Raadsvoorstel 'Zienswijze concept Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) U16' - Bijlage 2 (Concept IRP).pdf
Tekst van het document
De RES U16 (Regionale Energie Strategie U16) heeft in oktober 2019 uitgangspunten vastgesteld en beschikt sinds oktober 2020 over een bestuurlijk vastgestelde Ontwerp RES. In Q3 van 2021 vindt besluitvorming over de RES 1.0 plaats in alle gemeenteraden. Onze strategie om aan deze doelen bij te dragen is: 1. energie besparen 2. omschakelen naar duurzame technieken, en daarbij 3. benutten van duurzame energiebronnen in de regio. In uitwerking van de landelijke doelstelling en in relatie tot onze eigen elektriciteitsbehoefte gaan we ten minste 1,8 TWh duurzame opwek realiseren in 2030 met zon-op-dak, zonnevelden en windmolens. Daar maken we ruimte voor. Ook na 2030 is er een substantiële opgave. Energie gaat meer ruimte vragen en het wordt meer zichtbaar in de stad en in het landschap. De nationale doelstellingen op CO2 reductie hebben een doorwerking op alle pijlers. De RES U16 plannen voor duurzame elektriciteitsopwek worden landelijk beoordeeld op: kwantiteit, ruimtelijke kwaliteit, net efficiëntie en maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Bij het bepalen van locaties voor elektriciteitsopwek zijn onze leidende principes: 1. We zetten maximaal in op zon-op-dak, daarmee kunnen we de opgave gedeeltelijk realiseren 2. Er is potentieel voor windmolens: і vooral langs infrastructuur і bij bedrijventerreinen і in agrarische gebied en in combinatie met de groene scheggen 3.
Vanuit net efficiëntie en maatschappelijke kosten is clustering van elektriciteitsopwekking wenselijk 4. Vanuit net efficiëntie en maatschappelijke kosten is de juiste mix van zonnevelden en windmolens van belang. De noodzakelijke elektriciteitsnetinfrastructuur voor windmolens is goedkoper dan voor zonnevelden (factor 3). Daarnaast zijn tot 2030 op de hogere netvlakken (hoogspanning en tussenspanning stations) meer aansluitmogelijkheden dan op de lagere netvlakken (middenspanning stations). Op die stations kunnen grotere projecten worden aangesloten. Kleinere projecten kunnen slechts geclusterd aangesloten worden. 5. Voor zonnevelden ligt de focus op meervoudig ruimtegebruik 6. Wij streven naar een goede samenhang van lusten en lasten en naar wederkerigheid in de interbestuurlijke verhoudingen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
69
Foto: Cablepark Nieuwegein, Downunder Nieuwegein 70
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
HANDREIKING VOOR GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN De regio Utrecht heeft de ambitie uitgesproken dat alle bestaande en nieuwe inwoners in 2040 in een gezonde en groene leefomgeving wonen. De keuzes die de regio maakt dragen bij aan dit grotere doel. Dit betekent dat in alle ontwikkelingen in de regio aandacht moet zijn voor de kernwaarden die we als regio met elkaar delen. We maken daarom niet alleen afspraken over de ruimtelijke keuzes, maar ook over de keuzes die de kwaliteit van leven van onze bewoners bepalen. Gezond en Groen begint bij de voordeur met o.a. speeltuintjes, sportvoorzieningen, parken en openbare ontmoetingsplaatsen en is verbonden met een netwerk van grote en kleine landschappelijke structuren op verschillende schaalniveaus, van plantsoen tot groene oever, van Heuvelrug tot veenweidegebied van Lekdijk tot Waterlinie en alles er tussenin. Groen en ruimte leveren een belangrijke bijdrage aan de vitaliteit van inwoners maar om zichzelf te ontwikkelen, elkaar te ontmoeten en ter ontspanning hebben inwoners ook behoefte aan maatschappelijke voorzieningen, zoals onderwijs, zorg, kunst & cultuur en sport in de nabijheid. Deze voorzieningen leveren minimaal net zo’n grote bijdrage aan de vitaliteit.
Doordat de regio voor een enorme woningbouwopgave staat, waarin vooral de voorkeur gegeven wordt aan inbreiding, is het van groot belang dat de randvoorwaarden voor een gezonde leef- en woonomgeving met een hoogwaardig voorzieningenniveau geborgd wordt. De geschiedenis leert ons dat de realisatie van minder kapitaalkrachtige niet-woonfuncties onder druk staat als er nieuwbouw gepleegd wordt. Doordat er meer nodig is dan alleen woningen om de regionale ambitie, dat alle inwoners in een gezonde leefomgeving wonen, te realiseren, stellen wij voor om een handreiking voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen te ontwikkelen. Met deze handreiking krijgen deze voorzieningen een plek in het planproces, zonder dat het opgelegd of genormeerd wordt. Doordat de diverse gemeenten in de regio qua samenstelling, opbouw en inrichting niet allemaal gelijk zijn is het niet mogelijk om één generieke norm te ontwikkelen waar gemeenten aan moeten voldoen. Tegelijkertijd maken deze gemeenten wel allen onderdeel uit van dezelfde regio en onderschrijft de gehele regio de ambitie om op een gezonde wijze te leven in een stedelijke omgeving. Nadere uitwerking dient dan uit te wijzen op welke wijze alle gemeenten bij toekomstige ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de gezamenlijke ambitie van onze regio. De handreiking voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen draagt hieraan bij.
