CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

21-04-20 A11 TIC; Dierenwelzijnsbeleid, bijlage 3d.pdf

Voorronde Zaal 1 8 juni 2021, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Rontetafelgesprek met college dierenwelzijn19.233 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6.2 Vee-industrie In Nederland worden in de vee-industrie meer dan 450 miljoen dieren per jaar gehouden, vissen in aquacultuur nog niet meegerekend. Landbouwhuisdieren zijn dieren die door mensen voor productiedoeleinden gehouden worden. Het gaat om bijvoorbeeld vlees, vis, eieren, melk, wol of bont. Ruim 95 procent leeft in de vee-industrie (intensieve veehouderij). In deze bedrijfstak produceren zo veel mogelijk dieren zo veel mogelijk vlees, eieren, melk of bont, op een zo klein mogelijke oppervlakte, zo snel mogelijk en tegen zo laag mogelijke kosten. In de vee-industrie zijn dieren steeds verder doorgefokt op hoge productie. Ze worden heel klinisch, zeer dicht op elkaar gehouden, dikwijls op roostervloeren, in een vrijwel kale omgeving met weinig afleiding en in stallen zonder daglicht. De gezondheids-en gedragsproblemen die hierdoor ontstaan, worden gemaskeerd door antibiotica en andere medicaties en het amputeren van lichaamsdelen zoals hoorns, staarten en het kappen van snavelpunten. Deze wijze van houden van dieren geeft ook milieu- en landschapsvervuiling en brengt risico’s met zich mee voor de volksgezondheid. Het is daarom niet vreemd dat er steeds meer stemmen opgaan om de veestapel drastisch in te krimpen en beperkende maatregelen te nemen ten aanzien van de vestiging en uitbreiding van dergelijke bedrijven.

Deze beperkende maatregelen worden over het algemeen om milieutechnische redenen genomen, maar kunnen ook het dierenwelzijn ten goede komen. Let wel op dat dergelijke maatregelen het dierenwelzijn ook kunnen aantasten of de positieve ontwikkeling tegenhouden. Al sinds vele jaren is er in Nederland sprake van een toenemende schaalvergroting en intensivering in de veehouderij. Hierdoor ontstaan er steeds meer megastallen, waarin tot wel honderdduizenden dieren op elkaar worden gehouden. Deze intensivering brengt problemen met zich mee op het gebied van milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn. Doorgaan met concurreren op kostprijs is een neerwaartse spiraal die uiteindelijk alleen verliezers kent. De boerderijen worden vervangen door fabrieken, de boer met zijn familiebedrijf wordt vervangen door fabrieksarbeiders en het dier wordt steeds meer een ding. Al jaren pleiten opeenvolgende adviescommissies ervoor dat veehouders zich gaan richten op het maken van producten met meerwaarde, waaronder een hoger dierenwelzijn. Met de nodige voorlichting en marketing zijn consumenten, zeker in Nederland en omringen-

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

27

de landen, best over te halen hiervoor wat meer te betalen3. Met haar Beter Leven keurmerk laat de Dierenbescherming sinds 2007 zien dat dit heel goed mogelijk is. Steeds meer eieren, varkens- kippen- en rundvlees komen van boerderijen die onder het Beter Leven keurmerk diervriendelijker produceren4. Eenzijdige aanpak gaat ten koste van dierenwelzijn Sinds de Q-koorts crisis, de ontdekking dat er steeds meer bacteriën resistent worden tegen antibiotica en onderzoeken naar de gevolgen voor de volksgezondheid van de uitstoot van ammoniak, fijnstof en geur uit de veehouderij beginnen provincies en gemeenten een steeds restrictiever beleid te voeren ten aanzien van de vee-industrie. Daarbij wordt bedrijven vaak de op dit moment ‘best beschikbare techniek opgelegd’ om de uitstoot van genoemde stoffen tegen te gaan: een luchtwasser. Met de luchtwasser wordt de omgeving van een stal wel schoner, maar in de stal staan de dieren vaak maanden boven putten met hun eigen gistende uitwerpselen en is het klimaat voor de dieren en hun verzorgers nog steeds zeer ongezond. Een luchtwasser is zo een ‘end-of-pipe’ oplossing en ‘win-loss’ situatie, winst voor milieu en volksgezondheid, maar verlies voor het dierenwelzijn. In plaats van luchtwassers in varkens- en runderstallen pleit de Dierenbescherming voor aanpak van de problemen bij de bron.

Met afzonderlijke of gecombineerde maatregelen als verlaging van het eiwitgehalte in het voer, mestpannen, balansballen, een spoelgoot en een koeldeksysteem kan de ammoniak­ uitstoot van bestaande varkensstallen drastisch verlaagd worden5. Nog beter is bij nieuwbouw of ingrijpende verbouw van varkensstallen mest en urine direct te scheiden en uit de stal af te voeren, zodat ammoniakvorming wordt voorkomen6. In plaats van bestaande pluimveestallen potdicht te maken en er een luchtwasser op te plaatsen kan fijnstof met voor de volksgezondheid risicovolle endotoxinen ook flink verminderd worden met bijvoorbeeld een warmtewisselaar, een mestdroogtunnel, ionisatie van stof en verneveling van koolzaadolie in de stal. Een z.g. strooiselschuif vindt de Dierenbescherming dan weer een minder goede oplossing, omdat er dan vaak te weinig strooisel achterblijft voor de kippen om in te stofbaden. Bij nieuwbouw van kippenstallen moeten systemen toegepast worden om mest direct uit de stal af te voeren. Dan is de uitstoot van ammoniak, geur, micro-organismen en stofdeeltjes met endotoxinen meteen veel lager. Er bestaan al enkele diergericht ontworpen stalsystemen, zoals Rondeel, Kipster en de Windstreekstal. In plaats van een luchtwasser te bouwen op zijn melkveestal, kan een melkveehouder zijn koeien beter zoveel mogelijk weidegang geven.

In de wei vallen mest en urine apart en treedt daardoor geen ammoniakvorming op. Verborgen vee-industrie Naast de algemeen bekende grotere takken van veehouderij, zoals melkvee-, pluimvee- en varkenshouderij, zijn er ook andere (minder bekende) takken. Daarin vinden we onder andere kalkoenen, vissen of eenden, waarvan de consument niet weet dat ze in kleine hokken, bakken en schuren gehouden worden. Vandaar de naam ‘verborgen’ vee-industrie. Ook het grootste deel van het zogenaamde ‘wild’, zoals konijnen- en hertenvlees, komt uit

3 Zie bijvoorbeeld: Toekomst voor de veehouderij – agenda voor een herontwerp van de sector. Commissie Wijffels (2001); Debat Toekomst Intensieve Veehouderij o.l.v. Minister Veerman (2003); Toekomstvisie op de veehouderij. Brief aan de Tweede Kamer van Minister Verburg (2009); Van mega naar beter – Rapportage van de maatschappelijke dialoog over schaalgrootte en toekomst van de veehouderij. Commissie Alders (2011); Alle vlees duurzaam, Commissie Van Doorn (2011). 4 beterleven.dierenbescherming.nl/ 5 Vermeij, I., H. Ellen, S. Bokma, 2017. Maatregelen ter reductie van ammoniakemissie in bestaande varkensstallen; Wageningen Livestock Research, Rapport 1010. 6 www.wur.nl/nl/show/StarPlus-stalconcept-voor-varkens.htm

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

28

de verborgen vee-industrie. In deze sector worden de dieren opgefokt onder dikwijls erbarmelijke omstandigheden. Adequate, specifiek op deze diersoorten toegesneden regelgeving ontbreekt helaas.

