21-04-20 A11 TIC; Dierenwelzijnsbeleid, bijlage 3d.pdf
Tekst van het document
NOTA AANBEVELINGEN GEMEENTELIJK DIERENWELZIJNSBELEID
AANBEVELINGEN GEMEENTELIJK DIERENWELZIJNSBELEID
AANBEVELINGEN GEMEENTELIJK DIERENWELZIJNSBELEID Dierenbescherming 2018
COLOFON Auteur(s) Groep Programma’s en Lobby Datum 1 maart 2018 Vormgeving Marcia Maul & Marloes Maul, Haarlem Fotografie omslag Robin Utrecht Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren Regulusweg 11 Postbus 85980 2508 CR Den Haag T 088 81 13 000 www.dierenbescherming.nl © 2018, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren
Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren.
INHOUD
1. 1.1 1.2
Inleiding Doel Opbouw
6 7 7
2. 2.1 2.2 2.3 2.4
Relevante wetgeving Wet dieren Wet natuurbescherming Wet op de dierproeven Gemeentelijke vergunningen
8 8 9 9 9
3. 3.1 3.2
Dieren in nood Zorgplicht Rol van de gemeente 3.2.1 Opvang en vervoer 3.2.2 Rampenplan Basisarrangement dierennoodhulp
11 11 11 11 13 14
Gezelschapsdieren Wetgeving Huisdieren 4.2.1 Honden en katten 4.2.2 Overige huisdieren Hobbydieren Rol van de gemeente 4.4.1 Opvang 4.4.2 Identificatie en registratie 4.4.3 Preventie 4.4.4 Hondenbeleid 4.4.5 Handhaving
15 15 15 15 16 16 17 17 17 18 20 22
5. 5.1 5.2 5.3
Vermaak met dieren Circussen Levende kerststallen Overig vermaak met dieren 5.3.1 Dierentuinen en -parken 5.3.2 Kinderboerderijen
23 23 23 24 25 25
6. 6.1 6.2
Landbouwhuisdieren Wetgeving Vee-industrie 6.2.1 Pelsdierhouderij 6.2.2 Stalbranden 6.2.3 Diervriendelijkere consumptie Rol van de gemeente
27 27 27 29 29 30 31
3.3 4. 4.1 4.2
4.3 4.4
6.3
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
4
7. 7.1
In het wild levende dieren: Jacht, beheer en schadebestrijding Jacht 7.1.1 Wetgeving 7.1.2 Visie Dierenbescherming 7.1.3 Rol van de gemeente Beheer en schadebestrijding 7.2.1 Wetgeving 7.2.2 Visie Dierenbescherming 7.2.3 Rol van de gemeente Verwilderde katten 7.3.1 Achtergrond 7.3.2 Toegepaste methode om overlast te beperken 7.3.3 Visie Dierenbescherming 7.3.4 Rol van de gemeente Hengelen 7.4.1 Wetgeving 7.4.2 Visie Dierenbescherming 7.4.3 Rol van de gemeente
33 33 33 33 33 34 34 35 35 37 37 37 37 38 38 39 39 40
8. 8.1 8.2
In het wild levende dieren: Ruimtelijke ingrepen Wetgeving Rol van de gemeente 8.2.1 Bevordering van het dierenwelzijn 8.2.2 De kapvergunning 8.2.3 Verkeersmaatregelen om dieren te beschermen 8.2.4 Baggeren 8.2.5 Bescherming van flora en fauna in openbaar groen 8.2.6 Generieke Aanpak Natuur
41 41 41 43 43 43 44 45 45
9.
Overzicht aanbevelingen
47
7.2
7.3
7.4
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
5
1. INLEIDING
Binnen de grenzen van een gemeente bevinden zich tal van dieren. De inwoners houden verschillende gezelschapsdieren, zoals honden, katten en konijnen. In het buitengebied en op enkele plaatsen binnen de bebouwde kom bevinden zich landbouwhuisdieren, zoals varkens, koeien en paarden. In laboratoria van bijvoorbeeld bedrijven of ziekenhuizen bevinden zich proefdieren. De grootste groep dieren, ook in stedelijke gemeenten, wordt gevormd door in het wild levende dieren zoals vogels en muizen. Tegenover al deze dieren hebben wij als mens verplichtingen. Zo bestaan er zorgplichten met betrekking tot dieren en mogen we niet zomaar alles doen met dieren. Dit geldt zeker ook voor de stedelijke context, omdat juist dieren in een dorp of stad in hoge mate van de mens afhankelijk zijn. Dieren horen bij de samenleving. Waar mensen leven, zijn dieren en veel mensen beschouwen een huisdier als een volwaardig gezinslid. Een gemeente zonder dieren zou minder levendig en veelzijdig zijn en zou zelfs een saaie uitstraling krijgen. Alle dieren, zowel gehouden dieren als in het wild levende dieren, verdienen dan ook onze zorg en aandacht. Daar is iedereen het over eens. Gemeenten zijn medeverantwoordelijk voor dieren binnen hun grenzen en veel besluiten en handelingen van de gemeente zijn van invloed op het welzijn van dieren.
Om die redenen is het van belang dat de gemeente in haar beleid aandacht besteedt aan dierenwelzijn en een diervriendelijk beleid opstelt, bij voorkeur in de vorm van een nota dierenwelzijn. Om hierbij te helpen, heeft de Dierenbescherming deze nota met aanbevelingen voor gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid opgesteld. Naast een nota dierenwelzijn, pleit de Dierenbescherming voor een wethouder dierenwelzijn (of een wethouder met dierenwelzijn in de portefeuille) die verantwoordelijk is voor het dierenbeleid en dierenwelzijn binnen de gemeente. Logischerwijs past hier ook een ambtenaar met dierenwelzijn in de portefeuille bij.
AANBEVELING 1
De gemeente stelt diervriendelijk beleid op en legt dit vast in een nota dierenwelzijn. AANBEVELING 2
De gemeente heeft een wethouder dierenwelzijn, die verantwoordelijk is voor dierenbeleid en dierenwelzijn waarborgt. AANBEVELING 3
De gemeente draagt er zorg voor dat er voldoende ambtelijke capaciteit is om invulling te geven aan de ambities t.a.v. dierenwelzijn.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
6
1.1 Doel Deze nota heeft als doel: Gemeenten informeren over dierenwelzijn en hulp bieden bij het opstellen van diervriendelijk beleid of een nota dierenwelzijn. De regionale Dierenbescherming kan worden benaderd voor extra informatie en hulp bij onder andere het opstellen van diervriendelijk beleid.
1.2 Opbouw In het eerste deel van deze nota wordt een algemeen overzicht gegeven van relevante wetgeving en een korte beschrijving hiervan. Vervolgens wordt specifieker ingegaan op de verschillende dieronderwerpen, zoals gezelschapsdieren, landbouwhuisdieren, proefdieren en dieren in het wild. Bij de specifiekere beschrijving komt de visie van de Dierenbescherming naar voren en wordt per thema ingegaan op wetgeving, huidige stand van zaken en de rol van de gemeente. Ook worden er per hoofdstuk verschillende aanbevelingen voor de gemeente gegeven. Een overzicht van alle aanbevelingen is opgenomen in het laatste hoofdstuk.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
7
2. RELEVANTE WETGEVING
In dit hoofdstuk wordt een algemeen overzicht gegeven van de wetgeving die van toepassing is op dieren. Ook wordt er kort ingegaan op gemeentelijke vergunningen, die bijvoorbeeld gaan over veehouderij, evenementen met dieren of schuilstallen. Veel Nederlandse wetgeving komt voort uit Europese wetgeving en is hier een implementatie van.
