbij de bodem niet significant geroerd wordt. Hiermee is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor de oevers geldt grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ (en voor een klein deel ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’, conform het geldende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3). Er is archeologisch onderzoek noodzakelijk wanneer er grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 meter plaatsvinden, over een grotere oppervlakte van 100 m2. Daar is met het voorliggende plan geen sprake van. 38
4.4 Cultuurhistorische waarden Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het projectgebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro. In het gemeentelijke Landschapsontwikkelingsplan (LOP) worden herkenbare historische structuren en elementen genoemd, waaronder ook cultuurhistorisch waardevol landschap. In figuur 12 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven.
Figuur 12: Uitsnede 'Visiekaart herkenbare historische structuren en elementen' (kaart 5) uit Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe.
Uit deze visiekaart blijkt dat geen cultuurhistorisch waardevol landschap in het projectgebied aanwezig is. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In het projectgebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten (gebouwen). Ook worden, met de realisatie van het zonnepanelenveld, geen cultuurhistorische waarden in het geding gebracht.
39
4.5 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Rijksbeleid Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het ‘Nationaal Water Programma 2022–2027’. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft wat het Waterschap Rivierenland in de planperiode (20222027) wil bereiken, met wie, hoe het waterschap dat wil doen en waarom. In het WBP zijn voor het waterbeheer in het beheergebied van het waterschap de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.
Ook wordt aangegeven hoe het waterschap deze opgaven samen met anderen wil oppakken en inspelen op initiatieven van derden. Het waterschap geeft zo helder mogelijk de koers en keuzes aan. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vormt het beleidshart van het waterschap. Dit programma biedt houvast voor bestuurders en medewerkers van het waterschap en van de partners. Het Waterbeheerprogramma laat zien dat al het waterschapswerk bijdraagt aan de doelen en daarmee aan de grote maatschappelijke opgaven, waarvoor het waterschap de komende periode samen met de partners gesteld staan. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Voor nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied is de Watertoets een belangrijk instrument. De watertoets blijft een belangrijk instrument om bij ruimtelijke ontwikkelingen de belangen van goed waterbeheer mee te wegen. Er mag in de toekomst geen nieuwe overlast (door bijvoorbeeld toename van verharding) ontstaan. 40
Keur Waterschap Rivierenland 2014 Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen, waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Gemeente Overbetuwe In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals: • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan; • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit; • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast; • beleving van water, burgers betrekken bij water; • afspraken en taken van waterschap en gemeente. Gevolgen plan voor de waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het projectgebied valt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Het voorliggende plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. De zonnepanelen drijven op het water, waarbij regenwater tussen de panelen door in de plas kan blijven vallen. Het plan heeft dan geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. De panelen en de constructie wordt uitgevoerd met niet-uitloogbare materialen. Er komt geen afvalwater vrij. Het plan heeft dan geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit.
Compensatie van verharding is niet aan de orde. Met het plan wordt wel 2.275 m2 aan nieuw waterdoorlatend pad gerealiseerd. Het gaat om Achterhoeks Padvast. Dit is een duurzaam materiaal die veelal wordt toegepast bij de aanleg en onderhoud van recreatieve paden, boswegen, parkeerplaatsen en tuinen. De onderscheidende eigenschappen van Achterhoeks Padvast zijn de hardheid van de steen, de sterkte en slijtvastheid in de toepassing en de waterdoorlatendheid. Het is een 100% schoon product (gekeurd volgens Besluit Bodemkwaliteit). Het pad wordt slechts anderhalve meter breed en loopt deels over het bestaande schouwpad, waarvan de ondergrond sterk verdicht is. Watertoets Ten behoeve van het plan is een digitale watertoets uitgevoerd, welke separaat is bijgevoegd. Naar aanleiding hiervan is het plan nader afgestemd met het waterschap en akkoord bevonden.
41
4.6 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden de aanwezige waarden niet aangetast. Het voornemen is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de bestaande waarden in het projectgebied.
42
5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem • Geluid • Luchtkwaliteit • Externe veiligheid • Bedrijven en milieuzonering • Verkeer en parkeren • Vormvrije m.e.r.-beoordeling • Lichtreflectie • Elektromagnetische straling
5.2 Bodem Met betrekking tot het aspect bodem zijn de Wet bodembescherming, de Wet milieubeheer en het Besluit Bodemkwaliteit van belang. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het drijvende zonnepanelenveld wordt gevormd door bouwwerken, waar geen personen verblijven. Daarnaast zijn er geen grootschalige bodemingrepen aan de orde en wordt er geen grond afgevoerd. De realisatie van een drijvend zonnepanelenveld brengt niet direct risico’s m.b.t. bodemvervuiling met zich mee. Het aspect bodemkwaliteit is niet beperkend voor de ontwikkeling van het zonnepanelenveld. Met betrekking tot het aspect bodem wordt de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar geacht.