6.2.1 Pelsdierhouderij Een bijzondere tak van de vee-industrie is de pelsdierhouderij. Het houden van chinchilla’s en vossen voor hun pels is sinds 1 april 2008 wettelijk verboden in Nederland. Maar nog steeds moeten jaarlijks enkele miljoenen nertsen hun hele leven slijten in een kleine kooi. De dieren vertonen duidelijk gestoord gedrag dat erg afwijkt van hun soortspecifieke gedrag. Het is ethisch niet aanvaardbaar om dieren zo te behandelen. Daar komt nog eens bij dat het gaat om bont, een luxeproduct waar voldoende alternatieven voor zijn. In december 2012 heeft na de Tweede Kamer ook de Eerste Kamer met een verbod op het fokken van nertsen in Nederland ingestemd. Deze laatste tak van de bontindustrie in Nederland verdwijnt voorgoed in 2024. Tot die tijd mogen de nertsenhouders niet uitbreiden en geen nieuwe nertsenfokkerijen starten. Mocht er in een gemeente toch een vergunning worden afgegeven voor start of uitbreiding van een nertsenfokkerij, dan kunnen mensen contact opnemen met Stichting Bont voor Dieren. Zij zal dan de gemeente aanspreken op het niet naleven van het nertsenfokverbod en zo nodig juridische stappen tegen de gemeente ondernemen.

6.2.2 Stalbranden Regelmatig verschijnen er in de media berichten over stalbranden en grote aantallen dieren die daarbij omkomen. De kans dat een stal in brand vliegt is heel klein, maar heel vaak betekent een stalbrand een afschuwelijke dood voor de dieren in de stal. En met het steeds groter worden van stallen zijn bij een enkele brand steeds grotere aantallen dieren slachtoffer. In 2008 heeft de Dierenbescherming de noodklok geluid over stalbranden en is zij met boerenorganisatie LTO en de overheid in overleg gegaan. Na onderzoek naar aard en omvang van stalbranden heeft dit geresulteerd in het Actieplan Stalbranden 2012 – 2016. LTO, Dierenbescherming en overheid hebben dit actieplan samen met Brandweer Nederland, het Verbond van Verzekeraars, dierenartsenorganisatie KNMvD en de NVWA uitgevoerd. De meest voorkomende oorzaken van een stalbrand zijn kortsluiting, klussen in en om de stal (zoals lassen, slijpen en dakdekken) en oververhitting van apparatuur. Deze oorzaken hebben veel te maken met kennis, houding en gedrag van de veehouders. Vandaar dat onder het actieplan ruim vijftig voorlichtingsbijeenkomsten voor veehouders over brandpreventie zijn georganiseerd. Als er een brand in een stal uitbreekt grijpt deze snel om zich heen, o.a. omdat plafonds en wandbekleding bestaan uit sterk brandbare materialen.

Per 1 april 2014 geldt op grond van het Bouwbesluit 2012 voor nieuw- en verbouw van stallen dat de elektrische installatie achter een 60 minuten brandwerende wand en deur moet staan en dat bouwmaterialen van een hogere, slecht brandende klasse (Brandklasse B of beter) moeten zijn. Het duurt helaas nog wel even voor alle stallen aan deze eisen voldoen, aangezien ze 25 tot 40 jaar meegaan. Kortsluiting in de elektrische installatie is de belangrijkste oorzaak van stalbranden. Daarom is het belangrijk dat bij oplevering van stallen en daarna eens in de vijf jaar een z.g. Agro Elektra Inspectie plaatsvindt, waarbij een deskundige alles van leidingen en stopcontacten tot stoppenkast en apparatuur naloopt op tekortkomingen en adviseert hoe

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

29

deze te verhelpen. Verzekeraars nemen een dergelijke inspectie steeds vaker als voorwaarde op in de brandverzekeringspolis. Ook voor deelname aan het Beter Leven keurmerk van de Dierenbescherming is een periodieke elektrakeuring een voorwaarde. En de IKB kwaliteitsborgingssystemen van de veehouderijsector zelf zijn ook voornemens deze voorwaarde te gaan stellen (ruim 95% van de veehouders neemt hieraan deel dus dat is een belangrijke stap in de aanpak van stalbranden). Het Actieplan Stalbranden 2012 – 2016 heeft (nog) niet geleid tot een vermindering van het aantal stalbranden en het aantal dieren dat daarbij omkomt. Een periode van vijf jaar is dan ook nog te kort om al veel effect te kunnen zien van de genomen maatregelen7. Omdat het nog tientallen jaren duurt voordat alle bestaande stallen zijn vernieuwd en aan de strengere, brandveiligere bouwvoorschriften voldoen, zal in het vervolg op het Actieplan Stalbranden meer aandacht besteed worden aan maatregelen om bestaande stallen brandveiliger te maken. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het voorkomen van stalbranden. Zij, of in regio­ naal samenwerkingsverband de Regionale Omgevingsdienst, zijn het immers die omgevingsvergunningen afgeven voor bouw en verbouw van stallen, inclusief het voorschrijven en toezien op brandpreventie. Zo moet er controle zijn op het gebruik van de juiste, brandveilige materialen.

Ook dienen gemeenten erop toe te zien dat in een grote stal elke 2500m2 staloppervlak wordt afgescheiden door een minstens 60 minuten brandwerende afscheiding (z.g. compartimentering). En als een veehouder ruimtes groter dan 2500m2 wil bouwen moet de gemeente er op toezien dat hierin extra brandpreventiemaatregelen worden genomen. Naast brandpreventie is ook een snelle bestrijding van een beginnende brand van belang. Daarvoor is o.a. bluswater nodig. Steeds meer gemeenten heffen brandwaterputten in het buitengebied op. Het is dan wel zaak dat de brandweer beschikt over grote watertankwagens. Ook kan veehouders voorgeschreven worden dat ze een grote waterpunt of een bluswatervijver moeten aanleggen. Met het oog op het overslaan van brand van de ene stal naar de andere is het nodig dat een aantal gemeenten het ruimtelijke ordeningsbeleid aanpast. De meeste schrijven nu een harde bouwblokgrens voor, waardoor stallen dicht op elkaar worden gebouwd en waardoor vuur gemakkelijk kan overslaan. In plaats van een bouwblokgrens kan een gemeente ook een bebouwingspercentage voorschrijven, waarbij er meer vrijheid is tussen de gebouwen ruimte te laten tegen brandoverslag.

6.2.3 Diervriendelijkere consumptie De Dierenbescherming wil meer ruimte voor dierenwelzijn. De veehouderij zal zich daartoe moeten richten op het creëren van duurzamer vlees, eieren en zuivel met meerwaarde, waaronder een hoger dierenwelzijn met uitloop. Het merendeel van de in Nederland geproduceerde dierlijke producten wordt in Noordwest-Europa verkocht. Het bedrijfsleven is in staat de consumenten in dit gebied met voorlichting en marketing ervan te overtuigen dat zij wat meer moeten betalen voor een product dat meer dierenwelzijn garandeert. De Dierenbescherming steunt niet alleen de biologische veehouderij. Met haar Beter Leven keurmerk op de verpakking steunt zij ook veehouderij tussen gangbaar en biologisch in, om stapsgewijs het dierenwelzijn te verhogen. Niet mega, maar minder en beter, is volgens de Dierenbescherming de weg naar een maatschappelijk aanvaardbare veehouderij met toekomst.

7  M. Bokma-Bakker, Bokma, S, Ellen H, Hagen R, Van Ruijven C., Evaluatie Actieplan Stalbranden 2012 – 2016, Wageningen Universiteit & Research, Instituut Fysieke Veiligheid. Rapport 1035, juli 2017.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

30

Sinds de introductie van het Beter Leven keurmerk van de Dierenbescherming in 2007, is het aanbod van producten afkomstig van dieren die diervriendelijker gehouden worden enorm toegenomen. Het Beter Leven keurmerk drukt het dierenwelzijnsniveau uit in drie sterren; hoe meer sterren, hoe beter. Producten met het Beter Leven keurmerk zijn te vinden in supermarkten, maar ook in de catering. Het Beter Leven keurmerk staat inmiddels op kip, kalkoen, varkensvlees, rundvlees, kalfsvlees, konijn en eieren. Samen met Natuur & Milieu is de Dierenbescherming bezig het Beter Leven keurmerk, om te beginnen voor varkens- en kippenvlees, uit te breiden met milieucriteria. Zo zal het een meer integraal duurzaamheidskeurmerk worden. Een Beter Leven keurmerk voor zuivel is nog in de maak en komt hopelijk in de loop van 2018 op de markt. Wie zuivelproducten wil consumeren en daarbij op het dierenwelzijn wil letten, kan biologische zuivel kopen. Biologisch gehouden melkkoeien hebben bijvoorbeeld gegarandeerd weidegang gehad. Naast biologische zuivel is er nu ook de zogenaamde ‘weidezuivel’. Dit komt van koeien die tijdens het weideseizoen van april tot november tenminste 120 dagen, 6 uur per dag in de wei hebben gelopen.

