CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

21-01-26.12 relevant stuk 4b.1 Bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate_ontwerp_20201113

Gemeenteraadsvergadering 26 januari 2021, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Elst Centraal en Rijnstate32.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit moet daarnaast bij de realisatie van gevoelige bestemmingen worden onderzocht of de luchtkwaliteit ter plaatse van de betreffende functies aanvaardbaar is. Beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt de nieuwbouw van het Rijnstate ziekenhuis met een programma van maximaal 25.000 m² bvo mogelijk gemaakt. Het plangebied is momenteel braakliggend. De ontwikkeling kan dan ook een relevant effect op de luchtkwaliteit hebben. Om na te gaan of de ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is door middel van de NIBM-tool berekend of het plan mogelijk in betekenende mate bijdraagt. Afbeelding 5.1 geeft de resultaten hiervan weer. De conclusie is dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt en nader onderzoek daarom niet noodzakelijk is. De berekende maximale verkeersgeneratie vanwege het plan is in paragraaf 5.14.2 toegelicht. Het aandeel vrachtverkeer is worst case ingeschat op 0,5%, maar ligt in werkelijkheid naar verwachting lager. Rijnstate maakt voor de bevoorrading overwegend gebruik van middelgrote voertuigen. Het jaar van planrealisatie is worst case gekozen, gebaseerd op de huidige planning waarin de bouw van de voorziening in dat jaar is voorzien.

Afbeelding 5.1: resultaten NIBM-tool (bron: www.infomil.nl)

Toelichting (ontwerp)

27

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate

De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is onderzocht in de effectstudie omliggende bedrijven, zie hoofdstuk 6 van Bijlage 8. Op basis van de uitgevoerde berekeningen, waarvan de uitgangspunten in de bijlage zijn beschreven, wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de ziekenhuisvoorzieningen ruimschoots voldoet aan de grenswaarden uit titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlagen. Onderzocht is welke concentraties optreden ter plaatse van het ziekenhuis. Uit de berekeningen blijkt dat de jaargemiddelde concentratie PM10 24,7 microgram/m³ bedraagt. Het aantal overschrijdingsdagen is 16. De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt 24,2 microgram/m³. De lokale luchtkwaliteit ter plaatse van het ziekenhuis voldoet gelet op bovenstaande resultaten ruimschoots aan de grenswaarden van titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan voldoende worden gegarandeerd. Conclusie De ontwikkeling valt onder de regeling NIBM. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Nader onderzoek vindt plaats in het kader van het ontwerpbestemmingsplan.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype.

Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing. Beoordeling Invloed plan op omgeving Algemeen Dit bestemmingsplan maakt een maatschappelijke voorziening (ziekenhuisvoorziening met ondersteunende functies) en een parkeerterrein mogelijk. Daarmee is er sprake van nieuwe milieubelastende functies, die in beginsel behoren tot (maximaal) milieucategorie 2. De directe omgeving van het plangebied kan worden gekenmerkt als een 'gemengd gebied', maar voor de woongebieden noordelijk van het plangebied (Regenboog, Meiregen) is de typering 'rustige woonwijk' van toepassing. Daarom wordt getoetst aan de reguliere richtafstanden. Overige woningen bevinden zich op ruime afstand tot het plangebied.

28

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate In dit geval bedraagt de richtafstand ten opzichte van zowel het ziekenhuis als het parkeerterrein 30 meter. De woningen aan de Regenboog en Meiregen bevinden zich op ten minste 75 meter afstand van het nieuwe parkeerterrein en ten minste 125 meter van het ziekenhuis. De aanwezigheid van deze woningen vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van de ziekenhuisvoorziening en het parkeerterrein. Andersom zorgt de realisatie van deze functies niet voor onevenredige hinder ter plaatse van omliggende woningen. Wijzigingsbevoegdheid milieucategorie 3.1 In verband met de duurzaamheidsambities van Rijnstate is een noodstroom op waterstof voor de ziekenhuisvoorziening wenselijk. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' is een dergelijke waterstofvoorziening niet getypeerd. Dit betreft ook een relatief nieuwe techniek. De ervaring leert dat waterstof voor wat betreft de potentiële milieu-effecten vaak wordt vergeleken met bijvoorbeeld opslag van propaan. Deze functie behoort tot milieucategorie 3.1 (richtafstand 50 meter in rustige woonwijk). Verwacht wordt dat worst case kan worden uitgegaan van milieucategorie 3.1 voor waterstof en dit in de toekomst eerder afgeschaald zal worden dan opgeschaald. In de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de gewenste waterstofvoorziening mogelijk te maken.

De woningen in de omgeving liggen, zoals bovenstaand beschreven, ruimschoots buiten de richtafstand voor functies in milieucategorie 3.1. Daarom leidt het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid op voorhand niet tot belemmeringen. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening wordt een zorgvuldig onderzoek naar de effecten, wanneer het voornemen concreet wordt en de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, wenselijk geacht. In de wijzigingsbevoegdheid zijn hiertoe dan ook enkele strikte voorwaarden opgenomen, zodat het belang van een verantwoord woon- en leefklimaat in de omgeving gewaarborgd blijft. Invloed omgeving op plangebied Met het bestemmingsplan worden ook milieugevoelige functies mogelijk gemaakt. Een ziekenhuis is immers een plek waar mensen langdurig kunnen verblijven. Daarom is tevens onderzoek verricht naar de effecten van de omliggende bedrijvigheid op het plangebied. Uitgegaan is van het principe van uitwaartse zonering. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 8. Op basis van het aangrenzend geldende bestemmingsplan 'Elst, Bedrijventerrein De Aam' zijn bij recht bedrijven uit de milieucategorieën 2 tot en met 4.2 toegestaan. De milieucontouren van de omliggende bedrijvigheid reiken over het plangebied. Het plangebied ligt binnen de richtafstanden tot de met de omliggende bestemmingsplan toegestane bedrijvigheid.

