22-06-21.08 Relevant stuk 3, Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Toelichting (ontwerp)
27
bestemmingsplan Elst, De Pas bouwkundige constructies. De optredende geluidbelastingen worden op deze wijze acceptabel geacht. Ten behoeve van de uiteindelijke realisatie van de nieuwe woningen dient door de initiatiefnemer te zijnertijd bij de aanvraag om omgevingsvergunning onderzoek onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidswering van de gevels om zodoende te kunnen garanderen dat aan de eis voor het binnenniveau (33 dB), zoals opgenomen in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit, wordt voldaan. De geluidsbelastingen zoals, opgenomen in het akoestisch onderzoek, exclusief aftrek conform artikel 110g, dienen hiervoor als uitgangspunt. Het realiseren van voldoende geluidwering is op basis van de berekende geluidbelastingen haalbaar. Conclusie De geluidbelasting vanwege weg- en railverkeerslawaai is onderzocht. De voorkeursgrenswaarden vanwege wegverkeerslawaai op de Rijksweg Zuid en Bussel/Olympiasingel en vanwege railverkeerslawaai op de spoorlijn Elst-Nijmegen worden voor diverse woningen overschreden. Het verlenen van hogere waarden is noodzakelijk. Hiertoe is een separaat besluit genomen. De optredende geluidbelastingen worden acceptabel geacht. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.
5.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).
Beoordeling en conclusie Met dit bestemmingsplan wordt enerzijds voorzien in de realisatie van een nieuw woongebied en twee maatschappelijke voorzieningen. Momenteel zijn in het gebied een agrarisch bedrijf, agrarische gronden en één niet-agrarisch bedrijf aanwezig. De planontwikkeling leidt tot een toename van de verkeersgeneratie. In paragraaf 5.13 is deze toename beschreven. De planontwikkeling genereert circa 2.250 verkeersbewegingen per etmaal. De ontwikkeling kan, gezien deze toename, een relevant effect op de luchtkwaliteit hebben. Om na te gaan of de ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is door middel van de NIBM-tool berekend of het plan mogelijk in betekenende mate bijdraagt. Afbeelding 5.1 geeft de resultaten hiervan weer. Er is worst case het jaar 2022 ingevoerd. Dit betreft het jaar van de beoogde start van de planrealisatie, die over enkele jaren verspreid zal plaatsvinden. Hierbij is de totale verkeerstoename vanwege het plan
28
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas berekend.
Af beelding 5.1: berekening NIBM-tool
Uit de berekening volgt dat het plan mogelijk in betekenende mate bijdraagt. Daarom is met behulp van de monitoringstool van het NSL inzicht verkregen in de luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied. Op afbeeelding 5.2 is dit weergegeven. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de meest nabijgelegen rekenpunten (aan de randen van de A15 en A325) ruimschoots aan de normen voldoet voor wat betreft de concentraties PM10, NO2 en het maximum aantal overschrijdingsdagen. De concentraties NO2 bedragen op alle rekenpunten maximaal 24 µg/m³, de concentraties PM10 maximaal 18,2 µg/m³ en het aantal overschrijdingsagen maximaal 6,5 per jaar. Daarbij wordt opgemerkt dat de betreffende rekenpunten direct grenzend aan de snelwegen A15 en A325 liggen. De luchtkwaliteit rondom het plangebied zal normaliter gunstiger zijn. Er is in de huidige situatie derhalve geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Wanneer de planbijdrage ten opzichte van de huidige concentraties in beschouwing wordt genomen, is de conclusie dat er nog steeds geen sprake is van een dreigende overschrijding van een grenswaarde in de omgeving van het plangebied. Het project kan daarom toelaatbaar worden geacht op basis van de regelgeving omtrent luchtkwaliteit.
Toelichting (ontwerp)
29
bestemmingsplan Elst, De Pas
Af beelding 5.2: luchtkwaliteit meetpunten in omgev ing v an het plangebied, getoond: PM10 en NO2-concentraties (bron: NSL monitoringstool)
30
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas
5.4
Bedrijven en milieuzonering
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype.
Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Beoordeling Het bestemmingsplan maakt nieuwe woongebieden en twee zorggebouwen mogelijk. Hiermee is er sprake van nieuwe gevoelige functies. Er worden geen milieubelastende functies mogelijk gemaakt, maar wel bestaande milieubelastende functies wegbestemd (opslagbedrijf, agrarisch bedrijf). Daarom is er geen sprake van externe werking vanuit het plangebied, maar moet wel worden onderzocht of de aanwezigheid van milieubelastende functies in de omgeving het woon- en leefklimaat onevenredig kan beïnvloeden en andersom de ontwikkeling tot belemmeringen voor de omliggende functies kan leiden. Het plangebied ligt aan de rand van een woongebied, maar wordt aan de west- en zuidzijde omgeven door hoofdinfrastructuur. Aan de oostkant van het plangebied is de spoorlijn Elst-Nijmegen gelegen, evenals bedrijvigheid. Hierdoor kunnen de westelijke, zuidelijke en noordoostelijke randen van het plangebied als 'gemengd gebied' worden beschouwd. De overige delen van het plangebied worden als 'rustige woonwijk' beschouwd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich de volgende milieubelastende functies. Hierbij is getoetst aan de richtafstanden ten opichte van een rustige woonwijk. Adres
Functie
Milieucat.