Zo zorgen we er in de ontwikkeling van de regio voor dat: • Er woningen gebouwd worden voor iedereen. Hiervoor maken we afspraken over de verdeling van woningbouw in verschillende prijssegmenten en verschillende soorten woningen. • Er werk is voor iedereen, onafhankelijk van achtergrond of soort scholing. • Er volop ruimte komt voor zorg in relatie tot wonen. • Iedereen in de regio toegang heeft tot zorgvoorzieningen door een goede en eerlijke ruimtelijke verdeling van eerstelijns en andere zorgvoorzieningen. • Iedereen in de regio toegang heeft tot maatschappelijke voorzieningen die bijdragen aan een lokaal sociaal vangnet of mensen helpen zich verder te ontwikkelen. • Iedereen in de regio gelijke kansen heeft in het onderwijs. • Er in de gehele regio een rijk aanbod is van culturele voorzieningen. • Er voor iedereen toegang is tot sportvoorzieningen en recreatieve voorzieningen. • Iedereen in de regio toegang heeft tot voldoende speelvoorzieningen, groen en ruimte die rust biedt en ontmoeting stimuleert in de nabijheid van de eigen woning.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
71
7 Gebiedsgerichte opgaven Groen & Landschap
Gebiedsgerichte opgaven groen & landschap 1. Blauwe krans Stelling van Amsterdam 2. Polderscheg Lange Linschoten - Woerden – Breukelen 3. Hollandsche IJsselscheg - Rijnenburg - A12zone 4. Waterliniescheg 5. Groene Zoom Vijfheerenlanden 6. Groen raamwerk Heuvelrug-Lek 7. Agrarisch groenblauw netwerk
December 2020
Gebiedsgerichte opgaven groen en landschap (beeld: BVR)
2.3
THEMATISCHE VERDIEPING
Aanvullend aan de redeneerlijnen is op een aantal thema’s meer inhoudelijke verdieping nodig om de keuzes te onderbouwen en de stap van opgave naar redeneerlijn te verduidelijken. Hier worden de volgende thema’s nader uitgewerkt: • • • • •
Landschap, water en groen Mobiliteit Woonmilieus en kwalitatieve woningbehoefte Werkmilieus Energie
THEMA LANDSCHAP, WATER EN GROEN Het pijlerraport Groen en Landschap geeft een invulling aan de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de groene en landschappelijke opgave. Deze opgave is ruimtelijk vertaald in een opgavekaart en in een aantal algemene en een aantal gebiedsgerichte opgaven. De opgave is vertaald in vier algemene en zeven gebiedsopgaven die bij de redeneerlijn werden benoemd. De gebiedsgerichte benadering biedt aanleiding voor gemeenten, provincie en andere belanghebbenden om samen te werken aan concrete opgaven in samenhang met opgaven voor verstedelijking, mobiliteit of energie. Ze worden hieronder beschreven:
1. Blauwe krans Stelling van Amsterdam Een landschappelijke zone rond de Stelling van Amsterdam (Ronde Venen en Stichtse Vecht) met inbegrip van de Vinkeveense en Loosdrechtse Plassen. Dit gebied is de schakel tussen U16 en de Amsterdamse Amstelscheg waar de recreatieve druk flink toeneemt. De gebiedsopgave omvat een doorgaande fiets- en wandelroute langs het Unesco erfgoed die wordt versterkt met groen en water zoals langs de Kromme Mijdrecht. Zo wordt gebouwd aan een krans van waterrijke landschappen in de inundatiegebieden van de Stelling. Het landschapspark bevat dwarsverbindingen voor natuur en recreatie, dwars over de barrières van het Amsterdam Rijnkanaal, het spoor en de A2. De N201 vormt een ecologische barrière. Bij dit project moet er een oplossing worden gezocht voor de otters en andere diersoorten. De Blauwe krans verbindt door middel van natte ecologische verbindingen de Vinkeveense en Loosdrechtse plassen.
De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatie: 38 ha • Groene contourgebied: 274 ha • Extra recreatieve verbindingen: 171 ha • Mogelijke meekoppelkans: versterking van de Amstelscheg (MRA), energieopwekking, wateropgave en verstedelijking Mijdrecht • Water: diepe droogmakerij Mijdrecht: voorkom graven en reserveer diepste deel voor berging, combinatie met natuurwaarden veenweidegebied, levendige boerensloten, toekomstbestendig Amsterdam Rijnkanaal • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding • Cultuurhistorie: verhaallijn van Unesco Werelderfgoed Stelling van Amsterdam
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
73
2. Polderscheg Lange Linschoten - Woerden – Breukelen Een samenhangend vitaal landschap op de grens tussen de stroomruggen en het veengebied tussen Woerden / Linschoten / Oudewater / Harmelen / Breukelen. Hiermee blijft een landschappelijke verbinding mogelijk tussen Heuvelrug en veenweidepolders in een nu nog gave doorsnede. Deze zone bevat recreatieve en ecologische verbindingen tussen de Lopikerwaard, de groengebieden rondom Woerden en Haarzuilens, de veenweidepolders van Kamerik/ Kockengen en de landschappen van Maarssen en Breukelen inclusief de Vecht. De polderscheg verbindt stad en land, versterkt de groene buffergebieden tussen de kernen en versterkt onderlinge ecologische relaties. De mogelijkheden om barrières van de A12, het spoor en de A2/Amsterdam Rijnkanaal te slechten wordt bij de uitwerking bestudeerd.
De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatie: 45 ha • Groene contourgebied 155 ha • Mogelijke meekoppelkansen: extra (moeras) bossen, verstedelijking Breukelen en Woerden, energieopwekking, Oostelijke randweg Woerden en project gekanaliseerde Hollandse IJssel • Water: Waterberging, tegengaan bodemdaling en voorkomen watertekort veenweidegebied, levendige boerensloten, zwemwater, Toekomstbestendig Amsterdam Rijnkanaal • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding, tegengaan bodemdaling • Cultuurhistorie: Limeszone, Oude Hollandse Waterlinie, ggedeelten van veenweides met Copeontginning rond Kockengen/ Kamerik
74
3. Hollandsche IJsselscheg / Rijnenburg / A12zone Een landschappelijke zone aan de Hollandse IJssel tussen IJsselstein en De Meern. In dit gebied is de IJssel met alle cultuurhistorische en recreatieve waarden het verhaalmotief. Voortgebouwd wordt op de aanpak en verbetering van deze rivierzone. Het IJsselpark van Nieuwegein wordt beter verbonden met het naastgelegen IJsselsteinse Kromme IJssel Park en Nedereinsdeplas. Natuurkernen en groene verbindingen versterken de natuurwaarden. In de zone Rijnenburg tot en met de A12 zone (tot Laagraven) wordt recreatiegebied ontwikkeld in samenhang met de verstedelijkingsopgaven van de A12 zone. Bij groene verbindingen in en tussen Nieuwegein en Utrecht moet er aandacht zijn voor het opheffen van barrièrewerking door infrastructuur. Ten zuidwesten van IJsselstein/Nieuwegein moet stedelijke ontwikkeling zorgvuldig met natuur gecombineerd worden.