2.1 Wet dieren Op 1 januari 2013 is de Wet dieren in werking getreden. De Wet dieren is een kaderwet. Dit betekent dat deze een beperkt aantal regels stelt en daarnaast de mogelijkheid biedt om allerlei deelonderwerpen (bijvoorbeeld regels ten aanzien van houden en doden van dieren) te regelen via Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en ministeriële regelingen. De Wet dieren is de belangrijkste wet met betrekking tot gehouden dieren (onder ander landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren) en bundelt alle regels ten aanzien van deze dieren in één wet. De volgende bestaande wetten gaan op in de Wet dieren en zijn of komen fasegewijs (deels) te vervallen: • Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) • Diergeneesmiddelenwet • Wet op de dierenbescherming (inclusief Waak- en heemhondenbesluit) • Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 • Kaderwet diervoeders • Landbouwkwaliteitswet De belangrijkste regels op het gebied van dierenwelzijn zijn opgenomen in drie AMvB’s. Het betreft het Besluit houders van dieren, het Besluit gezelschapsdieren (vervangt het Honden- en kattenbesluit 1999) en het Besluit diergeneeskundigen. In het Besluit houders van dieren zijn algemene regels opgenomen voor het houden van dieren, het doden van dieren en evenementen met dieren.
Ook bevat het besluit aanvullende regels over dierenmishandeling en specifieke regels voor het houden van bepaalde diersoorten (runderen, varkens, kippen). Met name dit besluit bevat regels die voorheen golden op grond van de Gwwd. In het Besluit diergeneeskundigen zijn onder andere regels opgenomen over lichamelijke ingrepen die zijn toegestaan. De Wet dieren bevat enkele noviteiten. Zo is voor het eerst de erkenning van de intrinsieke waarde (eigenwaarde) van het dier expliciet als uitgangspunt vastgelegd in de belangrijkste wet voor gehouden dieren (artikel 1.3). Ook het verplicht chippen van honden is geregeld in de Wet dieren (zie paragraaf 4.2.1). Positieflijst Een andere belangrijke vernieuwing is de komst van de zogeheten ‘positieflijst’ voor zoogdieren. Dit is een limitatieve lijst van zoogdieren die als huisdier gehouden mogen worden. Er zal een overgangsregeling komen zodat de mensen die een zoogdier bezitten dat niet op de positieflijst staat het mogen houden tot het overlijdt. Op termijn komen er ook positieflijsten voor vogels, reptielen en amfibieën en vissen. De Dierenbescherming ziet voordelen in het hanteren van positieflijsten, mits ze voldoende onderscheidend effect hebben.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
8
2.2 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 trad de Wet natuurbescherming in werking. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het is daarmee de belangrijkste wet voor de bescherming van in het wild levende dieren en hun leefomgeving. In de Wet natuurbescherming is de bescherming vooral gericht op soorten die vanuit internationale afspraken beschermd moeten worden door Nederland. Wel is er voor de ‘overige’ soorten een basisbeschermingsregime en geldt voor alle soorten een zorgplicht.
2.3 Wet op de dierproeven Dierproeven zijn in principe verboden. Om dierproven te mogen uitvoeren heeft een instelling (bijvoorbeeld universiteit of farmaceutisch bedrijf) een instellingsvergunning van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit nodig en de onderzoekers een projectvergunning van de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Aan welke eisen en voorwaarden de instellingen en onderzoekers nog meer moeten voldoen, staat beschreven in de Wet op de dierproeven (Wod) en in het Dierproevenbesluit. De Wod bestaat sinds 1977 en is in 1996 gewijzigd. Een grote herziening, volgend uit een nieuwe Europese dierproevenrichtlijn, is in 2014 doorgevoerd. In de Wod is ook vastgelegd voor welke doeleinden dierproeven wel of niet gedaan mogen worden. Een vergunning wordt verleend voor proeven: • in het kader van biomedisch onderzoek: voor het bestuderen van ziekten en het ontwikkelen van medicijnen en therapieën; • die zowel nationaal als internationaal wettelijk verplicht zijn: dit zijn voornamelijk giftigheidtests in het kader van veiligheid van bijvoorbeeld verf- en schoonmaakmiddelen, stoffen in huishoudelijke producten en chemische stoffen in landbouw en industrie.
Ook worden er tests gedaan om te zien of stoffen in bijvoorbeeld geneesmiddelen, vaccins en ander medische producten wel werken; • vanwege wetenschappelijk onderzoek: zo worden er dieren uit het wild gevangen en voor giftigheidtests gebruikt, maar ook worden ze gemerkt en weer teruggezet in hun leefomgeving om hun gedrag of de grootte van hun territorium te bestuderen.
2.4 Gemeentelijke vergunningen De gemeente is verantwoordelijk voor een groot aantal onderwerpen, inclusief het afgeven van vergunningen die daarmee samenhangen. Een aantal daarvan is direct relevant voor onderwerpen in deze nota. Bijvoorbeeld in relatie tot de vestiging en uitbreiding van veehouderijbedrijven, schuilstallen en evenementen met dieren. Hier worden kort enkele van de belangrijkste regelingen beschreven. De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) regelt de inrichting van het land. Zowel de Rijksoverheid, provincies als gemeenten dienen hierover beleid op te stellen in een structuurvisie en verordening ruimte, die betrekking hebben op hun eigen grondgebied. De verdere uitvoering van deze visie geschiedt via bestemmingsplannen. Daarin staat concreet beschreven welke doeleinden zijn toegewezen aan de verschillende gebieden en wijken (zoals recreatie, landbouw of wonen) en wat daar onder welke voorwaarden mag gebeuren. Bijvoorbeeld in hoeverre uitbreiding van een veehouderijbedrijf is toegestaan (aantal dieren of anderszins). Dit kan ook relevant zijn voor het al dan niet mogen plaatsen van een schuilstal (lees: een bouwwerk) in het buitengebied. Een variant op het bestemmingsplan is de ‘beheersverordening’, voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen worden voorzien. Dan wordt de bestaande situatie vastgelegd.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
9
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) uit 2010 regelt de omgevings vergunning. Dit is een geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, natuur en milieu en kan bijvoorbeeld relevant zijn bij de bouw of uitbreiding van een dierenasiel. De omgevingsvergunning kan ook vergunningen bevatten op grond van de Wet natuurbescherming. Deze moeten worden aangevraagd bij de gemeente. Hier is voor gekozen om voor burgers en bedrijven een duidelijk loket te creëren. De gemeente moet soms wel weer afstemmen met andere overheden (provincie en/of het Rijk) bij de verdere behandeling ervan. Op grond van artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op ‘openbare samenkomsten en vermakelijkheden’. Dit raakt aan aspecten van openbare orde en veiligheid, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Vaak wordt deze bevoegdheid nader uitgewerkt in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en stelt de gemeente ook een evenementenbeleid op. Daarin is onder meer bepaald voor welke evenementen een evenementenvergunning nodig is. Vaak geldt daarbij een indeling naar omvang van de evenementen. Na een toets aan het beleid kan een evenementenvergunning worden verleend, inclusief daarbij geldende vereisten en beperkingen. Naast een evenementenvergunning kan soms ook een omgevingsvergunning vereist zijn.
Bijvoorbeeld als een evenement zich afspeelt in of nabij een natuurgebied en verstoring van de aldaar aanwezige dieren aan de orde is. Dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden (aard van de overlast, aanwezige diersoorten). Op grond van het evenementenbeleid kan de gemeente bij de beoordeling en de verlening van de evenementenvergunning dus ook voorwaarden en beperkingen stellen aan voorgenomen evenementen met dieren, zoals circussen met wilde dieren.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
10
3. DIEREN IN NOOD
In dit hoofdstuk worden de verantwoordelijkheden van de gemeente in geval van dieren in nood beschreven. Hierbij wordt nog geen onderscheid gemaakt tussen verschillende diergroepen. In hoofdstuk 4 gaan we dieper in op de dierennoodhulp (met name opvang) van gezelschapsdieren.
