23-11-21.20 Relevant stuk 1, Concept raadsbesluit Verordening Fysieke Leefomgeving 2024 (inclusief begrippenlijst, bijlage 1)
Tekst van het document
Onderwerp: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Overbetuwe 2024 Ons kenmerk: 2023-051258 Nr. De raad van de gemeente Overbetuwe; gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 12 september 2023; gelezen het advies van de voorbereidende vergadering van 31 oktober 2023; Overwegende dat: -bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet de regels die de fysieke leefomgeving betreffen worden opgenomen in het omgevingsplan; -dat gedurende de overgangsperiode na inwerkingtreding van de wet deze regels nog in aparte verordeningen kunnen staan; -gemeente Overbetuwe verschillende verordeningen heeft waarin regels staan die de fysieke leefomgeving betreffen; -de wens is deze regels tijdens de overgangsperiode zo veel mogelijk te bundelen; gelet op: -artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, 2.21, eerste lid, onder a en b, en 3.148, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer juncto artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; -artikelen 5.2 en 5.4, vierde lid van de Telecommunicatiewet, artikelen 154, 156 en 229 van de Gemeentewet, artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht en artikel 10.11 van de Omgevingswet; -artikel 2.16 van de Omgevingswet, het besluit activiteiten leefomgeving.
-artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988; -het omgevingsplan van gemeente Overbetuwe besluit: vast te stellen de
Verordening fysieke leefomgeving gemeente Overbetuwe 2024
Pagina 1 van 40
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen ....................................................................................................3 Hoofdstuk 2 Openbare ruimte.............................................................................................................4 2.1 Openbare weg ............................................................................................................................4 2.2 Standplaatsen.............................................................................................................................5 2.3 Snuffelmarkten ...........................................................................................................................6 2.4 Paardenmarkt .............................................................................................................................6 2.5 Voertuigen ...................................................................................................................................8 2.6 Openbaar water en waterstaatswerken ................................................................................10 2.7 Bomen en houtopstanden.......................................................................................................11 2.8 Recreatie
...................................................................................................................................11 2.9 Omgevingshinder .................................................................................................................12 2.10 Reclame ..............................................................................................................................16 Hoofdstuk 3 Ondergrondse infrastructuur.......................................................................................18 Hoofdstuk 4 Riolering.........................................................................................................................23 Hoofdstuk 5..........................................................................................................................................26 (gereserveerd).....................................................................................................................................26 Hoofdstuk 6 Erfgoed...........................................................................................................................26 6.1 Algemeen ..................................................................................................................................26 6.2 Aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen .............26 6.3 Aanwijzing gemeentelijk
monument ......................................................................................27 6.4 Bescherming gemeentelijk monument..................................................................................29 6.5 Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht .............................................29 6.6 Instandhouding archeologische terreinen.............................................................................30 Hoofdstuk 7 Procesregels .................................................................................................................32 Hoofdstuk 8 sanctie, overgangs- en slotbepalingen......................................................................34 8.1 Toezicht en handhaving ..........................................................................................................34 8.2 Strafbepalingen ........................................................................................................................34 8.3 Slotbepalingen..........................................................................................................................34 Bijlage 1: begrippenlijst ......................................................................................................................36
Pagina 2 van 40
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen De begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening staan in de bij deze verordening behorende bijlage 1. Artikel 1.2 Toepassingsbereik 1. Deze verordening gaat over: a. De fysieke leefomgeving, en; b. Activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: a. Bouwwerken; b. Infrastructuur; c. Watersystemen; d. Water; e. Bodem; f. Lucht; g. Landschappen; h. Natuur; i. Cultureel erfgoed; 3. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: a. Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan; b. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; c. Activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt; d. Het nalaten van activiteiten. 4. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt, of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 Doel van deze verordening 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Deze regels zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan. 2.
Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 1.4 Meest recente versie Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven.
Pagina 3 van 40
Hoofdstuk 2 Openbare ruimte 2.1 Openbare weg Artikel 2.1 Voorwerpen op of aan de weg (APV 2021 2.10) 1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 7.8 kan een vergunning worden geweigerd a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV gemeente Overbetuwe; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27 van de APV gemeente Overbetuwe; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 2.6 van deze verordening; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f.