Dat betekent dat de realisatie van het ziekenhuis slechts mogelijk is, wanneer aangetoond wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat, onder waarborging van de bedrijfsvoering van de bestaande bedrijven. Dit is voor de relevante aspecten onderzocht. De volgende bedrijfslocaties, die van invloed kunnen zijn voor de milieueffecten op het plangebied, zijn onderzocht:     

Stationsstraat 50 (Heinz); Energieweg 10 (straal- en spuitbedrijf); Energieweg 2 (metaalbedrijf, inkoop, verwerking en recycling); Handelsweg 5 (H&S Coldstores; sap- en vloeistofverwerking); Nieuwe Aamsestraat 30 (handelsonderneming).

De representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is per bedrijfslocatie als uitgangspunt genomen. Geluid Een ziekenhuis is op basis van de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer beschermd tegen onevenredige geluidhinder. De gemeente Overbetuwe heeft eigen beleid geformuleerd in de Nota Bedrijven en Geluid (2009). De ambitiewaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is 50 dB(A) volgens het gemeentelijk geluidbeleid en de bovengrenswaarde is 55 dB(A). Voor het maximaal geluidniveau worden de volgende waarden geambieerd: 70 dB(A) voor de dagperiode, 65 dB(A) voor de avondperiode en 60 dB(A) voor de nachtperiode. Onderstaand worden de resultaten van de diverse berekeningen weergegeven. Uit de tabel blijkt dat ten aanzien van de meeste bedrijven wordt voldaan aan de ambitiewaarden voor het langtijdgemiddelde en maximale

Toelichting (ontwerp)

29

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate geluidniveau. Op enkele punten worden deze ambitiewaarden overschreden. Achter de tabel wordt gemotiveerd waarom de optredende waarden acceptabel worden geacht en een aanvaardbaar verblijfsklimaat voldoende gegarandeerd is. Ten aanzien van het aspect akoestiek bestaan geen bezwaren tegen de realisatie van het ziekenhuis. Bedrijf

Ambitiewaarde Optredend Ambitiewaarden langtijdgemiddeld langtijdgemiddeld maximaal geluidniveau geluidniveau geluidniveau

Optredend maximaal geluidniveau

Stationsstraat 50 (Heinz)

50 dB(A)

49 dB(A)

dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)

60 dB(A) in alle perioden

Energieweg 10 (straal- en spuitbedrijf)

50 dB(A)

46 dB(A)

dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)

61 dB(A) in alle perioden op één beoordelingspunt*

Energieweg 2 (metaalbedrijf)

50 dB(A)

53 dB(A)**

dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)

dag: 63 dB(A) nacht: 51 dB(A)

Handelsweg 5 (H&S Coldstores)

50 dB(A)

41 dB(A)

dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)

dag: 53 dB(A), avond: 47 dB(A), nacht: 31 dB(A)

Nieuwe Aamsestraat 30 (handelsondern.)

50 dB(A)

44 dB(A)

dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)

dag: 65 dB(A), avond: 60 dB(A), nacht: 61 dB(A)***

* ter plaatse worden operatiekamers voorzien. Deze zijn niet geluidgevoelig. De overschrijding is daarom niet bezwaarlijk. ** er wordt voldaan aan de bovengrenswaarde van 55 dB(A). Daarnaast zijn niet op alle beoordelingspunten, waar een overschrijding geconstateerd is, geluidgevoelige ruimten voorzien. Het langtijdgemiddelde geluidniveau kan daarom aanvaardbaar worden geacht. Bij de nadere planuitwerking wordt aanbevolen om waar mogelijk rekening te houden met de geconstateerde overschrijdingen, bijvoorbeeld door aanpassing in de positionering van ruimten. *** deze overschrijding treedt op drie beoordelingspunten op de tweede verdieping op. Ter plaatse van deze beoordelingspunten worden operatiekamers voorzien. Deze zijn niet geluidgevoelig. De overschrijding is daarom niet bezwaarlijk. Geur Een ziekenhuis wordt aangemerkt als een geurgevoelig object. Ten aanzien van dit aspect is in het onderzoek aangesloten op het provinciaal geurbeleid (2017). Dit aspect is uitsluitend ten aanzien van het bedrijf Heinz (Stationsstraat 50) relevant. De geuremissie van dit bedrijf is, als 98-percentiel én als 99,99-percentiel, ruimschoots lager dan de streefwaarden van respectievelijk 0,5 OUE/m³ en 2 OUE/m³. Ten aanzien van het aspect geur is een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van de ziekenhuisvoorziening voldoende gegarandeerd.

Trillingen Een ziekenhuis is een gebouw, waar personen gedurende een langere periode van de dag verblijven en waar activiteiten worden verricht die (mogelijk) gevoelig zijn voor voelbare trillingen via de bodem. Ten aanzien van dit aspect gelden geen wettelijke normen, maar is in het onderzoek aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en de Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, SBR-richtlijn B. Het aspect trillingen is uitsluitend relevant ten aanzien van het metaalbedrijf aan de Energieweg 2. Het ziekenhuis ligt op 100 meter afstand van activiteiten, die trillingen veroorzaken (storten van metaal, gebruik van shredder of guillotineschaar). Gelet op de grote afstand tot deze activiteiten, in samenhang met voorgenomen wijze van bouwen van het ziekenhuis, met betonnen funderingen en betonnen vloeren, is hinder vanwege voelbare trillingen via de bodem niet aannemelijk. Nader 30