3.1 Zorgplicht Iedere burger heeft op grond van artikel 1.4 van de Wet dieren en artikel 1.11 Wet natuurbescherming een zorgplicht voor dieren. In beide gevallen houdt dit in dat handelingen die mogelijkerwijs schade kunnen toebrengen aan het dier achterwege moeten worden gelaten of, voor zover mogelijk, moeten worden voorkomen dan wel beperkt. Voor de Wet dieren is daarnaast in artikel 2.1 vastgelegd dat iedereen verplicht is een dier in nood te helpen en het verboden is een dier de nodige zorg te onthouden. Dit is vastgelegd in afzonderlijke strafbepalingen over dierenmishandeling en -verwaarlozing. Deze bepalingen gelden, bij wijze van uitzondering, ook voor in het wild levende (niet gehouden) dieren. In het geval van de Wet natuurbescherming houdt de zorgplicht in dat in het wild levende dieren in principe met rust dienen te worden gelaten. Burgers moeten gewonde of zieke dieren in nood echter wel helpen. Dit kan bijvoorbeeld door het dier naar een dierenasiel te brengen of een dierenambulance te bellen.
3.2 Rol van de gemeente 3.2.1 Opvang en vervoer Gemeenten hebben, naast de zorgplicht die voor iedereen geldt, een wettelijke verplichting met betrekking tot het opvangen van zwervend aangetroffen dieren. In artikel 8 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (boek 5) is vastgelegd dat een gevonden dier, met een vermeende eigenaar, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt. De gemeente moet deze ‘gevonden zaak’ gedurende 14 dagen voor de eigenaar bewaren. Wanneer de eigenaar zich niet binnen deze termijn meldt, wordt de burgemeester eigenaar van het dier. De burgermeester mag vervolgens ook bepalen wat er met het dier gebeurt. Bij voorkeur draagt de burgemeester het via een officiële eigendomsoverdracht op enig moment na verloop van de wettelijke bewaartermijn van 14 dagen over aan een dierenasiel en staat daarbij het juridisch eigendom aan hen af. Vanuit het dierenasiel kan daarna voor herplaatsing worden gezorgd. In de periode dat het dier door de gemeente wordt ‘bewaard’ is deze verantwoordelijk voor alle kosten voor verzorging en vervoer. Wanneer een eigenaar zich binnen de periode van 14 dagen meldt of wordt achterhaald, zijn de gemaakte kosten voor zijn rekening. Weigert de eigenaar de opgegeven kosten te voldoen, dan vervalt het eigendom van het dier na een maand alsnog aan de gemeente of het dierenasiel.
Volgens de wet is de gemeente dus de eerste 14 dagen nadat een zwerfdier is gevonden verantwoordelijk voor opvang. De Dierenbescherming is van mening dat de gemeente ook na de eerste 14 dagen een verantwoordelijkheid draagt vanuit de algehele zorgplicht voor
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
11
deze dieren. De gemeente is dan formeel de eigenaar van het dier en kan ervoor kiezen het over te dragen aan een asiel, een gebruikelijke situatie. De zorg brengt echter wel kosten met zich mee. Als de gemeente wil dat het dier goed wordt verzorgd en dat er een nieuwe eigenaar wordt gevonden, moet zij bereid zijn ook deze zorg te vergoeden. Een oplossing zou kunnen zijn om dit te doen door middel van het Basisarrangement dierennoodhulp dat de Dierenbescherming voor gemeenten heeft opgesteld. Dieren komen niet enkel in het asiel terecht omdat zij op straat zijn gevonden. Het kan ook zo zijn dat dieren opvang nodig hebben als gevolg van een huisontruiming, huiselijk geweld, arrestatie of (gedwongen) opname van de eigenaar. Volgens de Algemene Wet Bestuursrecht is een gemeente verplicht om in het geval van huisontruimingen ‘zaken’ die hierbij worden achtergelaten (‘aan straat gezet’) tijdelijk op te slaan. Wanneer een ‘zaak’, een dier in dit geval, in beslag wordt genomen, kan de gemeente het maximaal 13 weken in bewaring houden. Wanneer het na deze periode niet mogelijk is om het dier weer over te dragen aan de rechtmatige eigenaar, is de gemeente bevoegd het over te dragen aan het dierenasiel, te verkopen of te euthanaseren. In het geval van een gedwongen opname, arrestatie of huiselijk geweld is het belangrijk dat eventuele huisdieren worden opgevangen of herplaatst.
Het komt regelmatig voor dat in dergelijke situaties niets wordt geregeld voor de huisdieren. Opvang van dieren kan soms bij familie of kennissen van de eigenaar, maar als dit niet mogelijk is, kan een asiel uitkomst bieden. Om de opvang of herplaatsing goed te regelen, is het van belang dat hierover afspraken worden gemaakt tussen de betrokken hulpdiensten, zoals politie, sociale hulpdiensten en dierenasielen. De gemeente zou hier een faciliterende rol bij kunnen innemen. Opvang en vervoer van dieren moeten ook in de toekomst goed zijn geregeld en gemeenten dienen hun wettelijke taken op dit gebied uit te voeren. Het is daarom belangrijk dat gemeenten contracten afsluiten met dierenasielen en ambulances in de regio voor het opvangen en vervoeren van dieren in nood en zwervend aangetroffen dieren. Dierenasielen en ambulances zijn uitvoerders van een dienst en daarom moeten er afspraken worden gemaakt over de kosten die hiermee gepaard gaan. Deze afspraken dienen contractueel te worden vastgelegd, daar de aard zich niet leent voor een subsidie-constructie. Afspraken worden bij voorkeur ook gemaakt voor de opvang van inheemse, wilde dieren, die in een noodsituatie terecht zijn gekomen. Wanneer gemeenten de wettelijke taken met betrekking tot opvang van dieren uitbesteden aan dierenasielen gaat dit soms via aanbestedingstrajecten.
In een aanbestedingsprocedure gunt de gemeente de opdracht bij voorkeur aan een organisatie die alle taken (vervoer, opvang, verzorging) op zich kan nemen of hierover afspraken maakt met andere organisaties. Daarnaast is het belangrijk dat de gemeente kiest voor kwaliteit en niet enkel voor de goedkoopste optie. Dierenasielen en ambulancediensten dienen professioneel te zijn en het belang van het dier te allen tijde voorop te stellen. Het vervoer van dieren in nood wordt verzorgd door de dierenambulance in de regio. Om ervoor te zorgen dat de dierenambulance overal goed en snel kan komen, is het wenselijk dat de gemeente een ontheffing verleent zodat de dierenambulance ook op bus- en trambanen mag rijden.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
12
AANBEVELING 4
De gemeente maakt goede afspraken met dierenasielen en ambulancediensten over de opvang van dieren en verstrekt een kostendekkende vergoeding. De gemeente gebruikt hiervoor bij voorkeur het door de Dierenbescherming opgestelde ‘Basisarrangement Dierennoodhulp’. AANBEVELING 5
De gemeente ziet het vervoer van zieke, gewonde en gevonden dieren als onderdeel van haar verantwoordelijkheden en ondersteunt het werk van de dierenambulance. AANBEVELING 6
De gemeente neemt een faciliterende rol in bij het tot stand komen van afspraken tussen hulpdiensten en dierenasielen over de opvang van huisdieren in geval van een (gedwongen) opname, arrestatie of huiselijk geweld. AANBEVELING 7
De gemeente verleent een ontheffing aan de dierenambulance voor het medegebruik van bus- en trambanen en voorziet in de benodigde parkeervergunningen.
In het wild levende dieren Ook in het wild levende dieren zoals egels, vogels en eekhoorns kunnen in een nood situatie verkeren. Ze kunnen bijvoorbeeld vastzitten in prikkeldraad, gewond raken in het verkeer of worden vergiftigd. Gemeenten hebben op basis van het Burgerlijk Wetboek geen bewaarplicht ten aanzien van deze dieren, maar vanuit de Wet natuurbescherming is er in algemene zin wel een zorgplicht voor in het wild levende dieren. Vanuit deze zorgplicht zou de gemeente in ieder geval een bijdrage kunnen leveren aan dierenasielen en vervoerders die deze dieren helpen. Ook kan zij burgers informeren over dit onderwerp.