De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatiegebied: 255 ha • Extra natuurkerngebied: 30 ha • Extra recreatieve verbindingen: 71 ha • Mogelijke meekoppelkansen: ontwikkeling pauzelandschap Rijnenburg en verstedelijking A12 zone, energieopwekking en project gekanaliseerde Hollandse IJssel • Water: Toekomstbestendig ARK – NZK, waterberging, tegengaan bodemdaling en voorkomen watertekort veenweidegebied, levendige boerensloten, zwemwater, Overstromingsveiligheid rivierengebied en Sterke Lekdijk, wateraanvoer Groene Hart • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding, bodemdaling • Cultuurhistorie: Limeszone, Oude Hollandse Waterlinie, gedeelten van veenweides met Copeontginning rond Kockengen/ Kamerik.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
4. Waterliniescheg Een landschappelijke zone aan de zuid-, oost- en noordzijde van Utrecht, tussen Noorderpark, De Bilt, Driebergen/Zeist, Bunnik, Houten en Nieuwegein. Waardevolle open landschappen met hoge cultuurhistorische, recreatieve en ecologische betekenis en passende vormen van landbouw. Deze gebieden worden door de gebiedspartijen in samenhang beschermd en ontwikkeld. Door deze scheg te beschermen en te versterken, kan de recreatieve druk op andere gebieden zoals de Heuvelrug worden verminderd. Het leidende verhaal is dat van linielandschappen: de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Limes. De bestaande groengebieden zoals sport- en golfterreinen, de vele forten en landgoederen zoals Nieuw Wulven en Amelisweerd zijn dragers voor deze scheg. Specifiek voor de landgoederen wordt gezocht naar nieuwe economische modellen voor behoud en versterking van cultuurhistorie, natuur en recreatie. In de Waterliniescheg worden ook nieuwe natuur- en recreatiegebieden ontwikkeld met: Laagraven-A12 zone, Nieuw-Wulven, Houten/Bunnik, Lunetten (Maarschalkerweerd-Rhijnauwen), Voordorpse polder/ Ruijgenhoek met aandacht voor het opheffen van barrièrewerking door infrastructuur. Belangrijk is dat ze passen bij de ruimtelijke principes van de waterlinies.
5. Groene zoom Vijfheerenlanden Een landschappelijke zone die de Zouweboezem en Ameide omvat en versterkt (natuur, watersysteem en waterbuffers voor Alblasserwaard, recreatie) en de verbinding legt met de uiterwaarden van de Lek. Deze zone sluit aan op het gemengde landschap ten zuiden van Vianen en maakt via Bolgerijnen verbinding met de Lekuiterwaarden bij Hagenstein. Groene verbindingen worden met broekbossen gemaakt naar het naburige Molenlanden en naar Diefdijk en Linge. In deze groene zoom rondom het agrarische hart van Vijfheerenlanden, worden recreatieve- en natuurverbindingen versterkt. Te slechten barrières: de A27 en het Merwedekanaal. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatiegebied: 42 ha • Groene contourgebied: 103 ha • Extra recreatieve verbindingen: 171 ha • Mogelijke meekoppelkansen: energieopwekking, snelfietsroute Meerkerk-Vianen-Utrecht • Mogelijke meekoppelkansen: snelfietsroute • Water: watersysteem Vijfheerenlanden als waterbuffer, Sterke Lekdijk, prachtsloten • Landbouw: natuurinclusieve landbouw • Cultuurhistorie: Oude Hollandse waterlinie
De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatie: 306 ha • Extra natuurkerngebied: 30 ha • Groene contourgebied 145 ha • Extra recreatieve verbindingen: 275 ha • Mogelijke meekoppelkansen: energieopwekking, uitleg en knooppuntontwikkelingen A12zone/Laagraven, Lunetten-Koningsweg, Bunnik, Houten. • Water: water vasthouden en waterberging, multifunctioneel ruimtegebruik, klimaatwater/ zwemwater • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding • Cultuurhistorie: Unesco werelderfgoed Nieuwe Hollandse Waterlinie, Limeszone
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
75
6. Groen raamwerk Heuvelrug-Lek Een stelsel van groenblauwe verbindingen voor natuur én recreatie samen, smeedt de Heuvelrug en haar flankzone stevig vast aan het gebied Langbroekerwetering - Kromme Rijn - Amsterdam Rijnkanaal - Lek. De beste kansen om de Heuvelrug te versterken lijken te zijn: loofbosaanplant, zonering met ook rustige gebieden, natuurwaarden verhogen in de flankzone tot aan de Kromme Rijn. Dit is het Langbroekweteringgebied. Hier zijn boeren bereid om natuur-inclusiever te produceren en liggen kansen om bosvakken aan te leggen in de landschapsstructuur van opstrekkende kavels. We zien 4 kansrijke dwarsverbindingen met natuur en recreatieve routes van de hoge gronden naar de Kromme Rijn en Lek. Zo ontstaat een sterk raamwerk. Met agrariërs wordt gezocht naar een betere balans tussen ecologie, wateropgaven en landbouw (met name fruitteelt). De Kromme Rijn, Amsterdam Rijnkanaal en sterke Lekdijken krijgen bredere groene randen met fiets/ wandelroutes. De flanken van de heuvelrug worden versterkt met substantiële verbetering van biodiversiteit door zoom en mantelvegetaties met behoud van (oude) landschapselementen. Een idee voor nadere verkenning is om een recreatief ‘fruitpark’ te ontwikkelen als etalage van de fruitteelt en landschappelijke kwaliteiten. In het gebied ten zuiden van de Kromme Rijn zijn kerngebieden nodig voor natuur.
