CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 'Zienswijze jaarstukken 2020, gewijzigde begroting 2021 en ontwerpbegroting 2022 VRU' - Bijlage 6 (Ontwerpbegroting 2022).pdf

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente OudewaterBij agendapunt: 16.: Raadsvoorstel 'Zienswijze jaarstukken 2020, gewijzigde begroting 2021 en ontwerpbegroting 2022 VRU'26.990 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwerp-Begroting 2022 & geactualiseerde begroting 2021 (concept) Versie gemeenten 15 april 2021

Colofon Stafafdeling Bestuur & Control Team Planning & Control Documentnummer: Vastgesteld op: Door:

[corsa nummer] 5 juli 2021 Algemeen bestuur VRU

Voorwoord Graag bied ik u namens het algemeen bestuur van de VRU de begroting 2022 en de geactualiseerde begroting 2021 aan. Deze begroting is gebaseerd op de Kadernota 2022 die in november 2020 door ons algemeen bestuur is vastgesteld. De bijdrage voor het gemeentelijk basispakket 2022 wijzigt niet ten opzichte van die Kadernota. De ambitie is uitgesproken om in de beleidsperiode 2020-2023 (de looptijd van het vigerende beleidsplan) geen aanvullende structurele bijdrage te vragen voor nieuw beleid. Dat kan ook. De in het beleidsplan opgenomen beleidsambities vragen niet primair om structurele begrotingsimpulsen, maar zijn veelal richtsnoeren en gearticuleerde versterkingswensen op allerlei thema’s die vragen om passende sturing, hernieuwde focus en een voortdurend efficiënt en actief inspelen op veranderingen in het veiligheidsdomein. In dat veiligheidsdomein ligt onze wettelijke en collectief opgedragen gemeentelijke taak. Wij streven ernaar om die steeds beter uit te voeren. Wij willen snel ter plaatse komen, redden, blussen, goed communiceren bij incidenten en crises, deskundig en gericht adviseren over veiligheid, risico’s onderkennen en helpen wegnemen, en veiligheidspartners laten samenwerken. Dat doen wij met elkaar voor iedereen die elke dag in deze regio woont en verblijft.

Veiligheid maken wij samen! Naast onze vaste taken zoals beschreven in deze begroting, willen we ook vooral leren van de coronacrisis waarvan we nu in het laatste stuk zitten. Op welke punten kon onze organisatie dankzij een crisis efficiënter werken dan normaal, wat is blijven liggen en is dat erg? Hoe konden we digitaal beter samenwerken, wat hebben onze partners en gemeenten fijn gevonden in de samenwerking en wat hebben ze gemist? Kortom: wat moeten we vooral behouden en waarvan kunnen we leren. In alles staat voorop waar we het voor doen. Onze motivatie is helder: “wij helpen mensen in nood, motiveren mensen om zelfredzaam te zijn en dragen bij aan het wegnemen van onveilige situaties. Elke dag weer, en steeds beter”. Wij hopen dat wij samen met onze gemeenten en onze partners deze begrotingsperiode succesvol kunnen inzetten, vanzelfsprekend altijd aanspreekbaar op onze prestaties en bereid te leren en te verantwoorden. Namens het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Utrecht,

dr. Peter L.J. Bos Algemeen directeur

Inhoudsopgave Voorwoord

3

1 1.1 1.2

Inleiding Opbouw begroting Proces totstandkoming begroting 1.2.1 Geactualiseerde begroting 2021 1.2.2 Begroting 2022 1.2.3 Beleidsplan 2020-2023

7 7 7 7 8 10

2 2.1

Financiële hoofdlijnen 11 Financieel kader 11 2.1.1 Bijstelling gemeentefonds 11 2.1.2 Loonaanpassing 12 2.1.3 Prijsaanpassing 13 2.1.4 Lasten FLO-overgangsrecht 14 2.1.5 Brede doeluitkering Rampenbestrijding 15 2.1.6 Samenvatting effect mutaties financieel kader 16 Ontwikkelingen bestaand beleid 17 2.2.1 Hervorming OMS-stelsel 17 2.2.2 Regionale uitwerking landelijk beoordelingsprotocol automatische meldingen 19 2.2.3 Heroriëntatie AB-werkplaatsen 20 2.2.4 Overdracht beheer meldkamer 21 2.2.5 Licentiekosten LCMS GZ 22 2.2.6 Wet kwaliteitsborging voor het bouwen 22 2.2.7 Versterking GHOR 23 2.2.8 Tijdelijk behoud redvoertuig in Vianen 23 2.2.9 Samenvatting effect mutaties bijstellingen bestaand beleid 23 Bijdrage gemeentelijk basistakenpakket 24 Vergoeding individueel gemeentelijk pluspakket 25

2.2

2.3 2.4 3 3.1

3.2

3.3

3.4

Beleidsbegroting – Programmaplan Risicobeheersing 3.1.1 Wat willen we bereiken? 3.1.2 Wat gaan we daarvoor doen? 3.1.3 Waarop sturen we? 3.1.4 Wat kost het? Crisisbeheersing 3.2.1 Wat willen we bereiken? 3.2.2 Wat gaan we daarvoor doen? 3.2.3 Waarop sturen we? 3.2.4 Wat kost het? GHOR 3.3.1 Wat willen we bereiken? 3.3.2 Wat gaan we daarvoor doen? 3.3.3 Waarop sturen we? 3.3.4 Wat kost het? Brandweer 3.4.1 Wat willen we bereiken? 3.4.2 Wat gaan we daarvoor doen? 3.4.3 Waarop sturen we? 3.4.4 Wat kost het?

26 26 26 26 28 29 30 30 30 32 33 33 33 33 34 35 35 35 36 40 41

3.5

Meldkamer 3.5.1 Wat willen we bereiken? 3.5.2 Wat gaan we daarvoor doen? 3.5.3 Waarop sturen we? 3.5.4 Wat kost het? Algemeen 3.6.1 Algemene kosten en dekkingsmiddelen 3.6.2 Overhead 3.6.3 Onvoorzien

41 41 41 42 43 44 44 44 45

4.5

Beleidsbegroting – Paragrafen Weerstandsvermogen en risicobeheersing 4.1.1 Weerstandscapaciteit 4.1.2 Risico-inventarisatie en benodigde weerstandscapaciteit 4.1.3 Kengetallen Onderhoud kapitaalgoederen 4.2.1 Kapitaalgoederen 4.2.2 Onderhoud gebouwen en installaties 4.2.3 Onderhoud materieel Financiering 4.3.1 Financieringsportefeuille 4.3.2 Risicobeheer 4.3.3 Verloop reserves Bedrijfsvoering 4.4.1 Inleiding 4.4.2 Personeel 4.4.3 Interne beheersing 4.4.4 Duurzaamheid 4.4.5 Privacy 4.4.6 Vennootschapsbelasting Verbonden partijen

46 46 46 46 47 48 48 49 49 49 49 50 52 54 54 54 55 55 56 56 56

5 5.1 5.2 5.3

Financiële begroting – baten en lasten 2021 en 2022 Baten en lasten Overzicht van baten en lasten Incidentele baten en lasten

57 57 57 58

6 6.1 6.2 6.3

Financiële begroting – Meerjarenraming 2022-2025 Meerjarenraming 2022-2025 Stand en meerjarig verloop reserves Gemeentelijke bijdrage 2022-2025

59 59 60 60

7 7.1 7.2

Financiële begroting – uiteenzetting financiële positie Geprognosticeerde balans EMU-saldo

62 62 63

3.6

4 4.1

4.2

4.3

4.4

Bijlage 1: Overzicht bijstelling bijdrage gemeentelijk basistakenpakket (GBTP)

64

Bijlage 2: Meerjarenraming bijdrage GBTP 2022-2025

66

Bijlage 3: Baten en lasten per taakveld

67

Bijlage 4: Tarieventabel 2021 en 2022

68

Bijlage 5: Vergoedingentabel 2021 en 2022

69

Bijlage 6: Compensatiebedragen

71

Bijlage 7: Verdelingsgrondslag bijdrage gemeentelijk basistakenpakket

72

Bijlage 8: Investeringen 2021-2022

73

Bijlage 9: Begrippen en afkortingen

74

1 Inleiding 1.1

Opbouw begroting Deze begroting is als volgt opgebouwd: Een inleiding met daarin het proces van de totstandkoming van deze begroting en de financiële hoofdlijnen, die ook zijn opgenomen in de kadernota 2022; De beleidsbegroting met daarin een weergave van onze primaire producten c.q. diensten in het programmaplan. Daarnaast zijn in de paragrafen de beheersmatige aspecten vastgelegd; De financiële begroting met daarin de lasten en baten voor de jaren 2021 en 2022, gevolgd door de meerjarenraming voor de jaren 2022 t/m 2025 en een uiteenzetting van de financiële positie. Tevens bevat de financiële begroting een aantal (deels verplichte) bijlagen. Figuur 1 Opbouw begroting

1.2

Proces totstandkoming begroting De basis voor deze begroting zijn de vastgestelde begroting 2021, de kadernota 2022 en de zienswijzen daarop van de gemeenteraden. Figuur 2 Proces begroten en verantwoorden VRU

Kadernota

1.2.1

Begroting

Begrotingswijziging (en)

Jaarrekening

Geactualiseerde begroting 2021 De geactualiseerde begroting 2021 is gebaseerd op de vastgestelde begroting 2021, waarop de volgende aanpassingen zijn doorgevoerd: De beleidsteksten en indicatoren zijn geactualiseerd; Het financiële kader is geactualiseerd (o.a. de reguliere loon- en prijsaanpassing); Een aantal beleidsontwikkelingen als gevolg van exogene ontwikkelingen is verwerkt Een aantal (incidentele) technische wijzigingen voor het lopende boekjaar is doorgevoerd zonder effect op de gemeentelijke bijdrage. De financiële positie van de gemeenten is betrokken bij de invulling van de financiële en beleidsmatige kaders voor de begroting 2022. Het dagelijks bestuur zal actief blijven zoeken naar mogelijkheden om – binnen de bestuurlijk vastgestelde kaders – de gemeentelijke bijdrage voor 2021 en 2022 verder te beperken, bijvoorbeeld door inzet van het verwachte positieve rekeningresultaat van 2020.