3.2.2 Rampenplan Volgens artikel 2 van de Wet veiligheidsregio’s is het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) belast met organiseren van brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening. De burgemeester heeft het opperbevel over de brandweer en het college van B&W moet minimaal elke vier jaar doelen opstellen voor brandveiligheid. Volgens artikel 3, lid 1, onderdeel b van de Wet veiligheidsrisico’s moet de brandweer in haar taken zorgen voor de veiligheid van mens én dier. Om naast het welzijn en de veiligheid van mensen ook die van dieren te waarborgen in het geval van een ramp, is het belangrijk dat de gemeente in haar rampenbestrijdingsplan maatregelen opneemt voor de veiligheid van alle dieren. Op die manier krijgen dieren de professionele zorg die zij nodig hebben en worden overige hulpdiensten op dit gebied ontlast. De Dierenbescherming vindt dat de gemeente goede zorg moet dragen voor dieren bij rampen en calamiteiten. Speciale aandacht kan worden geschonken aan het redden van grote dieren, zoals paarden en koeien. Wanneer deze in een noodsituatie verkeren, is voor het redden vaak specifieke ervaring en kennis nodig. De brandweer kan hier tijdens oefeningen extra aandacht aan besteden.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
13
AANBEVELING 8
De gemeente neemt in haar rampenplan een passage op over de hulp aan dieren.
3.3 Basisarrangement dierennoodhulp Om de gemeente te helpen bij een professionele en efficiënte uitvoering van de wettelijke taak met betrekking tot het organiseren van dierennoodhulp, heeft de Dierenbescherming een basisarrangement dierennoodhulp ontwikkeld. Dit basisarrangement biedt een volledig productenpakket (van melding tot herplaatsing of hereniging) en zorgt er zo voor dat er slechts één partij betrokken is om te voorzien in de taken met betrekking tot opvang en vervoer. Dit voorkomt onduidelijkheid en versnippering van dierennoodhulp. Door het basisarrangement als uitgangspunt te gebruiken voor beleid rondom dierennoodhulp, voldoet de gemeente aan haar verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8 van het Burgerlijk Wetboek 5. Een uitgewerkte versie van het basisarrangement is verkrijgbaar via de regionale Dierenbescherming. Naast het Basisarrangement is er tevens een aanvullend dienstenboek beschikbaar, waarin overige (niet-wettelijke) diensten en produkten worden beschreven die de Dierenbescherming, in overleg met de gemeente, kan verzorgen. Bijvoorbeeld diverse preventieactiviteiten, inzet van de TNR-methode in relatie tot zwerfkattenpopulaties, en de opvang van dieren bij de toepassing van bestuursdwang.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
14
4. GEZELSCHAPSDIEREN
In Nederland worden ongeveer 20 miljoen dieren uit liefhebberij gehouden. Tot deze gezelschapsdieren worden onder andere honden, katten, cavia’s, konijnen, vogels, reptielen, amfibieën en vissen gerekend, maar ook hobbymatig gehouden landbouwhuisdieren zoals schapen, geiten, paarden en kippen. In veel gevallen krijgen deze dieren een goede en liefdevolle verzorging en worden ze als gezinslid gezien. Helaas komt het ook vaak voor dat gezelschapsdieren in een impuls in huis worden gehaald, zonder dat de eigenaren beseffen welke zorg dieren nodig hebben en wat de kosten kunnen zijn voor onder andere de dagelijkse en medische zorg. Op een gegeven moment komen de eigenaren erachter dat het dier toch niet aan de wensen voldoet, de kosten voor verzorging en dierenarts te hoog zijn of vinden ze het volwassen dier niet meer zo leuk als toen het bijvoorbeeld een puppy was. Maar al te vaak gebeurt het dat dieren dan worden afgestaan aan een asiel of worden gedumpt. Ook worden er dieren in beslag genomen omdat de eigenaar er niet goed voor zorgt en het dier verwaarloost of mishandelt. Deze dieren komen dan in een dierenasiel terecht, waar zij worden verzorgd tot er een nieuwe eigenaar wordt gevonden.
4.1 Wetgeving Regels met betrekking tot gezelschapsdieren zijn vastgesteld in de Wet dieren. In het Besluit houders van dieren zijn algemene regels opgenomen over het houden en de verzorging van dieren. In het Besluit gezelschapsdieren zijn specifieke regels opgenomen over het bedrijfsmatig houden, fokken en verhandelen of verkopen van gezelschapsdieren. Zo mogen deze dieren bijvoorbeeld niet verkocht worden aan kinderen onder de 16 jaar en worden er regels gesteld aan het maximaal aantal nestjes dat een dier mag krijgen. In de Wet dieren is een chipplicht voor honden opgenomen. Sinds 1 april 2013 moeten alle pups binnen 7 weken na de geboorte verplicht gechipt en geregistreerd worden. De chipplicht draagt bij aan het tegengaan van illegale handel en fokkerij van honden en het opsporen van eigenaren in het geval van gevonden of gedumpte honden. Ook wordt er binnen de Wet Dieren een positieflijst opgesteld voor zoogdieren. Dit is een limitatieve lijst van zoogdieren die als huisdier gehouden mogen worden. Ook is er een aantal zoogdieren dat alleen onder (nog nader te bepalen) voorwaarden gehouden mag worden. Er zal een overgangsregeling komen, zodat de eigenaar van een zoogdier dat niet op de positieflijst staat het mag houden tot het overlijdt. Op termijn zullen er ook positieflijsten komen voor bijvoorbeeld reptielen en amfibieën, vogels en vissen.
4.2 Huisdieren 4.2.1 Honden en katten In Nederland leven ongeveer 2,6 miljoen katten en ruim 1,5 miljoen honden1. Het is belangrijk dat eigenaren en hun hond of kat prettig kunnen samenleven met andere inwoners. Om het welzijn van de dieren te bevorderen en overlast te beperken, is het
1
Dibevo, 2017. dibevo.nl/pers/meer-dan-4-miljoen-huishoudens-hebben-een-of-meer-huisdieren
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
15
van belang dat de gemeente zaken zoals dierenopvang en hondenbeleid goed regelt. De Dierenbescherming helpt hier graag bij en komt daarom met een aantal aandachtspunten en aanbevelingen.
4.2.2 Overige huisdieren In Nederland leven ongeveer 9 miljoen aquariumvissen, 3,9 miljoen zang- en siervogels, 1,2 miljoen konijnen, 650.000 reptielen en 500.000 knaagdieren. Het is belangrijk dat eigenaren en hun huisdier prettig kunnen samenleven met andere inwoners. Ondanks dat deze dieren minder sociale en maatschappelijke impact hebben dan honden en katten, blijft het voor het welzijn van deze dieren van belang om overlast te beperken. De Dierenbescherming helpt hier graag bij en komt daarom met een aantal aandachtspunten en aanbevelingen.
4.3 Hobbydieren Hobbydieren zijn landbouwdieren die in kleine aantallen worden gehouden, zonder winstoogmerk. Schapen, geiten, paarden, runderen, varkens en kippen die in beperkte aantallen worden gehouden, behoren allemaal tot hobbydieren. Nederland telt zeer veel particulieren, schattingen lopen uiteen van vijftig- tot honderdduizend, die voor hun plezier landbouwdieren houden. Het houden van deze dieren als hobbydieren is over het algemeen aan meer regels gebonden, dan het houden van een hond of een kat. Zij vallen namelijk onder de regels waar ook de commercieel gehouden landbouwhuisdieren onder vallen. Ook zij kunnen bijvoorbeeld dezelfde zeer besmettelijke dierziekten oplopen, zoals varkenspest, mond- en klauwzeer of vogelgriep. Iemand die een hobbydier houdt, is verantwoordelijk voor de gezondheid van het dier en moet bij het vermoeden van een ziekte een dierenarts inschakelen. Die kan constateren of het dier ziek is en zo ja, of het om een ziekte gaat die moet worden gemeld bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Ook weet de dierenarts hoe de ziekte moet worden gemeld en kan hij de eigenaar van het dier vertellen wat er verder moet gebeuren. Een weide met soortgenoten is meestal de beste plek voor hobbydieren, zowel uit het oogpunt van dierenwelzijn als diergezondheid.