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate onderzoek naar dit aspect is daarom niet noodzakelijk. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de realisatie van het ziekenhuisvoorziening in het plangebied. Luchtkwaliteit Met betrekking tot dit aspect moet rekening worden gehouden met de Wet milieubeheer, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' en de bijbehorende bijlagen. Onderzocht is welke concentraties optreden ter plaatse van het ziekenhuis. Dit aspect is in paragraaf 5.3 'Luchtkwaliteit' reeds besproken en vormt geen belemmering voor de realisatie van een ziekenhuisvoorziening in het plangebied. Stof Aangesloten is bij de systematiek van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uitsluitend ten aanzien van de volgende bedrijven is toetsing aan dit aspect relevant geacht:  Straal- en spuitbedrijf Energieweg 10. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voorschriften opgenomen voor de stofemissie van afzuigingen en diffuse stofemissies opgenomen. De realisatie van het ziekenhuis brengt hierin geen verandering. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied is door middel van deze geldende voorschriften voldoende gegarandeerd.  Metaalbedrijf Energieweg 2. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voorschriften opgenomen voor de stofemissie van afzuigingen en diffuse stofemissies opgenomen.

De realisatie van het ziekenhuis brengt hierin geen verandering. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied is door middel van deze geldende voorschriften voldoende gegarandeerd. Bedrijfslocatie Nieuwe Aamsestraat 26 Naar aanleiding van een ingediende zienswijze, is tevens de bedrijfslocatie Nieuwe Aamsestraat 26 onderzocht. Zie hiertoe het separate onderzoek in Bijlage 24. Op deze bedrijfslocatie zijn bedrijfsactiviteiten uit de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. Het te vestigen bedrijf houdt zich bezig met onderhoud, reparatie en verkoop van personenauto's. De bedrijfslocatie wordt met dit bestemmingsplan met circa 345 m² uitgebreid. In het onderzoek is daarom uitgegaan van de toekomstige situatie, na deze uitbreiding. De ziekenhuisvoorziening ligt aan de noordoostelijke zijde voor een gering deel binnen de richtafstand van 30 meter ten opzichte van de locatie Nieuwe Aamsestraat 26. Daarom is het verblijfsklimaat nader onderzocht. Hiervoor zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als voorgaand. Voor de bedrijfslocatie zijn de representatieve en afwijkende/incidentele bedrijfssituatie bepaald en onderzocht. Dit levert de volgende resultaten op:  Geluid: het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ligt lager dan de ambitiewaarde. De maximale geluidniveaus zijn niet hoger dan de grenswaarde.

Hierdoor is een aanvaardbaar verblijfsklimaat bij de ziekenhuisvoorziening gegarandeerd en zijn er geen belemmeringen voor het bedrijfsperceel.  Geur: gelet op de toekomstige activiteiten is er geen sprake van relevante emissie van geur. Voor zover daarvan al sprake is, dan is de bestaande bedrijfswoning Nieuwe Aamsestraat 26a bepalend voor de beoordeling van geurhinder. Over en weer zijn er daarom geen belemmeringen.  Trillingen: gelet op de toekomstige activiteiten is er geen trillingshinder te verwachten. Voor zover daarvan al sprake is, dan is de bestaande bedrijfswoning Nieuwe Aamsestraat 26a bepalend voor de beoordeling van trillingshinder. Over en weer zijn er daarom geen belemmeringen.  Luchtkwaliteit: vanwege de verkeersaantrekkende werking van het bedrijf aan de Nieuwe Aamsestraat 26 treden er emissies van luchtverontreinigende stoffen op. Het berekende aantal vervoersbewegingen per etmaal is 26. Uit de NIBN-berekening blijkt dat het bedrijf ruimschoots onder de NIMB-grenswaarden blijft. Dit, in combinatie met de heersende achtergrondconcentraties, betekent dat een aanvaardbaar verblijfsklimaat voldoende gegarandeerd is.  Stof: gelet op de toekomstige activiteiten is er geen elevante emissie van stof te verwachten. Voor zover daarvan al sprake is, dan zal moeten worden voldaan aan algemene grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

De realisatie van de ziekenhiisvoorziening brengt in deze eisen geen verandering. Over en weer zijn er daarom geen belemmeringen.  Externe veiligheid: risicovolle inrichtingen zijn op de locatie niet toegestaan.

Toelichting (ontwerp)

31

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate Geconcludeerd wordt dat het (vergrote) bedrijfsperceel Nieuwe Aamsestraat en de vestiging van de ziekenhuisvoorziening in het plangebied zonder belemmeringen over en weer kunnen functioneren. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat is gegarandeerd en het bedrijf wordt niet beperkt. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen voor de realisatie van het Rijnstate ziekenhuis met de daarbij behorende voorzieningen op. Omliggende bedrijvigheid wordt niet beperkt, een aanvaardbaar verblijfsklimaat is voldoende gegarandeerd en er treden geen onevenredig negatieve effecten op omliggende woningen op.