Richtafstand Afstand feitelijk*
De Pas 2 t/m 5
Sportpark De Pas
3.1
50 m
ca. 45 m
Korte Bemmelseweg 6
Sanitairbedrijf
3.1
50 m
ca. 110 m
Stationsstraat 50
Heinz
4.1
200 m
ca. 20 m
Industrieweg 10 e.v. (Spoorallee)
Bedrijventerrein
3.2
100 m
ca. 100 m
Bemmelseweg 46-48
Betonfabriek
3.2
100 m
ca. 180 m
*kortste afstand tussen de dichtstbij gelegen woning in het plangebied en de rand van het perceel Uit deze analyse blijkt dat aan de richtafstanden ten opzichte van het sanitairbedrijf Korte Bemmelseweg 6, de betonfabriek aan de Bemmelseweg 46-48 en de bedrijven aan de Spoorallee en het achterliggende bedrijventerrein wordt voldaan. Ten aanzien van sportpark De Pas en Heinz wordt niet voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van een rustige woonwijk. Sportpark De Pas
Toelichting (ontwerp)
31
bestemmingsplan Elst, De Pas Het sportpark kent diverse functies, waaronder sportvelden met verlichting. Het complex als geheel wordt als milieucategorie 3.1 beschouwd. Het sportpark ligt aan de overzijde van de Olympiasingel, die als hoofdinfrastructuur kan worden beschouwd. De kortste afstand tussen de rand van de woongebieden in het plangebied en de rand van het sportpark is ongeveer 45 meter. De zuidelijke rand van de woongebieden wordt, vanwege de aanwezigheid van de Olympiasingel, als gemengd gebied gezien. Dit betekent dat ten opzichte van deze zone de richtafstand één stap verlaagd kan worden, tot 30 meter. Aan deze afstand wordt wel voldaan. Voor de woningen aan deze kant van het plangebied is de Olympiasingel maatgevend voor het woon- en leefklimaat. Omdat aan de richtafstand voor een gemengd gebeid wordt voldaan, ontstaat er geen beperking voor het sportcomplex. Heinz Toetsing milieuzonering Aan de overzijde van de Korte Bemmelseweg, tussen deze weg en het spoor in, is het bedrijf Heinz gevestigd. Dit betreft een categorie 4.1-bedrijf. De nieuwe woningen liggen ruimschoots binnen de richtafstand, ook aan de randen waar deze met één afstandsstap tot 100 meter kan worden teruggebracht.
Nieuwe woningen mogen niet zonder meer binnen de richtafstand worden opgericht, Als uit nader onderzoek blijkt dat er sprake is van een aanvaarbaard woon- en leefklimaat én de betreffende inrichting niet onevenredig in de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt, dan kan worden afgeweken van de richtafstand. Daarom is een nader onderzoek uitgevoerd naar de milieu-hygiënische inpasbaarheid van het woongebied ten opzichte van dit bedrijf. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Uitgangspunten onderzoek In het onderzoek is uitgegaan van de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van de inrichting van Heinz. Hiervoor is in de eerste plaats de huidige vergunde situatie als uitgangspunt genomen. Heinz beschikt over een revisievergunning d.d. 26 maart 2014. In het kader van deze vergunning is uitvoerig onderzoek uitgevoerd. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden. Heinz wordt in de huidige situatie en in haar vergunningvoorschriften reeds beperkt door onder andere de bestaande woningen aan de Korte Bemmelseweg 16, 18 en 18a en Groenestraat 1 en 2.
In de vergunningvoorschriften is onder meer opgenomen dat de langtijdgemiddelde geluidbelasting vanwege in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de verrichte werkzaamheden en activiteiten en transportverkeer binnen de inrichtingsgrenzen niet meer mag bedragen dan in de volgende tabel is aangegeven (voorschrift 7.2.4). Hiermee wordt voldaan aan de norm vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer (45 dB(A) in de nachtperiode) en is een strengere norm gehanteerd. Dergelijke voorschriften zijn ook opgelegd ten aanzien van levering van PET-flessen. Voor wat betreft de maximale geluidniveaus ter plaatse van de betreffende woningen en het langtijdgemiddeld geluidniveau in de dagen avondperiode, moet het bedrijf aan de normen van het Activiteitenbesluit voldoen. Om aan de gestelde normen te kunnen voldoen zijn aan de Korte Bemmelseweg geluidwerende voorzieningen aangebracht.
Afbeelding 5.3: voorschriften revisievergunning Heinz m.b.t. geluidbelasting nachtperiode op omliggende woningen
Heinz heeft echter tevens concrete voornemens tot uitbreiding van de productiecapaciteit bij de
32
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas gemeente kenbaar gemaakt. Dit voornemen is voldoende concreet. Daarom is in het onderzoek tevens rekening gehouden met deze voorgenomen ontwikkeling. Voor de vergunde situatie, inclusief de beoogde uitbreiding van de productiecapaciteit, is door Heinz een geluidmodel aangeleverd. Het rekenmodel bevat twee varianten. Hierbij is het model mét geluidreducerende maatregelen gebruikt in het onderzoek. Deze maatregelen zijn nodig om de geluidgrenswaarden uit de vigerende omgevingsvergunning bij de voorziene uitbreiding na te kunnen leven, dus ten opzichte van de reeds bestaande woningen. Geluid Voor de bescherming van geluidgevoelige functies, zoals woningen, tegen geluid vanwege bedrijven heeft de gemeente afzonderlijk beleid ontwikkeld (Nota Bedrijven en Geluid, d.d. 3 juni 2009). In de nota zijn voor verschillende gebiedstyperingen ambitiewaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau opgenomen. Voor het plangebied wordt de gebiedstypering 'buiten centrum' gehanteerd. De ambitiewaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is 45 dB(A) en de bovengrenswaarde 50 dB(A). Voor het maximaal geluidniveau is de aanbevolen waarde 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
Hierna volgt een beschouwing van de onderzoeksresultaten; voor een uitgebreide beschouwing wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het onderzoek in Bijlage 5. Uit de toetsing van de rekenresultaten van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aan de ambitie- en grenswaarden blijkt dat ter plaatse van de toekomstige woningen in de dagperiode de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid wordt overschreden, maar dat voldaan wordt aan de grenswaarde. In de avond- en nachtperiode wordt ter plaatse van de toekomstige woningen op een beoordelingshoogte van 5 meter de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid overschreden, maar wordt voldaan aan de grenswaarde, behoudens op de 9 woningen in de eerstelijns bebouwing. De overschrijding bedraagt daardoor ten hoogste 2 dB(A) en wordt voornamelijk veroorzaakt door het laden/lossen en rijden van vrachtwagens. In de avond- en nachtperiode wordt ter plaatse van 12 van de toekomstige woningen (zie afbeelding 5.4) op een beoordelingshoogte van 7,5 meter zowel de ambitiewaarde als de grenswaarde uit het gemeentelijk beleid overschreden. De overschrijding bedraagt daardoor ten hoogste 10 dB(A) en wordt voornamelijk veroorzaakt door het laden/lossen en rijden van vrachtwagens. Ter plaatse van de overige woningen wordt op een beoordelingshoogte van 7,5 meter voldaan aan de grenswaarde.