De meeste hobbydieren zijn kuddedieren en zij moeten in ieder geval met minimaal één soortgenoot worden gehouden. Een weide alleen biedt onder bepaalde weersomstandigheden echter niet alle voorzieningen voor een dier. Wanneer er hevige regenval plaatsvindt of het erg warm is en de zon de hele dag op het weiland staat, kunnen dieren veel last hebben van de weersinvloeden. Het is daarom noodzakelijk dat hobbydieren ook een schuilmogelijkheid hebben.
AANBEVELING 9
De gemeente staat het plaatsen van schuilstallen voor weidedieren toe.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
16
4.4 Rol van de gemeente 4.4.1 Opvang 1. Gezelschapsdieren Doordat veel gezelschapsdieren in een impuls in huis worden gehaald, specifieke kennis over verzorging en aard van het dier ontbreekt en kosten voor de zorg hoger op kunnen lopen dan gedacht, hebben dierenasielen jaarlijks te maken met vele dieren. Dierenasielen zitten vooral in de zomermaanden bijna helemaal vol. De opvang van zwervend aangetroffen dieren behoort tot de wettelijke taken van gemeenten en daarom zou zij de kosten hiervoor moeten vergoeden. Veel gemeenten doen dit echter nog niet of te weinig, met als resultaat dat dierenasielen kampen met financiële problemen. De Dierenbescherming pleit ervoor dat gemeenten hun wettelijke taak met betrekking tot dierenopvang serieus nemen en afspraken maken met de lokale dierenasielen over de opvang van zwervend aangetroffen dieren. Een zwervend aangetroffen kat kan verwilderd zijn. In dat geval wordt binnen de bebouwde kom de TNR-methode (TNR staat voor Trap, Neuter and Return) toegepast en wordt het dier na castratie of sterilisatie weer teruggeplaatst in de natuur. Het is wenselijk dat de gemeente de kosten voor castratie of sterilisatie bekostigt of een algemene bijdrage levert aan een TNR-project. In paragraaf 7.3 wordt nader ingegaan op verwilderde katten en de TNR-methode. 2.
Exotische dieren Zo gemakkelijk als de aanschaf van exotische dieren is, zo problematisch is vaak hun verzorging. Over de dieren is vaak weinig bekend en ook ontbreekt de informatie die nodig is om ze goed te verzorgen. Bovendien leven de dieren hier in een ander (kouder) klimaat dan in de natuur het geval zou zijn, vaak met een gebrek aan leefruimte. Veel exotische dieren overleven mede daardoor de Nederlandse huiskamer niet. De dieren die het wel overleven, krijgen het alsnog zwaar te verduren. Zo kunnen papegaaien vereenzamen en zichzelf kaal pikken van de stress en hebben schildpadden vaak ernstig te lijden onder een chronisch gebrek aan ruimte. Dit leidt ertoe dat ook deze dieren uiteindelijk door hun eigenaren worden afgestaan of gedumpt en op straat of in sloten worden gevonden. Voor kleine huisdieren en exoten bestaat gespecialiseerde opvang. In sommige gemeen ten verzorgen de dierenasielen voor honden en katten ook de opvang van andere dieren zoals schildpadden, konijnen of knaagdieren. Daarnaast zijn er specifieke dierenasielen voor groepen dieren zoals knaagdieren, konijnen en exoten. Deze zijn vaak in particuliere handen. Geld van de overheid krijgen zij niet. Ze moeten het doen met donaties van sympathisanten en donateurs. Het werk in de centra wordt goeddeels gedaan door vrijwilligers. De Dierenbescherming ondersteunt het werk van diverse dierenasielen.
Gemeenten zouden dit ook moeten doen in het kader van hun wettelijke taak, die zich immers niet beperkt tot honden en katten, maar alle zwervend aangetroffen dieren omvat.
4.4.2 Identificatie en registratie Identificatie Veel huisdieren hebben een goed thuis, waar zij de verzorging en aandacht krijgen die zij nodig hebben. Het komt echter wel eens voor dat dieren ontsnappen, verdwalen of gedumpt worden. Deze dieren – voornamelijk honden en katten, maar ook konijnen, (mini)varkens, vogels en reptielen – komen dan bij een dierenasiel terecht. Het asiel gaat in eerste instantie op zoek naar de eigenaar van deze dieren. Wanneer de eigenaar niet wordt gevonden of het dier niet meer wil verzorgen, wordt er een nieuw thuis gezocht.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
17
Van alle honden gaat uiteindelijk 72 procent terug naar de eigenaar. Bij katten slechts 13 procent. Het grote verschil in percentages komt waarschijnlijk doordat veel meer honden dan katten zijn voorzien van een identificatie in de vorm van een chip, waardoor de eigenaar kan worden gevonden. Dit maakt meteen het belang van een chip duidelijk. Sinds 1 april 2013 is het chippen van honden in Nederland verplicht met als doel eige naren te kunnen opsporen, meer honden te herenigen met hun eigenaar en malafide hondenhandel te voorkomen. De Dierenbescherming pleit ervoor het chippen van katten ook verplicht te stellen om de problemen met zwerfkatten en verwilderde katten (zie paragraaf 7.3) aan te pakken en overvolle asielen te voorkomen. Helaas wil het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het chippen van katten vooralsnog niet verplichten. In de Tweede Kamer is er wel steeds meer draagvlak om dit te doen. Gemeenten kunnen nu al wel een belangrijke rol spelen bij het aanpakken van de problemen met zwerfkatten en verwilderde katten, door burgers voor te lichten over het belang van chippen en erop aan te dringen dat burgers hun kat laten chippen. Elk jaar worden door verschillende dierenorganisaties, dierenartsen en dierenspeciaalzaken chipacties georganiseerd.
De gemeente kan een nuttige bijdrage leveren door deze acties te faciliteren, eventueel te financieren en/of mensen hierop te attenderen.
AANBEVELING 10
De gemeente informeert burgers over het belang van chippen van katten en ondersteunt en faciliteert chipacties voor katten. AANBEVELING 11
De gemeente hanteert de TNR-methode om de overlast van zwervende katten binnen de bebouwde kom duurzaam terug te dringen.
4.4.3 Preventie Voorkomen is beter dan genezen. Dit klinkt clichématig, maar raakt wel degelijk de kern van veel dierenwelzijnsproblemen. Onwetendheid is namelijk een belangrijke factor in het verkeerd opvoeden, begrijpen en omgaan met dieren. De gemeente kan hierop inspelen door voorlichtingsmateriaal en -activiteiten aan te bieden aan inwoners. Voorlichting aan huisdiereigenaren en overige burgers heeft een belangrijke plaats in het beleid, omdat het kan zorgen voor een mentaliteitsverandering, een hoger acceptatieniveau voor de huisdieren en meer wederzijds begrip. Een andere manier om preventief te werk te gaan is het gestructureerd verzamelen van gegevens over het aantal dieren en de binnengekomen meldingen over deze dieren. Met behulp van deze gegevens kunnen oorzaken en verbanden gevonden worden, waardoor in de toekomst problemen voorkomen kunnen worden.