5.5

Trillingen

Trillingen ontstaan doordat een bron een kracht uitoefent op de bodem, al dan niet via een gebouw. Trillingen kunnen veroorzaakt worden door onder meer machines, verkeer over oneffen wegoppervlakten of railverkeer. Voor trillinghinder bestaan geen wettelijke normen. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan het echter noodzakelijk zijn om het aspect trillinghinder nader te beschouwen en na te gaan of onevenredige trillinghinder kan ontstaan. Het onderzoeksgebied van trillingen bij spoorwegen ligt in beginsel op ongeveer 100 meter van de bron. De mate van aanvaardbaarheid van trillingshinder wordt normaal gesproken beoordeeld aan de hand van de SBR meet- en beoordelingsrichtlijn deel B 'Trillingen; hinder voor personen in gebouwen' (hierna: SRB-B). Deze geeft geen harde grenswaarden, maar streefwaarden aan. Onderstaande tabel geeft deze streefwaarden aan:

Beoordeling Het aspect trillingshinder ten aanzien van de omliggende bedrijvigheid is in paragraaf 5.4 reeds beschouwd. Het ziekenhuis wordt daarnaast op minder dan 100 meter afstand van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen voorzien, namelijk circa 35 meter. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een onderzoek naar de trillingshinder vanwege de spoorlijn uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 9. Uit het onderzoek blijkt dat de kans op schade door trillingen ten gevolgen van treinen op de nabijgelegen spoorlijn niet waarschijnlijk is (kleiner dan 1%) en daarmee aanvaardbaar wordt geacht. Bij een beoordeling aan de streefwaarden van de SRB-B richtlijn voor nieuwe situaties, blijkt dat in alle etmaalperioden hinder door trillingen vanwege passerende treinen te verwachten is. Wanneer wordt getoetst aan de streefwaarden voor bestaande situaties, dan worden de streefwaarden in de dag- en avondperiode niet overschreden en in de nachtperiode slechts zeer beperkt (één nacht per weer, kortstondig). Er is gelet op de bevindingen enige mate van hinder te verwachten, die voor bestaande situaties in het algemeen echter aanvaardbaar wordt geacht. Deze situatie wordt daarom niet onaanvaardbaar geacht, maar nader bekeken wordt of door middel van trilling reducerende maatregelen een verbetering kan worden bereikt.

Gedacht kan daarbij worden aan het isoleren van het fundament, verstijven van vloeren en/of trilling geïsoleerd opstellen van het gebouw op het fundament. Conclusie Enige hinder vanwege trillingen valt te verwachten, maar er is geen sprake van een op voorhand onaanvaardbare mate van hinder. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal, 32

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate voor een deel van de beoogde nieuwbouw, nader onderzocht moeten worden of al dan niet door middel van bouwkundige maatregelen een verbetering kan worden bereikt en kan worden voldaan aan de richtwaarden voor nieuwe situaties in trillingsgevoelige ruimten. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt, zal moeten worden voldaan aan de richtlijnen voor bestaande situaties. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.

5.6

Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Beoordeling Dit bestemmingsplan maakt nieuwbouw van een ziekenhuis mogelijk. Daarmee is er sprake van een nieuw geurgevoelig object. In de ruime omtrek van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Daarom is uitgesloten dat er vanuit de Wgv belemmeringen voor de ontwikkeling van het ziekenhuis in het plangebied optreden. Het onderdeel 'geur' in relatie tot omliggende bedrijven is in paragraaf 5.4 beschouwd. Conclusie Een aanvaardbaar verblijfsklimaat in het plangebied is voldoende gegarandeerd en er worden geen agrarische bedrijven belemmerd. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied.

5.7

Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen en andere gevoelige functies op verontreinigde grond. Beoordeling Dit bestemmingsplan maakt nieuwbouw van een ziekenhuisvoorziening op een braakliggend terrein mogelijk. Daarmee is er sprake van een gevoelige functie en wordt er nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt, waarin permanent personen verblijven. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit is dan ook noodzakelijk. De bodemkwaliteit van het huidige, totale plangebied is in het verleden zéér uitvoering onderzocht. Het totale plangebied bestaat uit grofweg drie plandelen: 1. Het geprojecteerde parkeerterrein aan de noordzijde van de Aamsestraat. Dit is "Het Klooster", gelegen aan de Aamsestraat 11/11a te Elst; 2. Het gedeelte ten zuiden van de Aamsestraat en ten oosten van het spoor. Dat op haar beurt valt op te splitsen in een westelijk en een oostelijk gedeelte: a. Aan de westkant, het voormalige N.S.-emplacement, beter bekend als Elst-Centraal, en aan de oostkant; b. Het voormalige Rijnvallei-terrein, thans Vestia-terrein geheten. Plandeel "Het Klooster" Het terrein "Het Klooster" is in het verleden veelvuldig onderzocht.

Deze grond was in het verleden niet schoon. In 2002 werden opnieuw verontreinigingen met minerale olie aangetroffen (rapportage Aveco De Bondt, 4 april 2002, kenmerk 02.2900.04/01/WF). Deze zijn inmiddels gesaneerd conform het saneringsplan d.d. 4 april 2002 (Aveco de Bondt, 4 april 2002, kenmerk 02.2900.05/01/RG) en het bijbehorende evaluatierapport d.d. 23 juli 2002 (Aveco de Bondt, 23 juli 2002, kenmerk 02.2900.07/01/WF). Het laatste onderzoek van dit gebied dateert van 2006 betreft het actualiserend bodemonderzoek BOOT, 6 december 2006, kenmerk ME06226-002, opgenomen in Bijlage 10.

Toelichting (ontwerp)

33

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate Ter plaatse van het braakliggende terrein rondom Nieuwe Aamsestraat 11 is in 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij een spot met sterk verontreinigde grond (PAK) is aangetroffen. Hiervoor geldt een saneringsplicht. Op het overige deel van het braakliggende terrein binnen het plangebied zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Ter plaatse van de kinderopvang is in het verleden asbest aangetroffen (BOOT, Actualiserend bodemonderzoek Aamsestraat 11 Elst (Gld), 6 december 2006). Mogelijk geldt hier nog een saneringsplicht met betrekking tot asbest, wat na afronding van het onderzoek door ingenieursbureau Land duidelijk zal worden (Ingenieursbureau Land, 'verkennend en aanvullend bodemonderzoek Rijnstate Aamsestraat Elst, 27 juli 2020), opgenomen in Bijlage 23. Plandeel voormalig N.S.-emplacement Het oude N.S.-emplacement werd reeds in 1995 voor het eerst onderzocht. Uit diverse vervolgonderzoeken bleek later dat sommige terreindelen ernstig verontreinigd waren. De gevalscode GE173400234 is in 2004 gesaneerd; zie hiervoor het evaluatierapport d.d. 27 september 2004 (Stichting Bodemsanering NS, 'Evaluatierapport bodemsanering NS-emplacement Elst te Elst', kenmerk 596004).