6.3 Rol van de gemeente Veehouders hebben een Omgevingsvergunning van het college van B&W nodig voor het oprichten en uitbreiden van het bedrijf. Het verlenen van een vergunning staat open voor inspraak en mag niet in strijd zijn met landelijke wetgeving, jurisprudentie en richtlijnen, zoals milieuwetgeving, stank- en stofnormen en geluidshinderregels. Ook provinciale en gemeentelijke regelgeving zijn van belang. Een provincie kan in een Structuur- of Omgevingsvisie en een provinciale Verordening Ruimte kaders voor het gemeentelijk ruimtelijke ordeningsbeleid weergeven. Gemeenten moeten hiermee rekening houden in hun structuur- en bestemmingsplannen. Een gemeentelijk bestemmingsplan geeft uiteindelijk aan wat er in een bepaald gebied ruimtelijk mag gebeuren en is dus ook bepalend voor het wel of niet mogen oprichten en uitbreiden van veehouderijen. In de afgelopen jaren zijn door verschillende provincies vele tientallen gebieden genomineerd als LOG (Landbouw ontwikkelingsgebied). Hier krijgt de vee-industrie de ruimte om zich te ontwikkelen. Andere gebieden zijn juist aangewezen als extensiveringsgebied, waar de vee-industrie weggesaneerd moet worden, of verwevingsgebieden, waar natuur en recreatie met veehouderij verweven mag worden.

Door protesten van bewoners en verzet van gemeenten is het ontwikkelen van LOG’s op veel plaatsen mislukt en komen genoemde provincies terug op dit beleid. Naar aanleiding van de groeiende protesten tegen de vee-industrie zijn diverse provincies bezig de nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderijbedrijven in hun Omgevingsvisie en hun Verordening Ruimte aan banden te leggen. In de bestemmingsplannen van de gemeente kan worden opgenomen dat nieuwe vestiging van intensieve veehouderijen niet wordt toegestaan. Het omzetten van de bestemming ‘grondgebonden agrarisch bedrijf’ in de bestemming ‘niet-grondgebonden bedrijf’ of ‘agrarisch bedrijf’ kan eveneens worden geblokkeerd. Dit betekent dat de komst van alle vormen van intensieve veehouderijen wordt tegengehouden. Veel gemeenten hebben in hun bestemmingsplan voor het buitengebied de bepaling dat alleen ‘grondgebonden veehouderij’ is toegestaan. Deze bepaling sluit de vestiging uit van niet-grondgebonden bedrijven, zoals intensieve varkens- en pluimveehouderij. De bepaling dat alleen grondgebonden veehouderij is toegestaan, sluit een melkveebedrijf waar koeien niet worden geweid maar het hele jaar op stal staan niet uit. Als een melkveehouder voldoende grond heeft voor het weiden van zijn koeien, maar ze niet weidt, kan het bedrijf toch als grond-

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

31

geboden worden gezien. Het is daarom zaak dat de gemeente uitdrukkelijk in haar bestemmingsplan bepaalt dat het bedrijf de koeien gedurende het weideseizoen weidegang moet geven. Binnen hun verantwoordelijk voor het afgeven van een vergunning voor het bouwen van een stal, moet de gemeente de plannen ook toetsen op de brandveiligheid. Zie hiervoor.

AANBEVELING 22

De gemeente voorkomt met behulp van haar bestemmingsplannen de vestiging of uitbreiding van vee-industrie binnen haar grenzen. AANBEVELING 23

De gemeente stimuleert vormen van diervriendelijkere veehouderij door zelf het goede voorbeeld te geven en alleen producten met het Beter Leven kenmerk of biologische producten te gebruiken en te zorgen voor de aanwezigheid van vegetarisch voedsel. AANBEVELING 24

De gemeente stelt extra eisen aan de brandveiligheid van stallen, bijvoorbeeld door bebouwingspercentages in plaats van bouwblokgrenzen te hanteren en controleert stallen regelmatig op brandveiligheid. Ook zorgt de gemeente ervoor dat de brandweer is voorbereid op het aanpakken van stalbranden door te zorgen voor voldoende bluswater, regelmatig te oefenen en een aanvalsplan voor stalbranden op te stellen.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

32

7. IN HET WILD LEVENDE DIEREN: JACHT, BEHEER & SCHADEBESTRIJDING

In de wetgeving met betrekking tot in het wild levende dieren wordt onderscheid gemaakt tussen jacht enerzijds en beheer en schadebestrijding anderzijds. Daarom is in dit hoofdstuk ook voor dit onderscheid gekozen. Ook gaan we in op hengelsport.

7.1 Jacht Onder jacht verstaan we het najagen, opsporen, vangen en doden van dieren puur voor recreatie, ontspanning en vermaak en voor de consumptie van vlees of het gebruik van bijvoorbeeld huiden en geweien.

7.1.1 Wetgeving In de Wet natuurbescherming worden vijf diersoorten als vrij bejaagbaar aangemerkt: haas, fazant, wilde eend, konijn en houtduif. Op de vrij bejaagbare soorten mag alleen tijdens de openstelling van de jacht worden gejaagd. Openingstijden zijn door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit per diersoort vastgesteld. Buiten deze periodes geldt voor deze soorten, net als voor niet-wildsoorten, vaak een regime van beheer en schadebestrijding. De wet geeft ook aan wie er mag jagen en met welke middelen. Het ‘genot van de jacht’ is gekoppeld aan het bezit of gebruik van de grond, maar kan worden verhuurd aan anderen als bijvoorbeeld de eigenaar of de grondgebruiker niet zelf de wildstand wil beheren. Zolang een pachter of grondgebruiker toestemming verleent, kan de gemeente ‘het genot van de jacht’ op gemeentegronden verhuren.

7.1.2 Visie Dierenbescherming De Dierenbescherming is tegen jacht. In het wild levende dieren in ons land hebben te maken met veel menselijke verstoring. Hun leefomgeving is sterk teruggedrongen door intensieve landbouw, steden en infrastructuur. Ook gebieden met een natuurbestemming zijn vaak doorsneden met wegen en bebouwing. Het is daarom van belang in het wild levende dieren zo veel mogelijk met rust te laten om hun welzijn te waarborgen. Zij moeten de kans te krijgen om in vrijheid te leven en te sterven. Jacht is niet nodig om mensen van voedsel te voorzien. Bovendien veroorzaakt jacht onrust onder de bejaagde soort én andere diersoorten, onder andere omdat dieren niet altijd direct gedood zijn. Jacht op ouderdieren kan er voor zorgen dat jongen zonder ouders een langzame dood sterven. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn brengt jacht veel negatieve gevolgen met zich mee.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

33

7.1.3 Rol van de gemeente Gemeenten zijn vaak in het bezit van verschillende gronden (bijvoorbeeld agrarisch land of landgoederen). Het gebeurt regelmatig dat deze gronden verhuurd worden voor de jacht. Vaak gebeurt dit omdat gemeenten denken dat het bestrijden van schade anders niet mogelijk is. Maar omdat er voldoende alternatieven zijn om via diervriendelijke maatregelen gewasschade tegen te gaan en er een wettelijk afwegingskader bestaat waardoor het doden van dieren in het kader van schadebestrijding mogelijk is (zonder daarbij gebruik te maken van de jacht) is het toestaan en toepassen van de traditionele jacht op gemeentegronden overbodig. Er wordt hiermee geen algemeen belang gediend en er is voor de gemeente dan ook geen enkele reden de jacht op gemeentegronden toe te staan.