5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: • de normen uit de Wet geluidhinder en/of het Activiteitenbesluit worden in acht genomen; • bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; • op en rond het projectgebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder en Activiteitenbesluit Een zonnepanelenveld is geen geluidgevoelig object, waardoor onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder niet van toepassing is. Ook een onderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit (Wet milieubeheer) is niet nodig. De inrichting valt wel onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit, maar is niet meldings- of omgevingsvergunningsplichtig voor het onderdeel milieu. Het zonnepanelenveld veroorzaakt ook geen relevante geluidbelasting.
43
Bedrijven in de omgeving Binnen het projectgebied wordt geen nieuwe geluidgevoelige bestemming gerealiseerd. Bestaande bedrijven worden niet extra belemmerd. Woon- en leefklimaat Er wordt een inkoopstation geplaatst binnen het projectgebied. Het inkoopstation heeft een bronvermogen van maximaal 10 MVA. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is dit gelijk te stellen aan de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven’. Bij een bronvermogen tot maximaal 10 MVA geldt een richtafstand voor geluid van 30 meter tot geluidsgevoelige functies. Het inkoopstation wordt op grotere afstand van bestaande woningen en kantoren gesitueerd. Met betrekking tot geluid blijft dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig.
5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor ontwikkelingen die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een drijvend zonnepanelenveld. De verkeersbewegingen die de ontwikkeling van een zonnepanelenveld met zich mee brengt, zijn alleen tijdens de aanlegfase merkbaar. In deze fase zal er tijdelijk sprake zijn van een grotere toename van verkeersbewegingen.
Nadat de bouw van het zonnepanelenveld is afgerond daalt het aantal verkeersbewegingen weer naar de oude situatie. Zelfs tijdens de bouwperiode zal het aantal verkeersbewegingen ruimschoots onder de 800 per dag blijven. Daardoor leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling niet als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
5.5 Externe veiligheid 5.5.1 Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een
44
grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een dergelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpgtankstation) en de mobiele (tankwagen, gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. • Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om in beeld te brengen of er in het projectgebied of in de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in het projectgebied geen risicobronnen aanwezig zijn, waarmee rekening gehouden moet worden.
Figuur 13: Uitsnede Risicokaart van de provincie Gelderland, ter hoogte van het projectgebied.
In de directe omgeving van het projectgebied liggen wel enkele risicobronnen. Echter, een zonnepanelenveld is geen gevoelig object. Wel betreft een zonnepanelenveld een inrichting die energie in de vorm van elektriciteit opwekt en op het elektriciteitsnet levert. Het zonnepanelenveld kent zelf geen risicocontour. Het zonnepanelenveld ligt op ruime afstand van de oever van de plas en is niet openbaar toegankelijk. Daarnaast wordt het zonnepanelenveld geaard en worden elektriciteitskabels ondergronds aangelegd. De voorgenomen ontwikkeling is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.
45
5.6 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Binnen het projectgebied worden een inkoopstation geplaatst. Het inkoopstation heeft een bronvermogen van maximaal 10 MVA.
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is dit gelijk te stellen aan de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven’. Bij een bronvermogen van maximaal 10 MVA geldt een richtafstand voor geluid (grootste richtafstand) van 30 meter tot geluidsgevoelige functies. Het inkoopstation wordt op grotere afstand van de bestaande woningen en kantoren gesitueerd. Met betrekking tot geluid blijft dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig. Het plan past daardoor binnen de geldende richtafstanden uit de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Ook worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt.
5.7 Verkeer en parkeren In de voorgenomen ontwikkeling wordt de Eisenhowerplas mede in gebruik genomen als zonnepanelenveld. Een dergelijke ontwikkeling heeft geen grote gevolgen voor het verkeer en parkeren. Tijdens de exploitatiefase is er geen overlast te verwachten van het drijvende zonnepanelenveld. Af en toe zullen er onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden, maar dit zal maximaal eens per jaar zijn. Tijdens de bouwfase wordt de overlast op omgeving en de ecologie zoveel mogelijk beperkt. Er wordt een bouwterrein ingericht aan de zuidkant van de plas, waar enkele maanden gebouwd gaat worden. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur. Er is voldoende ruimte voor incidenteel parkeren, tijdens beheer van het zonnepanelenveld.