De gevalscodes GE023100001 en GE023100002 werden in 2007 gesaneerd (MWH B.V., 'Evaluatieverslag Bodemsanering NS-emplacement Elst te Elst, 15 december 2009, kenmerk B07B0358). In 2013 is het terrein Elst-Centraal, in het kader van het bouwrijp maken, opnieuw in zijn geheel bemonsterd (Ingenieursbureau Land, 'Bodemonderzoek Elst centraal', 15 april 2013, kenmerk R0176650.01-JGA). Daarbij werden nog enkele asbestspots aangetroffen. Ook deze zijn inmiddels gesaneerd. Dit blijkt uit het raamsaneringsplan (Ingenieursbureau Land, 'Raamsaneringsplan Elst Centraal', 7 mei 2013, kenmerk R04-76650.01-D01-JGA), het evaluatierapport d.d. 1 oktober 2014 (Ingenieursbureau Land, 'Interim-evaluatierapport Bodemsanering asbestspots Elst Centraal', 1 oktober 2014, kenmerk R03-76825.01-HBE)) en de instemmingsbrief van de Omgevingsdienst Regio Arnhem d.d. 17 november 2014, opgenomen in Bijlage 11. Plandeel Vestia-terrein Ten slotte werd ook het terrein Rijnvallei, thans Vestia-terrein, gelegen aan de Aamsestraat 24 te Elst, al in 1995 voor het eerst onderzocht. Ook daarbij werden destijds diverse verontreinigingen aangetroffen. Deze zijn niet gesaneerd.

Voor dit terrein is recent, in het kader van de verkoop, een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd (Ingenieursbureau Land, 'Actualiserend bodemonderzoek Nieuwe Aamsestraat 24 Elst', 21 december 2018, opgenomen in Bijlage 12 en Ingenieursbureau Land, 'verkennend en aanvullend bodemonderzoek Rijnstate Aamsestraat Elst', 27 juli 2020, opgenomen Bijlage 23. De eerder geconstateerde verontreinigingen werden niet allemaal teruggevonden, maar voor het terrein geldt nog steeds een saneringsplicht. Geohydrologisch vooronderzoek bodemenergiesysteem Voor de klimatisering van het nieuwe gebouw wordt een open bodemenergiesysteem (warmte-koudeopslag, hierna tevens: WKO) voorzien. Voor de aanleg van een dergelijk systeem is een Waterwetvergunning noodzakelijk. In het kader van dit bestemmingsplan dient te worden onderzocht of vergunningverlening haalbaar is. Daarom is een geohydrologisch vooronderzoek open bodemsysteem uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 13. Het beoogde bodemenergiesysteem is een open bodemenergiesysteem, dat bestaat uit minimaal twee koude en twee warme bronnen (twee doubletten). De maximale diepte is 65 meter en de totale capaciteit circa 224 m³/h. De opbouw van de bodem ter plaatse van het plangebied is blijkens het onderzoek geschikt voor het toepassen van een open bodemenergiesysteem.

Tevens zijn de bodemeigenschappen toereikend om de gewenste capaciteit met twee (mogelijk drie) doubletten te behalen. Nader onderzoek naar de mogelijkheid om de capaciteit met twee doubletten te behalen is noodzakelijk. In het onderzoek zijn tevens de potentiële risico's beschouwd. Naast het niet behalen van de gewenste capaciteit, zijn dit:  negatieve beïnvloeding van grondwaterbelangen. Het risico hierop is klein en vormt op voorhand geen belemmering.  het niet intrekken van eerder verleende vergunning Waterwet voor de planlocatie. Dit risico is klein.  thermische verliezen als gevolg van thermische interactie. Dit risico is klein en kan worden

34

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate voorkomen door voldoende afstand tussen de warme en koude bronclusters in acht te nemen. Hiertoe zijn conform het advies in de onderzoeksrapportage zones op de verbeelding aangewezen, waarbinnen de koude en warme clusters uitsluitend zijn toegestaan.  het verplaatsen/aantrekken van verontreiniging(en). Wanneer het systeem onder de eerste scheidende kleilaag aangelegd wordt, is de kans hierop echter klein.  verzakking van de bodem bij het spoor. De aanwezigheid van zettingsgevoelige bodemlagen en de korte afstand tot het spoortraject Arnhem-Nijmegen maken dat zettingen een aandachtspunt zijn. Nader onderzoek in de vorm van berekeningen om dit effect te kwantificeren is noodzakelijk. In de praktijk zullen de veroorzaakte zettingen naar verwachting geen problemen opleveren. Het verkrijgen van een Waterwetvergunning voor het beoogde open bodemenergiesysteem is, gelet op de beschouwing van de risico's, haalbaar. Nader onderzoek ten aanzien van het behalen van de gewenste capaciteit alsmede een kwantitatieve berekening van de risico's op verzakking van de bodem bij het spoor is in het kader van de vergunningaanvraag noodzakelijk. Er mag geen schade aan het spoor ontstaan als gevolg van de zettingen die veroorzaakt worden door het beoogde bodemenergiesysteem. Dit is op voorhand voldoende aannemelijk.