Pagina

7

Restant taakstelling repressieve efficiency Utrecht Het grootste deel van de specifieke bezuinigingstaakstelling voor (brandweer)repressie in het gebied van de gemeente Utrecht is inmiddels ingevuld. Het resterende deel bedraagt € 283K. Vanaf 2018 is het restant van de taakstelling ingevuld met incidentele middelen uit de bestemmingsreserve Repressieve Efficiency Utrecht. Zowel door het financiële toezicht van de Provincie Utrecht als de bestuurlijke adviescommissie Bedrijfsvoering en Financiën is gewezen op de noodzaak om tot een structurele invulling te komen. We zien op dit moment geen mogelijkheden om dit restant in te vullen zonder dat dit gevolgen heeft voor de dienstverlening in het kader van de brandweerzorg in het gebied van de gemeente Utrecht. In de bestemmingsreserve Repressieve Efficiency Utrecht is nog incidentele dekking aanwezig voor 2021. We zijn met de gemeente Utrecht in gesprek om in samenhang met het individueel gemeentelijk pluspakket te komen tot een structurele invulling van het resterende deel van de taakstelling die per 2022 kan worden geeffectueerd. Kosten tijdelijk behoud van het redvoertuig in Vianen Op 6 juli 2020 heeft het algemeen bestuur ingestemd met het tijdelijk behouden van het redvoertuig in Vianen tijdens de beleidsplanperiode 2020-2023.

De daarmee gemoeide kosten van € 90K per jaar zouden bij de actualisatie van de begroting 2021 worden verwerkt. Om de gemeentelijke bijdrage zoveel mogelijk te beperken, is voor de voorzienbare kosten gezocht naar incidentele dekking binnen de begroting voor de jaren 2021 en 2022. Hierdoor wordt een incidentele stijging van de bijdrage van in totaal € 180K voorkomen. COVID-19 De ontwikkelingen rond COVID-19 hebben ook voor de begroting 2021 consequenties voor de VRU, omdat de veiligheidsregio’s ook in 2021 een centrale rol vervullen bij de coördinatie van crisisbeheersing. De extra kosten die wij voor 2021 verwachten zijn geraamd op € 0,5 miljoen. Deze meerkosten kunnen wij in ieder geval t/m het tweede kwartaal declareren bij het rijk (Ministerie van VWS) en hebben wij derhalve als opbrengst geraamd. Omdat de vergoeding van de meerkosten pas definitief wordt na controle en vaststelling op deze declaratie hebben wij deze opbrengst als stelpost in de begroting 2021 opgenomen en vermeld in de risicoparagraaf. Per saldo heeft COVID-19 daarmee geen gevolgen voor de hoogte van de gemeenschappelijke bijdrage voor het basistakenpakket zoals opgenomen in voorliggende begroting. 1.2.2

Begroting 2022 Hieronder volgt een beschrijving van het proces van de totstandkoming van de begroting 2022, vanaf de concept-kadernota 2022 tot de voorliggende begroting 2022. Het eerste concept van de kadernota 2022 is in september 2020 voor het eerst besproken met de gemeentelijke ambtenaren en in oktober 2020 voorgelegd aan de adviescommissie gemeentesecretarissen, het dagelijks bestuur en de bestuurlijke adviescommissie (BAC) Bedrijfsvoering en Financiën. Naar aanleiding hiervan zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd en adviezen overgenomen: De voortgang van het herijkingsonderzoek is specifiek toegelicht in relatie tot het mogelijk effect op de ijkpuntscores die als verdelingsgrondslag van de gemeentelijke bijdrage van het basistaken dient; De consequenties van de recente ontwikkelingen op het gebied van OMS zijn uitgezocht en in beeld gebracht; De argumentatie en toelichting bij paragraaf 3.3 ‘Heroriëntatie AB-werkplaatsen’ zijn aangescherpt; In de aanbiedingsbrief bij de kadernota is nader toegelicht hoe rekening wordt gehouden met de financiële situatie van de gemeenten.

Pagina

8

De gewijzigde concept-kadernota 2022 is op 2 november 2020 nogmaals besproken met betrokken ambtenaren van de gemeenten via een online bijeenkomst. De kadernota is op 9 november jl. behandeld in het algemeen bestuur van de VRU, bestaande uit alle burgemeesters van gemeenten in de provincie. Hierbij is besloten om in te stemmen met het voornemen om een bestemmingsreserve in de vorm van een OMS-fonds in te stellen voor de duur van de huidige concessieperiode. Ook is opdracht gegeven om in de begroting 2022 het doel, de hoogte, de looptijd en de inzet van deze reserve vast te leggen. De kadernota 2022 is - met inachtneming van de hiervoor vermelde aanvullingen - op 9 november 2020 vastgesteld door het algemeen bestuur. Vervolgens is de kadernota op 12 november 2020 aangeboden aan de gemeenteraden met daarbij de uitnodiging om hun zienswijze kenbaar te maken. Zienswijzen kadernota 2022 In de BAC bedrijfsvoering en financiën is op 27 januari 2020 gesproken over de tot dan toe ontvangen zienswijzen op de kadernota 2022. De BAC heeft eerder al positief geadviseerd op de voorstellen in de kadernota en ziet naar aanleiding van de zienswijzen geen aanleiding tot inhoudelijke wijzigingen. De BAC adviseert om voorbereid te zijn op mogelijk negatieve effecten van wijziging van het landelijk verdeelmodel van het gemeentefonds.

Deze kunnen leiden tot lastige keuzen en bezuinigingen en inspanningen om de VRU betaalbaar te houden. Daarnaast is geadviseerd om besluiten over een eventuele financiële bezuinigingstaakstelling te koppelen aan fundamentele keuzes in de taakuitvoering. Het ligt voor de hand om te besluiten over dergelijke keuzes in het licht van het volgende beleidsplan. Op basis van de stand van de ingekomen zienswijzen op 28 januari 2021 heeft het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur voorgesteld met inachtneming van het advies van de BAC bedrijfsvoering en financiën de voorstellen uit de kadernota ongewijzigd te verwerken in de ontwerpbegroting 2022. De zienswijzen op de kadernota zijn vervolgens op 8 februari 2021 in het algemeen bestuur besproken. Naar aanleiding hiervan is afgesproken de kadernota 2022 verder uit te werken in de ontwerpbegroting 2022. Dit betekent dat bij besluitvorming over de voorlopige jaarstukken 2020 wordt voorgesteld om een belangrijk deel van het positieve rekeningresultaat 2020 in te zetten voor de hervorming van het OMS-stelsel. In de kadernota 2022 is reeds voorgesteld een OMSfonds in te richten, gefinancierd uit het jaarresultaat 2020. Voor de hoogte van het fonds is in de kadernota nog uitgegaan van een bedrag van € 2,6 miljoen om hiermee de gemiste opbrengsten in de periode 2021-2024 te kunnen dekken.

In de voorliggende (concept)begroting is dit bedrag naar beneden bijgesteld. Nu wordt uitgegaan van een bedrag van € 2,1 miljoen die in 2022 en 2023 wordt ingezet om het wegvallen van de opbrengsten in 2022 en 2023 volledig te dekken. Hiermee wordt een incidentele stijging van de gemeentelijke bijdrage in de huidige beleidsperiode van 2020-2023 voorkomen. Voor 2021 schatten wij in de reeds begrote opbrengsten te kunnen realiseren. Daarnaast bevat de begroting 2022 ook een aantal positieve bijstellingen die in mindering worden gebracht op de gemeentelijke bijdrage en is incidentele dekking gevonden voor het tijdelijk behouden van het redvoertuig in Vianen. Lasten FLO-overgangsrecht Na het vaststellen van de kadernota 2022 is er een aantal ontwikkelingen op het gebied van de lasten voor het FLO-overgangsrecht geweest. We wachten nog op nadere informatie over de uitwerking (LOGA-brief) die medio maart 2021 beschikbaar komt. De financiële effecten zijn op dit moment nog niet duidelijk en daarom ook nog niet verwerkt in de voorliggende stukken. Wel is zeker dat de ontwikkelingen zullen leiden tot een kostenstijging. In de bestuurlijke adviescommissie bedrijfsvoering en financiën is hier over gesproken. De komende weken zullen we de meerjarenraming voor de lasten van het FLO-overgangsrecht actualiseren en (laten) valideren.