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. g. voorwerpen of stoffen die noodzakelijkerwijze op de weg gebracht worden in verband met bouwwerkzaamheden en mits degene die werkzaamheden verricht of doet verrichten er voor zorgt, dat de voorwerpen of stoffen voldoen aan de CROW richtlijn publicatie 130 voor het markeren van onverlichte obstakels en onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval niet langer dan drie achtereenvolgende dagen, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; h. voorwerpen binnen een strook van één meter, gemeten vanuit de voorgevel van de winkel. 4. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 5. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. 6. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 7. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (APV 2021 2.11 ) 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op Pagina 4 van 40
situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 2.3 Maken of veranderen van een uitweg (APV 2021 2.12) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2.4 Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de weg (APV 2021 2:13) Het is onverminderd de daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen verboden op een weg voorwerpen, modder of stoffen, die aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of slechte afwatering van de weg, aldaar in directe of indirecte zin te plaatsen, te werpen, uit te gieten, over te brengen, los te laten, te laten afvloeien of te laten vallen. Artikel 2.5 Bruikbaar houden van de weg (APV 2021 2:13a) 1. In het belang van de orde en netheid van de weg en de afwatering van de weg is het degene door wiens handelen of toedoen een of meer voorwerpen, modder of stoffen als bedoeld in artikel 2.4 op een weg zijn geraakt, verboden deze daarop te laten. 2. Met het oog op deze belangen dient de in te eerste lid bedoelde persoon de weg terstond dan wel op aanwijzing van politie of toezichthouders te ontdoen of te laten ontdoen van voorwerpen of stoffen als bedoeld in artikel 2.4.
2.2 Standplaatsen Artikel 2.6 Definitie (APV 2021 5:17) 1. In deze paragraaf wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV gemeente Overbetuwe. Artikel 2.7 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (APV 2021 5.18) 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 7.8 kan de vergunning in ieder geval worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of Pagina 5 van 40
b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.8 Locaties standplaatsen (APV 2021 5:18a) 1. Het is verboden een standplaats als bedoeld in artikel 2.7 in te nemen op een andere locatie dan door het college bij besluit is aangewezen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het innemen van een standplaats voor het te koop aanbieden, verkopen of verstrekken van: a. seizoensgebonden producten; b. producten, waaronder gedrukte of geschreven stukken, van ideële instellingen en politieke partijen. Artikel 2.9 Toestemming rechthebbende (APV 2021 5:19) Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 2.10 Afbakeningsbepalingen (APV 2021 5:20) 1. Artikel 2.7, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2.
De weigeringsgrond van artikel 2.7, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
2.3 Snuffelmarkten Artikel 2.11 Organiseren van een snuffelmarkt (APV 2021 5:23) 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
2.4 Paardenmarkt Artikel 2.12 Het is slechts toegestaan paardenmarkt te houden op het paardenmarktterrein. Artikel 2.13 Voor de afzondering van zieke, wrakke en gewonde dieren worden de op het voorterrein aanwezige daartoe bestemde en op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig aangegeven ruimten aangewezen. Artikel 2.14 Nabij de plaatsen, waar de keuring plaatsvindt, zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart (bijlage 2) zijn aanwezig: a. één of meer door burgemeester en wethouders aan te wijzen dierenarts(en); b. de nodige middelen ter reiniging en ontsmetting; c. een lokaliteit voor de met de keuring belaste dierenarts en diens hulppersoneel. Pagina 6 van 40
Artikel 2.15 De in artikel 2.14, onder c bedoelde lokaliteit en de onmiddellijke omgeving daarvan is van een zodanige kunstverlichting voorzien, dat het veeartsenijkundig onderzoek naar behoren kan geschieden. Artikel 2.16 1. Tot de marktplaats mogen op de dag slechts paarden worden aangevoerd tussen 03.00 uur en 10.00 uur. 2. De paardenmarkt moet te 17.00 uur ontruimd zijn. Artikel 2.17 Het is niet toegestaan: a. een ander gedeelte van het paardenmarktterrein dan het voorterrein te gebruiken voor de aan- en afvoer van paarden; b. paarden op een ander gedeelte van het paardenmarktterrein te laden en te lossen dan op de voor de bij deze verordening behorende kaart aangegeven gedeelten van het voorterrein; c. gestorven paarden te lossen op het paardenmarktterrein; d. paarden, die zijn gelost en nog niet aan de keuring zijn onderworpen, op een andere plaats van het paardenmarktterrein te houden dan op de bij deze verordening behorende kaart aangegeven gedeelten van het voorterrein; e. paarden op een ander gedeelte van het paardenmarktterrein ten behoeve van de verkoop op te stellen dan op de bij deze verordening aangegeven gedeelten van de marktplaats; f.