Barrières die aandacht krijgen zijn: Amsterdam Rijnkanaal, de N229 en N225 langs de flanken van de Heuvelrug en de A12 op de Heuvelrug. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatiegebied: 29 ha • Extra natuurkerngebied: 30 ha • Groene contourgebied: 331 ha • Extra recreatieve verbindingen: 253 ha • Mogelijke meekoppelkansen: energieopwekking, Nationaal Park nieuwe stijl Utrechtse Heuvelrug • Water: Toekomstbestendig Amsterdam Rijnkanaal, Sterke Lekdijk-Rijndijk, Overstromingsveiligheid rivierengebied, naar 100% infiltratie en vasthouden kwelwater op Heuvelrug icm Blauwe Agenda
76
• •
Landbouw: natuurinclusieve landbouw/fruitteelt, agropark (zie parco agricolo Milan) Cultuurhistorie: Limeszone, Langbroekerwetering met kastelen en ridderhofsteden, Stichtse Lustwarande.
7. Agrarisch groenblauw netwerk De agrarische landschappen van de droogmakerij Mijdrecht, de veenweidegebieden rondom KamerikKockengen, de Lopikerwaard en de Vijfheerenlanden en eiland van Schalkwijk/Kromme Rijn hebben hun eigen karakteristieken en bedrijfsopbouw. In elk van deze gebieden wordt met de gebiedspartijen samengewerkt aan de transitie naar een vitale kringlooplandbouw met een toekomstbestendig watersysteem, goede bodem- en waterkwaliteit, recreatie- en natuurwaarden en herstel van kleine landschapselementen zoals bijvoorbeeld erfbeplanting, singels en houtwallen. Routegebonden (vaar)recreatie en mogelijkheden van verbrede landbouw met pleisterplaatsen/horeca bieden mogelijkheden voor de kleine kernen en hun ommeland. Specifiek worden slootkanten natuurvriendelijk beheerd (levendige boerensloten), worden erfbeplantingen en kleine landschapselementen hersteld en wordt gewerkt aan ecologische verbindingen en stepping stones.
De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Groene contourgebied: 238 ha • Extra landschapselementen: 125 ha • Extra natuurkerngebied: 120 ha • Extra recreatieve verbindingen: 257 ha • Mogelijke meekoppelkansen: groenblauwe diensten, energieopwekking, project waterberging Willeskop • Water: Waterberging, tegengaan bodemdaling en voorkomen watertekort veenweidegebied, levendige boerensloten, overstromingsveiligheid rivierengebied, wateraanvoer Groene Hart • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding, nieuwe teelten, tegengaan bodemdaling • Cultuurhistorie: agrarisch landschap met eigen signatuur zoals verkaveling, laan en erfbeplantingen en kleine landschapselementen
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Water en klimaat in verstedelijking Water en klimaatadaptiviteit spelen in alle groen- en landschapsopgaven een belangrijke rol. Het gaat om waterveiligheid, waterkwaliteit en waterhuishouding. De drie waterschappen die in de regio actief zijn (AGV, HdSR en Rivierenland) hebben in de groen- en landschapsopgave een belangrijke bijdrage geleverd. Daarnaast zit ook in de verstedelijkingsopgave een vraagstuk rond waterbeheer en klimaatadaptatie. Een deel van de regio is kwetsbaar als het gaat om de waterhuishouding. Zo watert een groot deel van de regio af op het Amsterdam-Rijnkanaal, waar beperkte ruimte in zit voor het bufferen van water. Dit betekent dat water zo lang mogelijk moet worden vastgehouden om ervoor te zorgen dat de piekbelasting van het systeem niet groter wordt. Klimaatadaptief en waterinclusief bouwen is hierbij een voorwaarde voor de stedelijke ontwikkeling van de regio. Daarnaast is het in het algemeen verstandiger om op hogere gronden te bouwen dan op lagere gronden vanuit het oogpunt van maatschappelijke kosten voor waterhuishouding en waterveiligheid. Binnen peilgebieden van polders is het verstandig de laagste delen niet te bebouwen, maar juist te gebruiken voor waterretentie. Uitvoeringsvraagstukken Met dit pijlerrapport is een groot deel van de onderzoeksvragen geadresseerd. Er is echter nog aandacht nodig voor: 1.
De financiële onderbouwing en uitwerking van deze opgaven. In deze fase is in het IRP nog geen inschatting gedaan van kosten voor de landschappelijke opgave. Tegelijkertijd wordt er op veel vlakken al uitvoering gegeven aan een aantal van de opgaven. De provincie bundelt de verschillende projecten en bijbehorende geldstromen in het programma “Groen groeit mee.” Het is dus zaak om de opgaven en de ruimtelijke ingrepen die daarbij horen te vertalen in een investeringsprogramma, waarbij ook zicht moet komen op financiële dekking van deze kosten. Daarbij speelt het programma “Groen groeit mee” een belangrijke rol en worden op basis van het investeringsprogramma ook andere financieringsbronnen gezocht, bijvoorbeeld vanuit programma’s uit het NOVI gebied Groene Hart, , het Nationaal Groenfonds, het Investeringsfonds Omschakeling Landbouw (LNV) en het Waterinnovatiefonds alsmede Europese fondsen.
2. Meekoppelkansen: Daarnaast moeten de ‘meekoppelkansen’ optimaal worden benut. Groenopgave en verstedelijking/energie/mobiliteit moeten waar mogelijk samen worden opgepakt. De groene opgave is voorwaardelijk voor een aantal verstedelijkingslocaties, waarbij enerzijds verstedelijking mogelijk een financiële bijdrage kan leveren aan groeninvesteringen en anderzijds een efficiëntieslag geslagen kan worden: ‘als de graafmachines toch bezig zijn, neem dan ook de volgende sloot mee’. 3. Perspectief agrarische sector: De landbouwgebieden zijn onderdeel van de Utrechtse Trots. De landbouw heeft een groot deel van het gebied in gebruik en is daarmee naast producent van voedsel ook beheerder van het landschap, maar decennia van intensivering hebben haar sporen in het landschap nagelaten. In de U16 blijft ook in de toekomst zeker ruimte voor de landbouw als voedselproducent naast die van landschapsbeheerder. Om de rol voor de landbouw in de toekomst echter te borgen zal er een transitie nodig zijn om de balans met het landschap, natuur en de bodem te herstellen met ruimte voor nieuwe verdienmodellen. Nieuwe verdienmodellen voor de landbouw weten de verbinding te realiseren tussen thema’s als natuur (stikstof), bodemkwaliteit, energieopwekking, bodemdaling (incl. CO2 uitstoot), biodiversiteit, recreatie enz. hebben de toekomst.