We zullen de geactualiseerde meerjarenraming voor de FLO-lasten verwerken in de versie van de begroting voor het AB van 5 juli. In aanloop daar naartoe wordt bezien of een begrotingswijziging nodig.

Pagina

9

1.2.3

Beleidsplan 2020-2023 De opbouw van het huidige beleidsplan dat het AB in juli 2019 vaststelde, volgt de indeling van de programmaonderdelen van de begroting van de VRU. Hiermee is een optimale aansluiting tussen de beleidscyclus en de planning-en-controlcyclus geborgd. Deze begroting heeft betrekking op het derde jaar van de huidige beleidsperiode. De strategische doelstellingen die in het beleidsplan zijn opgenomen worden via de reguliere begrotingscyclus nader uitgewerkt in concrete beleidsactiviteiten per jaar. Op basis daarvan wordt de meerjarenraming jaarlijks bijgesteld. Begrotingswijzigingen die effect hebben op de hoogte van de gemeentelijke bijdragen worden altijd voor een zienswijze voorgelegd aan de gemeenteraden. De gemeenten worden op deze manier in de gelegenheid gebracht om zowel invloed uit te oefenen op de strategische koers van de VRU die wordt beschreven in het beleidsplan, als de concrete uitwerking en financiële vertaling daarvan in de begroting. Figuur 3 Samenhang beleidscyclus en planning-en-controlcyclus

Beleidsambitie en -beginselen

Beleidsplan

Beleidsdoelstellingen

Begroting

Beleidsactiviteiten en -begroting

Pagina

10

2 Financiële hoofdlijnen 2.1 2.1.1

Financieel kader Bijstelling gemeentefonds De ontwikkeling van het gemeentefonds is van invloed op de begroting van de VRU. De voorliggende begroting is gebaseerd op de septembercirculaire 2020 van het gemeentefonds. De meeste gemeentebegrotingen zijn gebaseerd op de daarop volgende meicirculaire. In 2020 is een landelijk herijkingsonderzoek voor het gemeentefonds uitgevoerd. Op 7 december 2020 hebben de fondsbeheerders de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over het vervolgproces van de herijking van de verdeling van het gemeentefonds. De fondsbeheerders hebben besloten de besluitvorming over de invoering van de nieuwe verdeling van het gemeentefonds aan het volgend kabinet te laten. Dit betekent dat de invoering van de nieuwe verdeling opschuift naar 1 januari 2023. Reden hiervoor is onder andere de huidige financiële positie van gemeenten. De effecten van het herijkingsonderzoek op het verdeelmodel van de VRU en daarmee op de individuele bijdrage per gemeente zullen niet eerder dan bij besluitvorming over de kadernota 2023 (najaar 2021) of de begroting 2023 (voorjaar 2022) specifiek aan het algemeen bestuur worden voorgelegd.

Op basis van gangbare normeringssystematiek worden de gemeenten bij de meicirculaire 2021 via de uitkering van het gemeentefonds voor het jaar 2022 gecompenseerd voor zowel de wijzigingen van de verdeling van de gemeentelijke bijdrage als de loon- en prijsontwikkeling voor 2022. Het financiële effect van de loon- en prijsontwikkeling, zoals opgenomen in de kadernota 2022 van de VRU, wordt daarmee indirect gecompenseerd via de algemene uitkering die gemeenten van het Rijk ontvangen.1 Conform artikel 4.2 A van de Gemeenschappelijke Regeling vormen de ijkpuntscores van het Gemeentefonds voor het onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding de grondslag voor het relatieve aandeel van de gemeenten in de totale bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (hierna GBTP). De ijkpuntscores leiden niet tot een verandering van de totale bijdrage voor het GBTP. De ijkpuntscores worden alleen gebruikt om de verdeling tussen de gemeenten onderling te berekenen. Op totaalniveau is de bijstelling van de ijkpuntscores dus per saldo neutraal. Per gemeente kunnen wel verschuivingen plaatsvinden, afhankelijk van de ontwikkeling van de ijkpuntscores. In tabel 1 zijn de geactualiseerde percentages voor de begroting 2021 en de percentages voor 2022 opgenomen op basis van de septembercirculaire 2020 van het gemeentefonds. Ter vergelijking zijn ook de percentages uit de begroting 2021 vermeld.

1 Het is mogelijk dat de loon- en prijsontwikkelingen bij het Rijk niet volledig gelijk zijn aan de loon- en

prijsontwikkelingen bij gemeenten maar deze ontwikkelingen volgen wel eenzelfde trend.

Pagina

11

Tabel 1 Verdelingsgrondslag (relatief aandeel ijkpuntscores) bijdrage GBTP Verdelingsgrondslag bijdrage GBTP Gemeente

Begroting 2021

Begroting 2021a

Kadernota 2022

Renswoude

0,37%

0,39%

0,39%

Eemnes

0,60%

0,61%

0,61%

Oudewater

0,65%

0,65%

0,65%

Woudenberg

0,76%

0,77%

0,77%

Montfoort

0,90%

0,89%

0,89%

Lopik

0,95%

0,96%

0,95%

Bunnik

1,07%

1,07%

1,06%

Bunschoten

1,26%

1,27%

1,27%

Rhenen

1,32%

1,32%

1,32%

Wijk bij Duurstede

1,53%

1,52%

1,52%

Baarn

1,77%

1,75%

1,75%

Leusden

1,89%

1,89%

1,89%

IJsselstein

2,04%

2,02%

2,02%

De Bilt

2,98%

2,92%

2,92%

De Ronde Venen

2,97%

2,97%

2,97%

Soest

3,05%

3,00%

3,00%

Houten

3,07%

3,05%

3,05%

Utrechtse Heuvelrug

3,48%

3,38%

3,38%

Woerden

3,45%

3,42%

3,42%

Vijfheerenlanden

3,51%

3,68%

3,68%

Stichtse Vecht

4,39%

4,35%

4,34%

Nieuwegein

4,51%

4,45%

4,46%

Veenendaal

4,59%

4,57%

4,57%

Zeist

4,57%

4,58%

4,58%

Amersfoort

11,38%

11,22%

11,22%

Utrecht

32,94%

33,32%

33,33%

TOTAAL

100%

100%

100%

Wijzigingen in de ijkpuntscores lopen synchroon met de hoeveelheidsmutatie van de algemene uitkering2 die de individuele gemeenten van het rijk ontvangen. Dit betekent dat een wijziging in het relatieve aandeel in de ijkpuntscores indirect gecompenseerd wordt door een mutatie in de algemene uitkering. In tabel 16 is per gemeente de bijdrage aan het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) voor 2021 en 2022 opgenomen. Deze bijdrage is gerelateerd aan het relatieve aandeel in de ijkpuntscores. In tabel 17 is de vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) voor 2021 en 2022 opgenomen. De vergoeding die gemeenten betalen is gebaseerd op taakuitvoeringsovereenkomsten (TUO’s) die de VRU met individuele gemeenten heeft gesloten. 2.1.2

Loonaanpassing De gemeentelijk bijdrage wordt geïndexeerd volgens artikel 4.3 van de Gemeenschappelijke Regeling. De loonaanpassing volgt de algemene loonontwikkeling3. In tabel 2 is het financiële

2 De mutatie als gevolg van de actualisatie van de maatstaven die gerelateerd zijn aan het cluster Brandweer-

en rampenbestrijding, gebaseerd op de septembercirculaire 2020. 3 Bijdrageverordening, artikel 1: de loonontwikkeling conform de Collectieve Arbeidsregeling (CAR) en mutaties in de premieplichtigen van de werkgever op basis van wet CAR en rechtspositieregeling.