De overschrijdingen worden veroorzaakt door het rijden van vrachtwagens en het laden en lossen daarvan.
Toelichting (ontwerp)
33
bestemmingsplan Elst, De Pas
Afbeelding 5.4: woningen met overschrijding grenswaarde gemeentelijk beleid van langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in avond- en nachtperiode op de tweede verdieping (bron: Cauberg Huygen)
Ten aanzien van de maximale geluidniveaus kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Het maximale geluidniveau in de dagperiode op een hoogte van 1,5 meter in de dagperiode en 5,0 meter in de avond- en nachtperiode voldoet aan de gestelde grenswaarden uit het gemeentelijk beleid. Op een beoordelingshoogte van 7,5 meter treden ter plaatse van de 9 woningen in de eerste lijn overschrijdingen van de grenswaarden uit het gemeentelijk beleid op van ten hoogste 5 dB(A) in de avondperiode en 10 dB(A) in de nachtperiode. Op één woning in de tweede lijn treedt in de nachtperiode op 7,5 meter eveneens een overschrijding op van ten hoogste 1 dB(A). In de onderzoeksrapportage is ingegaan op de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen aan de bron, in de overdracht, dan wel bij de ontvanger. Maatregelen aan de bron zijn niet mogelijk en maatregelen in de overdracht zijn, bovenop de reeds bestaande geluidreducerende maatregelen (waaronder een geluidscherm met een hoogte van 5 tot 6 meter), ruimtelijk-stedenbouwkundig niet wenselijk. Als laatste kunnen maatregelen aan de zijde van de ontvanger getroffen worden. Daarvoor wordt onderscheid gemaakt in beoordelingshoogte.
Op de eerste verdieping (beoordelingshoogte 5 meter) bedraagt ter plaatse van de 9 woningen in de eerstelijns het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 47 dB(A) in de avondperiode (2 dB(A) hoger dan de grenswaarde van het gemeentelijk beleid). Het Bouwbesluit 2012 schrijft in artikel 3.2 een geluidwering voor de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van minimaal 20 dB(A) voor. Het inpandig geluidniveau zal dus niet hoger zijn dan 27 dB(A), wat lager is dan de toetswaarde van 30 dB(A) uit tabel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gelet hierop is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 47 dB(A) op 9 woningen op een beoordelingshoogte van 5,0 meter aanvaardbaar. Daarbij is tevens van belang dat de oostzijde van 9 woningen uit de eerstelijns bebouwing op een hoogte van 5 meter geen buitenruimte hebben, die in aanmerking kan komen voor een zekere mate van bescherming. De buitenverblijfplaats zal hoofdzakelijk zijn in de tuin aan de westzijde van de woning. Geluidniveaus in de tuin zijn niet hoger dan 38 dB(A). Op de tweede verdieping (beoordelingshoogte 7,5 meter) bedraagt ter plaatse van de 12 woningen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 60 dB(A) in de nachtperiode (10 dB(A) hoger dan grenswaarde gemeentelijk beleid).
Gelet op de overschrijding is het realiseren van geluidgevoelige ruimten op de tweede verdieping (zolder) slechts mogelijk als het binnenniveau van 25 dB(A) in de nachtperiode gewaarborgd is. Teneinde een goed woon- en leefklimaat te garanderen is ter plaatse van de 12 woningen uit afbeelding 5.4 een voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen. Deze houdt in dat op de tweede verdieping slechts geluidgevoelige ruimten mogelijk zijn, mits bouwkundige maatregelen worden getroffen, waarmee het binnenniveau niet hoger is dan 25 dB(A) in de nachtperiode, uitgaande van een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 60 dB(A) in de nachtperiode. Op deze manier is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd. Met inachtneming van deze regeling is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aangaande het aspect geluid voor alle woningen in het plangebied gewaarborgd. Voorts wordt de inrichting van Heinz voor het aspect geluid niet belemmerd in de bedrijfsvoering (inclusief gewenste uitbreiding). Geur Naast geluidhinder is ook het aspect geur voor de inrichting Heinz relevant. De provincie Gelderland heeft in 2017 het Gelders Geurbeleid 2017 vastgesteld. Dit is van toepassing voor industriële bedrijven, waarvoor de provincie de wettelijke taak heeft op het gebied van vergunningverlening en handhaving.