AANBEVELING 12
De gemeente zorgt voor voorlichtingsmateriaal en -activiteiten om preventief dierenleed tegen te gaan.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
18
Sociale hulpverlening Sinds de veranderingen in de Wet maatschappelijke ondersteuning die in 2015 zijn aangebracht, heeft de gemeente meer verantwoordelijkheden gekregen richting burgers met een ondersteuningsaanvraag. Omdat de ondersteuning op maat geboden wordt, is er meer contact tussen de gemeente en de burger. Zo vindt in veel gemeenten het ‘keuken tafelgesprek’ plaats door sociale wijk- of buurtteams. De sociale hulpverlener, die hierdoor vaker achter de voordeur komt, speelt een belangrijke rol in de signalering van sociale problematiek. De Dierenbescherming ziet bij de sociale hulpverleners een belangrijke taak weggelegd in de signalering van verminderd dierenwelzijn. Huisdieren zijn ten slotte onderdeel van het huishouden en spelen een belangrijke rol in het leven van de burger. Denk hierbij aan de signalering van het onthouden van medische zorg of voeding aan het huisdier door financiële tekorten of gebrek aan aandacht voor en verzorging van het huisdier bij fysieke beperkingen of psychische aandoeningen. Wanneer de sociaal hulpverlener met een bredere blik ‘achter de voordeur’ komt, kan ook dierenwelzijnsproblematiek eerder gesignaleerd en aangepakt worden. Dit alles vanuit het oogpunt van preventie.
De gemeente zorgt voor een verbreding van de aandacht bij sociale hulpverleners middels informatie en trainingen en faciliteert ze om de problematiek rondom huisdieren op tijd te kunnen signaleren en bespreken met de burger. De hulpverlener weet wat de mogelijkheden zijn om adequaat te kunnen reageren op verminderd dierenwelzijn en dierenleed, zowel binnen de gemeente als landelijk. De Dierenbescherming heeft al enkele jaren een Helpdesk Hulpverleners. Dit loket is speciaal ingericht voor hulpverleners uit het sociale domein die achter de voordeur komen en tijdens hun werk geconfronteerd worden met verminderd dierenwelzijn. Hulpverleners kunnen bij de Helpdesk Hulpverleners terecht voor advies en overleg.
AANBEVELING 13
De gemeente voegt het signaleren van verminderd dierenwelzijn toe aan het takenpakket van sociale hulpverleners.
Minimabeleid De gemeente heeft een zorgplicht voor haar inwoners. Binnen de gemeente wonen ook burgers, die niet over voldoende middelen beschikken om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Een laag inkomen en huisdierenbezit gaan met regelmaat samen op. Dit hoeft niet problematisch te zijn, maar soms komt men onvoorzien voor hoge uitgaven te staan zoals een dierenartsbezoek. Veel gemeenten hebben een minimabeleid geformuleerd, wat inhoudt dat burgers met een laag inkomen bepaalde vergoedingen of kortingen kunnen krijgen. Voor burgers die qua inkomen op of rond het bijstandsniveau zitten, gelden er vanuit de Participatiewet regelingen voor bijzondere bijstand. In het minimabeleid en/of de bijzondere bijstand zou medische zorg aan huisdieren ook gezien moeten worden als noodzaak. De Amsterdamse Dierenhulp aan Minima-regeling, kortweg ADAM-regeling, is er voor inwoners van de gemeente Amsterdam met een laag inkomen. Zij mogen één keer per jaar met één huisdier gratis naar de dierenarts voor een consult. Mocht een medische behandeling noodzakelijk zijn, vergoedt de gemeente de helft van de kosten. Een van de voorwaarden die de gemeente stelt is dat de hond, kat of het konijn gechipt is. Mocht dit nog niet
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
19
het geval zijn, vergoedt de gemeente dit. Ook voor castratie van hond, kat en konijn heeft de gemeente een vergoeding ingeregeld.
AANBEVELING 14
De gemeente legt in haar minimabeleid of richtlijnen van de Bijzondere bijstand vast dat inwoners met een laag inkomen een regeling kunnen treffen bij onvoorziene noodzakelijke medische kosten voor hun huisdier
4.4.4 Hondenbeleid De hond is bij uitstek het huisdier dat het meeste impact heeft op de openbare ruimte. Vanwege deze reden is er een aparte paragraaf besteed aan hondenbeleid. In de Nederlandse samenleving hebben honden een belangrijke rol als gezinslid, hulphond of bijvoorbeeld politiehond. Het ontwikkelen van gemeentelijk beleid ten aanzien van honden is onontkoombaar, gezien het feit dat er in Nederland ruim 1,5 miljoen honden leven. Mensen gaan met honden naar buiten om ze hun behoeften te laten doen en ze te laten rennen en spelen. Het is belangrijk dat hondeneigenaren en hun medeburgers zonder ergernissen kunnen samenleven en dat honden hun soortspecifieke gedrag ook in de openbare ruimte kunnen vertonen. Hondeneigenaren zijn verantwoordelijk voor het gedrag van hun hond en het voorkomen van overlast voor medeburgers. Dit kan onder andere betekenen dat hondeneigenaren ervoor moeten zorgen dat hun hond zijn behoefte doet op daarvoor aangewezen plekken of dat zij hondenpoep opruimen. In veel gemeenten geldt een algehele opruimplicht voor hondenpoep. Voor honden en hun eigenaren is het belangrijk dat er genoeg plekken zijn waar de dieren hun behoeften kunnen doen en hun energie kwijt kunnen raken. Dit kan in losloopgebieden, die in veel gemeenten aanwezig zijn.
Het is in deze wel belangrijk dat de locatie van de losloopgebieden niet voor onnodig gevaar voor mens en dier zorgen, zoals vlak naast een drukke weg. Wanneer eigenaren overlast van hun hond voorkomen, zal er onder medeburgers meer draagvlak zijn voor dit soort gebieden. Een goed hondenbeleid resulteert in minder overlast en de aanwezigheid van goede voorzieningen voor honden, waarbij het welzijn van de dieren centraal staat. Voorlichting aan hondeneigenaren en overige burgers heeft een belangrijke plaats in het beleid, omdat het kan zorgen voor een mentaliteitsverandering, een hoger acceptatie niveau voor honden en meer wederzijds begrip. Bij voorkeur plaatst de gemeente informatie over het hondenbeleid goed zichtbaar op haar website en is duidelijk aangegeven waar zich uitlaatstroken, losloopgebieden en speelweides bevinden. Een andere wijze van voorlichting vindt plaats via de hondenscholen. De Dierenbescherming heeft de Gehoorzame Huishondscholen (GHH) om hondenbezitters te leren hoe ze hun dier op een verantwoorde manier kunnen opvoeden en begeleiden. De gemeente kan hondenscholen bijvoorbeeld actief onder de aandacht brengen bij mensen die een hond aanmelden voor de belasting. De Dierenbescherming kan helpen bij het opstellen van hondenbeleid.
AANBEVELING 15
De gemeente stelt hondenbeleid op, dat betrekking heeft op onder andere voorzieningen voor honden en bijtincidenten. Bij het opstellen van het beleid staat het welzijn van de hond centraal.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
20
Hondenbelasting Op basis van artikel 226 van de Gemeentewet hebben gemeenten het recht om hondenbelasting te heffen. In een aantal gemeenten is discussie ontstaan over het heffen van hondenbelasting, omdat men vond dat hondenbezitters gediscrimineerd worden door het heffen van de belasting. In januari 2013 deed het gerechtshof in Den Bosch de uitspraak dat gemeenten geen onderscheid mogen maken tussen inwoners met en zonder hond en daarom alleen hondenbelasting mogen heffen als die ook gebruikt wordt voor hondenbeleid binnen de gemeente. Wanneer de hondenbelasting ten goede komt aan de algemene middelen zou dit discriminatie zijn van hondenbezitters. De gemeente Sittard-Geleen stapte daarop naar de Hoge Raad, die in oktober 2013 concludeerde dat gemeenten gewoon hondenbelasting mogen heffen, ook als die terecht komt bij de algemene middelen. Het blijft dus zo dat hondenbelasting geen doelbelasting is en niet besteed hoeft te worden aan zaken die met honden te maken hebben. Ondanks dat de hondenbelasting geen doelbelasting is, kan de gemeente ervoor kiezen de inkomsten uit hondenbelasting (ook) te besteden aan voorzieningen voor honden of de praktische uitwerking van hondenbeleid. Dit is ook wat de Dierenbescherming bepleit. Voorbeelden van voorzieningen die de gemeente kan creëren zijn uitlaatplaatsen, losloopgebieden, speelweides, en afvalbakken.