Pagina

12

effect van de loonontwikkeling op de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) opgenomen4. Tabel 2 Financieel effect loonaanpassing GBTP Bedragen x € 1.000

Financieel effect GBTP % Loonaanpassing

Actualisatie 2021

Mutatie stelpost looncompensatie 2021

0,10%

65

-

65

Stelpost looncompensatie 2022

1,30%

-

859

859

Totaal effect GBTP

1,40%

65

859

924

Loonaanpassing GBTP

Begroting 2022

Cumulatief 2022

Bij het opstellen van deze begroting is er nog geen nieuwe CAO afgesloten voor de periode vanaf 1 januari 2021. Om de loonontwikkeling goed te kunnen volgen is hiervoor bij het opstellen van de kadernota 2022 een stelpost voor looncompensatie opgenomen. De berekening van deze stelpost is gebaseerd op de indexcijfers uit de circulaires van het gemeentefonds. Voor de begroting 2021 is al een percentage van +2,6% aan looncompensatie in de begroting verwerkt. Het percentage voor 2021 is op basis van de septembercirculaire 2020 bijgesteld van 2,6% naar 2,7% (+ 0,1%). De premieontwikkeling ABP en sociale verzekeringslasten hebben ook invloed op de loonkosten. De ABP-premies voor 2021 zijn in december 2020 vastgesteld en samen met een stijging van sociale lasten per 1 januari 2021 leidt dit tot een stijging van het werkgeversaandeel in 2021 met 1,06%. Deze stijging wordt in principe gedekt uit de genoemde stelpost voor loonontwikkeling. Het restant van de stelpost looncompensatie 2021 is bedoeld voor de CAO 2021 en bedraagt +1,6% (€ 1.042K). Voor de loonontwikkeling 2022 (CAO en premies) is ook een stelpost in de begroting opgenomen. Voor 2022 bedraagt het percentage voor looncompensatie +1,3% (€ 859K). In totaal bedraagt de structurele loonaanpassing voor 2022 inclusief de doorwerking van de structurele aanpassing in 2021 +1,4%.

Bij actualisatie van de begroting 2022 wordt het percentage voor 2022 structureel bijgesteld op basis van de dan geldende CAO en vastgestelde premie’s. Hiermee wordt de stelpost structureel vertaald naar de werkelijke loonontwikkeling en indien van toepassing verrekend met de gemeentelijke bijdrage voor het basistakenpakket. 2.1.3

Prijsaanpassing Voor de prijsaanpassing hanteert de VRU de procentuele mutatie van het Bruto Binnenlands Product zoals berekend door het Centraal Plan Bureau en gepubliceerd in de septembercirculaire van het gemeentefonds. Dit is conform artikel 1 sub j van de Bijdrageverordening VRU. Daarbij vindt jaarlijks een correctie plaats op basis van de geactualiseerde cijfers over de voorliggende twee jaren. Zo wordt nooit te veel of te weinig geïndexeerd5. Tabel 3 geeft inzicht in het financieel effect van deze prijsaanpassing op de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP).

4 Het financiële effect van de loonontwikkeling zoals opgenomen in de begroting 2022 van de VRU, wordt

indirect gecompenseerd via de algemene uitkering die gemeenten van het rijk ontvangen. De loonontwikkeling van het rijk wordt vertaald naar het accres van de algemene uitkering voor gemeenten. De compensatie voor de gemeentelijke loonontwikkeling 2022 wordt bij de meicirculaire 2021 toegekend. 5 Het financieel effect van de prijsaanpassing zoals opgenomen in de begroting 2022 van de VRU, wordt indirect gecompenseerd via de algemene uitkering die gemeenten van het rijk ontvangen. De prijsontwikkeling van het rijk is cf. de begroting van de VRU gebaseerd op de procentuele mutatie van het Bruto Binnenlands Product (prijs BBP). De prijsontwikkeling wordt vertaald naar het accres van de algemene uitkering voor gemeenten (prijsmutatie). De compensatie voor de gemeentelijke prijsontwikkeling 2022 wordt bij de meicirculaire 2021 toegekend.

Pagina

13

Tabel 3 Financieel effect prijsaanpassing GBTP Bedragen x € 1.000

Financieel effect GBTP % Prijsaanpassing

Actualisatie 2021

Begroting 2022

Cumulatief 2022

Mutatie prijsaanpassing 2019

0,50%

148

-

148

Mutatie prijsaanpassing 2020

0,20%

59

-

59

Mutatie prijsaanpassing 2021

-0,20%

-59

-

-59

Mutatie prijsaanpassing 2021

0,50%

148

-

148

Prijsaanpassing GBTP

Prijsaanpassing 2022

1,40%

-

413

413

Prijsaanpassing 2022

1,40%

-

413

413

Totaal effect GBTP

1,90%

148

413

561

Voor 2021 bedraagt de correctie over 2021 en de twee voorgaande jaren +0,5%. Voor 2022 bedraagt de prijsaanpassing +1,4%. De totale prijsaanpassing voor de begroting 2022 komt daarmee uit op +1,9%. 2.1.4

Lasten FLO-overgangsrecht Het financiële kader van de lasten FLO-overgangsrecht bestaat uit een structurele en een incidentele component. Schommelingen in de kostenprognose worden geëgaliseerd via de ‘Bestemmingsreserve lasten FLO-overgangsrecht’. Na vaststelling van de kadernota 2022 heeft zich een aantal ontwikkelingen op het gebied van het FLO-overgangsrecht voorgedaan. De financiële effecten van deze ontwikkelingen worden momenteel doorgerekend en zijn derhalve niet in de voorliggende geactualiseerde begroting 2021 en ontwerpbegroting 2022 verwerkt. Inmiddels wordt duidelijk dat er sprake is van een kostenstijging van het FLO-overgangsrecht ten opzichte van de meerjarenraming in de begroting 2021 en de kadernota 2022. In algemene zin geldt dat het FLO-overgangsrecht is gebaseerd op een netto-inkomensgarantie. Veranderingen (in premies en het fiscale regime) hebben hierdoor direct invloed op de (werkgevers)lasten van het FLO-overgangsrecht. Naast de reguliere loonaanpassing wordt de stijging van de lasten verwacht door een aantal factoren:  Een recent aangenomen wetsvoorstel tot aanpassing van de duur van de toepassing levensloop.  Een recente aanpassing in de zienswijze van de belastingdienst ten aanzien van de toepassing van de RVU (Regeling voor Vervroegde Uittreding)-boete.

 Voor ambtenaren met afwijkende FLO-leeftijden (FLO 60 jaar) hebben cao-partijen overeenstemming bereikt over de opname van levenslooptegoeden vóór 1 januari 2022 en over de afkoop van deze aanspraken indien de tegoeden niet of niet in zijn geheel vóór 1 januari 2022 kunnen worden opgenomen. De afkoop leidt tot incidentele kosten in 2021.  Uit een analyse van de werkelijke kosten in 2020 is gebleken dat de begroting op een aantal onderdelen ontoereikend was. De meerjarenbegroting wordt op deze onderdelen bijgesteld. Medio maart volgt er nog een LOGA-brief waarin een aantal nieuwe landelijke afspraken over het FLO-overgangsrecht nader zijn uitgewerkt. Deze uitwerking wordt meegenomen in de herberekening van de lasten van het FLO-overgangsrecht. De geactualiseerde meerjarenraming zal worden verwerkt in de eerste bestuurlijke rapportage van 2021. Op basis van de eerste bestuurlijke rapportage voor 2021 en de geactualiseerde meerjarenraming van de lasten voor het FLO-overgangsrecht zal worden bezien of een tussentijdse begrotingswijziging voor 2021 en 2022 noodzakelijk is, of dat de geactualiseerde meerjarenraming van de lasten voor het FLOovergangsrecht later kan worden verwerkt als onderdeel van de reguliere herijking van het

Pagina

14

financiële kader in de kadernota voor 2023 (najaar 2021) en de actualisatie van de begroting 2022 (voorjaar 2022). Conform eerdere toezeggingen zal hierbij worden bezien welke mogelijkheden er binnen de begroting zijn om het effect op de gemeentelijke bijdrage zo veel mogelijk te beperken. De actualisatie van de kostenprognose is nog niet verwerkt in de meerjarenraming van de begroting 2022. In tabel 4 is de meerjarenraming van de lasten FLO-overgangsrecht weergegeven die overeenkomt met de opgave uit de begroting 2021 (geïndexeerd) en kadernota 2022. Tabel 4: meerjarenraming lasten FLO-overgangsrecht 2021-2025 Bedragen x € 1.000

Meerjarenraming FLO overgangsrecht

2021

2022

2023

2024

2025

Lasten FLO- overgangsrecht begroting 2021

4.682

2.993

3.138

3.097

2.944

Storting/ onttrekking reserve FLO-overgangsrecht

-1.677

52

-93

-52

101

Totaal lasten FLO overgangsrecht

3.005

3.045

3.045

3.045

3.045

De mutatie van de lasten FLO-overgangsrecht zoals opgenomen in de kadernota 2022 kan worden opgevangen door inzet van de bestemmingsreserve ‘Lasten FLO-overgangsrecht’. De actualisatie van de meerjarenraming leidt in dat geval niet tot een mutatie van de gemeentelijke bijdrage. Tabel 5 geeft inzicht in het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage voor het basistakenpakket (GBTP) specifiek voor de jaren 2021 en 2022, zoals opgenomen in de begroting 2021 (geïndexeerd) en kadernota 2022. Tabel 5: financieel effect mutatie lasten FLO-overgangsrecht Bedragen x € 1.000

Lasten FLO-overgangsrecht

Lasten FLO-overgangsrecht 2021 structureel Bijstelling via reguliere loon- en prijsaanpassing Lasten FLO- overgangsrecht structureel

Financieel effect GBTP Actualisatie 2021

Begroting 2022

Cumulatief 2022

3.000

3.000

6.000

5

45

50

3.005

3.045

6.050

Lasten FLO-overgangsrecht 2021 incidenteel

1.677

-52

1.625

Lasten FLO- overgangsrecht incidenteel

1.677

- 52

1.625

Totaal lasten FLO- overgangsrecht

4.682

2.993

7.675

Structurele dekking begroting 2021

-3.000

-3.000

-6.000

Storting/ onttrekking reserve FLO-overgangsrecht

-1.677

52

-1.625

Correctie loon- en prijsaanpassing 2022*

-5

-45

-50

Mutatie Lasten FLO- overgangsrecht

-

-

-

Totaal effect GBTP

-

-

-

*De loon- en prijsaanpassing met betrekking tot de lasten FLO-overgangsrecht zijn onderdeel van de totale loon- en prijsaanpassing (zie paragraaf 2.1.2 en 2.1.3). Daarom is een correctie toegepast.