Het Gelders Geurbeleid onderscheidt vier categorieën geurgevoelige objecten, waarvoor verschillende streef-, richt- en grenswaarden worden gehanteerd. Deze waarden hangen af van de aard van de geurhinder (mate van hinder). Woningen vallen onder categorie A. Binnen de inrichting Heinz vinden geurrelevante processen plaats. De geuremissie en -immissie wordt veroorzaakt door de centrale schoorsteen van de productie en (het biofilter van) de afvalwaterzuivering Door middel van een biofilter (lavafilter) en een 50 meter hoge schoorsteen zijn er geurreducerende
34
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas maatregelen door Heinz toegepast. De hedonische waarde van de geur wordt als 'niet hinderlijk' tot 'minder hinderlijk' conform het Gelders Geurbeleid beschouwd. Omdat het in dit geval om een nieuwe situatie gaat (nieuwe woningen bij een bestaand bedrijf), is in het onderzoek (Bijlage 5, paragraaf 5.3) getoetst aan de strengere streef- en richtwaarde van respectievelelijk 0,5 ouE/m³ en 1,5 ouE/m³ als 98 percentiel. In het kader van de revisievergunning d.d. 26 maart 2014 is een geurhinderonderzoek verricht. Dit onderzoek is reepresentatief voor de vergunde situatie van Heinz. In de vergunde situatie ligt de 0,5 ouE/m³-contour aan de oostkant voor een klein gedeelte binnen het plangebied. Het gaat daarbij om 4 nieuwe woningen (zie afbeelding 5.5). Ook ligt een aantal bestaande woningen binnen deze contour. Bij deze woningen is de geurconcentratie (ruimschoots) minder dan de richtwaarde van 1,5 ouE/m³. Verder blijkt uit het onderzoek dat de geurimmissie 99,99-percentiel in het gehele plangebied niet hoger is dan de streefwaarde van 2 ouE/m³.
Afbeelding 5.5: geruhindercontouren Heinz (98-percentiel) ten opzichte van het plangebied. Binnenste cirkel: 0,5 ouE/m³ en buitenste cirkel 0,15 ouE/m³ (bron: Cauberg Huygen)
Geconcludeerd wordt dat er, in lijn met de 'Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen)' sprake is van een aanvaardbaar geurrhinderniveau voor alle woningen in het plangebied. Er wordt voldaan aan het provinciaal geurbeleid. De inrichting Heinz wordt niet belemmerd. Spuitzones Ten aanzien van boom- en fruitteeltbedrijven is niet alleen de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van belang, maar ook spuitzones in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij deze bedrijven. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is opgenomen dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt in acht moet worden genomen (artikel 3.4.1). Deze afstand wordt algemeen aanvaard, maar er kan volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand. In het plangebied zijn momenteel agrarische gronden aanwezig. Bij het bedrijf aan de Groenestraat 11 is er sprake van teeltgronden. Op de overige gronden is dit niet het geval, maar is een dergelijk gebruik wel toegestaan volgens de bestemming. De agrarische functie in het plangebied verdwijnt met de beoogde ontwikkeling geheel. Ook in de omgeving van het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig. Ten zuiden van de Olympiasingel zijn teeltgronden aanwezig.
Deze liggen op meer dan 50 meter afstand van de
Toelichting (ontwerp)
35
bestemmingsplan Elst, De Pas woongebieden in het plangebied. De woongebieden komen dus buiten de spuitzones van bestaande teeltgronden te liggen. Op kortere afstand dan 50 meter zijn wel overige agrarische gronden gelegen aan de overzijde van de Olympiasingel in het zuiden en aan de overzijde van de Groenestraat in het noorden. Ten aanzien van de laatstgenoemde gronden is van belang dat deze gronden reeds aan alle kanten worden omgeven door woningen. Dit betekent dat er voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen al grote beperkingen zijn en volgens het huidige bestemmingsplan op een groot deel van de gronden geen teelt mag plaatsvinden. Daarom vormt de aanwezigheid van deze gronden geen belemmering voor het plan en leidt dit andersom niet tot onevenredige beperkingen van het gebruik van deze gronden. De gronden ten zuiden van de Olympiasingel liggen op ca. 40-45 meter afstand van de rand van het nieuwe woongebied. De woningen reiken daarmee in potentie net binnen de spuitzone. Van belang is echter dat tussen deze gronden en het plangebied de Olympiasingel ligt. Door de vrijwel continue aanwezigheid van verkeer op deze weg, heeft deze een bufferfunctie, waardoor er nauwelijks effecten te verwachten zijn.
Daarbij komt dat de gebruiker van deze gronden ook rekening dient te houden met de aanwezigheid van het sportpark De Pas, dat op veel kortere afstand ligt en daarom de mogelijkheden voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen al beperkt. Daarom is er ook ten aanzien van deze gronden geen sprake van beperkingen over en weer en vormen spuitzones voor gewasbestrijdingsmiddelen geen belemmering voor het plan. Trillingen In Nederland bestaat in het ruimtelijk spoor geen wetgeving met betrekking tot trillinghinder. Bij ruimtelijke planvorming moet trillingshinder of -schade aan gebouwen in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel zoveel mogelijk worden voorkomen. Hinder of zelfs schade door trillingen kan ontstaan door: Verkeer over de weg of het spoor (bijvoorbeeld van vrachtwagens, trein of tram) machines bij industrie (stansen, draaiende motoren, etc.) Deze trillingen bewegen zich door de bodem. Trillingen nemen af als de afstand tot de bron groter wordt. Trillingen vanwege bedrijfsactiviteiten en andere industriële activiteiten. Het aspect trillingen ten aanzien van de nabijgelegen bedrijvigheid (Heinz) is voorgaand al beschouwd; trillingshinder is niet te verwachten en er gelden hieromtrent geen nadere voorschriften voor Heinz. Het plangebied ligt daarnaast in de buurt van de spoorlijn Elst-Nijmegen (ca. 60 meter).