Ook een betere verbinding met ons voedsel is van belang bijvoorbeeld door korte keten landbouw. Een transitie naar landschapsinclusieve landbouw zoals het college van Rijksadviseurs dit noemt (New Deal tussen boer en maatschappij – College van Rijksadviseurs, juni 2020). Er zijn echter vragen en dilemma’s waar het regionaal perspectief (IRP) niet meteen een antwoord op heeft. Bijvoorbeeld: Is het remmen van bodemdaling te combineren met de bedrijfsvoering? Wat houdt kringlooplandbouw in elk deelgebied in en welk verdienmodel is het meest kansrijk? Vooral hoe de transitieperiode te overbruggen, is een groot vraagstuk. Om van de huidige verdienmodellen te komen tot nieuwe verdienmodellen zijn financiële middelen nodig om de transitietijd te financieren. Het realiseren van de transitie vereist maatwerk per gebied. Voor een realistisch uitwerking is nauwe samenwerking met de agrariërs noodzakelijk
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
77
Foto: Driebergen-Zeist, R. de Wit 78
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
met ruimte voor innovaties in grondgebruik en voedselproductie. De landbouwtransitie wordt in het IRP geagendeerd als een transitieproces met een langere looptijd dan het IRP. Landbouwtransitie is ook nadrukkelijke onderdeel van de integrale opgave voor vrijwel alle deelgebieden in het IRP. Het is een onderzoeksvraag voor de volgende fase van het IRP hoe de regio de landbouwtransitie kan stimuleren en faciliteren in aansluiting op beleid van de provincie, het Rijk en Europa. Deze transitie is al volop in gang. Het is belangrijk aan te sluiten bij initiatieven waar samen met de agrarische sector wordt gewerkt aan de landschappelijke opgave. Aansluiting zoeken vanuit de opgaven met het Investeringsfonds Omschakeling Landbouw van het Ministerie van LNV biedt kansen. Daarnaast wordt in Nederland op diverse plekken geprobeerd om initiatieven van agrarisch ondernemers te stimuleren die leiden tot transitie naar meer duurzame landbouw, extra groen, waterberging en of recreatie.
THEMA MOBILITEIT De verdieping voor het thema mobiliteit is in zijn geheel verwerkt in de redeneerlijn 2. In deze redeneerlijn staan de keuzes die de regio maakt, inclusief de belangrijkste ruimtelijke uitwerking. Deze ruimtelijke uitwerking wordt in de deelgebieden (hoofdstuk 3) verder vertaald in lokale ingrepen. Met redeneerlijn 2 en de verdieping in deelgebieden zijn de belangrijkste ruimtelijke keuzes voor mobiliteit gemaakt. Verdere verdieping op het thema heeft te maken met nader onderzoek naar generieke mobiliteitsmaatregelen en de onderzoeken die in samenwerking met de provincie en het Rijk plaatsvinden over de aanleg van nieuwe infrastructuur. Deze onderzoeken zullen vooral in het kader van U Ned plaatsvinden.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
79
Woonmilieu indeling 2018
80
Voorstel voor 2040 (kaart bewerkt door SITE) - zie toegevoegde bolletjes, paars = regionaal transformatiemilieu
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
THEMA WONEN: WOONMILIEUS EN WOONBEHOEFTE De vraag naar woningen heeft een belangrijke kwalitatieve component. Er is een verdiepend onderzoek gedaan naar de kwalitatieve woningwensen in de regio. De daaruit afgeleide behoefte is gespiegeld aan de planvoorraad. De indeling in woonmilieus uit 2018 is echter niet overal goed bruikbaar, vooral wanneer het wordt toegepast op de verwachte situatie in 2040. Een aantal locaties zal een stuk stedelijker worden en niet passen bij de woonmilieu typering uit 2018. Zo vallen bijvoorbeeld de Merwedekanaalzone en Westraven in Utrecht onder het groenstedelijke milieu, terwijl hier hoogstedelijke milieus worden ontwikkeld. Ook voor kernen in de regio zijn de gedefinieerde woonmilieus niet altijd passend. Zo wordt het woonmilieu in De Bilt als dorps benoemd, terwijl het eerder om een groenstedelijk milieu gaat. De indeling in woonmilieus is dus geen kader of een aanwijzing. Het woonmilieu is altijd door gemeenten uit te werken op een manier die lokaal passend is. In het MIRT onderzoek Utrecht nabij is al een aanname gedaan voor de opwaardering van een aantal woonmilieus. In het IRP sluiten wij aan bij de indeling die Utrecht Nabij hanteert. Zo zijn de stedelijke knopen Leidsche Rijn Centrum en Lunetten Koningsweg ingedeeld onder hoogstedelijk. Op onderstaande kaartjes wordt het verschil toegelicht.
In grote lijnen komt het erop neer dat nabij OV knooppunten het woonmilieu een stapje stedelijker zou moeten worden ingevuld dan de huidige situatie, maar het blijft lokaal maatwerk. In dit IRP voegen we aan de woonmilieus een categorie toe: het regionale transformatiemilieu. Het betreft OV knooppunten die in de toekomst verkleuren van werklocaties naar gemengde woon-werklocaties. Deze regionale transformatiemilieus bieden enerzijds plek aan stedelijke woonmilieus met nieuwe woonvormen, maar ook aan een deel van de werkopgave. Voorbeelden zijn Houten Noordwest en de Stationsgebieden van Breukelen, Bunnik en Woerden.