Een alternatief is dat de gemeente geen hondenbelasting heft, maar iets terugvraagt van hondeneigenaren. Bijvoorbeeld dat zij altijd hondenpoep opruimen en zo zelf de verantwoordelijkheid nemen en bijdragen aan het schoonhouden van de openbare ruimte. De gemeente Ridderkerk heeft een dergelijk beleid. De Gemeentewet noemt geen vrijstellingen voor de hondenbelasting. Gemeenten kunnen wel zelf vrijstellingen invoeren voor bepaalde groepen. De Dierenbescherming vindt dat deze vrijstellingen zeker moeten gelden voor honden die in een asiel verblijven.
AANBEVELING 16
Indien de gemeente hondenbelasting int, dan gebruikt zij dat ter optimalisatie van de openbare voorzieningen voor honden.
Agressieve honden Helaas heeft elke gemeente ook weleens te maken met bijtincidenten veroorzaakt door honden. De oorzaak van bijtincidenten is meestal een slechte opvoeding. Daarbij speelt de genetische aanleg – ook wel aangeduid als een hoog risico hond (HR-hond) - een cruciale rol, in combinatie met de socialisatie. De socialisatie, het leren van de maatschappelijke spelregels, vindt plaats in de eerste levensfase van de hond. Met bijtincidenten moet zorgvuldig worden omgegaan. Zowel het slachtoffer, de hond als zijn eigenaar zijn hierbij gebaat. Om adequaat om te gaan met bijtincidenten is het goed als de gemeente ook beleid opstelt hieromtrent. Dit start met een gedegen registratie van de incidenten en het opstellen van een protocol. Hierin kan staan wat hondeneigenaren en slachtoffers kunnen doen na een bijtincident. Zo kan een slachtoffer aangifte doen. De gemeente kan vervolgens bepalen wat er met de hond gebeurt en bijvoorbeeld een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen, de hond laten testen op agressie, de eigenaar adviseren of verplichten een cursus te volgen met de hond of de hond in beslag nemen. De Dierenbescherming pleit ervoor dat honden na een aangifte bij voorkeur niet direct in beslag worden genomen, maar dat andere oplossingen eerst worden bekeken.
Wanneer er sprake is van een (vermoedelijk) agressief dier, kan een onafhankelijke gedragstest worden gebruikt om vast te stellen of een hond op straat gevaar oplevert.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
21
Om het aantal bijtincidenten terug te dringen en te voorkomen, pleit de Dierenbescherming voor een verantwoord preventiebeleid, waar goede voorlichting, gehoorzaamheidscursussen en goed fokbeleid onderdeel van uitmaken. De gemeente kan hier een belang rijke rol in spelen door informatie te verstrekken over het houden van honden en het onder de aandacht brengen en stimuleren van het volgen van gehoorzaamheidscursussen.
4.4.5 Handhaving Het handhaven van dierenwelzijn is in principe geen verantwoordelijkheid van de gemeente. Echter kan een gemeente, via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), op het gebied van openbare orde en veiligheid eisen stellen die indirect hun weerslag hebben op het dierenwelzijn. Deze eisen kunnen worden vastgelegd in de vergunningverlening. Bij overtreding kan de vergunning een volgende keer worden geweigerd. Elke gemeente heeft een eigen APV en die geldt voor iedereen binnen de gemeente. Een andere optie om te handhaven zit in de Wet aanpak woonoverlast, in de volksmand ook wel de Aso-wet genoemd. Deze wet – die sinds 1 juli 2017 in werking is – biedt de gemeente meer mogelijkheden om woonoverlast sneller aan te pakken. In het geval van langdurige overlast kan de burgermeester officiële waarschuwingen geven en gedragsverandering afdwingen. De voorwaarde is dat bemiddeling met de buren niets oplevert. In het kader van stank- en geluidsoverlast kan de gemeente op deze wijze ook effectief ingrijpen in situaties waarin het welzijn van huisdieren wordt aangetast.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
22
5. VERMAAK MET DIEREN
Onder evenementen met dieren verstaan we het gebruiken van dieren ter vermaak, zoals bij kunst, reclame, promotieactiviteiten, circussen, volksvermaak en tentoonstellingen. De Dierenbescherming is tegen het gebruik van dieren voor evenementen omdat het in strijd is met de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier. Het geeft blijk van weinig respect en degradeert het dier tot spelobject. Deze vorm van misbruik geeft bovendien een slecht voorbeeld aan mensen (en dus ook aan kinderen) over hoe zij met dieren om moeten gaan. Een uitzondering kan gemaakt worden als het educatie voor mensen betreft, mits de integriteit, gezondheid en het welzijn van de dieren behouden blijven. Evenementen met dieren kunnen niet zomaar worden gehouden. De Wet dieren stelt beperkingen aan de mogelijkheden om dieren te gebruiken bij evenementen en wedstrijden. Zo is het verboden om dieren als prijs, beloning of gift uit te reiken (artikel 2.13), dierengevechten te organiseren (artikel 2.14) of bij een dier onnodig pijn of letsel te veroorzaken of zijn gezondheid of welzijn aan te tasten (artikel 2.1). Op lokaal niveau hebben vrijwel alle gemeenten in hun APV de bepaling opgenomen dat het verboden is zonder vergunning een evenement te organiseren.
De gemeente moet dus toestemming geven voor het organiseren van evenementen met dieren en kan een evenement met dieren verbieden met als motief de openbare orde en veiligheid. De Dierenbescherming pleit ervoor dat de gemeente bij het verlenen van vergunningen een voorkeursbeleid hanteert voor evenementen waar geen dieren bij betrokken zijn. De gemeente zou dit kunnen vastleggen in de APV of een aparte beleidsnota voor dierenwelzijn en kan dit doen door regels op te nemen over het aantal evenementen met dieren dat wordt toegestaan en de verhouding van evenementen met en zonder dieren.
5.1 Circussen Er is sinds 15 september 2015 een verbod op het vertonen en het vervoeren van wilde zoogdieren ten behoeve van een circus of een ander optreden. Dit is geen totaalverbod op het gebruik van dieren voor circussen of gelijksoortige optredens. Huisdieren, paarden, kamelen en diverse andere soorten worden vooralsnog wel toegestaan. De Dierenbescherming vindt dat dieren geen plek hebben in circussen en pleit ervoor dat gemeenten een voorkeursbeleid hanteren voor circussen zonder dieren.
AANBEVELING 17
De gemeente hanteert een voorkeursbeleid voor circussen zonder dieren.
5.2 Levende kerststallen In levende kerststallen worden levende dieren gebruikt die gehuurd worden bij bijvoorbeeld een dierenverhuurbedrijf. Vaak is er sprake van een provisorisch, zeer beperkt onderkomen en voldoen de kerststallen niet aan veiligheidsnormen, waaronder die voor brandveiligheid. Door de aanwezigheid van stro en hooi is het risico op brand groot met
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
23
een gruwelijke afloop voor zowel mensen als dieren tot gevolg. Daarnaast kan door de tijdelijke huisvesting moeilijk worden voldaan aan de behoeften van de dieren in kwestie. De dieren kunnen zich bijvoorbeeld niet op natuurlijke wijze gedragen en raken gestrest door omstandigheden zoals muziek, veel mensen, drukte en lawaai. De Dierenbescherming pleit ervoor dat gemeenten kiezen voor alternatieve kerststallen zonder levende dieren. Wanneer de gemeente desondanks kiest voor een kerststal met levende dieren, moeten er strenge voorwaarden gelden voor de huisvesting en verzorging van de dieren en moet het dierenwelzijn zijn geborgd.