De ‘Beleidsregel trillingshinder spoor’ wordt doorgaans gehanteerd voor de beoordeling van trillinghinder als gevolg van spoorwegen en heeft tot doel vast te stellen hoe omgegaan wordt met enkele aspecten van trillingshinder. De beleidsregel richt zich op de vaststelling van een tracébesluit tot aanleg, wijziging of hernieuwde ingebruikneming van een landelijke spoorweg, als bedoeld in de Tracéwet. Het uitgangspunt van deze beleidsregel is dat het beschermingsniveau van de leefomgeving vergelijkbaar is met dat van de SBR Richtlijn B. De normen van de beleidsregel en de SBR-richtlijn sluiten op elkaar aan. Daarnaast is een 'Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen' opgesteld door het Rijk, die als hulpmiddel kan dienen. Het plangebied ligt voor een klein deel aan de oostkant binnen 100 meter afstand van de spoorlijn. Conform de Handreiking is een beschouwing van het aspect trillingshinder in een dergelijk geval aanbevolen. De woningen in het plangebied worden tussen bestaande woningen aan de Korte Bemmelseweg/Groenestraat gerealiseerd en op grotere afstand van het spoor dan verschillende bestaande woningen aan de Korte Bemmelsweg. Ook overige bebouwing is tussen het spoor en de nieuwbouw gelegen.
Deze omstandigheid, in combinatie met de aanwezigheid van diverse bestaande woningen op kortere en gelijkwaardige afstand tot het spoor, maakt dat onevenredige trillinghinder in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn bedrijven, een sportpark en agrarische (teelt)gronden aanwezig. Hoewel het plangebied gedeeltelijk binnen de richtafstanden ten opzichte van een deel van de omliggende functies ligt, leidt het plan niet tot onevenredige beperkingen voor de omliggende functies. Andersom is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het nieuwe woongebied voldoende
36
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas gegarandeerd. In dit kader zijn ook spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen en trillinghinder vanwege het spoor beschouwd. Het aspect bedrijven en milieuzonering levert geen belemmering op voor het plan.
5.5
Geurhinder (veehouderijen)
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Beoordeling Het bestemmingsplan maakt het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten (woningen en zorgeenheden) mogelijk. In de ruime omtrek van het plangebied zijn geen veehouderijen gevestigd. De meest nabij gelegen intensieve veehouderij is op bijna 1 kilometer afstand gelegen. Vanwege de grote afstand tot veehouderijen, levert het plan geen belemmeringen voor veehouderijen op en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verzekerd. Nader onderzoek is daarom niet nodig. Conclusie De Wgv vormt geen belemmering voor het plan.
Toelichting (ontwerp)
37
bestemmingsplan Elst, De Pas
5.6
Bodem
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond. Beoordeling Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van een nieuw woongebied op gronden die momenteel vrijwel geheel agrarisch in gebruik zijn. Het toekomstige gebruik betreft een gevoelige functie. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit in het plangebied is daarom noodzakelijk. Er is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarin de bodemkwaliteit in het plangebied is onderzocht. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 6. Hierna worden de voornaamste onderzoeksresultaten beschreven. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Het plangebied is grotendeels zonder nadere maatregelen of nader onderzoek geschikt voor het beoogde gebruik. In de bovengrond zijn enkele lichte verontreinigingen aangetroffen, die geen aanleiding tot nader onderzoek geven. Daarnaast is er geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ter plaatse van één boring is een matig verhoogd gehalte DDE aangetroffen.
Dit betreft de toegangsweg bij het perceel Groenestraat 7. Van dit monster is een uitsplitsing gemaakt en zijn nadere analyses uitgevoerd. Uit de analyseresultaten blijkt dat het zandpakket onder de verharding van de toegangsweg sterk is verontreinigd met nikkel en matig is verontreinigd met koper. Middels dit onderzoek is aangetoond dat de verontreiniging zich verspreidt over circa 125 m². Omdat het zand is gebruikt als fundatie van de weg, kan worden verondersteld dat deze niet verder is verspreid en is daarom geen aanvullend onderzoek noodzakelijk geacht. Bij een gemiddelde dikte van het pakket van 0,3 m, betekent dit dat er circa 37,5 m³ grond is verontreinigd tot bodem de interventiewaarde. Hiermee is er sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. In de bovengrond van boring 75 is een matig verhoogd gehalte DDE (som) aangetroffen. Omdat er verder geen matig tot sterk verhoogde gehalten zijn aangetroffen, wordt verondersteld dat er geen sprake is van aan geval van ernstige bodemverontreiniging en is er geen aanvullend onderzoek noodzakelijk geacht. Met het uitgevoerde onderzoek is de bodemkwaliteit in het plangebied voldoende in beeld gebracht. Uitzondering vormt het perceel 1182 (Groenestraat 11), waar de bodemkwaliteit niet is onderzocht. Dit moet gebeuren bij toepassing van de in het plan opgenomen bevoegdheid om twee extra woningen ter plaatse te realiseren.
Op basis van eerdere (voor)onderzoeken is deze locatie niet verdacht. De rest van het plangebied is vrijwel geheel geschikt voor het beoogde gebruik. Er is één geval van ernstige bodemverontreiniging bij de toegangsweg geconstateerd. De ernst en omvang van de verontreiniging is in kaart gebracht. Op basis van deze resultaten zal een plan van aanpak moeten worden opgesteld. Dit vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan geen belemmering. Conclusie De bodemkwaliteit is in voldoende mate onderzocht. Met uitzondering van één geval van ernstige bodemverontreiniging, is het plangebied geschikt voor het beoogde gebruikt. Ten aanzien van de verontreiniging wordt een plan van aanpak opgesteld, zodat eventuele maatregelen tijdig worden genomen. De omvang van de verontreiniging is in beeld gebracht. De uitvoerbaarheid van het plan is niet in het geding.
38
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas
5.7
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Beoordeling Het plan voorziet in een grootschalige woonbouwlocatie met maximaal 354 woningen en twee zorggebouwen. Het programma bestaat uit sociale woningbouw, appartementen, reguliere woningen en zorgeenheden voor dementerenden.
Met het plan worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt en neemt het aantal personen binnen het plangebied toe. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een beoordeling gemaakt van de externe veiligheidssituatie (zie afbeelding 5.6).