De woonmilieus zijn ingedeeld in hoogstedelijk, centrumstedelijk, stedelijk buiten centrum, groen stedelijk, dorps en landelijk. Deze milieus zeggen iets over de mate van functiemenging, de aanwezigheid van voorzieningen en het bereikbaarheidsprofiel. Waarbij geldt: hoe stedelijker hoe meer menging en hoe meer gericht op het OV. Dit betekent dus dat de opwaardering van stedelijkheid ook gepaard gaat met het minder faciliteren van de auto. In het kwalitatieve woonbehoefteonderzoek is de match tussen planaanbod en behoefte gesplitst naar de agglomeratie (Utrecht, IJsselstein, Nieuwegein, Vijfheerenlandan (Vianen), Houten, Bunnik, Zeist, De Bilt en Stichtse Vecht) (bovenste grafiek) en buiten de agglomeratie (de rest) (onderste grafiek). Het grootste deel van de woningbouwopgave zit binnen de agglomeratie. Bovenstaande grafieken (let op het verschil in schaal op de assen) wordt deze mismatch tussen planaanbod en behoefte uitgewerkt. Het onderzoek laat zien dat we sterker moeten inzetten op het realiseren van sterker stedelijke woonmilieus. Binnen de agglomeratie betekent dit centrumstedelijke en hoogstedelijke milieus. Mengen van wonen en werken, voorzieningen in de woonomgeving, en een mobiliteitsprofiel dat op het OV en fietsen is gericht.
Als regio geven we hier richting aan door te kiezen voor ontwikkeling langs bestaande en nieuwe OV-assen en daarbij stevig in te zetten als het gaat om dichtheid en menging. In de agglomeratie is eveneens een behoefte aan groenstedelijke milieus, waarvoor aan de randen van de stedelijke agglomeratie ruimte voor moet worden gevonden. Buiten de stedelijke agglomeratie is een overschot aan dorpse milieus. Hoewel dit deels een kwestie van definitie is laat het zien dat ook hier een stapje hoger op de stedelijkheidsladder gewenst is. Dit biedt kansen voor doelgroepen die in het kader van doorstroming en vitaliteit gewenst zijn in de kleinere en middelgrote kernen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
81
Kantoorlocaties in de regio Utrecht Groen = toevoegen kantoren, Oranje = balans kantoren, Roodbruin = herbestemmen kantoren
82
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
THEMA WERKMILIEUS De regio groeit snel. Met het aantal inwoners groeit ook het aantal banen mee. De regio heeft een uitdaging voor zich liggen om niet alleen voldoende banen te creëren die op de juiste plek liggen, maar ook een transitie vorm te geven naar een duurzame en circulaire economie. De belangrijkste opgaven voor de economie: Hoe maken we de slag naar een circulaire economie in 2050? Hoe zorgen we voor voldoende werkgelegenheid voor iedereen? Hoe behouden en versterken we ons economisch regionaal profiel? We zien richting 2040 een aantal nieuwe werkmilieus ontstaan in onze regio: • Hoogstedelijke woon werkmilieus waarin tal van andere functies op multi functionele locaties gemengd en geïntensiveerd in een groene omgeving gecombineerd zijn. Hier bieden we ruimte voor zakelijke dienstverlening, de smart industry, Denk hierbij aan Utrecht Centrum, Merwedekanaalzone, Leidsche Rijn Centrum. • Bedrijventerreinen waar we mengen met niet-woonfuncties, zoals onderwijs, leisure, maatschappelijke voorzieningen. Hier bieden we ruimte voor de maakbedrijven en de circulaire industrie. Logistiek en opslag bieden we ruimte, naast bedrijfsruimte voor het lokaal MKB waarbij we met eigenaren en conceptontwikkelaars streven naar een goede mix van betaalbare bedrijfsruimte.
• Regiopoorten als Bunnik, Breukelen, Woerden en Houten waar we wonen en werken mengen op een schaal die voor die steden passend is. Hier bieden we ruimte voor stad en dorp gebonden bedrijven, met een klein tot middelgrote ruimtebehoefte tot circa 2 hectare. • Vitale kernen waar we bouwen voor zowel een gezonde demografie van de bevolking als voldoende werkgelegenheid voor deze mensen in de eigen kern, mede om de mobiliteitspendel te beperken. • Bedrijventerreinen met een regionale functie zoals De Biezen, Lage Weide, Breukelerwaard. Hier bieden we ruimte voor middelgrote tot grote bedrijven. Logistiek, productie en opslag vinden hier plek.
Kantooromgevingen Tot 2040 is er een berekende behoefte aan maximaal 853.000m2 bvo kantoorruimte in de stad Utrecht op plekken die goed bereikbaar zijn met het OV (m.n. Utrecht Centraal, Leidsche Rijn Centrum en Lunetten-Koningsweg). Buiten de stad Utrecht kiezen we voor het gefaseerd transformeren van kantoren naar wonen, te beginnen met kantoren die niet op een OV locatie liggen. Het verplaatsen van niet-courante kantoren naar courante kantoormeters op OV-locaties is voor regiopoorten een mogelijkheid. Op deze manier worden netto geen kantoormeters toegevoegd, maar wordt wel de kwaliteit verbeterd. Het totaal benodigde metrage is een optelsom van nieuwe vraag, vervangingsvraag doortransformatie en verplaatsing van kantoren die niet meer op toekomstbestendige plekken staan. Essentieel voor de toekomstbestendigheid van kantooromgevingen richting 2040 is de multifunctionaliteit, de groene omgeving, de optimale ov-bereikbaarheid; ookwel benoemd met de term ‘third places’. We zien dat de huidige economische terugval en beperkte reismogelijkheden tot nieuwe digitale contactmomenten leiden en een andere vraag naar kantoorruimte. Landelijk is de trend dat kantoorhuurders kantoorruimte afstoten die niet centraal ligt of op een uitstekend bereikbare plek met het openbaar vervoer. Utrecht heeft al die kwaliteiten wel.