een ander gedeelte van het paardenmarktterrein dan het op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig aangegeven gedeelte van het voorterrein te gebruiken voor het reinigen en ontsmetten van veewagens, waarmee paarden naar het paardenmarktterrein zijn aangevoerd; g. paarden anders vast te zetten dan aan de door van gemeentewege geplaatste lijnen op het paardenmarktterrein. h. met paarden te draven op het marktterrein. Artikel 2.18 Het is niet toegestaan paarden op de marktplaats te brengen of te houden dan nadat bij een onmiddellijk tevoren (ter plaatse) verrichte keuring is gebleken dat tegen toelating tot de marktplaats geen bezwaren bestaan. Artikel 2.19 De eigenaar, houder of hoeder van de aangevoerde dieren is verplicht de paarden ter keuring aan te bieden en hierbij de nodige medewerking te verlenen. Artikel 2.20 1. Het brengen van paarden naar de marktplaats is slechts toegestaan langs de toegangen die op de bij deze verordening behorende kaart daartoe zijn aangewezen. 2. De aanvoer naar de marktplaats van paarden dient op een zodanige wijze plaats te vinden dat zij geen gevaar opleveren voor mens en dier. Artikel 2.21 Zieke, wrakke en gewonde paarden en paarden die op grond van de keuring niet tot de marktplaats zijn toegelaten dienen totdat ze worden afgevoerd te worden ondergebracht in de in artikel 2.13 vermelde ruimte.
Pagina 7 van 40
Artikel 2.22 Degene, die paarden op het paardenmarktterrein aanvoert of anderszins onder zijn hoede heeft, dient ieder ongeval, ieder duidelijk geval van ziekte, ieder dreigend sterfgeval en ieder sterfgeval dat zich onder deze dieren voordoet onverwijld te melden aan de met de keuring belaste dierenarts(en). Artikel 2.23 Het is niet toegestaan reeds gebruikt strooisel op de marktplaats te brengen of, anders dan van gemeentewege, daarvan weg te voeren. Artikel 2.24 1. De marktplaats en de ten behoeve van de paardenmarkt gebruikte hulpmaterialen dienen na beëindiging van de markt onverwijld en deugdelijk door de gemeente te worden gereinigd en ontsmet. 2. Het in lid 1 bepaalde is eveneens van toepassing op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig aangegeven gedeelten van het voorterrein, die zijn gebruikt voor het reinigen en ontsmetten van veewagens en op het gedeelte van het voorterrein dat is gebruikt voor het laden en lossen van paarden. Artikel 2.25 De aanvoer van en de handel in huiden en vellen is op de marktplaats niet toegestaan. Artikel 2.26 1. In bijzondere gevallen kunnen door of vanwege het gemeentebestuur, in overeenstemming met de inspecteur, één of meer gedeelten van het voorterrein worden aangewezen voor het opstellen van paarden ten behoeve van de verkoop. 2.