Conclusie De milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem is onderzocht in diverse bodemonderzoeken voor de verschillende deellocaties. Voor het plandeel "Het Klooster" hebben reeds de benodigde saneringen plaatsgevonden. Mogelijk is een aanvullend asbestonderzoek nog noodzakelijk, voordat met de werkzaamheden wordt gestart. In het kader van het bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen. Ook voor het plandeel van het voormalige N.S.-emplacement zijn de benodigde saneringen reeds uitgevoerd is zijn er geen belemmeringen meer aanwezig ten aanzien van het beoogde gebruik. Op het plandeel Vestia-terrein rust nog een saneringsplicht. Deze sanering zal moeten worden uitgevoerd voordat wordt gestart met de werkzaamheden. In het kader van het bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen. Voor de aanleg van het beoogde open bodemenergiesysteem is specifiek geogydrologisch vooronderzoek uitgevoerd en zal onder meer een Waterwetvergunning noodzakelijk zijn. Op basis van het vooronderzoek zijn er op voorhand geen belemmeringen voor vergunningverlening te verwachten.

5.8

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10 -6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Toelichting (ontwerp)

35

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Beoordeling Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een ziekenhuis met bijbehorende voorzieningen in het plangebied mogelijk. Er is er sprake van een nieuw kwetsbaar object.

In de huidige situatie is het terrein onbebouwd en zijn er geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig. Gezien de aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving, in het bijzonder de ligging nabij de spoorlijn Arnhem-Nijmegen, is nader onderzoek in het kader van externe veiligheid uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 14. Met het plan wordt een nieuw kwetsbaar object mogelijk gemaakt en is sprake van een toename van het aantal personen in het plangebied met maximaal 1.250 personen in de dagperiode en 375 in de nachtperiode bij volledige invulling van het plan, worst case benaderd. Vervoer gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt direct aan de spoorlijn Arnhem-Nijmegen. Over deze spoorlijn vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats (traject Ressen Noord - Zutphen).nDe spoorlijn heeft conform de Regeling Basisnet een PR 10-6-contour van 13 meter en geen plasbrandaandachtsgebied (PAG zone). De ziekenhuisvoorziening wordt buiten deze afstand gesitueerd. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering. Omdat het plan binnen het invloedsgebied van de spoorlijn ligt en het aantal personen in het plangebied toeneemt, is in Bijlage 14 een berekening van het groepsrisico uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico ten opzichte van de huidige situatie toeneemt.

Met de voorgenomen uitbreiding in Fase 2 wordt de oriëntatiewaarde voor de maatgevende kilometer niet overschreden. De toename van het groepsrisico dient echter te worden verantwoord (zie navolgend onder 'Verantwoording groepsrisico'). Inrichtingen Het plangebied ligt niet binnen de PR-contouren of het invloedsgebied van inrichtingen met een extern veiligheidsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de PR-contouren of het invloedsgebied van buisleidingen met een extern veiligheidsrisico. Verantwoording groepsrisico Door de Omgevingsdienst Regio Arnhem is een uitgebreide verantwoording groepsrisico opgesteld, zie Bijlage 15. In de rapportage in de bijlage zijn de elementen van de verantwoordingsplicht uitgewerkt, waaronder beschouwing van bron- en overdrachtmaatregelen, de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid. De ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

36

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate De volgende veiligheidsmaatregelen zijn niet ruimtelijk relevant. Deze worden echter bij de uitwerking van het stedenbouwkundig respectievelijk bouwplanniveau betrokken:         

hittewerende beglazing; explosieveilige beglazing; toepassing mechanische en automatisch afschakelbare ventilatiesystemen en uitschakeling met één drukhandeling; ontruimingsprocedures en -oefeningen en deze afstemmen op de BHV-organisatie; opstellen aanvalsplan; opstellen bereikbaarheidskaart; wijziging bestaande ondergrondse bluswatervoorzieningen, aanleg nieuwe brandkraan; tweezijdige ontsluiting bouwwerk; beschikbaarheid van voldoende uitwijkplaatsen voor hulpdiensten in omgeving plangebied.

Ongeacht de lage kans van optreden van een ongevalsscenario op het spoor en maatregelen ter verhoging van de veiligheid, kunnen risico's nooit voor 100% worden uitgesloten. Ook na het nemen van veiligheidsverhogende maatregelen, blijft een restrisico bestaan. Het restrisico is voldoende in beeld gebracht met de verantwoording groepsrisico en het advies van de Veiligheidsregio. De gemeente Overbetuwe acht het restrisico aanvaardbaar, mede in relatie tot het nut en de noodzaak van de onderhavige ontwikkeling. De gemeente realiseert zich dat de functie van Rijnstate in het kader van de Omgevingswet wordt aangemerkt als een zeer kwetsbaar object waarin (na realisatie van Fase 2) doorgaans personen aanwezig zijn die zich niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Conclusie Vanwege de ligging van de beoogde ziekenhuisvoorziening nabij het spoor, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, is onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. Tevens is de route niet aangemerkt als Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Teneinde de effecten op het groepsrisico vanwege de ontwikkeling inzichtelijk te maken, zijn berekeningen uitgevoerd. Zowel in de huidige als de toekomstige situatie wordt de oriëntatiewaarde over de maatgevende kilometer niet overschreden.