Toelichting (ontwerp)
39
bestemmingsplan Elst, De Pas
Afbeelding 5.6: uitsnede risicokaart met plangebied in zwarte cirkel, raadpleging 6 september 2021 (bron: http://www.risicokaart.nl)
De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op. Rondom het plangebied zijn de volgende externe veiligheidsrisicobronnen relevant. Het plangebied ligt op ca. 57 meter van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, op ca. 1.200 meter van de Betuweroute en op ca. 1.500 meter van de snelweg A15. Over deze transportassen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. In het plangebied zelf zijn twee gasleidingen gelegen, maar dit betreft leidingen zonder extern veiligheidsrisico. Zie over deze leidingen nader paragraaf 5.9. Groepsrisico Ten aanzien van het groepsrisico is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, Betuweroute en de snelweg A15. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en de Betuweroute en de snelweg A15 dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Een aantal woningen ligt wel op minder dan 200 meter afstand van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen. De zorggebouwen liggen geheel buiten deze afstand.
Indien een plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan in elk geval ingegaan op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die transportroute, en Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die transportroute een ramp voordoet. Als het groepsrisico door een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute meer dan 10% toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en groter is dan 10% van de oriëntatiewaarde, dan dient het groepsrisico uitgebreid te worden verantwoord. Dit wordt ook
40
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas wel aangeduid als de verantwoordingsplicht groepsrisico. Vanwege de ligging gedeeltelijk binnen de 200 meterzone, is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd met het programma RBM II. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 7. In het onderzoek zijn de hoogte van het huidige en toekomstige groepsrisico berekend. Uit de risicoberekening blijkt dat zowel voor de huidige en toekomstige situatie een groepsrisico van 0,071 maal de oriëntatiewaarde wordt berekend (zie afbeelding 5.7). Dit betekent dat het groepsrisico zich beneden de oriëntatiewaarde bevindt en het groepsrisico niet toeneemt door het plan. Het berekende groepsrisico is dusdanig laag dat het zich beneden de 10% van oriëntatiewaarde bevindt en er sprake is van een verwaarloosbaar groepsrisico. Hierdoor kan er voor spoorlijn Arnhem – Nijmegen eveneens volstaan worden met een beperkte verantwoording groepsrisico. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Af beelding 5.7: groepsrisico spoorlijn Arnhem-Nijmegen
Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, Betuweroute en snelweg A15. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 12 augustus 2021 (kenmerk: 2021-004653). Uit de vorogaande beschouwing is bovendien gebleken dat het groepsrisico enkel beperkt verantwoord hoeft te worden. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de aanwezige voorzieningen. De VGGM is hiervoor voor advies gevraagd.
Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van de bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: Door de ontwikkeling wijzigt de dichtheid van personen nabij de risicobron. Het ligt in de lijn der
Toelichting (ontwerp)
41
bestemmingsplan Elst, De Pas verwachting (met uitzondering van de bewoners van de zorggebouwen) dat de aanwezige personen, mits tijdig gewaarschuwd, zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Het plan ligt in het scenario toxische wolk (hele plangebied) en explosie (oostelijk deel plangebied). De kans daarop is klein; Wel adviseert de VGGM, ter verbetering van de zelfredzaamheid, aandacht te hebben voor risicocommunicatie, rekening te houden met de ontvluchtbaarheid en mogelijkheden tot evacuatie van het gebied, zorg te dragen voor meerzijdige bereikbaarheid van het plan en de zorggebouwen op minstens 200 meter van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen te realiseren. Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-Alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. De zorggebouwen zijn geheel buiten de 200 meterzone voorzien. Er zijn in het plangebied diverse calamiteitenroutes beoogd, naar alle kanten toe. Hiermee is het voor aanwezigen altijd mogelijk om te vluchten van de risicobron af én is het plangebied vanuit alle richtingen bereikbaar voor hulpdiensten. Zie hierover nader paragraaf 5.13. Ook is het plan te ontvluchten via twee toegangswegen via de Olympiasingel en te voet via de Groenestraat.
De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant en enkel ter verbetering. Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat in het plan rekening is gehouden met de adviezen van de VGGM. De zelfredzaamheid wordt als voldoende beschouwd. Conclusie Het groepsrisico vanwege het plan is verantwoord conform vigerende wetgeving. Op basis van deze overwegingen wordt de hoogte van het groepsrisico aanvaardbaar geacht. Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen, Betuweroute en de snelweg A15. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie voorgaand) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
42
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas
5.8
Explosieven
De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.
Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, uitvoeren van graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd en in gebruik als agrarisch gebied. In het verleden is reeds vooronderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van explosieven in het plangebied en omgeving (zie Bijlage 8). Uit dit onderzoek is gebleken dat tot een diepte van circa 2,5 meter kans bestaat op het aantreffen van onontplofte munitie in het plangebied. Het onderzoeksgebied is onderdeel geweest van militaire activiteiten, waarbij onder meer grondgevechten hebben plaatsgevonden. In de omgeving hebben ook bombardementen plaatsgevonden. Op basis van het vooronderzoek is geadviseerd om preventieve maatregelen te nemen door het uitvoeren van een explosieven opruimingsprocedure. Deze bestaat uit de volgende stappen: 1. 2. 3. 4. 5.
Detectie; Benaderen; Identificatie; Veilig stellen; Vernietiging.
Dit vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd vóór uitvoering van de werkzaamheden. De uitvoerbaarheid van het plan is niet in het geding. In het kader van dit bestemmingsplan zijn er dan ook geen belemmeringen.