Op vorenbedoeld gedeelte of vorenbedoelde gedeelten van het voorterrein zijn de bepalingen van deze verordening, welke op de marktplaats betrekking hebben, van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.27 De inspecteur is bevoegd in verband met het dreigen, optreden of heersen van een besmettelijke veeziekte bijzondere voorschriften betreffende het veeartsenijkundig toezicht te geven. Artikel 2.28 De handhaving van de bepalingen van deze verordening en de opsporing van de overtredingen daarvan worden opgedragen aan de ambtenaren van de politie, aan de gemeentelijke toezichthouders, aan de marktmeester, aan de met de keuring belaste dierenartsen, aan de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst en aan de door burgemeester en wethouders daartoe aangewezen ambtenaren.
2.5 Voertuigen Artikel 2.29 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke (APV 2021 5:2) 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. Pagina 8 van 40
3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 2.30 Defecte voertuigen (APV 2021 5:4) Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 2.31 Voertuigwrakken (APV 2021 5:5) 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.32 Kampeermiddelen en andere voertuigen (APV 2021 5:6) 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een weg binnen de bebouwde kom; b.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. Artikel 2.33 Reclamevoertuigen (APV 2021 5:7) 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 2.34 Grote voertuigen (APV 2021 5:8) 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter of een breedte heeft van meer dan 2,05 meter, te parkeren binnen de bebouwde kom, met uitzondering van de bedrijventerreinen, alsmede op door het college aangewezen plaatsen buiten de bebouwde kom. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.
Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. De ontheffing van het verbod in het eerste lid wordt in ieder geval niet verleend als er naar het oordeel van het college sprake is van schade voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Pagina 9 van 40
Artikel 2.35 Uitzichtbelemmerende voertuigen (APV 2021 5:9) 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter of een breedte heeft van meer dan 2,05 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 2.36 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen (APV 2021 5.11) 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park, plantsoen, kinderspeelplaats of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt ter uitvoering van werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
2.6 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 2.37 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (APV 2021 5:24) 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening, op situaties waarin wordt voorzien door het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of op situaties zoals genoemd in het vijfde lid van artikel 5.24 van de APV. Artikel 2.38 Ligplaats vaartuigen (APV 2021 5:25) 1.
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
Pagina 10 van 40
a. nadere regels stellen in het belang van de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening, op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet of de Wet milieubeheer en in de gevallen zoals genoemd in het derde lid van artikel 5.25 van de APV. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente en met betrekking tot de gevallen zoals genoemd in het vierde lid van artikel 5.25 van de APV. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel 2.39 Beschadigen van waterstaatswerken (APV 2021 5:28) 1.
Het is verboden veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening en op situaties die zijn genoemd in het tweede lid van artikel 5:28 van de APV.
2.7 Bomen en houtopstanden Artikel 2.40 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (APV 2021 4:11) 1. Het college stelt een Bomenlijst vast waarop de monumentale en andere beschermenswaardige bomen in de gemeente worden vermeld. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde Bomenlijst. 3. In afwijking van artikel 7.8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 4. Het verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 5. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
2.8 Recreatie Artikel 2.41 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (APV 2021 4.18) 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. Pagina 11 van 40
2. Het verbod geldt niet: a. voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein; b. voor het plaatsen van een tent of soortgelijk kampeermiddel voor gebruik tijdens nachtvissen. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 7.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 2.42 Aanwijzing kampeerplaatsen (APV 2021 4.19) 1. Het college kan plaatsen aanwijzen waarvoor het verbod van artikel 2.41 eerste lid, niet van toepassing is. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 2.41 vierde lid.
2.9 Omgevingshinder Artikel 2.43 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; - collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; - gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; - incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 2.44 tot en met 2.45 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 2.44 Aanwijzing collectieve festiviteiten (APV 2021 4.2) 1.
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 2.46 gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de dorpskernen in de gemeente. 4. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
Pagina 12 van 40
5. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen. 6. De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 7. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 2.46 uiterlijk één uur voor de reguliere sluitingstijd beëindigd. Als een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 2:29, vierde lid, van de APV wordt de aangepaste sluitingstijd als reguliere sluitingstijd aangemerkt. Artikel 2.45 Melding incidentele festiviteiten (APV 2021 4:3) 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19. 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 2.46 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Op maximaal twee van deze 12 dagen mogen er tevens festiviteiten in de buitenruimte behorende bij de inrichting gehouden worden. Een dergelijke festiviteit moet dan in de melding worden opgenomen. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting tenminste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie.
Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte, uitgezonderd tijdens de festiviteiten in de buitenruimte die op grond van lid 1 zijn toegestaan. 9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 10. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 2.50, uiterlijk één uur voor de reguliere sluitingstijd beëindigd. Als een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 2:29, vierde lid van de APV, wordt de aangepaste sluitingstijd als reguliere sluitingstijd aangemerkt. Artikel 2.46 Onversterkte muziek (APV 2021 4.5) 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.
de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; Pagina 13 van 40
b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d., van het Besluit geluidhinder zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
80 dB(A)
75 dB(A)
70 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
3. Voor de duur van 5 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 2.44 en 2.45. Artikel 2.47 Overige geluidhinder (APV 2021 4:6) 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Geen ontheffing wordt verleend voor het ten gehore mogen brengen van muziek, hoger dan de maximaal toegestane geluidsnorm, voor privéaangelegenheden op eigen terrein zoals een verjaardag, bruiloft of anderszins feestelijke aangelegenheid. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening en op situaties die in het derde lid van artikel 4:6 van de APV zijn genoemd.
Artikel 2.48 (Geluid)hinder in de openlucht (APV 2021 4:6a) 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; Pagina 14 van 40
c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening en op situaties die in het vijfde lid van artikel 4:6a van de APV zijn genoemd. Artikel 2.49 Crossterreinen (APV 2021 5:32) 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, het Besluit omgevingsrecht en de situaties die worden genoemd in het derde lid van artikel 5:32 van de APV. Artikel 2.50 Beperking verkeer in natuurgebieden (APV 2021 5:33) 1.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezenterreinen. Het college kan regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b.
binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 2.51 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken (APV 2021 5.34) 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Omgevingswet of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; Pagina 15 van 40
b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 7.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1. of 3., van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 2.52 Verbod oplaten ballonnen (APV 2021 4:9a) 1. Onder ‘ballon’ wordt verstaan: een licht omhulsel van welk materiaal dan ook gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of gevuld met hete lucht afkomstig van vuur of een brandstofelement. 2. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht. Het is tevens verboden het oplaten van ballonnen in de open lucht te organiseren. 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op: a. ballonnen waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald en b. ballonnen die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen.
2.10 Reclame Artikel 2.53 Vergunningplicht handelsreclame (APV 2021 4:16a) 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar is. 2. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en/of het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e.
opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijke kennisgeving is gedaan aan het college; b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; c. deze opschriften en aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. Pagina 16 van 40
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a. als de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 5. De weigeringsgrond van het vierde lid, a. onder a geldt niet voor bouwwerken, met uitzondering van vergunningsvrije bouwwerken; b. onder b geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.
Pagina 17 van 40
Hoofdstuk 3 Ondergrondse infrastructuur Artikel 3.1 Toepassingsbereik 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de procedures en voorschriften voor het aanleggen, instandhouden, verleggen en opruimen van kabels en leidingen in of op openbare gronden, voor zover de gemeente deze gronden beheert, in bezit heeft dan wel daarover coördinatieverplichtingen heeft. 2. Deze verordening is niet van toepassing op het netwerk van gemeentelijke riolering. Artikel 3.2 Nadere regels 1. Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. 2. De in het eerste lid bedoelde nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verlegging en opruiming van kabels en leidingen; b. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; c. het opstellen van voorschriften op het gebied van markering, afzetting en het toepassen van proefsleuven. Artikel 3.3 Instemmingsbesluit 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een voorafgaand instemmingsbesluit van het college over plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden, medegebruik van voorzieningen en de afstemming van voorgenomen werkzaamheden met overige netbeheerders, kabels en leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden, te verleggen of op te ruimen. 2.
Voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard of spoedeisende werkzaamheden, is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, vereist, maar een melding. Van werkzaamheden van minder ingrijpende aard is sprake bij het aanbrengen of verwijderen van kabels en leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen, reparaties en onderhoudswerkzaamheden aan kabels en leidingen met een lengte van minder dan 25 meter en het maken van (huis)aansluitingen, waarbij geen gesloten verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist, met een lengte van minder dan 25 meter; 3. Het instemmingsbesluit vervalt als daarvan geen gebruik wordt gemaakt binnen één jaar na de datum waarop het besluit onherroepelijk is geworden. 4. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij het uitvoeren van haar publiekrechtelijke taak. Artikel 3.4 Aanvraag en melding 1. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten, moet een aanvraag om een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid van deze verordening, indienen bij het college. 2. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten kan hierover een vooroverleg voeren met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. 3. Behalve voor zover artikel 5.5.
van de Telecommunicatiewet van toepassing is, stelt de grondroerder, als de werkzaamheden mede betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, uiterlijk 4 weken na indiening van de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis van de uitkomsten van het (voor)overleg tussen de grondroerder en de andere gedoogplichtige(n). 4. Van minder ingrijpende werkzaamheden moet de grondroerder 7 dagen voor de uitvoering schriftelijk bij het college melding doen. Op grond van de belangen, zoals genoemd in artikel 3.7, eerste lid van deze verordening, kan het college bepalen dat de realisatie van deze werkzaamheden op een later tijdstip moet plaatsvinden. 5. Bij spoedeisende werkzaamheden volstaat een melding voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk Pagina 18 van 40
binnen één werkdag na de start van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan aan het college. Als achteraf blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden instemmingsplichtig zjn, moet alsnog een aanvraag voor een instemmingsbesluit worden ingediend bij het college. 6. Als werkzaamheden worden verricht in nader door het college aan te wijzen gebieden, is de uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden niet van toepassing. Artikel 3.5 Beslistermijn 1. Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Als het gaat om een aanvraag waarbij meerdere gedoogplichtigen zijn betrokken, dan beslist het college binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag en alle bijbehorende instemmingen van de gedoogplichtigen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, houdt het college de beslissing aan, als in verband met de voorgenomen werkzaamheden een (omgevings)vergunning is vereist, tenzij de beschikking op een aanvraag van genoemde vergunningen al is gegeven, en de in artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn is verstreken zonder dat bezwaren zijn ingediend. Deze aanhouding eindigt na afloop van de bezwarentermijn, tenzij er bezwaren zijn ingediend en tevens is verzocht om een voorlopige voorziening; in dat geval eindigt de aanhouding met ingang van de dag nadat op dat verzoek is beslist. 4.
De termijnen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen eenmaal met ten hoogste 8 weken worden verdaagd. 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel 3.6 Voorschriften en/ of beperkingen 1. Het college kan aan het instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 3.3, voorschriften en/ of beperkingen verbinden in het belang van: a. de openbare orde; b. de veiligheid, waaronder mede wordt verstaan de verkeersveiligheid en/ of een goede doorstroming van het verkeer; c. het voorkomen of beperken van schade of overlast, waaronder mede wordt verstaan de bescherming van eventuele archeologische vondsten, groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede wordt verstaan het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen en het doelmatig beheer en onderhoud ervan en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarkten en kermissen; e.
de ondergrondse ordening, waaronder mede wordt verstaan het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor alle in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder mede worden verstaan werken ten behoeve van de riolering en de levering of het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie. 2. De voorschriften en/ of beperkingen, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering bij aanleg, instandhouding, onderhoud, verlegging en opruiming van kabels en leidingen; b. het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, die door derden of de gemeente tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken; d. een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen die gesteld zijn bij de voorschriften en/ of beperkingen aan het instemmingsbesluit; e. afmetingen van kasten en andere toebehoren behorende bij het netwerk.