Hoewel ruimschoots wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde, is wel sprake van een toename van het groepsrisico. De toename van het groepsrisico is verantwoord. Bij het opstellen van de verantwoording van het groepsrisico is nauw overleg gevoerd met de Omgevingsdienst Regio Arnhem en Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden. De VGGM heeft advies uitgebracht over bestrijdingsplannen, de beschikbaarheid van voldoende bluswater alsmede de aanrijdroutes en opstelplaatsen. Die adviezen worden betrokken bij de verdere (bouwkundige) uitwerking van het gebouw. Tevens is het plan getoetst aan de relevante onderdelen uit de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid. Hieruit is gebleken dat het plan past binnen het gemeentelijke beleid. Als laatste onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag het restrisico te accepteren. Met de verantwoording van het groepsrisico alsmede het advies van de VGGM komt het restrisico in beeld en wordt het restrisico geaccepteerd.

Toelichting (ontwerp)

37

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate

5.9

Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Het plangebied is in het verleden tot een diepte van 1 meter onderzocht op de aanwezigheid NGE's. Voor de nieuwbouw van het ziekenhuis zal tot een grotere diepte gegraven moeten worden. Daarom moet voorafgaand aan het uitvoeren van deze werkzaamheden nader onderzoek naar de aanwezigheid van NGE's op grotere diepte plaatsvinden. In het kader van dit bestemmingsplan vormt dit geen belemmering.

5.10

Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.11

Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn in ieder geval de hierna beschreven beleidsstukken van belang. Rijksbeleid Nationaal waterplan In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

38

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland Waterbeheerplan 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld. Keur Waterschap Rivierenland 2014 Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing.

De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Voor het voorliggende plan is de vrijstelling niet van toepassing (zie onder 'beoordeling (watertoets'). Gemeente Overbetuwe Waterplan Overbetuwe In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt.

Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt. Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:     

wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan; waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit; grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast; beleving van water, burgers betrekken bij water; afspraken en taken van waterschap en gemeente.

Beoordeling (watertoets) Dit bestemmingsplan maakt nieuwe grootschalige bebouwing en verhardingen mogelijk. In de huidige situatie is het plangebied ter plaatse van de nieuwbouw onbebouwd en nagenoeg onverhard. Dit geldt ook voor de gronden waarop het parkeerterrein wordt voorzien. De ontwikkeling kan dan ook gevolgen hebben voor de waterhuishoudkundige situatie in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht. Toelichting (ontwerp)

39

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate De toename van het verhard oppervlak overschrijdt de vrijstellingsdrempel van de Keur. Met de noodzakelijke waterberging vanwege deze toename van verhard oppervlak is echter reeds rekening gehouden in het kader van het huidige bestemmingsplan (Huis der gemeente e.a.). In dit kader zijn de bestaande watergangen (A-watergang) aangelegd, waarbij rekening is gehouden met al het verhard oppervlak in het plangebied. Er is dus al een A-watergang in het plangebied aanwezig, die beschikbaar is voor afvoer van hemelwater en hiervoor voldoende capaciteit heeft. Om de realisatie van de ziekenhuisvoorziening Rijnstate mogelijk te maken, is het noodzakelijk om de A-watergang gedeeltelijk te verplaatsen, maar is geen aanvullende compensatie vereist. Hierover zijn met het waterschap voortijdig gesprekken gevoerd. Het waterschap heeft informeel aangegeven met de verlegging akkoord te kunnen gaan. Het gewijzigde profiel van de A-watergang wordt in dit bestemmingsplan bestemd als 'Water' en krijgt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen', daar waar deze niet bovengronds is. Ook de belemmeringen-/onderhoudsstrook rondom de watergang krijgt deze dubbelbestemming. Vuilwater moet gescheiden worden afgevoerd van het hemelwater. Bij de technische uitwerking moet worden onderzocht wat de mogelijkheden voor vuilwaterafvoer zijn.

Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Het plan voorziet in de realisatie van een WKO-installatie. Gezien de diepte van deze voorziening (maximaal 65 meter) is de planonderdeel ook sterk van belang voor de waterhuishouding. Er is dan ook een geohydrologisch vooronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 13). In paragraaf 5.7 en in de betreffende bijlage is geconcludeerd dat het risico op negatieve beïnvloeding van grondwaterbelangen klein is. Conclusie De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, is hydrologisch neutraal. Er is sprake van een toename van verhard oppervlak, maar er wordt voorzien voldoende waterberging door middel van benutting en gedeeltelijke verlegging van de bestaande A-watergang. Deze compensatie is met het waterschap besproken en informeel akkoord bevonden. Bij de uitwerking van het initiatief, moeten schoon hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten. Gezien het bovenstaande heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water dan ook geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

5.12

Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dieren plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;

40

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate  

het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. de bescherming van overige soorten. Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Beoordeling In het kader van deze bestemmingsplanprocedure is een ecologische quickscan uitgevoerd (Bijlage 16). Daarin is onderzocht of de nieuwbouw van het Rijnstate ziekenhuis negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten heeft of kan hebben. Hieronder worden de onderzoeksresultaten besproken.

Soortenbescherming In de quickscan is onderzocht wat de kans op aanwezigheid van beschermde flora en fauna is, welke (potentiële) effecten het initiatief op deze soorten heeft en welke vervolgstappen er eventueel noodzakelijk zijn om overtreding van de Wnb te voorkomen. Dit wordt per soortgroep beschouwd. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit enkele (versnipperd gelegen) braakliggende terreinen, met één loods aan de noordkant op het terrein 'Het Klooster'. Het plangebied ligt in een stedelijke, bebouwde omgeving. Planten Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De aanwezigheid van dergelijke soorten wordt op basis van het aanwezige habitat en het karakter van de omgeving uitgesloten. Wel zijn diverse algemene pionier- en waterplanten aangetroffen. Dit staat de realisatie van het initiatief niet in de weg. Vogels De kans op aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten in het plangebied is groot. Deze soorten zijn beschermd gedurende de periode dat ze aan het nest gebonden zijn. De aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelsoorten wordt op basis van het veldbezoek, de habitatskenmerken en het ontbreken van geschikte nestgelegenheid uitgesloten. Zoogdieren In het plangebied zijn diverse konijnen en konijnenholen aangetroffen. De holen kunnen door de werkzaamheden ongeschikt raken. Voor deze soort geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling.