AANBEVELING 25

De gemeente staat jacht op gemeentegronden niet toe.

7.2 Beheer en schadebestrijding Van sommige diersoorten wordt geoordeeld dat de populaties te groot zijn geworden en ze overlast (kunnen) veroorzaken. Er kan dan besloten worden om de populatie te verkleinen, we spreken dan over beheerjacht. Bij sommige beheersoorten wil men de stand terug te brengen naar nul. Dit geldt meestal voor de zogeheten ‘exoten’, oftewel diersoorten die niet van oorsprong in Nederland voorkomen. Daarnaast vindt doden ook nog plaats onder de term schadebestrijding. Wanneer bijvoorbeeld ganzen veel schade veroorzaken aan landbouwgewassen, dan mogen ze soms, indien er geen alternatieve oplossingen zijn, worden afgeschoten. Schadebestrijding wordt vaak uitgevoerd door jagers, die daarvoor in het bezit moeten zijn van een geldige jachtakte.

7.2.1 Wetgeving In principe zijn alle in het wild levende dieren beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 1.11.1) en via de Wet dieren (artikel 2.1). Echter, ten behoeve van beheer en schadebestrijding kan daar van afgeweken worden als bepaalde belangen in gevaar zijn. Voorbeelden daarvan zijn de openbare, verkeers- en vliegveiligheid, volksgezondheid of ter voorkoming van schade aan gewassen of flora en fauna. Wie verstorings- en dodingshandelingen mag uitvoeren en of daarvoor een ontheffing nodig is hangt af van de soort en in welke provincie de overlast speelt. Ontheffingsaanvragen lopen normaliter via de provincie. Voor soorten die niet onder een van de drie beschermingsregimes (1: vogels, 2: soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn, 3: nationaal beschermde soorten) vallen of via een ministeriële of provinciale aanwijzing zijn vrijgesteld is geen ontheffing nodig. Wel gelden er in alle gevallen regels omtrent verboden en toegestane middelen en zitten aan de vrijstellingen voorwaarden gekoppeld. Deze regels en voorwaarden zijn terug te vinden in de Wet natuurbescherming, de daaronder liggende Regeling en het Besluit en in provinciale verordeningen en beleidsregels. Indien men voor de bestrijding gif wil inzetten, dan moet worden nagaan in de Wet gewasbescherming en biociden of dit is toegestaan.

In alle gevallen, dus ook voor muizen en ratten, geldt de algemene zorgplichtbepaling uit de Wet natuurbescherming en de Wet dieren. Onnodig leed veroorzaken is derhalve niet toegestaan.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

34

7.2.2 Visie Dierenbescherming De Dierenbescherming hanteert voor zowel beheer als schadebestrijding het ‘nee, tenzij’­beginsel. In het geval van schadebestrijding betekent dit dat dieren niet gedood worden, tenzij er echt geen enkele andere mogelijkheid is. De Dierenbescherming vindt dat ingrijpen, of het nu beschermde inheemse, uitheemse of niet beschermde dieren betreft, door de mens alleen gerechtvaardigd is als er sprake is van zeer ernstige schade of overlast en alternatieve, diervriendelijkere oplossingen niet voorhanden zijn. Het doden van dieren om schade en overlast te bestrijden is niet duurzaam en vaak ook niet effectief. Men gaat er vanuit dat door het doden van dieren de schade en overlast minder zullen worden. Echter, meestal hebben populaties een zelfregulerend vermogen, wat betekent dat als dieren gedood worden er vervolgens meer jongen worden geboren en/of overleven. Deze vullen de plekken van de gedode dieren weer op. Schade en overlast treden dan opnieuw op. Bejaging kan er verder toe leiden dat dieren gaan vluchten, daardoor meer energie gebruiken en meer (gewassen) eten en dus meer schade veroorzaken of door opvliegen juist meer verstoring geven aan het vliegverkeer. Het doden van muizen en ratten gebeurt door particulieren en deels door dierplaagbeheerders. Vaak gebruikt men gif.

De Dierenbescherming is tegen het gebruik van muizenof rattengif omdat dit zeer veel leed bij het te doden dier veroorzaakt en daarnaast ook niet-doelsoorten vergiftigt zoals roofvogels. Alternatieven De Dierenbescherming is van mening dat bestrijding gericht moet zijn op preventie in plaats van op doding. Er zijn verschillende alternatieven mogelijk om beheer en schade­ bestrijding middels jacht, klemmen en gif overbodig te maken. Voorbeelden hiervan zijn: • ter voorkoming van verkeersongelukken kunnen wildsignaleringssystemen, die pas bij beweging van dieren in de wegberm, een signaal afgeven aan bestuurder, of hekken (inclusief faunapassages) uitkomst bieden; • gebieden onaantrekkelijk maken, bijvoorbeeld door andere beplanting en inrichting, het spannen van draden, inzetten van knalapparaten of neproofvogels of het verspreiden van stoffen met een sterke geur; • foerageergebieden aanwijzen door een gebied aantrekkelijk te maken voor de dieren, bijvoorbeeld door het inzaaien van witte klaver in gebieden waar ganzen mogen foerageren of het aanleggen van rasters of afdekken van gewassen; • nestbeheer om kleine, overzichtelijke ganzen- of eendenpopulaties in toom te houden; • tegengaan van verwilderen exoten door bezit van bepaalde exotische dier- en plantensoorten te verbieden.

• opruimen van voedselresten, afsluiten van containers en gebruik van ondergrondse containers; • minder, anders of niet voeren van onder andere watervogels; • bouwkundige maatregelen treffen, zoals het dichten van gaten en kieren, mogelijke schuilplaatsen wegnemen en het goed onderhouden van het rioolstelsel; • natuurlijke vijanden, zoals katten en vossen, vrij baan geven.

7.2.3 Rol van de gemeente De gemeente heeft als taak de openbare ruimte te beheren. Eventuele overlast van dieren die hier in het wild leven, zoals boerenganzen, bruine ratten, stadsduiven, meeuwen, steenmarters, verwilderde katten en konijnen, dient de gemeente ‘op te lossen’. Het voert te ver om elke mogelijk overlastgevende diersoort en daarvoor beschikbare diervriendelijke oplossingen te bespreken. Hieronder heeft de Dierenbescherming een globaal advies geformuleerd. Voor diergerichte aanbevelingen kan gemeente contact opnemen met de regiokantoren van de Dierenbescherming.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

35

In eerste instantie is het belangrijk dat gemeenten bepalen of de ervaren overlast wel reëel is en door een groot deel van de inwoners ook als overlast gezien wordt. Met andere woorden: is er daadwerkelijk sprake van overlast? Is dat het geval, dan zijn vaak simpele maatregelen al voldoende om dit te minimaliseren. Soms is er één persoon in de omgeving die dieren overmatig voert en kan hij of zij via een gesprek ertoe bewogen worden minder, anders of elders te voeren, waardoor minder dieren zich op een plek concentreren. In Amsterdam geeft de GGD op haar website informatie over het anders voeren van dieren8. Op plekken waar veel voedsel is, doordat mensen daar bijvoorbeeld eenden voeren, in de omgeving van een snackbar etensresten laten slingeren of prullenbakken niet goed afgesloten zijn, kan advies over minder voeren en het voorzien van betere prullenbakken of ondergrondse containers overlast verminderen. Overlast van huismuizen, ratten en steenmarters in woningen kan voorkomen worden door ze goed na te lopen op gaten en kieren en deze te dichten. Aanpassingen aan de leefomgeving, zodat deze minder geschikt is voor bepaalde overlastgevende dieren, kan uitkomst bieden. Gemeenten kunnen hier voorlichting over geven.