Daarnaast zal het aantal mensen dat gemiddeld in een kantoor werkt afnemen vanuit gezondheidsoptiek en al eerder ingezette trends. Desalniettemin is het zaak dat we jaarlijks monitoren hoe de behoefte aan kantoren zich zal ontwikkelen. Transformatie- en mengmilieus Op verschillende locaties in de regio liggen bedrijventerreinen op plekken nabij OV-knooppunten waar plannen zijn voor verstedelijking. Voorbeelden zijn Station Breukelen, Houten-Noordwest, Station Woerden, Station Bunnik. Deze plekken verkleuren in de toekomst van werklocaties naar gemengde woon-werklocaties. Deze regionale transformatiemilieus bieden enerzijds plek aan stedelijke woonmilieus met nieuwe woonvormen, maar ook aan een deel van de werkopgave. Het gaat om de opgave voor bedrijventerreinen en informele bedrijfsruimten die zich laat mengen met wonen. Dit zijn bedrijfsfuncties in lage milieucategorieën.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
83
Uit: BCI, Marktverkenning Life Sciences&Health en quick scan Verduurzaming U4-regio, 4 februari 2021
84
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Wetenschap / USP+USP-Bilthoven We kiezen ervoor om het specifieke profiel van het Utrecht Science Park (USP) te versterken: het Utrecht Science Park is het kloppende hart van een van Europa’s meest competitieve regio’s en het grootste science park van Nederland, met dagelijks 27.000 medewerkers en ruim 51.000 studenten. Op het Utrecht Science Park werken top kennis- en onderzoeksinstituten en hoogwaardige R&D bedrijven intensief samen om nieuwe oplossingen te vinden voor een langer en gezonder leven, nu en in de toekomst. Er wordt gewerkt aan een gezonde en duurzame leefomgeving onder de noemers Life Sciences & Health. Het is een plek waar inspiratie, ontmoeting en samenwerking centraal staan. Het science park vormt het hart van de Utrechtse kenniseconomie en is een broedplaats voor innovatie. Het USP ontwikkelt zich steeds verder als internationale toplocatie voor Life Science & Health bedrijvigheid. De totale ruimtevraag voor Life Science & Health tot 2040 bedraagt 155.000m² voor R&D bedrijfsruimte. 110.000 m² productieruimte en 55.000m² kantoorruimte. Tot 2040 levert dit 8.980 extra banen op. (Bron: Buck Consultants International (BCI), ambtelijk concept Marktverkenning Life Sciences&Health en quick scan Verduurzaming U4-regio, 4 februari 2021)‘.
De uiteindelijke groei is wel afhankelijk hoe succesvol de regio weet in te zetten op de verbetering van het totale ecosysteem voor Life Science & Health bedrijvigheid. Het gaat daarbij naast ruimtelijke aspecten zoals bereikbaarheid, adequate huisvesting, gedeelde onderzoeksfaciliteiten en kwaliteit omgeving bijvoorbeeld ook om internationale marketing en acquisitie, het beschikbaar blijven van talent, het faciliteren van ondernemerschap en financiering. Gemeenten, de provincie Utrecht en het USP werken samen in het creëren van het optimale klimaat en een locatieaanbod dat zo goed mogelijk aansluit bij de marktwensen. De ruimte op USP en USPB komt vooral na 2025 vrij. Om in de periode daarvoor bedrijven te kunnen opvangen is huisvesting mogelijk op De Wetering Zuid en de TNO locatie Zeist. Rijnsweerd-Daltonlaan is geschikt als locatie voor kantoren waarvoor huisvesting zo dicht mogelijk bij het USP van belang is. Voor het USP en USP B zijn de volgende principes richtinggevend voor de ruimtelijke ontwikkeling.
USP en USP B • Transformatie en verdichting van het USP is noodzakelijk om ruimte te bieden aan nieuwe bedrijvigheid • Ruimte bieden aan bedrijven die een sterke focus hebben op vernieuwende top R&D (fundamenteel onderzoek) op het gebied van life sciences, health en duurzaamheid • Herontwikkeling van USP B na vertrek van het RIVM gericht op productie (pharma) en gerelateerde R&D. Ontwikkeling Schapenweide voor 50.000m² Life Science bedrijvigheid met focus op R&D. • Ruimte bieden aan specifieke woonvormen op het USP. Gaat met name om werkgerelateerd wonen, denk aan studenten, expats en zorgpersoneel. • Ruimte bieden voor specifieke voorzieningen (24/7) die passen bij het USP. • Verbetering van de bereikbaarheid van het USP (o.a doortrekken HOV-verbinding, maar ook nieuwe fietsverbindingen, parkeren op afstand en mobiliteitsmanagement) is nodig bij de beoogde verdichting en groei van het aantal banen. Hieronder valt ook betere spreiding van de piekbelasting voor zowel auto als fiets en (H)OV waardoor de huidige infrastructuur beter benut wordt. • Verbeteren OV bereikbaarheid en fietsbereikbaarheid op de as Station Bilthoven-USP B- USP • •
•
Andere locaties Snelle herontwikkeling op de TNO locatie Zeist om op korte termijn tot 2025 opvang te creëren voor Life Science bedrijvigheid met focus op R&D (20.000m2). Actief aanbieden beschikbare kavels De Wetering Zuid voor het kunnen huisvesten van Life Science bedrijvigheid (R&D en medtech productie)op de korte termijn tot 2025. Rijnsweerd-Daltonlaan als locatie voor USPgerelateerde kantoren dichtbij USP.