5.3 Overig vermaak met dieren Jaarlijks worden er tal van evenementen, zoals kermissen en braderieën, ‘opgeleukt’ met dieren. Dit met dierenwelzijnsproblemen en een hoop commotie tot gevolg. Voorbeelden hiervan zijn kamelen- en struisvogelraces, roofvogelshows en paardenmarkten. Ook op de kermis worden vaak dieren puur voor menselijk vermaak gebruikt. Te denken valt aan ponyritjes voor kinderen. Bij huwelijken worden sierduiven losgelaten, die vaak hun weg niet terug vinden, onderweg gewond raken of totaal uitgeput ergens aankomen. Al deze vormen van vermaak met dieren hebben ernstige gevolgen voor het dierenwelzijn en vergunningen voor dit soort evenementen zouden niet verleend moeten worden. De Gemeentewet geeft de gemeente bevoegdheid om aanvullende regelgeving uit te vaardigen. De meest omvattende gemeentelijke verordening is de APV. Gemeenten hebben via de APV de mogelijkheid om specifieke aanvullende voorwaarden te stellen waaraan evenementen als roofvogelshows en paardenmarkten moeten voldoen. Deze hoeven niet per definitie betrekking op dierenwelzijn te hebben. Er kunnen ook aanvullende voorwaarden op het gebied van overlastbeperking en openbare veiligheid worden gesteld. De gemeente is verantwoordelijk voor de handhaving en sanctionering van overtredingen op basis van de APV.
Het niet voldoen aan de voorwaarden van een verordening (een strafbaar feit) valt onder de zogenaamde overtredingen. Het is voor de gemeente handig om een bruikbaar en erkend handvat te hebben waarmee aanvullende voorwaarden op het gebied van dierenwelzijn kunnen worden gesteld. Voor paardenmarkten heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) een aangescherpt protocol beschreven. Dit is als handvat voor de gemeente bruikbaar in het APV. Voor evenementen die toegankelijk zijn voor publiek is tevens vaak een evenementenvergunning noodzakelijk. Hierin zijn randvoorwaarden opgenomen waaronder de activiteit mag worden gehouden. Ook hier is de gemeente verantwoordelijk voor handhaving en sanctionering.
AANBEVELING 18
De gemeente maakt het de organisatie van evenementen met dieren, zoals levende kerststallen, struisvogelraces, roofvogelshows en paardenmarkten lastig door via de APV specifiek aanvullende voorwaarden te stellen ten aanzien van dierenwelzijn en algemene veiligheid. AANBEVELING 19
Wanneer de gemeente toch een vergunning voor een paardenmarkt wil afgeven, doet zij dit volgens het door de Raad voor Dierenaangelegenheden aangescherpte protocol voor paardenmarkten.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
24
5.3.1 Dierentuinen en -parken In Nederland zijn er 58 organisaties die een dierentuinvergunning hebben gekregen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze vergunning wordt getoetst aan hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voert de bestuursrechtelijke handhaving uit voor de regelgeving rondom het tentoonstellen van levende wilde dieren. Bestuursrechtelijke handhaving wil zeggen dat er gekeken wordt of een overtreding nog hersteld kan worden. Bijvoorbeeld door een vergunning alsnog aan te vragen. De gemeente heeft verder geen rol bij de handhaving, maar kan wel voorwaarden stellen aan eventuele financiële ondersteuning van dierentuin of -park. In artikel 4.10 van het Besluit houders van dieren wordt gesteld dat een dierentuin, in het kader van een informatief en educatief programma met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten, onder meer informatie verstrekt over de tentoongestelde soorten en hun natuurlijke habitat. De Dierenbescherming vindt dat een educatief programma inter actief, toegepast en modern moet zijn vormgegeven en door de gemeente als voorwaarde moet worden gesteld aan eventuele financiële ondersteuning aan de dierentuin.
AANBEVELING 20
Indien de gemeente financiële steun levert aan een dierentuin of -park, dan stelt het een interactieve, toegepaste en moderne educatie van de bezoekers als voorwaarde.
5.3.2 Kinderboerderijen In Nederland zijn tussen de 550 en 600 kinderboerderijen, met naar schatting tussen de 25 en 30 miljoen bezoekers per jaar2. Ze hebben een recreatieve en educatieve functie en brengen hun bezoekers in aanraking met gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren, de natuur, hun omgeving en elkaar. Op kinderboerderijen, stadsboerderijen of hertenkampen kunnen zich gemakkelijk dierenwelzijnsproblemen voordoen, die voornamelijk ontstaan doordat de belangen van het dier ondergeschikt worden aan die van de mens. Het gaat hierbij om tekortkomingen in de geschiktheid van soort of het individu, sociale situatie van het dier, huisvesting, verzorging, toezicht, hygiëne en fokbeleid. De Dierenbescherming accepteert de aanwezigheid van kinderboerderijen, stadsboerderijen en hertenkampen. Het in contact brengen van kinderen en volwassenen met dieren is belangrijk voor het leren omgaan met en het denken over dieren. Hierbij is het heel belangrijk dat de gezondheid, het welzijn en de integriteit van het dier niet worden aangetast. Niet iedere diersoort is geschikt om op een kinderboerderij te houden. Exoten en wilde (niet gedomesticeerde) dieren zijn niet geschikt.
De Dierenbescherming vindt dat alleen de bekende, veel voorkomende gezelschaps- en hobbydieren, zoals katten, cavia’s, konijnen, paarden, pony’s, varkens, kippen, eenden en ganzen op kinderboerderijen mogen worden gehouden. De gehouden dieren moeten een geschikt karakter hebben en gewend zijn aan het contact met mensen, anders levert dit te veel angst en stress op voor de dieren. Het is onacceptabel om door middel van fokkerij (selectie) of ingrepen de dieren geschikt te maken voor het gebruik op een kinderboerderij. De verzorging van de dieren moet in handen zijn van een gediplomeerd en vakbekwaam medewerker. Afspraken over de verzorging en omgang moeten schriftelijk in een protocol
2
vSKBN, Brancheorganisatie voor kinderboerderijen, september 2017. www.kinderboerderijen.nl
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
25
vastgelegd te worden. De medewerker moet ook toezicht houden op het contact tussen mensen en dieren. Door voldoende en goede voorlichting, begeleiding en toezicht, kan de omgang met de dieren op een diervriendelijke manier verlopen. Omdat er veel komt kijken bij het verantwoord runnen van een kinderboerderij, dient de gemeente het oprichten en beheren slechts onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Deze voorwaarden kunnen bijvoorbeeld worden vastgelegd in een overeenkomst. In 2010 heeft de Dierenbescherming samen met de Vereniging Medewerkers Kinderboerderijen (inmiddels opgegaan in de SKBN) een intentieverklaring ontwikkeld om dierenwelzijn op kinderboerderijen te waarborgen en verbeteren. In deze intentieverklaring zijn uitgangspunten geformuleerd over onder ander huisvesting, verzorging en fokbelang.
AANBEVELING 21
De gemeente staat het oprichten en beheren van een kinder- of stadsboerderij of hertenkamp slechts onder bepaalde voorwaarden toe en ziet erop toe dat het welzijn, de gezondheid en lichamelijke integriteit van de dieren zijn gewaarborgd en maakt bij voorkeur gebruik van de intentieovereenkomst voor dierenwelzijn op kinderboerderijen.
Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid
26
6. LANDBOUWHUISDIEREN
6.1 Wetgeving Regels over dieren gehouden voor productiedoeleinden zijn voor een groot deel afkomstig vanuit de Europese Unie. In Nederland zijn deze regels met name vastgelegd in de Wet dieren en de daaronder hangende AMvB’s, namelijk het Besluit houders van dieren en het Besluit diergeneeskundigen. In het Besluit houders van dieren zijn algemene regels opgenomen voor het houden van dieren, specifieke regels voor bepaalde diersoorten (kalveren, varkens, legkippen en vleeskuikens) en regels over het doden van dieren. In het Besluit diergeneeskundigen zijn onder andere regels opgenomen over lichamelijke ingrepen die zijn toegestaan. De regels in het kader van de Wet dieren hebben inmiddels de regels die eerder waren gesteld op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren grotendeels vervangen.