Als alle preventieve omgevingsmaatregelen genomen zijn, maar de overlast niet voldoende is weggenomen, dan kan de gemeente overwegen om dieren weg te vangen en te verplaatsen. In het geval van beschermde diersoorten zal hiervoor een ontheffing bij de provincie hetzij evt. het ministerie van LNV aangevraagd moeten worden. Betreft het niet-beschermde diersoorten, zoals boerenganzen in stadsparken, dan is dat niet nodig. Wel is het voor het welzijn van de dieren en ter voorkoming van publieke verontwaardiging belangrijk te zoeken naar een betrouwbare uitvoerder die de dieren onderbrengt op een goede plek. In het geval van boerenganzen en eenden moet men zien te voorkomen dat de populatie weer uitgroeit. Dit kan door de opdracht aan derden te verstrekken om nesten van deze dieren te beheren en eieren tijdig te behandelen zo dat ze niet uitkomen. Steriliseren van dieren om op die manier de populatie te stabiliseren of af te laten nemen, kan ook een methode zijn om overlast van kleine populaties dieren met weinig instroom en uitstroom (immigratie en emigratie) te beperken. Dit wordt vaak toegepast op verwilderde katten (zie paragraaf 8.2.4). De Dierenbescherming pleit ervoor dat dieren waar mensen overlast van ervaren, op diervriendelijke wijze worden gevangen en verplaatst en preventieve maatregelen worden ingezet om de overlast te voorkomen of beperken.

In uiterste gevallen, kan een gemeente besluiten om dieren die overlast geven te vangen of te doden. In geval van beschermde diersoorten zal de gemeente hiervoor een ontheffing aan moeten vragen. Gaat het om niet beschermde soorten, dan is dit niet nodig. Wel kan het nodig zijn een ontheffing aan te vragen voor het gebruik van bepaalde vangst- of dodingsmethoden. De Dierenbescherming adviseert vangen en/of doden van dieren op een zo diervriendelijk mogelijke manier te doen en ervoor te zorgen dat andere dieren in de omgeving hiervan geen schade ondervinden.

AANBEVELING 26

De gemeente voorziet, eventueel in samenwerking met de Dierenbescherming, inwoners van informatie over dieren in hun omgeving. Zo kan acceptatie van dieren rondom de woningen worden vergroot en door preventief handelen worden voorkomen dat mensen overlast ervaren.

8

GGD Amsterdam, 16 juli 2013. Anders voeren. www.ggd.amsterdam.nl

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

36

AANBEVELING 27

De gemeente overlegt met de Dierenbescherming over alternatieve methoden, in plaats van doden van dieren, voor het voorkomen van schade en verkeersongevallen binnen de gemeente. AANBEVELING 28

De gemeente geeft informatie aan burgers over diervriendelijke manieren van schade beperken en legt daarbij de nadruk op diervriendelijke en preventieve maatregelen.

7.3 Verwilderde katten 7.3.1 Achtergrond In Nederland leven zowel in stedelijke als buitengebieden verwilderde katten. Dit zijn katten die buitenshuis leven en geen aanwijsbare eigenaar hebben of niet door een eigenaar worden opgeëist. Het kunnen zowel in het wild geboren of verwilderde huiskatten zijn. De katten zijn angstig voor mensen en leven op plekken waar voedsel te vinden is, zoals woonwijken, campings, restaurants of industrieterreinen. Vaak worden ze gevoerd door mensen uit de buurt. Hoe meer voedsel en nestplekken in een gebied, hoe meer katten er kunnen en zullen leven. Daar waar meer voedsel aanwezig is, zoals op de boerderij, camping, industrieterreinen of in steden, leven ze meestal in groepen (sociaal). In het buitengebied is het voedselaanbod vaak beperkt en leven verwilderde katten meestal alleen (solitair) en in lage dichtheden. Met name in steden wordt de aanwezigheid van verwilderde katten regelmatig ervaren als overlast. Ze krabben bijvoorbeeld vuilniszakken open en veroorzaken, vooral tijdens de paartijd, geluids- en stankoverlast (door urineren en sproeien). Volgens sommigen richten ze ook schade aan in de natuur, doordat zij op vogels en andere kleine dieren jagen.

7.3.2 Toegepaste methode om overlast te beperken Het wegvangen en opvangen van zwerfkatten is een veel gebruikte methode om overlast te beperken. De opvang van deze katten levert echter vaak problemen op, omdat ze in verwilderde staat zijn en daarom moeilijk tot niet in een huiselijke sfeer gehouden kunnen worden. Afschot is een methode die twee provincies, Friesland en Utrecht, op basis van de oude Flora- en faunawet nog toepassen in het buitengebied. Dit staan zij toe om schade aan kwetsbare dieren zoals weidevogels te beperken. Of dit het gewenste effect heeft is niet bekend. Wel is duidelijk dat in de overige provincies waar dit afschot niet plaatsvindt er geen extra grote problemen zijn, ten opzichte van de provincies waar afschot wel mogelijk is.

7.3.3 Visie Dierenbescherming De Dierenbescherming zet zich in voor een aanpak die uitgaat van de erkenning van de intrinsieke waarde van katten en heeft haar beleid gericht op preventieve maatregelen om overlast te voorkomen. Een diervriendelijke en effectieve manier van populatiebeheer zoals de TNR-methode binnen de bebouwde kom en het chippen van katten valt daar onder. Als dieren een chip hebben, zullen zij eerder bij hun eigenaar terugkomen nadat ze zijn vermist of ergens worden gevonden en dit voorkomt dat de katten verwilderen. Het is ook daarom van belang dat eigenaren informatie krijgen over het belang van chippen.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

37

TNR-methode Voor het oplossen of voorkomen van problemen ten aanzien van verwilderde katten binnen de bebouwde kom kan de zogenaamde TNR-methode worden ingezet. Hierbij worden katten gevangen (Trap), gecastreerd of gesteriliseerd (Neuter) en weer teruggezet (Return). De katten worden gevangen met speciale vangkooien. Dat gebeurt met gerichte acties, waarbij zo veel mogelijk katten in één keer worden gevangen. Buurtbewoners worden gevraagd de zwerfkatten in deze periode niet te voeren en hun eigen kat binnen te houden of te onderscheiden met een halsbandje. De gecastreerde of gesteriliseerde katten worden bij voorkeur weer teruggeplaatst in hun oude leefomgeving. Teruggeplaatste dieren veroorzaken veel minder overlast, doordat ze gecastreerd zijn (geen sproeien, vechten en krijsen meer). Uiteindelijk wordt de groep steeds kleiner, mits instroom van nieuwe dieren beperkt wordt door voldoende voorlichting aan omwonenden over chippen en steriliseren, en zal door natuurlijk verloop uitsterven. Volwassen katten die nog niet erg lang op straat hebben geleefd en redelijk tam zijn, kunnen worden geresocialiseerd, maar uitsluitend wanneer terugplaatsen of plaatsen in een andere leefomgeving niet mogelijk is. Dieren die (opnieuw) zijn gesocialiseerd, kunnen in een huiselijke omgeving worden ondergebracht of op een boerderij, camping of recreatiepark.

7.3.4 Rol van de gemeente Omdat verwilderde katten in stedelijk gebied in eerste instantie worden gezien als een zwervend aangetroffen dier met een vermeende eigenaar is de gemeente wettelijk verplicht ze 14 dagen op te vangen. Binnen deze termijn kan vaak al worden vastgesteld of het om een verwilderde kat gaat en of het dier nog kan worden gesocialiseerd. Wanneer dit niet het geval is, wordt de kat gecastreerd of gesteriliseerd en teruggezet. Aangezien de kat wel onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt, is het logisch dat zij ook een bijdrage levert aan het castreren of steriliseren van de kat. De gemeente kan bijdragen aan een preventieve aanpak door voorlichting te geven over het chippen en steriliseren van katten (zie 4.2.1). Een gemeente zoals Rotterdam stimuleert chippen actief, door jaarlijks in samenwerking met de Dierenbescherming een chipactie te houden9.

AANBEVELING 29

De gemeente biedt financiële ondersteuning aan de TNR-methode in het kader van haar wettelijke taak ten aanzien van zwervend aangetroffen dieren.