5.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het Besluit milieueffectrapportage geeft activiteiten en gevallen aan waarin een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Ook gelden er verplichtingen als een voorgenomen project valt onder de genoemde activiteiten, maar niet onder de drempelwaarden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 46
• •
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het project maakt een functiewijziging naar een drijvend zonnepanelenveld mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling is niet opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het zonnepanelenveld betreft bijvoorbeeld geen landinrichtingsproject (D9). De ontwikkeling van een zonneveld valt pas onder deze categorie als deze onderdeel uitmaakt van een groter landinrichtingsproject (het project dient een voldoende substantieel karakter te hebben). Ook valt het project niet onder categorie D22.1. Hiervan is sprake bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Het zonneveld wekt alleen energie op. Verder is categorie D11.2 niet van toepassing, aangezien het geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft en het zonneveld een relatief beperkt oppervlak beslaat.
Voor de volledigheid verwijzen wij ook naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 september 2018 en zaaknummer 18_689, waarin bevestigd wordt dat een vergelijkbaar project niet valt binnen de categorie D van het Besluit m.e.r. en er geen beoordeling nodig is. Deze uitspraak is op 14 augustus 2019 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en na te zien onder het zaaknummer 2019:2770. Voor het voorgenomen plan is geen m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. benodigd. Het drijvende zonnepanelenveld valt niet onder het Besluit milieueffectrapportage. Overigens wordt de constructie zodanig aangelegd dat er geen schade ontstaat en het systeem makkelijk demontabel is. De locatie is onderzocht op het gebied van aanwezige ecologische waarden. Hieruit blijkt dat het gebied geschikt is voor planontwikkeling. De locatie is niet gelegen in een Natura 2000-gebied, Natuur Netwerk Nederland-zonering of andere beschermde gebieden. Ook blijkt uit de voorliggende Ruimtelijke Onderbouwing dat geen andere relevante beschermde waarden significant worden aangetast. Resumerend zullen er zowel tijdens de aanlegfase, als tijdens de gebruiksfase, als tijdens de ontmantelingsfase, geen significante negatieve effecten bestaan voor het milieu.
5.9
Lichtreflectie
Het drijvende zonnepanelenveld wordt omsloten door landschappelijke groenelementen die de panelen afschermen. Ook wordt gekozen voor een type paneel welke lichtschittering zoveel mogelijk beperkt. Hiermee is er geen sprake van lichtreflectie op omliggende woningen en wegen.
47
5.10
Elektromagnetische straling
Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (μT). Dit voorzorgsprincipe dient daarmee ook gehanteerd te worden bij de ontwikkeling van een zonnepanelenveld, door de afstand van een zonnepanelenveld tot woningen en andere gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 μT komt. In het RIVM ‘Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen’ (RIVM-rapport 609300011/2009) wordt aandacht besteed aan elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations. De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT wordt bereikt op een afstand van maximaal 7 m van onderzochte transformatorstations. Gezien de relatief grote afstand van zowel omvormers als de transformatoren tot de dichtstbijzijnde woningen mag redelijkerwijs worden aangenomen dat elektromagnetische straling geen gezondheidsrisico vormt.
5.11
Conclusie
In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.
48
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven.
6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Geconstateerd is dat er geen omgeving- en milieukundige belemmeringen zijn. Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsproces Er is een zorgvuldig omgevingsproces doorlopen. Zo is er een bedrijvenronde uitgevoerd (om de direct aangrenzende bedrijven te informeren en mee te nemen in het proces), zijn er informatieavonden gehouden en zijn diverse andere belanghebbenden betrokken.
Financiële participatie Bij het voorliggende project wordt de mogelijkheid geboden voor financiële participatie. Dit is beschreven in paragraaf 2.2.8 van de voorliggende Ruimtelijke Onderbouwing.
Vooroverleg Het Rijk Geoordeeld is dat dit ruimtelijke plan geen nationale belangen schaadt. Daarom kan worden afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Gelderland Het voorliggende plan is afgestemd met de provincie Gelderland. De provincie heeft geoordeeld dat het plan past binnen het provinciale beleid en de regelgeving.
Waterschap Rivierenland Ten behoeve van het plan is een digitale watertoets uitgevoerd, welke separaat is bijgevoegd. Naar aanleiding hiervan heeft er afstemming plaatsgevonden met het waterschap. Het waterschap heeft ingestemd met het voorliggende plan.
49
Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning zal voor de duur van zes weken voor zienswijzen ter inzage worden gelegd.
6.4 Economische uitvoerbaarheid Het bouwplan is geen aangewezen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. Een exploitatieplan is dan ook niet nodig. Wel dient verhaal van planschadekosten te worden verzekerd. Hiertoe wordt een planschadeovereenkomst gesloten.
6.5 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk, en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
50