Toelichting (ontwerp)
43
bestemmingsplan Elst, De Pas
5.9
Kabels en leidingen
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig, die in de geldende bestemmingsplannen een dubbelbestemming hebben gekregen. Wel liggen er, onder meer nabij de beoogde oostelijke ontsluiting van het nieuwe woongebied, enkele gasleidingen in het plangebied. Deze lopen in de richting van het sportpark De Pas. De gasleidingen hebben een druk van 8 bar en een diameter van 159 mm. Binnen een zone van 2 meter rondom de leiding mag niet worden gebouwd en gelden beperkingen voor onder meer het aanbrengen van verharding en bomen. Ter waarborging van de belangen van de leidingen is de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen in dit bestemmingsplan. Bij de uitvoering van de werkzaamheden en de inrichting van het gebied moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van deze leidingen. Hiertoe is een bouwverbod opgenomen, evenals een vergunningstelsel voor bepaalde categorieën van werkzaamheden. Alle woonpercelen worden buiten de belemmeringenzone gerealiseerd.
Bij de positionering en realisatie van de beoogde oost-westelijke fietsverbinding aan de westkant van het plangebied, nabij de daar gelegen gasleiding, wordt met de aanwezigheid van de leiding rekening gehouden. Dit aspect levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.10
Waterparagraaf
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang. Europees beleid Vanaf 2000 is ter verbetering van de chemische en ecologische waterkwaliteit van alle Europese wateren de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De kaderrichtlijn omvat regelgeving voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater. De streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015, maar eventueel kan, mits goed onderbouwd, uitstel worden verleend tot uiterlijk 2027 (derogatie). De plannen voor de (deel)stroomgebied zijn door de verschillende partijen, met uitzondering van het Rijk, in 2009 vastgesteld en bevatten doelen, ambities en maatregelen. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is in diverse nota's vastgelegd. Het meest directe beleidsplan is de Vierde Nota Waterhuishouding en het vernieuwde Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-actueel 2008). Het bestuursakkoord heeft tot doel om in de periode tot 2015 het hoofdwatersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden en te anticiperen op de klimaatsverandering.
Verder is de watertoets ook in het NBW-actueel een belangrijk instrument om water verantwoord in te passen in ruimtelijke ontwikkelingen. In de Nota Ruimte is water een belangrijk, structurerend principe voor bestemming, inrichting en gebruik van de ruimte. Om problemen met water te voorkomen moet, anticiperend op veranderingen in het klimaat, de ruimte zo worden ingericht dat water beter kan worden vastgehouden of geborgen. Dit anticiperen is ook terug te vinden in de Waterwet die op 22 december 2009 van kracht is geworden. In de Waterwet zijn ondermeer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor het vasthouden en afvoeren van regenwater en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht. Provinciaal en regionaal beleid Op provinciaal niveau is het waterbeheer vastgelegd in het Waterplan Gelderland. Het Waterplan gaat verder op de ingeslagen weg van het derde Waterhuishoudingsplan. Nieuw is de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water en de verplichtingen die voortvloeien uit de waterwet. Een belangrijk aanpassing uit de Waterwet is dat de vergunningverlening voor het onttrekken van grondwater
44
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas grotendeels is overgedragen aan de waterschappen. Slechts in drie gevallen is de provincie hiervoor nog aanspreekpunt: onttrekkingen voor drinkwaterwinning; onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen zoals koude- en warmte opslag (KWO); industriële onttrekkingen meer dan 150.000 m³ per jaar. De gemeenten in Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN) hebben het Convenant Duurzaam Bouwen in het KAN (2000) opgesteld. Het 'pakket duurzaam bouwen' maakt hier onderdeel van uit. Voor water is het volgende streefbeeld opgesteld: natuurlijke waterhuishouding (vermindering verdroging) en schoon water in de wijk, waardoor natuurontwikkeling mogelijk wordt. Beleid waterschap en gemeente Het stedelijk waterbeheer in Elst is overgedragen aan het Waterschap Rivierenland, waardoor de gemeente Overbetuwe rekening dient te houden met het vigerende beleid van waterschap. Relevant beleid voor de gemeente Overbetuwe is het Waterbeheerplan 2010-2015 en de keur en de legger van het waterschap. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer.
Dit betekent dat: er geen negatieve verstoring van de grondwaterstanden en -stromingen mag worden veroorzaakt om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegengebied te voorkomen; er maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling; regenwater dat via openbaar terrein afstroomt bovengronds wordt afgevoerd; er voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie; het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt; het gebruik van uitloogbare materialen niet is toegestaan. Beoordeling (watertoets) Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een nieuw woongebied met maximaal 354 woningen, twee zorggebouwen en bijbehorende infrastructuur. Ten gevolge van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied aanzienlijk toe. Het wateraspect is daarom in een vroegtijdig stadium bij de planvorming betrokken en is een integraal onderdeel geweest bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan. Er is een waterstructuurplan opgesteld, dat in Bijlage 9 is opgenomen. In dit plan zijn de belangrijkste keuzes ten aanzien van de waterhuishouding vastgelegd en vormt de onderlegger voor het uiteindelijk op te stellen waterhuishoudkundig plan. Hierna worden de belangrijkste bevindingen en uitgangspunten beschreven. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.
De inhoud van het concept van het waterstructuurplan is ter toetsing voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland. De opmerkingen van het waterschap zijn daarin verwerkt. De realisatie en planontwikkeling is een proces van jaren. Het Waterschap is voortdurend bij de realisatie en ontwikkeling betrokken. Oppervlaktewater Binnen het plangebied liggen enkele watergangen. Het gaat om de volgende wateren: A-watergang aan de westkant, langs de Rijksweg-Zuid tussen de Groenestraat en Olympiasingel; A-watergangen in zuidoostelijk deel van het plangebied, ten noorden van de Olympiasingel; 3 C-watergangen centraal in het plangebied, tussen de Olympiasingel en de Groenestraat. De A-watergangen worden gehandhaafd in het plan. Deze worden op de verbeelding bestemd als 'Water' met omliggend een beschermingszone (dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen'). De westelijke A-watergang zal mogelijk worden verbreed. Voor het overige wordt er geen oppervlaktewater toegevoegd. In de directe nabijheid van het plangebied zijn eveneens watergangen aanwezig. Het watersysteem watert op hoofdlijnen in westelijke richting af, waarbij het water via weteringen uiteindelijk in de Linge wordt geloosd.