7.4 Hengelen In Nederland is hengelen op veel zoet- en zoutwatervissen toegestaan en gebruikelijk. Het merendeel van de mensen vist op zoetwatervissen en de meeste worden na vangst teruggeplaatst. Bijna alle vissoorten vallen onder de Visserijwet 1963. Een enkele zeldzame soort valt onder de Wet natuurbescherming en hier mag niet op worden gevist. Nederland kent ongeveer 70 zoetwatervissoorten, waarvan 48 inheems. Voor de Nederlandse kust leven ongeveer 128 soorten vissen.

9

www.rotterdam.nl/nieuws/chip-uw-kat-gratis/

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

38

7.4.1 Wetgeving Om te mogen vissen in binnenwateren die zijn opgenomen in de Nederlandse lijst Vis­wateren moet men in bezit zijn van de VISpas. Met de aanschaf van deze VISpas is men direct lid van een hengelsportvereniging. Veel gemeenten hebben als visrechthebbenden hun visrecht (van delen van hun wateren) verhuurd aan deze hengelsportverenigingen. Over het algemeen kan men met de VISpas met twee hengels en alle toegestane aassoorten vissen. Het is niet toegestaan om met levende visjes, zoogdieren, reptielen of amfibieën als aas te gebruiken. Jongeren onder de 14 jaar mogen onder begeleiding van een met VISpas, vissen met 1 hengel. Kinderen onder de 14 jaar die met meer dan 1 hengel vissen, of zonder begeleiding, hebben een Jeugd VISpas nodig. Voor de sportvissers die geen lid willen zijn van een hengelsportvereniging is er de Kleine VISpas. Hiermee mag met één hengel en een beperkt aantal aassoorten in een beperkt aantal wateren (volgens de Kleine Lijst van Viswateren ) worden gevist. Elke gevangen vis valt onder de beschikkingsmacht van de mens. Daarom is de Wet dieren van kracht vanaf het moment dat een vis wordt gevangen. De zorgplicht volgend uit de wet is dan ook van toepassing en het is verboden om zonder redelijk doel bij een vis pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

Om hier aan te voldoen is het belangrijk dat hengelaars die vissen tijdelijk bewaren, dit doen in een daarvoor geschikt leefnet, in het water, tot het moment van vrijlaten. Vissen die ter consumptie meegenomen worden, dienen direct, via een goed gerichte klap op de kop gedood te worden.

7.4.2 Visie Dierenbescherming De opvatting dat vissen koudbloedige dieren zijn en daardoor gevoelloos, is beslist onjuist. Vissen zijn gewervelde dieren. Wetenschappers zijn het erover eens dat de bouw en de werking van zintuigen van vissen zijn te vergelijken met die van andere gewervelde dieren. Vissen voelen bij vangst en verwonding niet alleen pijn, maar ervaren ook angst en stress. Bovendien onthouden zij pijn en angst. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat een karper, na eenmaal te zijn gevangen, een volgende keer de haak ontwijkt. Hengelaars zetten de meeste vissen die ze vangen terug. Daarmee zou men kunnen zeggen dat het hengelen slechts tijdelijk ongerief zou geven aan vissen. Echter, uit wetenschappelijke studies blijkt dat gemiddeld 18% van de gevangen vis sterft ondanks dat de hengelaar de bedoeling had het dier ‘levend’ terug te zetten. Vissen die met behulp van een hengel worden opgevist ondervinden veel leed. Vaak sterven zij vervolgens een langzame en pijnlijke dood. Ook andere dieren dan vissen ondervinden leed als gevolg van hengelen.

Hieronder worden de meest voorkomende problemen door hengelen beschreven: • hengels en lijnen breken af en hierdoor blijven vissen rondzwemmen met een haak of stuk lijn aan zich; • verkeerde haken of verkeerde bevestiging ervan zorgen ervoor dat vissen de haak inslikken; • de haak wordt vaak ruw en ondeskundig verwijderd, waardoor pijn en wonden ontstaan en de vis later toch nog sterft; • het gebruik van levende vis als aas, dat is verboden, vindt nog steeds plaats. Hierdoor brengt hengelen ook leed met zich mee voor de vis die als aas wordt gebruikt; • het ‘drillen’ van de vis is het systeem van een klein stukje ophalen, weer laten gaan, weer een stukje ophalen enzovoort. Dit veroorzaakt veel angst en stress bij de vis; • vissen worden vaak met droge handen uit het water gehaald, waardoor de slijmhuid wordt aangetast. Voor vissen staat dit gelijk aan het afrukken van huid. Dit veroor-

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

39

zaakt veel pijn en leidt vaak tot de dood van het dier. De slijmhuid is bovendien een belangrijke barrière tegen ziektekiemen; • vissen worden met name bij wedstrijden in (te kleine) leefnetten bewaard, om later op te meten of te wegen. Vissen die willen ontsnappen verwonden zich, lijden pijn en ervaren angst; • vissen die worden meegenomen voor de consumptie, worden vaak niet kundig gedood; • het gebruik van lood kan leiden tot loodvergiftiging bij watervogels die de stukjes lood opeten in plaats van steentjes; • veel vogels sterven een ellendige dood, omdat zij verstrikt raken in losgeraakte of verloren visdraad of omdat zij een vishaak inslikken. De Dierenbescherming is van mening dat hengelen en viswedstrijden als een vorm van niet noodzakelijke plezierjacht gezien moet worden en is tegen hengelen. Vissen moeten zo veel mogelijk met rust worden gelaten, zodat de natuur gewoon haar gang kan gaan. Kinderen zou van jongs af aan respect voor dieren en natuur moeten worden bijgebracht en hengelen moet niet worden gestimuleerd, ook niet in het kader van voorlichting of educatie.

7.4.3 Rol van de gemeente De hengelsport is door de Rijksoverheid in de Visserijwet geregeld. Dit heeft tot gevolg dat de gemeente geen nadere regels ten aanzien van hengelen kan stellen. Wel kan de gemeente bij het afgeven van een vergunning voor een vis-evenement aan deze vergunning voorwaarden verbinden of de vergunning weigeren. Als de gemeente eigenaar is van water of oevers, kan zij het hengelen in dat water of vanaf die oever verbieden of onder bepaalde voorwaarden toestaan. Ook kan zij een overeenkomst van visrecht met een hengelsportvereniging niet verlengen. Dit moet volgens de Visserijwet uiterlijk 8 maanden voor het eind van de overeenkomst worden aangegeven. De gemeente kan in het kader van natuur- en milieueducatie in samenwerking met natuur- en dierenbeschermingsorganisaties voorlichting geven over het onderwaterleven. De Dierenbescherming pleit ervoor dat deze educatie op dusdanige wijze wordt gedaan dat vissen niet worden opgevist of op andere wijze worden verstoord.

AANBEVELING 30

De gemeente verpacht geen (vis)water aan hengelsportverenigingen. AANBEVELING 31

De gemeente geeft samen met natuur- en dierenbeschermingsorganisaties voorlichting over de leefwijze en het gedrag van vissen, zonder ze daarbij op te vissen of op andere wijze te verstoren.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

40

8. IN HET WILD LEVENDE DIEREN: RUIMTELIJKE INGREPEN

In iedere gemeente, zelfs binnen de bebouwde kom, vinden we een groot aantal dieren in het wild. Deze dieren dragen bij aan een levendige en groene gemeente en dit is een reden om hun aanwezigheid te bevorderen. Niet door het uitzetten van nieuwe dieren of het geven van voedsel (uitgezonderd extreme omstandigheden zoals een zeer strenge winter), maar juist door indirecte maatregelen zoals aanleg en onderhoud van een diervriendelijke omgeving. Iedere diersoort stelt specifieke eisen aan zijn leefomgeving. Er zijn soorten die hun hele leven doorbrengen in bossen en struwelen. Andere dieren gebruiken deze alleen om in te broeden en langs te trekken, maar zoeken hun voedsel in open gebieden. Weer andere dieren zijn te vinden bij grazige vegetaties, bij water, of voelen zich bijzonder goed in en bij gebouwen. In de praktijk komen veel dieren in een stad of dorp regelmatig in het nauw door nieuwe bedrijfsvestiging, woningbouw, sloop, wegaanleg en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. In dit geval hebben ruimtelijke ingrepen een negatief effect op de dieren die op de betreffende locatie leven. Ruimtelijke ingrepen kunnen echter ook worden gedaan met als doel de leefomstandigheden van dieren te verbeteren en hebben zo op termijn een positief effect op de diersoort.