2.1.5

Brede doeluitkering Rampenbestrijding De hoogte van de ‘Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR)’ bedraagt structureel € 9,5 miljoen. Dat is € 0,2 miljoen meer dan opgenomen in de meerjarenraming van de begroting 2021. De rijksbijdrage ‘Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR)’ wordt jaarlijks bijgesteld op basis van de geactualiseerde verdeelmaatstaven en een aanpassing voor de loon- en prijsontwikkeling. De bijstelling voor 2021 en 2022 bedraagt respectievelijk € 208K en € 206K voordelig. Deze bijstelling wordt in mindering gebracht op de bijdrage van de gemeenten voor het GBTP omdat de bijstelling voornamelijk voortvloeit uit de loon- en prijsaanpassing en in de gemeentelijke bijdrage

Pagina

15

al de loon- en prijsbijstelling voor de volledige begroting is opgenomen. Tabel 6 geeft inzicht in het financiële effect van de bijstelling van de BDuR. Tabel 6 Financieel effect mutatie BDuR Financieel effect GBTP

Bedragen x € 1.000

Rijksbijdrage

Actualisatie 2021

Begroting Cumulatief 2022 2022

Bijstelling regulier Bijstelling BDuR 2020

-218

-

-218

Bijstelling BDuR 2021

10

-

10

Bijstelling BDuR 2022

-

2

2

-208

2

-206

Totaal effect GBTP

2.1.6

Samenvatting effect mutaties financieel kader In tabel 7 wordt het effect van de toepassing van het financieel kader op de gemeentelijke bijdrage voor het GBTP weergegeven. Tabel 7 Effect financieel kader op bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000

Samenvatting mutaties financieel kader

Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds*

Financieel effect GBTP Actualisatie 2021

Begroting 2022

Cumulatief 2022

-

-

-

Loonaanpassing

65

859

924

Prijsaanpassing

148

413

561

Lasten FLO-overgangsrecht

pm

pm

pm

-208

2

-206

5

1.274

1.279

Brede doeluitkering Rampenbestrijding Totaal mutatie bijdrage GBTP

*De bijstelling van de ijkpuntscores heeft geen effect op de totale omvang van de bijdrage GBTP. De bijstelling leidt wel tot onderlinge verschuivingen tussen de bijdragen van gemeenten.

Pagina

16

2.2

Ontwikkelingen bestaand beleid Deze begroting heeft betrekking op het (tweede en) derde jaar van de nieuwe beleidsperiode zoals beschreven in het beleidsplan 2020-2023. Voor deze beleidsperiode heeft de VRU zich ten doel gesteld geen aanvullende bijdrage te vragen voor nieuw beleid. Eventuele structurele kosten die voortvloeien uit nieuw beleid worden dan ook gedekt uit besparingen door efficiënter te werken en bestaand beleid te heroverwegen (nieuw voor oud). Een aantal exogene ontwikkelingen vormt de aanleiding voor bijstellingen die nodig zijn om bestaand beleid te kunnen voortzetten. In de volgende paragrafen worden de bijstellingen nader toegelicht. Voor zover bekend, worden de effecten op de begroting weergeven en zijn deze verwerkt in (de meerjarenraming van) de begroting.

2.2.1

Hervorming OMS-stelsel Een aantal (ca. 1250) gebouwen zijn conform hun vergunning door de gemeente verplicht tot een directe doormelding van hun brandmeldinstallatie naar de meldkamer van de regionale brandweer (Openbaar Meldsysteem; OMS). Daarnaast is bestuurlijk (bij de aanbesteding in 2014) afgesproken dat (ca. 50) gebouwen voor vitale infrastructuur en cultureel erfgoed zich op vrijwillige basis mogen aansluiten op het OMS, i.v.m. maatschappelijk belang of continuïteit van vitale processen. Per aansluiting betaalt de leverancier de VRU een concessievergoeding. Reeds enkele jaren hebben wij het risico omtrent de houdbaarheid van het huidige regionale OMS-stelsel benoemd. Naar aanleiding van landelijk (juridisch) onderzoek naar de houdbaarheid van het huidige OMS-stelsel werd geconcludeerd dat: er op langere termijn nauwelijks tot geen rechtvaardiging te vinden is voor de instandhouding van het huidige OMS-stelsel, waarbij het aantal OMS-aanbieders beperkt is of wordt; voor de huidige praktijk van inning van de vergoedingen in de toekomst nauwelijks ruimte blijft; er geen wettelijke basis is voor de wijze waarop veiligheidsregio’s nu de regie voeren op het tot stand komen van het OMS. Gelet op deze conclusies en de landelijke ontwikkelingen is het risico op het wegvallen van de concessievergoeding in de begroting 2021 al verhoogd naar ‘groot’.

Hierbij werd ingeschat dat de contracten in onze regio tot einde van de concessieperiode (april 2024) konden worden gecontinueerd, tenzij externe ontwikkelingen aanleiding zouden geven om de concessievergoeding tussentijds aan te passen. Inmiddels doet deze ontwikkeling zich voor. In 2021 wordt namelijk een landelijke voorziening voor de ontvangst van meldingen van brandmeldinstallaties operationeel. Dit als onderdeel van het project Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS) waarbinnen het beheer van de meldkamer wettelijk aan de politie is overgedragen. Deze voorziening gaat de huidige regionale werkwijze voor de ontvangst van brandmeldingen via het openbaar meldsysteem vervangen. De VRU heeft, samen met de regio’s Gooi & Vechtstreek en Flevoland, in 2014 de concessie voor het huidige regionale OMS aan zes leveranciers gegund na een rechtmatige Europese aanbesteding. Deze concessie loopt tot april 2024. Op dit moment zijn ongeveer 1.300 instellingen en bedrijven op het OMS aangesloten. In de programmabegroting 2021 zijn de inkomsten uit concessievergoeding regionale OMS geraamd op ongeveer € 1,1 miljoen. Bijstelling De consequentie van de hiervoor beschreven ontwikkeling is dat de concessievergoeding van € 1,1 miljoen op termijn volledig vervalt bij ingebruikname van de landelijke voorziening. Op dit moment is nog niet bekend op welke termijn en in welk tempo dit gebeurt.

We gaan er

Pagina

17

vooralsnog van uit dat de huidige op het OMS aangesloten instellingen en bedrijven niet eerder dan eind 2021 over gaan naar de landelijke voorziening. Vanaf 2022 wordt rekening gehouden met het volledig wegvallen van de concessievergoeding OMS. Aan de OMS-opbrengsten zijn slechts in zeer beperkte mate directie(beheers)kosten (€ 27k) verbonden. De OMS-opbrengsten zijn dan ook als algemeen dekkingsmiddel in de begroting van de VRU verwerkt. Tegenover het wegvallen van de opbrengsten staat dus voor het grootste deel geen directe besparing op de kosten, waarmee deze exogene ontwikkeling niet structureel neutraal in de begroting verwerkt kan worden. Om te voorkomen dat dit in deze beleidsperiode doorwerkt als verhoging op de gemeentelijke bijdrage is voorgesteld om een OMS-fonds te vormen uit het resultaat 2020, waarmee het wegvallen van de opbrengsten tijdelijk kan worden gedekt. Het OMS-fonds vormt tevens de buffer om de onzekerheid over de termijn en het tempo van het wegvallen van de OMS-opbrengsten op te vangen zonder dat de weerstandscapaciteit wordt aangetast. De bestaande weerstandscapaciteit is met € 1,4 miljoen namelijk relatief beperkt (1,4% van de begroting) en bovendien ontoereikend om deze opbrengstendaling over een langere periode te kunnen opvangen. In tabel 8 is de meerjarenraming van de hervorming van het OMS-stelsel 2021-2025 opgenomen.

Tabel 8: meerjarenraming hervorming OMS-stelsel Bedragen x € 1.000

Hervorming OMS-stelsel

2021

2022

2023

2024

2025

Lasten OMS Vervallen beheerskosten OMS

-

-27

-27

-27

-27

Subtotaal lasten

-

- 27

- 27

- 27

- 27

1.079

Baten OMS Derving inkomsten uit concessieverg. OMS

-

1.079

1.079

1.079

Onttrekking OMS-fonds*

-

-1.052

-1.052

-

-

Subtotaal baten

-

27

27

1.079

1.079

Mutatie lasten hervorming OMS-stelsel

-

-

-

1.052

1.052

*De benodigde middelen in het OMS-fonds worden geraamd op € 2,1 miljoen. In tabel 10 is een overzicht gegeven van het verloop van de reserve en de daarin benodigde middelen.