Wel is de zorgplicht van toepassing. Gefaseerde uitvoering van het initiatief kan dieren de gelegenheid geven om weg te komen. Negatieve effecten worden niet verwacht. De braakliggende terreinen vormen mogelijk geschikt foerageergebied of looproutes voor marterachtigen. Voortplantingsplaatsen zijn niet aanwezig. Negatieve effecten zijn uitgesloten, mits er geen hekwerk tot op de grond wordt geplaatst en er gefaseerd gewerkt wordt, zodat dieren weg kunnen komen.

Toelichting (ontwerp)

41

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate

Incidenteel kunnen overige algemene soorten, zoals muizen, in het plangebied aanwezig zijn. Voor deze incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling. De zorgplicht is altijd van toepassing. Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen wordt uitgesloten. Het plangebied wordt wel gebruikt als foerageergebied door vleermuizen in de omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied. Overtreding van de Wnb is niet aan de orde. Overige soorten Overige soortgroepen worden hoogstens incidenteel verwacht. Hiervoor geldt een algehele vrijstelling. De zorgplicht is altijd van toepassing. Conclusie In het plangebied worden algemene broedvogelsoorten verwacht. Buiten het broedseizoen (ca. begin maart tot half augustus) zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van werkzaamheden. Binnen het broedseizoen is een broedvogelinspectie vooraf noodzakelijk, of dienen de groenstroken en bomen voor het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt als nestplaats. Ten aanzien van kleine marterachtigen en konijnen is van belang dat de werkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd en de projectlocatie niet omheind wordt met hekwerk dat tot op de grond geplaatst is. Onder deze voorwaarden zijn er ten aanzien van deze soorten evenmin belemmeringen. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op grote afstand van Natura 2000-gebieden.

Het gebied 'Rijntakken' is het meest nabij gelegen, op ruim 4 kilometer afstand. Het Gelders Natuur Netwerk en de Groene Ontwikkelingszones bevinden zich op minimaal 1,2 kilometer afstand, oostelijk van het plangebied. Ondanks de grote afstanden tot deze gebieden, zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uitgesloten. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, alsmede negatieve effecten op het GNN, zijn niet aan de orde. Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. De rapportage bij deze berekening is opgenomen als Bijlage 17. De gehanteerde uitgangspunten zijn in deze rapportage eveneens beschreven en zijn worst case ingestoken. Uit de berekening volgt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden zijn. Er is daarom geen vergunning ingevolge de Wnb nodig. Conclusie Het aspect flora en fauna levert geen belemmering voor de realisatie van het plan op. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of soorten zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Wel moet bij het uitvoeren van de werkzaamheden en van het plan rekening worden gehouden met de aanwezigheid van algemene broedvogels, konijnen en kleine marterachtigen. De werkzaamheden worden daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen en gefaseerd uitgevoerd.

Daarnaast geldt voor alle werkzaamheden de algemene zorgplicht.

42

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Elst, Ziekenhuisvoorziening Rijnstate

5.13

Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces. Beoordeling Cultuurhistorie In en nabij het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, gebieden of andere elementen aanwezig. Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er dan ook geen belemmeringen. Romeinse limes Het plangebied maakt onderdeel uit van de Romeinse limes. In paragraaf 4.2 onder 'Omgevingsverordening Gelderland' is op de invloed van het plan op de Romeinse limes ingegaan. Geconcludeerd is dat de kernkwaliteiten hiervan niet worden aangetast. Archeologie Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarden. Dit betekent dat er voor bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en met een oppervlakte van minimaal 100 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Met de beoogde werkzaamheden zullen deze drempelwaarden worden overschreden.

Daarom is een archeologisch onderzoek noodzakelijk, voordat de bodemingrepen plaatsvinden. Er is reeds in 2003 een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de gehele spoorzone Elst. Deze onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 18 en wordt hierna besproken. Op het voormalige rangeerterrein van de N.S. is een circa 1 meter dik pakket verstoorde grond opgebracht. Onder dit pakket is het natuurlijke bodemprofiel nog aanwezig. Op basis van het bureauen booronderzoek kan aan het plangebied, voor zover het de grond onder het aangebrachte pakket betreft, een hoger archeologische verwachting worden toegekend voor resten uit de IJzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Het veldonderzoek heeft echter geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische resten in de ondergrond van het plangebied. Daarom is de verwachting dat er als gevolg van de geplande werkzaamheden in beginsel geen verstoring van archeologische waarden zal optreden. Het planvoornemen voorziet echter tevens in een WKO-installatie, met ten minste twee doubletten (tweemaal twee boorputten) die tot een diepte van maximaal 65 meter in de grond reiken. Mede gelet op de ligging van het plangebied in de Romeinse Limes, is aanvullend archeologisch onderzoek ten aanzien van de realisatie van de WKO-installatie noodzakelijk.

Dit onderzoek dient vóór vaststelling van het bestemmingsplan te worden uitgevoerd. De archeologische dubbelbestemming 'Waarde Archeologische verwachting 2' is in het plan opgenomen. Conclusie Het plangebied ligt in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Op basis van het verkennend archeologisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische resten in de ondergrond. Verstoring van archeologische waarden is naar verwachting dan ook niet aan de orde. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en er zijn geen belemmeringen. Ook vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er geen belemmeringen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=9e611633-797a-4efe-aa4b-7078d8893188