8.1 Wetgeving De centrale overheid heeft een vrij gedetailleerde brochure opgesteld over soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Hierin staat beschreven welke stappen doorlopen moeten worden in geval er bijvoorbeeld bouwplannen zijn of wanneer men bestendig onderhoud wil plegen in de openbare ruimte10. De gemeente speelt een grote rol bij de omgevingsvergunningverlening, maar ook tijdens het onderhoud van de openbare ruimte.

8.2 Rol van de gemeente Wanneer de gemeente plannen ontwikkelt voor ruimtelijke ingrepen of voornemens is werkzaamheden uit te voeren, is het belangrijk dat vooraf goed wordt beoordeeld of er mogelijk nadelige consequenties voor beschermde inheemse soorten zijn. De gemeente is als initiatiefnemer zelf verantwoordelijk óf zij draagt verantwoording voor het beoordelen van omgevingsvergunningaanvragen. Tijdens de uitwerking van de plannen of bij het plannen van werkzaamheden moet de gemeente het volgende in kaart (laten) brengen: • Welke beschermde dieren- en plantensoorten komen in of nabij het plangebied voor? • Leidt het realiseren van het plan of de uitvoering van geplande werkzaamheden tot handelingen die strijdig zijn met de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming?

10

www.omgevingsweb.nl/cms/files/2017-01/soortenbescherming-bij-ruimtelijke-ingrepen-1.3-15122016.pdf

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

41

• Kunnen het plan of de voorgenomen werkzaamheden zodanig aangepast worden, dat dergelijke handelingen niet of in mindere mate gepleegd worden? • Is ontheffing van verbodsbepalingen vereist om de plannen te kunnen uitvoeren en de werkzaamheden te verrichten? Bovenstaande punten zijn van belang bij het opstellen van gemeentelijke plannen en het verlenen van vergunningen voor activiteiten, zoals ontwikkeling van bouwlocaties, aanleg van wegen, kappen van bospercelen en natuurontwikkelingsprojecten. Het is van belang dat een inventarisatie wordt gedaan door een persoon of organisatie die capabel is en verstand heeft van het ontwerp. Voor wat betreft het eerste punt: ‘Welke beschermde dieren en plantensoorten komen in en nabij het plangebied voor?’ is het belangrijk dat de gemeente goed veldonderzoek laat verrichten naar de aanwezigheid van dieren. De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van het natuurloket11 kan een hulpmiddel zijn als voorbereiding op het veldonderzoek. Op deze internetpagina kan de gemeente inzicht krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten. Per vierkante kilometer wordt aangegeven of er beschermde soorten voorkomen. Ook staat er informatie over de wettelijke bepalingen waaronder deze dieren en planten vallen, zoals met name de Wet natuurbescherming.

Een ander hulpmiddel is de soortendatabase van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit12. Deze database bevat beknopte informatie over de formele status van soorten die in Nederland in het wild voorkomen of voor zouden kunnen komen en mogelijke vrijstellingen. Tevens bevat de database beknopte biologische informatie over soorten, zoals de Latijnse naam, populatiegegevens etc. De gemeente is verplicht zich te houden aan de natuurwetgeving. Ook al heeft zij toestemming gekregen voor een project, dan kan het verstrekkende gevolgen hebben wanneer de gemeente niet heeft voldaan aan de eisen van de natuurwetgeving of geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van beschermde soorten. Er kan dan bezwaar worden aangetekend en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) of de rechter kan besluiten tot het stilleggen van een reeds gestart project. Ook kan het leiden tot een herstelverplichting en een boete. Daarnaast wordt bij strafvervolging gekeken naar strafverzwarende omstandigheden, zoals de kans op herhaling, de kwetsbaarheid van het gebied en de mate waarin de soort wordt bedreigd. Om bij ruimtelijke ingrepen meer rekening te houden met de flora en fauna kan men compenserende of mitigerende maatregelen treffen. In sommige gevallen is dit zelfs verplicht.

Op www.vleermuizenindestad.nl is een overzicht van dit soort maatregelen te vinden die voor vleermuizen getroffen kunnen worden.

AANBEVELING 32

De gemeente zorgt ervoor dat diegenen die ruimtelijke ingrepen doen of hierbij betrokken zijn, goed op de hoogte zijn van de geldende gedragscode en volgens deze code werken. Een regelmatige evaluatie en controle in het veld maken hier onderdeel van uit. AANBEVELING 33

De gemeente treft bij ruimtelijke ingrepen zo veel mogelijk compenserende en/of mitigerende maatregelen, waardoor schade aan flora en fauna verder worden beperkt.

11 12

www.ndff.nl/ minez.nederlandsesoorten.nl/soorten

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

42

8.2.1 Bevordering van het dierenwelzijn Een bestemmingsplan geeft voorschriften over het gebruik van de grond en de gebouwen die erop staan of komen. In het bestemmingsplan legt de gemeente vast wat de bestemming van de grond is. Zo geeft het plan bijvoorbeeld aan waar woningen mogen staan, wat groengebied is en welk stuk grond bestemd is voor winkels. De gemeente moet bij het opstellen van een bestemmingsplan alle relevante belangen inventariseren en deze tegen elkaar afwegen. Ze is bij het maken van een bestemmingsplan ook verplicht een onderzoek te (laten) doen om alle belangen in beeld te brengen. De bescherming van dieren die in het plangebied voorkomen, moet bij de inventarisatie en afweging van de belangen aan de orde komen. Dit betekent dat het college van B&W in het kader van het opstellen van elk bestemmingsplan onderzoek moet (laten) verrichten naar de aanwezigheid van beschermde soorten en de mate waarin door het voorgenomen plan het leefgebied van deze soorten wordt aangetast. Is er sprake van beschermde soorten en wordt hun leefgebied aangetast, dan dient naar alternatieven te worden gezocht.

AANBEVELING 34

De gemeente besteedt in haar bestemmingsplan aandacht aan dierenwelzijn en soortenbescherming.

8.2.2 De kapvergunning Voor het kappen van bomen is op grond van de Wet natuurbescherming soms een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘vellen van een houtopstand’ nodig (voorheen: kapvergunning o.g.v. de Boswet). Deze kan digitaal aangevraagd worden via www.omgevingsloket.nl. De gemeente legt in een bomenverordening vast welke bomen zonder vergunning gekapt mogen worden en voor welke bomen een dergelijke omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. De regels zijn dus niet overal hetzelfde. In sommige gemeenten hoeft bijvoorbeeld geen vergunning aangevraagd te worden voor het kappen van fruitbomen of dode bomen. In een bomenverordening kan de gemeente verder nog extra voorwaarden voor een kapvergunning opnemen, zoals een verbod op het kappen van bomen in het broedseizoen.

AANBEVELING 35

De gemeente neemt een artikel op in haar bomenverordening, waarin staat dat het verboden is om in het broedseizoen bomen te kappen.