Pagina 19 van 40
3. De grondroerder moet omwonenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden minimaal 7 dagen voor de start van de werkzaamheden schriftelijk informeren over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4. De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verlegging en opruiming van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen moet gebeuren conform de in de gemeente van toepassing zijnde uitvoeringsvoorschriften. 5. De grondroerder vergoedt aan de gemeente de schade voortvloeiend uit de werkzaamheden, waarbij de omvang beperkt is tot vergoeding van de marktconforme kosten van de voorzieningen en van de meerdere marktconforme kosten van onderhoud. 6. De grondroerder brengt na beëindiging van de werkzaamheden de grond (en eventuele verhardingen en/ of groen) terug in de “oude staat”, tenzij voor de start van de werkzaamheden is overeengekomen dat de gemeente hiervoor zorg draagt. In dit laatste geval draagt de gemeente de marktconforme kosten die nodig zijn voor het terugbrengen van de grond in de “oude staat”. 7. De grondroerder draagt de marktconforme kosten voor herstel die gebaseerd zijn op de dan geldende VNG Richtlijn ‘Tarieven (graaf)werkzaamheden telecom’ en de daarbij behorende ‘Tarieven (her)straatwerkzaamheden kabels- en/ of leidingwerken’. Het college kan afwijkende tarieven vaststellen. Artikel 3.7 (Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg 1.
Een grondroerder moet op verzoek van het college bij de aanleg van kabels en leidingen in openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik maken van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen. Dit geldt alleen als dit technisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2. Het vooroverleg als bedoeld in artikel 5, tweede lid van deze verordening, dan wel een door het college geïnitieerd overleg naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid van deze verordening, is er mede op gericht te bepalen of en zo ja langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. 3. Als een grondroerder een redelijk aanbod wordt gedaan om gebruik te maken van vooraangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten of kabel- en leidingtunnels, is de grondroerder verplicht om voor de aanleg of uitbreiding van zijn netwerk van deze voorzieningen gebruik te maken. 4. Als de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van nieuwe kabels en leidingen, moet de grondroerder een alternatief tracé kiezen. Artikel 3.8 Nadeelcompensatie 1.
Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, waaronder het verleggen, op verzoek van de gemeente, zijn de wettelijke regels van de Telecommunicatiewet van toepassing. 2. Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen, die niet vallen onder het eerste lid, op verzoek van de gemeente, is de beleidsregel ‘Nadeelcompensatie kabels en leidingen gemeente Overbetuwe’ van toepassing, tenzij en voor zover andersluidende afspraken zijn overeengekomen tussen partijen. 3. Als ten gevolge van werkzaamheden, niet zijnde gemeentelijke werkzaamheden, verlegging, wijziging of verwijdering van enig eigendom van de gemeente noodzakelijk is dan wel ten behoeve van werkzaamheden speciale voorzieningen moeten worden getroffen, komen de kosten ervan voor rekening van de opdrachtgever, tenzij er redelijkerwijs aanleiding bestaat om de kosten over meerdere partijen te verdelen dan wel om geen kosten in rekening te brengen. 4. Na een aanwijzing tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen gaat de netbeheerder zo snel mogelijk over tot de uitvoering, doch niet later dan 16 weken na de datum van ontvangst van de aanwijzing. Pagina 20 van 40
Artikel 3.9 Breekverbod 1. Als er sprake is van extreme weersomstandigheden, is het college bevoegd een breekverbod op te leggen. De vaststelling dat sprake is van extreme weersomstandigheden, is een bevoegdheid van het college. 2. Tijdig, of in ieder geval één dag voor beëindiging van het breekverbod, informeert het college de betrokken grondroerder hierover. 3. Het breekverbod is niet van toepassing in geval van spoedeisende werkzaamheden. Artikel 3.10 Eigendom 1. Als het eigendom, de exploitatie of het beheer van kabels en leidingen wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, draagt de oude netbeheerder zorg voor het overdragen van de rechten en plichten die betrekking hebben op de kabels en leidingen op de nieuwe netbeheerder. 2. De netbeheerder stelt het college zo spoedig mogelijk in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabels en leidingen verandert. Artikel 3.11 Niet-openbare kabels en leidingen 1. Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding, verlegging en opruiming van niet-openbare kabels en leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing. 2. Het eerste lid van dit artikel houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot niet-openbare kabels en leidingen. Artikel 3.12 Informatieplicht 1.