In tabel 9 is het financiële effect van de hervorming van het OMS-stelsel op de gemeentelijke bijdrage voor het basistakenpakket (GBTP) specifiek voor de jaren 2021 en 2022 weergegeven. Tabel 9: financieel effect hervorming OMS-stelsel Bedragen x € 1.000

Hervorming OMS-stelsel

Financieel effect GBTP Begroting Actualisatie 2021 2021

Begroting 2022

Derving inkomsten uit concessievergoeding OMS

-

-

Vervallen beheerskosten OMS

-

-

1.079 -27

Mutatie baten en lasten OMS structureel

-

-

1.052

Onttrekking OMS-fonds

-

-

-1.052

Mutatie baten en lasten OMS incidenteel

-

-

- 1.052

Totaal Mutatie baten en lasten OMS

-

-

-

Totaal effect GBTP

-

-

-

Pagina

18

De beheerskosten betreffen de capaciteit voor contactbeheer en het beheer van aansluitingen en zijn daarmee wel direct te relateren aan OMS. In tabel 10 is de opbouw van de raming van het OMS-fonds en de fasering van de onttrekking aan het OMS-fonds weergeven. Tabel 10: verloop reserve OMS-fonds Bedragen x € 1.000

OMS-fonds

2021-2023

Stand per 31-12-2020

-

Toevoeging rekeningresultaat 2020

2.104

Verwacht saldo OMS- fonds per 1- 1- 2021

2.104

Onttrekkingen voor derving inkomsten OMS 2022

-1.052

2023

-1.052

Totaal onttrekkingen

- 2.104

Resterend saldo na bovenstaande onttrekkingen

2.2.2

-

Regionale uitwerking landelijk beoordelingsprotocol automatische meldingen Parallel aan de ontwikkeling van de landelijke OMS-voorziening (zie paragraaf 2.3.1) zijn landelijke afspraken gemaakt voor de werkwijze bij automatische meldingen (Beoordelingsprotocol automatische meldingen). Het toepassen van het nieuwe protocol zorgt ervoor dat alleen bij een hoge mate van zekerheid over de noodzakelijke brandweerzorg door de meldkamer wordt gealarmeerd met prioriteit 1. Dat is het geval als, na een automatische brandmelding, uit contact met het object blijkt dat er daadwerkelijk brand is. In andere gevallen (geen contact binnen 3 minuten, onduidelijk wat er is binnen 5 minuten, of nacontrole na melding ‘brand al uit’) volgt alarmering met lagere prioriteit. Voor overige situaties (andere oorzaak dan brand, niets aan de hand) volgt geen alarmering. In het huidige protocol past de meldkamer brandweer een verificatietijd van maximaal 3 minuten toe bij OMS-meldingen. Automatische meldingen die telefonisch door een Particuliere Alarm Centrale (PAC) aan de meldkamer van de brandweer worden doorgegeven, worden door de centralist beoordeeld en hierna vindt eventuele alarmering plaats. Het huidige protocol voor OMS-meldingen is na akkoord van het Algemeen Bestuur ingevoerd op 10 juli 2015.

Op dit moment wordt bij 72% van de OMS-meldingen de brandweerpost niet gealarmeerd doordat de melding is geverifieerd door de meldkamer. Als de brandweerpost wel wordt gealarmeerd, wordt in veel gevallen kort na de alarmering duidelijk dat geen brandweerzorg nodig is en wordt de alarmering voor de brandweerpost ingetrokken voordat het voertuig is uitgerukt. In de overige gevallen waarbij de brandweereenheid ter plaatse komt (deels gealarmeerd met lagere prioriteit, prioriteit 2), wordt na aankomst vaak geconstateerd dat geen brandweerzorg nodig is. Slechts in 5% van de alarmeringen is uiteindelijk brandweerzorg noodzakelijk. Met het nieuwe protocol wordt meer tijd genomen voor verificatie, waardoor bij een groter deel van het aantal OMS-meldingen en PAC-meldingen de brandweerpost niet meer onnodig wordt gealarmeerd. Ook zal het aantal keren dat een brandweerpost met spoed wordt gealarmeerd (prioriteit 1) afnemen waardoor de overlast voor het overige verkeer vermindert. Als gevolg hiervan houden we rekening met een structureel voordelig financieel effect van € 50k. In tabel 11 is het effect op de gemeentelijke bijdrage (GBTP) opgenomen.

Pagina

19

Tabel 11: regionale uitwerking landelijk beoordelingsprotocol automatische meldingen Bedragen x € 1.000

Automatische meldingen

Financieel effect GBTP Begroting Actualisatie 2021 2021

Begroting 2022

Afname personele kosten voor onnodige alarmeringen

-

-50

-50

Lasten autom atische m eldingen

-

-50

-50

Totaal effect GBTP

-

-50

-50

In het landelijke protocol wordt het alarmeren van de brandweer met lagere urgentie (prioriteit 2), bij twijfel of onduidelijkheid over een eventuele brand, als een overgangsmaatregel gezien. Uiteindelijk zal een niet geverifieerde automatische melding niet meer leiden tot een inzet van de brandweer. Bij een geleidelijke overgang krijgt de gebruiker steeds meer verantwoordelijkheid en groeit de maatschappelijke acceptatie. Een concreet voorstel voor de afbouw van de inzet van de brandweer bij twijfel of onduidelijkheid over een eventuele brand zal op termijn ter besluitvorming worden voorgelegd, inclusief eventuele financiële consequenties. Op termijn kan het geraamde voordeel dus nog verder oplopen als de inzet van de brandweer verder wordt afgebouwd. 2.2.3

Heroriëntatie AB-werkplaatsen De huidige werkplaatsen ademluchtbescherming zijn sterk verouderd en voldoen niet aan de geldende eisen op het gebied van arbeidshygiëne en arbo-wetgeving. Hierdoor wordt zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht de materiële paraatheid op het gebied van de adembeschermingsmiddelen onvoldoende geborgd. In de huidige werkplaatsen kunnen de problemen ten aanzien van arbeidshygiëne en ergonomie niet worden opgelost zonder ingrijpende verbouwingen en meerkosten. In de kadernota en begroting 2019 is daarom gekozen om niet zeven maar twee werkplaatsen te verbouwen naar de huidige eisen, om daarna efficiënter te kunnen werken en de investeringen voor de verbouwingen en apparatuur van de ademluchtwerkplaatsen zoveel mogelijk te beperken. Initieel is gekozen om te onderzoeken of de kazernes van Woerden en Veenendaal geschikt gemaakt kunnen worden om de werkplaatsen te laten voldoen aan de geldende eisen op het gebied van arbeidshygiëne en Arbowetgeving. In de kazerne in Woerden zou het grootste deel van het (specialistische) werk verricht worden en de kazerne in Veenendaal was aangewezen om een beperkt deel van het reguliere werk en piekmomenten op te kunnen vangen.

Uitgebreid onderzoek heeft uitgewezen dat het inpassen van een industriële werkplaats in de bestaande kazerne in Woerden niet realiseerbaar is vanwege beperkte mogelijkheid tot uitbreiding van de kazerne en de benodigde draagkracht van de bestaande vloeren en fundering. Een heroriëntatie op de ademluchtwerkplaatsen was noodzakelijk omdat inhuizen in een bestaande post niet mogelijk bleek. In eerste instantie is gezocht naar een tijdelijke huisvesting voor minimaal 5 jaar. Hiermee werd de optie opengehouden om de ademluchtwerkplaats bij een eventuele nieuwbouw van een brandweerpost alsnog in te huizen. Bij de verdere uitwerking van de plannen is gebleken dat een huurtermijn van 5 jaar niet haalbaar is. De nieuwe locatie van de ademluchtwerkplaats zal voor minimaal 15, met een optie tot 20, jaar worden gehuurd. De investeringen en nutsinfrastructuur die noodzakelijk zijn om een professionele, industriële ademluchtwerkplaats te realiseren zijn van een dusdanig omvang dat een afschrijving korter dan 15 jaar bedrijfseconomisch niet verantwoord is. Het voorstel is om niet voor 5 jaar (zoals gemeld in de kadernota), maar voor een langere periode een zelfstandig pand te huren. Het inhuizen van het machinepark is te duur om voor een korte periode te doen. De technische levensduur van het machinepark is gelijk aan de huurperiode.