Toelichting (ontwerp)
45
bestemmingsplan Elst, De Pas
Grondwater Bij ontwikkelingen in het plangebied is het niet toegestaan dat er een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie ontstaat. Bij de ontwikkelingen moet hier bij de bouw en inrichting dan ook rekening mee worden gehouden. Het bouwen van ondergrondse constructies is niet verboden, maar moeten in ieder geval waterdicht worden aangelegd. Voor grote ondergrondse constructies moeten ook de effecten op de omgeving worden aangetoond. Verder verdient het de voorkeur om onder de wadi's drainage aan te leggen en het hemelwatersysteem uit te voeren als Drainage-Infiltratie riolering of een extra drainageleiding mee te leggen voor het realiseren van voldoende ontwatering binnen het plangebied. Door deze ontwateringsmiddelen kan geen verslechtering van grondwaterstand ontstaan. Deze maatregelen zijn nodig omdat ter plaatse van de wadi's hemelwater kan infiltreren wat kan zorgen voor een verhoging van de GHG en het maaiveld niet wordt opgehoogd. Hemelwater In de huidige situatie is er circa 0,4 hectare verhard oppervlak in het plangebied aanwezig. In de toekomstige situatie betreft dit circa 9,56 hectare. De toename bedraagt afgerond 9,17 hectare verhard oppervlak. Voor de situatie T=10+10% dient er 3.996 m³ aanvullende waterberging te worden gerealiseerd, naast het bestaande oppervlaktewater (zie hiervoor). Voor de situatie T=100+10% bedraagt deze opgave 6.086 m³.
Hemelwater mag niet via een gemengd riool worden afgevoerd, maar moet in de openbare ruimte worden aangeboden. Dit kan zowel bovengronds (oppervlakkige afvoer) als ondergronds (hemelwaterriool). Het plangebied leent zich niet om overal al het afstromende hemelwater bovengronds af te laten voeren naar oppervlaktewater of bodempassage/wadi's. Binnen het plan De Pas is ervoor gekozen om daar waar mogelijk wegen op één oor te leggen om zodoende oppervlakkige afvoer naar wadi's/bodempassages ter creëren. Daar waar dat niet mogelijk is wordt een drainage-infiltratie riolering aangelegd met een vertraagde afvoer (op het gewenste ontwateringsniveau) naar het oppervlaktewater. Dit riool dient tevens om het hemelwater tussen de verschillende wadi's goed te verdelen. In het plan is voldoende ruimte beschikbaar om waterberging te realiseren. Afbeelding 5.8 geeft het principe voorstel van voor de helemwaterafvoer met de water- en wadi-structuur weer; deze afbeelding is in het waterstructuurplan opgenomen. Hoe de profielen van de droogvallende waterlichamen er precies uit te komen te zien zal in overleg met de verschillende beheerders plaatsvinden (rioolbeheerder en waterbeheerder). Het stedenbouwkundig plan voorziet vooralsnog niet in het toevoegen van nieuw oppervlaktewater, maar in diverse wadi's verspreid binnen het woongebied.
In totaal is er binnen het plan in de toekomstige situatie circa 1,86 hectare aan oppervlaktewater en wadi's aanwezig, waarmee kan worden voorzien in voldoende waterberging. Dit zal per uit te werken veld middels een waterhuishoudingsplan nader (moeten) worden uitgewerkt, in overleg met het Waterschap Rivierenland en de gemeente Overbetuwe.
46
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Elst, De Pas
Afbeelding 5.8: oppervlaktewater- en wadistructuur (bron: Civil Management)
Afvalwater De hoeveelheid afvalwater in het plangebied zal sterk toenemen. Er wordt een vuilwaterrioolstelsel aangelegd, waarmee het afvalwater gescheiden wordt afgevoerd van het hemelwater. De afvoer van afvalwater binnen de te ontwikkelen velden geschiedt door middel van vrijvervalriolering (dwa) naar het bestaande rioleringssysteem van de gemeente. Hierbij zal ongeveer 50% in westelijke richting en 50% in oostelijke richting afvoeren. Het bestaande riool ligt gezien de transport afstand diep genoeg om onder vrijverval aan te sluiten. Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Grondwaterbeschermingsgebieden Grondwaterbeschermingsgebieden liggen op ruim 3 kilometer afstand. Daarmee zijn beperkingen of risico's uitgesloten. Conclusie Het waterhuishoudingsaspect is vroegtijdig bij de planvorming betrokken. In overleg met het waterschap is een waterstructuurplan tot stand gekomen. Het plan leidt tot een aanzienlijke toename van het verhard oppervlak en van de te verwachten hoeveelheid afvalwater. Zowel voor het helewater als vuilwater dienen voorzieningen te worden aangelegd. Het plan kan worden uitgevoerd zonder negatieve effecten op de waterhuishouding. Er kunnen binnen het plangebied voldoende waterbergingsvoorzieningen worden gerealiseerd. Dit zal hoofdzakelijk door middel van wadi's gebeuren.
Voor het afvalwater wordt een vrijvervalriolering aangelegd. De planontwikkeling heeft plaatsgevonden met inachtneming van de eisen die gesteld worden aan een goede waterhuishouding. Aangetoond is dat ook bij de toekomstige planontwikkeling in voldoende mate rekening wordt gehouden met de aan de waterhuishouding te stellen eisen.
Toelichting (ontwerp)
47
bestemmingsplan Elst, De Pas
5.11
Flora en fauna
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. de bescherming van overige soorten.