8.2.3 Verkeersmaatregelen om dieren te beschermen Gemeenten kunnen als wegbeheerder maatregelen nemen voor de regulering van het verkeer. Dit is vastgelegd in de Wegenverkeerswet (WVW). Bij verkeersbesluiten moet worden aangegeven welke doelstellingen met het besluit worden beoogd. De WVW geeft een opsomming van de belangen die met maatregelen op grond van deze wet kunnen worden nagestreefd. Naast de bescherming van verkeersbelangen (bijvoorbeeld het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van gebruikers en passagiers), kunnen verkeersbesluiten ook leiden tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

43

Het beschermen van dieren die door het verkeer worden bedreigd, vormt een belang dat valt onder de eerste situatie. Dit betekent dat gemeenten met het oog op het beschermen van in het wild levende dieren verkeersbesluiten kunnen nemen voor de wegen die door hen worden beheerd. De gemeente kan bijvoorbeeld wegen afsluiten in verband met de paddentrek, hekwerken of tunnels plaatsen of de maximumsnelheid beperken om overstekende dieren te beschermen. Door middel van tunnels en bruggen (ecoducten) kan de gemeente versnipperde natuur weer ontsnipperen zodat dieren zich kunnen verspreiden en naar andere gebieden kunnen trekken. In goten en bij putten kunnen maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat kikkers en padden vast komen te zitten of in straatkolken worden meegevoerd.

AANBEVELING 36

De gemeente neemt in overleg met de Dierenbescherming verkeersmaatregelen op wegen en in goten die door hen worden beheerd met het oog op het beschermen van dieren in het wild.

8.2.4 Baggeren Een gemeente mag niet zomaar ergens baggeren, maar is verplicht eerst een gedegen onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten om na te gaan of ze een ontheffing aan moet vragen. Bij de voorbereiding van het baggerwerk moet dus rekening worden gehouden met de aanwezige dieren en planten. In samenwerking met een ecoloog kunnen kwetsbare punten op een rij worden gezet. Vervolgens moet de gemeente een plan maken wanneer en hoe het best gebaggerd kan worden afhankelijk van een inventarisatie van de aanwezige fauna. Een ontheffing is niet nodig als het gaat om regulier beheer, gebruik en onderhoud in een gebied waarin uitsluitend algemene soorten voorkomen. Gaat het om regulier beheer, onderhoud of gebruik en komen er andere dan uitsluitend algemene soorten voor, dan hoeft men ook geen ontheffing aan te vragen als er gewerkt wordt volgens een door het ministerie (RVO.nl) goedgekeurde gedragscode. Wanneer de gemeente baggerwerkzaamheden uitvoert, kunnen die het beste plaatsvinden in september of oktober, omdat dit een periode is tussen de voortplanting en winterrust van vissen en amfibieën in. Het is belangrijk om gefaseerd en gericht te baggeren, zodat dieren kunnen wennen en rustig naar een andere plek kunnen gaan. Ook is het belangrijk er rekening mee te houden dat dieren ontsnappingsmogelijkheden moeten hebben.

Vissen kunnen eventueel worden teruggezet of verplaatst en er dient rekening te worden houden met de weersomstandigheden. Dit laatste heeft met name betrekking op de temperatuur van het water. Als die te hoog of te laag is, dan is extra voorzorg noodzakelijk. Bij een te lage temperatuur raken vissen en amfibieën inactief waardoor zij niet meer kunnen vluchten. Bij een te hoge temperatuur kan zuurstofloosheid van het water ontstaan.

AANBEVELING 37

Als de gemeente een opdracht geeft tot het droogleggen of uitbaggeren van een sloot, verplicht zij de baggeraar contractueel om preventieve maatregelen te nemen die leed ten aanzien van vissen en andere dieren in de sloot voorkomen.

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

44

8.2.5 Bescherming van flora en fauna in openbaar groen Als beheerder van parken, plantsoenen en overig openbaar groen kan een gemeente ook allerlei maatregelen nemen ter bescherming van de dieren die in deze gebieden leven. Er kan gedacht worden aan allerlei praktische maatregelen, zoals de keuze om bij het bestrijden van onkruid geen chemische middelen te kiezen, maar middelen die niet schadelijk zijn voor dieren. Een andere maatregel is om in plaats van een hoge beschoeiing aflopende oevers te creëren, zodat amfibieën en watervogels gemakkelijk in en uit het water kunnen komen. Bloeiende oevers en wegranden geven een thuis aan veel soorten insecten en dat trekt weer allerlei vogels. Men kan de aanwezigheid bevorderen van insecten en slakken etende dieren, zoals egels. Met dit soort maatregelen wordt dus juist flora en fauna in stand gehouden en gestimuleerd en wordt het beheer van het gemeentelijk groen afgestemd op natuurontwikkeling en op de bescherming van de dieren en hun leefgebieden. Beheer van openbaar groen kan ook bijdragen aan de vorming van een ecologische infrastructuur tussen de terreinen die uit natuuroogpunt waardevol zijn. Verbindingszones zijn onmisbaar voor de natuur in het stedelijke gebied. Dieren kunnen zich daarlangs verplaatsen naar andere gebieden.

Dergelijke gebiedswisseling is niet alleen voor het overleven van individuele dieren, maar ook voor de instandhouding van de populatie van belang. Voorbeelden van ecologische infrastructuur zijn lintvormige beplantingen, niet gemaaide oeverkanten voor kleine dieren, viaducten en tunnels voor dieren bij drukke verkeerswegen en het laten groeien van bloemen in de bermen, zodat deze voor insecten een verbinding kunnen vormen tussen natuurgebieden. In een plan (met betrekking tot natuurontwikkeling, groenstructuur en dergelijke) kan de gemeente haar integrale visie voor de langere termijn voor het openbaar groen vastleggen. Een belangrijk onderdeel van zo’n plan is een inventarisatie van de verschillende in de gemeente levende dieren en hun leefgebieden. Op basis van deze inventarisatie kan de natuurwaarde van de verschillende gebieden worden vastgesteld en doelstellingen worden geformuleerd. Bovendien zal het plan maatregelen en voorstellen moeten bevatten om de geformuleerde doelstellingen te realiseren. Voorbeelden van dergelijke voorstellen zijn het zorgen voor ecologische ontwerpen voor nieuwbouwwijken, het aanpassen van groenbeheer en groeninrichting, zodat natuurlijke processen een kans krijgen en bestaande groenvoorzieningen natuurlijker worden.

AANBEVELING 38

De gemeente gebruikt geen gif ter bestrijding van ongewenste kruidengroei en geeft prioriteit aan natuurontwikkeling door bijvoorbeeld de aanleg van bloemrijke bermen, plaatsing van nestkasten of het creëren van ecologische infrastructuur. AANBEVELING 39

De gemeente legt haar integrale visie op openbaar groen voor de langere termijn vast in bijvoorbeeld een natuurontwikkelingsplan of groenstructuurplan.

8.2.6 Generieke Aanpak Natuur Wanneer gemeenten, bedrijven of burgers te maken krijgen met de Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ingrepen is het vaak een tijdrovende en kostbare klus om rekening te houden met beschermde soorten en hier compenserende of mitigerende maatregelen voor te treffen. Bovendien blijven er tot op heden kansen om soorten beter te

Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid

45

beschermen en effectiever te werk te gaan onbenut doordat verschillende partijen ieder hun eigen ontheffing aanvragen en er weinig tot geen afstemming plaatsvindt. De Generieke Aanpak Natuur (GAN) moet de mogelijkheid bieden om in de toekomst zorgvuldiger om te gaan met ruimtelijke ingrepen, doordat er gebiedsgericht wordt gewerkt met een lange termijn planning. Hierdoor is meer afstemming mogelijk binnen een regio en wordt rekening gehouden met andere gebiedsontwikkelingen die binnen de regio plaatsvinden. De focus ligt op een gunstige staat van instandhouding van soorten en het robuuster maken van populaties, waardoor zij ook tegen een stootje kunnen. Binnen deze aanpak wordt het mogelijk generieke ontheffingen aan te vragen13. Een belangrijk onderdeel binnen de GAN zijn soortenmanagementplannen. Een soortenmanagementplan (SMP) beschrijft hoe een soort (op de lange termijn) wordt beschermd in relatie tot het plan waarvoor ontheffing wordt aangevraagd. Om een SMP op te stellen is een gedegen inventariserend onderzoek nodig naar soorten die voorkomen in het gebied en het (ruimtelijke) gedrag van deze soorten. In het SMP wordt ook rekening gehouden met kansen voor de toekomst en worden potentiële natuurwaarden meegenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=94e28f50-22c1-429c-a865-dc306dc9b016