Pagina

20

De beoogde locatie in Houten is centraal gelegen in de regio. De VRU heeft de mogelijkheid om een nieuw pand te betrekken en de benodigde bouwkundige en installatietechnische aanpassingen te doen om een ademluchtwerkplaats te realiseren die voldoet aan alle eisen in het kader van arbeidshygiëne en Arbowetgeving. Daarnaast wordt het mogelijk om alle ademluchtwerkzaamheden en andere hoogfrequente logistieke processen te clusteren, wat bijdraagt aan de transitie naar bedrijfsmatig werken. De eerder genoemde ademluchtwerkplaats in Veenendaal vervalt hiermee. In de kadernota 2022 is voor de heroriëntatie AB-werkplaatsen een aanvullende structurele bijdrage opgenomen van € 155K per jaar. Op basis van de huurtermijn van 15 jaar past de realisatie van de ademluchtwerkplaats binnen deze financiële kaders. De definitieve berekening zorgt voor een verlaging van de structurele meerkosten met € 32K naar € 123K. In tabel 12 zijn de structurele meerkosten en het effect op de gemeentelijke bijdrage (GBTP opgenomen). Tabel 12: financieel effect heroriëntatie AB-werkplaatsen Financieel effect GBTP

Bedragen x € 1.000

Heroriëntatie AB-werkplaatsen

Begroting Actualisatie 2021 2021

Kadernota 2022

Begroting 2022

Meerkosten AB-werkplaatsen

-

-

293

261

Inzet reservering kapitaallasten

-

-

-138

-138

Lasten heroriëntatie AB-werkplaatsen

-

-

155

123

Totaal effect GBTP

-

-

155

123

Het bedrag in de kadernota 2022 was kader stellend waarbij was aangegeven dat een eventueel voordeel bij het opstellen van de begroting zal terugvloeien naar gemeenten. De verlaging van de structurele meerkosten heeft tot gevolg dat de bijdrage van het GBTP met € 32K is verlaagd ten opzichte van de bijdrage zoals deze was opgenomen in de kadernota 2022. 2.2.4

Overdracht beheer meldkamer De overdracht van het beheer van de meldkamer per 1 januari 2020 heeft geleid tot een financieel nadeel, omdat de uitname uit de rijksbijdrage € 0,2 miljoen hoger is dan de wegvallende beheerskosten voor de VRU. Dit financiële nadeel is reeds verwerkt in de begroting 2020. Daarbij is gemeld dat de VRU dit nadeel verwacht te kunnen compenseren na de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland door het efficiencyvoordeel op de personele lasten dat daarbij ontstaat. Aanvankelijk zou de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland begin 2022 plaatsvinden. In 2020 is bekend geworden dat dit pas wordt voorzien in het eerste kwartaal van 2025 door een vertraging van de nieuwbouw in Hilversum. Door deze vertraging wordt het voorziene efficiencyvoordeel op de personele lasten pas later gerealiseerd. Op verzoek van de VRU is een regeling met de politie getroffen om het financiële nadeel voor de VRU in de periode 2022 tot de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland te compenseren. Met deze middelen kan vanaf 2022 het financiële nadeel als gevolg van de overdracht van het beheer worden opgevangen.

Vanaf 2025, na de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland, wordt verwacht dat de verlaging van de gemeentelijke bijdrage met € 0,2 miljoen structureel binnen de begroting kan worden gedekt uit het verwachte efficiencyvoordeel op de personele lasten. Dit betekent dat de gemeentelijke bijdrage reeds met ingang van 2022 structureel verlaagd kan worden met een bedrag van € 193k. In de begroting 2021 is aangegeven dat deze verlaging verwerkt zal worden bij de kadernota/ begroting 2022. In tabel 13 is het financiële effect van de compensatieregeling politie in combinatie met het verwachte efficiencyvoordeel op personele lasten opgenomen.

Pagina

21

Tabel 13: financieel effect mutatie overdracht beheer meldkamer Bedragen x € 1.000

Overdracht beheer Meldkamer

2.2.5

Financieel effect GBTP Begroting Actualisatie 2021 2021

Begroting 2022

Effect uitname rijksbijdrage overdracht beheer Meldkamer

-

-

Verhoging gemeentelijke bijdrage begroting 2020

-

-

193

Verlaging gemeentelijke bijdrage

-

-

-193

Lasten overdracht beheer Meldkam er

-

-

-193

Totaal effect GBTP

-

-

-193

-193

Licentiekosten LCMS GZ De veiligheidsregio heeft de wettelijke taak om te zorgen voor een systeem voor informatievoorziening tijdens crisisomstandigheden (Wvr, art 46 lid 3 en 4). Het landelijk Veiligheidsberaad heeft hiervoor het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS) als standaard geadopteerd voor de veiligheidsregio’s en hun ‘witte’ ketenpartners. De GHOR is een onderdeel van de Veiligheidsregio en heeft dientengevolge ook de verplichting om haar informatievoorziening op orde te hebben. Hierin wordt voorzien met een aanvullende LCMS omgeving waar alle zorgketenpartners op worden aangesloten: LCMS GZ. Dit om informatie snel en adequaat te delen en inwinnen van informatie over actuele incidenten, rampen en crisis en geplande evenementen. Via de kadernota en begroting 2019 is de gemeentelijke bijdrage met € 48k verhoogd voor de licentiekosten van LCMS GZ. Hierbij is destijds aangegeven dat op termijn een daling van de licentiekosten werd voorzien, naarmate het aantal gebruikers toeneemt. Inmiddels is gebleken dat deze licentiekosten inderdaad zijn gedaald. Conform de toezegging bij de kadernota en begroting 2019 wordt deze verlaging doorberekend in de gemeentelijke bijdrage. In tabel 14 is het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage (GBTP) weergeven. Tabel 14: financieel effect mutatie licentiekosten LCMS GZ Bedragen x € 1.000

Licentiekosten LCMS GZ

2.2.6

Financieel effect GBTP Begroting Actualisatie 2021 2021

Begroting 2022

Licentiekosten LCMS GZ conform kadernota/begroting 2019

-

-48

Indexering

-

-1

-1

Licentiekosten LCMS GZ huidig

-

37

37

licentiekosten LCMS GZ

-

-12

-12

Totaal effect GBTP

-

-12

-12

-48

Wet kwaliteitsborging voor het bouwen De wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) gaat naar verwachting vanaf 1 januari 2022 stapsgewijs in. Dat hebben de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aangegeven. De veranderingen uit de Wkb gelden (naar verwachting) tot en met 2024 alleen voor eenvoudige (nieuwbouw) bouwwerken. Dit zijn bijvoorbeeld eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Vanaf 2025 volgen de andere bouwwerken. Hierdoor kunnen kwaliteitsborgers stap voor stap ervaring opdoen met het nieuwe toezicht in de bouw. Ten tijde van het opstellen van de begroting 2022 is nog onvoldoende duidelijk welke gevolgen dit heeft voor onze werkzaamheden. Er zullen werkzaamheden verdwijnen, maar mogelijk leidt dit ook tot een verschuiving van advieswerk naar toezicht. Wij blijven graag met gemeenten in gesprek over de komende ontwikkelingen en wijzigingen in rollen en taken.

Pagina

22

2.2.7

Versterking GHOR In de begroting 2021 zijn ontwikkelingen in het spoed-zorgveld geduid die vragen om de versterking van de GHOR op het gebied van netwerkcoördinatie en informatiemanagement. In 2020 is een intern verkenningstraject gestart om de mogelijkheden tot versterking binnen de VRU te onderzoeken en in de samenwerking met anderen. Door de coronacrisis doorzien we scherp waar de versterking nodig is. De beweging die de GHOR moet maken ten aanzien van netwerkcoördinatie is om van operationeel/tactische regievoering naar strategische regievoering te komen en daarbij het niet-acute zorgnetwerk aan te haken. Het aanhaken van het niet-acute zorgnetwerk vraagt ook om meer regie op het informatiemanagement binnen het netwerk. Beide sporen zijn de afgelopen periode cruciaal gebleken in de samenwerking met het netwerk. Inhoudelijk is in de afgelopen periode een grote inhaalslag gemaakt, die nu bestendigd moet worden in de organisatie. Conform de bestuurlijke opdracht en het uitgangspunt ‘nieuw voor oud’ van het vigerende beleidsplan is het uitgangspunt dat dit binnen de bestaande kaders gebeurt.

2.2.8

Tijdelijk behoud redvoertuig in Vianen Om het risico op oplopende opkomsttijden in Vianen, vanwege de aangekondigde werkzaamheden aan de A27, te verminderen en de huidige kwetsbare beschikbaarheid van een redvoertuig in dit gebied te beperken, heeft het algemeen bestuur op 6 juli 2020 besloten om gedurende deze beleidsperiode (tot en met 2023) een extra redvoertuig te behouden op de post Vianen. Als de situatie met betrekking tot de werkzaamheden aan de A27 en daarmee de bereikbaarheid van Vianen dit toelaat, kan dit betekenen dat het redvoertuig risicogericht op andere locaties ingezet wordt ten gunste van de regionale dekking. De kosten voor het tijdelijk behouden van het redvoertuig in 2021, 2022 en 2023 zijn geraamd op 90K per jaar. Bij de besluitvorming in 2020 is bepaald dat deze kosten als incidentele verhoging van de gemeentelijk bijdrage worden verwerkt in de geactualiseerde begroting 2021. Conform de toezegging in de aanbiedingsbrief bij de kadernota 2022 is gezocht naar incidentele dekking binnen de begroting, om een incidentele stijging van de gemeentelijke bijdrage van in totaal 180K in 2021 en 2022 te voorkomen. De incidentele kosten voor het reguliere onderhoud en overige vaste lasten van het extra redvoertuig worden gedekt uit een incidentele besparing op de kapitaallasten door uitgestelde investeringen in 2020.

2.2.9

Samenvatting effect mutaties bijstellingen bestaand beleid Tabel 15: Effect mutaties bijstellingen bestaand beleid op bijdrage GBTP Financieel effect GBTP

Bedragen x € 1.000

Samenvatting bijstellingen bestaand beleid

Begroting Actualisatie 2021 2021

Mutatie 2022

Begroting 2022

1.052

1.052

Hervorming OMS-stelsel

-

-

Regionale uitwerking landelijk beoordelingsprotocol automatische meldingen

-

-50

-

-50

Heroriëntatie AB-werkplaatsen

-

-

123

123

Overdracht beheer meldkamer

-

-

-193

-193

Licentiekosten LCMS GZ

-

-12

-

-12

Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

-

-

-

-

Versterking GHOR

-

-

-

-

Tijdelijk behoud redvoertuig Vianen

-

-

-

-

Bijstellingen bestaand beleid structureel

-

- 62

982

920

Onttrekking OMS-fonds

-

-

-1.052

-1.052

Bijstellingen bestaand beleid incidenteel

-

-

- 1.052

- 1.052

Totaal mutatie bijdrage GBTP

-

-62

-70

-132

Pagina

23

2.3

Bijdrage gemeentelijk basistakenpakket Tabel 16: Bijdrage gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) 2021 en 2022 per gemeente Mutaties actualisatie 2021

Bedragen x € 1.000

Mutaties begroting 2022

Gemeente

Bijdrage GBTP Begroting 2021

Mutaties financieel kader structureel

Mutaties bijstellingen bestaand beleid

Bijdrage GBTP Actualisatie 2021

Mutaties financieel kader structureel

Mutaties bijstellingen bestaand beleid

Bijdrage GBTP Begroting 2022

Renswoude

345

8

-0

353

5

-0

358

Eemnes

546

2

-0

547

8

-0

554

Oudewater

591

-3

-0

588

8

-0

596

Woudenberg

688

0

-0

688

10

-1

697

Montfoort

813

-7

-1

806

11

-1

816

Lopik

861

1

-1

862

11

-1

872

Bunnik

942

-7

-1

935

13

-1

947

Bunschoten

1.104

7

-1

1.110

17

-1

1.126

Rhenen

1.141

-0

-1

1.140

16

-1

1.155

Wijk bij Duurstede

1.382

-6

-1

1.375

18

-1

1.393

Baarn

1.554

-17

-1

1.536

22

-1

1.557

Leusden

1.612

0

-1

1.611

24

-1

1.634

IJsselstein

1.700

-0

-1

1.698

26

-1

1.723

De Bilt

2.655

-46

-2

2.607

37

-2

2.641

De Ronde Venen

2.601

-3

-2

2.597

37

-2

2.632

Soest

2.691

-41

-2

2.648

39

-2

2.685

Houten

2.295

-0

-2

2.293

39

-2

2.329

Utrechtse Heuvelrug

3.135

-82

-2

3.051

43

-2

3.091

Woerden

2.994

-22

-2

2.969

43

-2

3.010

Vijfheerenlanden

3.312

117

-2

3.427

46

-3

3.471

Stichtse Vecht

3.910

-37

-3

3.870

53

-3

3.920

Nieuwegein

3.715

-1

-3

3.711

57

-3

3.765

Veenendaal

3.131

-0

-3

3.128

58

-3

3.183

Zeist

4.051

-5

-3

4.044

60

-3

4.100

Amersfoort

9.860

-121

-7

9.733

146

-8

9.870

Utrecht

26.805

269

-21

27.053

428

-23

27.458

Totaal

84.437

5

-62

84.380

1.274

-70

85.584

Pagina

24

2.4

Vergoeding individueel gemeentelijk pluspakket Tabel 17: Vergoeding individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) personeel en materieel 2021 en 2022

Bedragen in euro's

Gemeente Renswoude

Vergoeding IGPP begroting 2021

Loon- & Vergoeding Mutaties prijsIGPP TUO's aanpassing actualisatie 2021a 2021a 2021

Loon- & Vergoeding Mutaties prijsIGPP TUO's aanpassing begroting 2022 2022 2022

-

-

-

-

-

-

-

Eemnes

38

-

0

39

-

1

39

Oudewater

19

-

0

19

-

0

19

Woudenberg

19

-

0

19

-

0

19

Montfoort

-

-

-

-

-

-

-

Lopik

-

-

-

-

-

-

-

Bunnik

-

-

-

-

-

-

-

19

-

0

19

-

0

19

Bunschoten Rhenen

-

-

-

-

-

-

-

Wijk bij Duurstede

92

-

0

92

-1

0

91

Baarn

36

36

-

0

36

-

0

Leusden

-

-

-

-

-

-

-

IJsselstein

16

-

0

16

-

0

16

De Bilt

-

-

-

-

-

-

-

De Ronde Venen

-

-

-

-

-

-

-

75

-

0

76

-

1

77

Houten

66

-

0

66

-1

0

65

Utrechtse Heuvelrug

104

-

0

104

-1

1

104

Woerden

127

-

1

127

-

2

129

Vijfheerenlanden

163

-

0

163

-

0

163

Stichtse Vecht

-

-

-

-

-

-

-

Nieuwegein

12

-

0

12

-

0

12

Soest

Veenendaal

69

-

0

69

-

1

70

Zeist

896

-4

4

897

-

13

909

Amersfoort Utrecht Nog toe te rekenen Totaal

447

-

2

449

-

6

455

1.240

-

4

1.244

-

17

1.261

527

-

1

527

-

7

534

3.965

-4

13

3.974

-3

49

4.020

Pagina

25

3 Beleidsbegroting – Programmaplan 3.1 3.1.1

Risicobeheersing Wat willen we bereiken? Met risicobeheersing willen we bereiken dat de fysieke veiligheid in het verzorgingsgebied van een hoog niveau is. We leveren samen met gemeenten, instellingen, bedrijven en burgers een bijdrage aan omgevingsveiligheid. Onze bijdrage zit aan de voorkant van de veiligheidsketen; in het voorkomen en beperken van fysieke onveiligheid. Hiertoe inventariseren we risico’s van branden, rampen en crises. Wij adviseren bevoegd gezag gevraagd en ongevraagd over de risico’s, zodat bevoegd gezag bewust de afwegingen kan meenemen bij besluitvorming over ontwikkelingen in het fysieke domein. Wij richten ons op het voorkomen en beperken van (brand)gevaar en op het optreden van ongevallen voor mens en dier door o.a. brand of gevaarlijke stoffen. Hierin betrekken wij actief burgers, bedrijven en instellingen om zo het veiligheidsbewustzijn en veilig handelen te stimuleren. Beleidsdoelstellingen In het Beleidsplan VRU 2020-2023 hebben wij voor Risicobeheersing drie doelstellingen opgenomen:  Wij gaan meer gericht het veiligheidsbewustzijn en veilig gedrag van burgers, instellingen en bedrijven stimuleren: samen maken wij veiligheid.  Wij willen meer en beter zicht krijgen op de voor ons relevante trends en ontwikkelingen in de samenleving en hier alerter en effectiever op gaan inspelen door risicogericht(er) te gaan werken.

 Wij zorgen ervoor dat wij beter en eerder worden betrokken bij visievorming, planvorming en besluitvorming rondom omgevingsveiligheid, om onze bijdrage te leveren aan een veilig ontwerp van de fysieke omgeving.

3.1.2

Wat gaan we daarvoor doen? We zien dat de inhoud van ons werk verandert. Met de beschikbare capaciteit moeten we prioriteren en focussen op zaken die er echt toe doen (risicogericht werken). Door de energietransitie krijgen we te maken met nieuwe, vaak complexere risico’s. De komst van de Omgevingswet vereist een andere manier van adviseren en toezicht houden. Daarnaast heeft COVID-19 gevolgen voor veel van onze reguliere processen. We gaan op zoek naar nieuwe manieren om een bijdrage te leveren aan een (brand)veilige samenleving. Daarvoor investeren we in de ontwikkeling van de medewerkers; in kennis, kunde en competenties. Beleidsactiviteiten Voor bovengenoemde beleidsdoelstellingen voeren we de volgende activiteiten uit:  We richten ons programma (Brand)Veilig Leven op specifieke doelgroepen. Daarbij zoeken we aansluiting bij relevante partners, om in samenwerking te komen tot maximale invloed.  We hebben ons risicobeeld op orde en monitoren de relevante trends. Uitgangspunt is dat wij adviezen, toezicht en activiteiten in het kader van brandveilig leven, risicogericht uitvoeren. Concreet betekent dit dat wij in onze adviezen en in onze inspectierapportages bij toezicht op zoek gaan naar mogelijkheden tot verbetering van de brandveiligheid, ook daar waar de regelgeving (nog) niet in voorziet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/393/documents/12139