De Life Science bedrijvigheid rond het USP kent nog geen lange geschiedenis waardoor de precieze groei nog lastig te voorspellen is. Elke 5 jaar zal opnieuw gekeken moeten worden naar de snelheid van de groei. Mocht de groei hoger uitpakken dan voorzien dan zal opnieuw gekeken moeten worden of het USP en USP B in de huisvesting kunnen voorzien of nieuwe locaties moeten worden aangewezen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
85
Bedrijventerreinen in de regio Utrecht behouden: in huidige staat behouden facelift: lichte verbeteringen in de uitstraling van het terrein revitaliseren: grotere ingrepen in de openbare ruimte en op private kavels. herontwikkelen; ingrepen gericht op het vernieuwen van de ondergrondse en bovengrondse infrastructuur en het oplossen van knelpunten zoals parkeerproblematiek, uitbreidingsruimte van bedrijven en dergelijke. herprofileren: bedrijventerreinfunctie verandert, bijvoorbeeld lagere/hogere milieucategorieën, kantoorachtige bedrijvigheid in plaats van industrie/bouw of publiekstrekkende functies (zorg, onderwijs). transformeren: mengen of vervangen van werk voor andere functies
86
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Bedrijventerreinen In totaal telt de regio 111 bedrijventerreinen waar grond is uitgegeven. De gezamenlijke oppervlakte (netto uitgegeven) van deze terreinen is circa 1.689 hectare. Bedrijventerreinen in de U16 huisvesten ruim 8.000 vestigingen die goed zijn voor bijna 137.000 banen. Daarmee is zo’n 25% van alle werkgelegenheid in de regio gevestigd op een bedrijventerrein. In de U16 zijn dienstensectoren verantwoordelijk voor een relatief groot deel van de werkgelegenheid. Denk daarbij op bedrijventerreinen met name aan beveiligingsbedrijven, schoonmaakbedrijven en facilitaire diensten, industrieel ontwerp, ingenieurs en technisch ontwerp, leasebedrijven, verhuur van machines en uitzendbureaus, maar ook ICTbedrijven, financiële en zakelijke diensten. Andere sectoren die sterk vertegenwoordigd zijn op bedrijventerreinen zijn de maakindustrie, logistiek & groothandel, industrie, en bouw, handel en reparatie. Dit zijn sectoren die van oudsher veelal op bedrijventerreinen zijn gevestigd, vanwege functionaliteit (o.a. beschikbare ruimte, ontsluiting) en bijvoorbeeld geluid- en hindercirkels. De vraag naar bedrijventerreinen is 216 ha tot 2040 inclusief XXL logistiek (circa 10% van de vraag). Deze is pluriform, een uiteenlopende behoefte van grotere en kleinere kavels, variërend van optimale autobereikbaarheid, milieucontour, ov bereikbaarheid en nabijheid van de stad.
Door indeling in stedelijke en functionele terreinen kunnen we een maatwerk aanpak ontwerpen. In het regionaal programma staan deze typologieën uitgebreid beschreven. Stedelijke werkmilieus Tekort van 60 ha accommoderen we via een mix van mengen en intensiveren op terreinen in of dicht tegen stad Utrecht aan. Functioneel kleinschalig Ook circa 60ha die we accommoderen door kleinschalige uitbreidingen van lokale terreinen. Deels wordt in die uitbreidingen voor de periode tot 2030 door al door de provincie Utrecht geborgde terreinen voorzien. Functioneel grootschalig De circa 60ha vraag accommoderen we door nieuwe regionale terreinen te realiseren op de best mogelijke plekken. Regionale bedrijventerreinen zijn gericht op de groei van het huidige bedrijfsleven en gekoppeld aan de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.
Voor elk bedrijventerrein een plan Alle bestaande en nieuwe bedrijventerreinen moeten een aandeel bijdragen aan de ambitie richting een circulaire economie in 2050 en we werken uit per terrein wat die bijdrage kan zijn. Alle werklocaties in de regio zullen ook hun bijdrage leveren aan de energietransitie, door te werken aan energieneutrale of zelfs energieleverende werklocaties. Om daar te komen is een slimme inventarisatie grondstofstromen regio Utrecht nodig met bijbehorende ketenpartijen, die deze weegt en relateert ten opzichte van de ketenpartijen over de regiogrenzen. Gemeenten kunnen sterk bijdragen aan versnelde opschaling van circulaire bedrijvigheid in de regio. Door meer en efficiëntere afstemming, kennisopbouw en -uitwisseling. Waar mogelijk kiezen overheden bij alle investeringen, inkoop, aanbestedingen (tenders) en onderhoudsuitgaven voor energie neutrale, klimaatbestendige en circulaire oplossingen en toepassingen. Kansrijke startups die we identificeren, gaan we met behulp van de Regionale Ontwikkel Maatschappij helpen met het uitwerken van circulaire business development. Bij de innovatieprogramma’s die we daarvoor maken komt er een focus op circulaire oplossingen die lokale sociaaleconomische meerwaarde creëren. Zichtbare innovatie locaties zijn noodzakelijk om de circulaire economie te versnellen.
Dit onderstreept ook het van belang om voldoende aanbod van bedrijfsruimte te hebben die qua prijs en faciliteiten goed aansluit bij deze doelstelling. Alle werklocaties onderzoeken hun bijdrage aan de regionale energie ambitie. Intensiveren van bestaande en nieuwe terreinen voor efficiënte ruimtewinst Een van de kenmerken van de 1800 ha aan bedrijventerrein in de regio U16 is de variëteit in verhouding bedrijfskavel en effectief gebruik en daarnaast het aantal werknemers per m2 bedrijfskavel. Op diverse terreinen valt ruimtewinst te behalen door naar een moderne intensiteit van ruimtegebruik toe te werken met eigenaren en ontwikkelaars. Verdiepend onderzoek laat zien dat dit kan door 1) regels over ruimtegebruik ruimer te maken 2) actief bij verhuizingen of locatieontwikkeling afspraken te maken over intensivering of 3) door actieve grondpolitiek. Voor alle terreinen ligt een suggestie welke van de drie opties passend is. Hoe sterker we kunnen inzetten op intensivering, hoe kleiner de behoefte aan uitbreidingslocaties is.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
87
Foto: S. Grazia 88
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Intensiveren blijkt in de U16 praktijk maar ook elders in Nederland soms zeer hardnekkig, kostbaar, tijdrovend en kennisintensief, maar er zijn voorbeelden waarbij via simpele verruiming van ruimtelijke regels ruimtewinst wordt geboekt. De totale mogelijke ruimtewinst via intensivering is lastig vooraf in te boeken. Het vraagt langdurig commitment van Rijk, regio en provincie. Tijdig bijsturen door alsnog meer uit te breiden moet altijd een optie zijn. We zetten ons in voor een voorlopige bandbreedte, maar het bereiken van die doelstelling is vooraf geen gegeven. Intensiveren vraagt bijvoorbeeld om oplossingen in de mobiliteitsmix van werklocaties. Ruimte voor de circulaire economie borgen we op de meest kansrijke terreinen De U16 bevat een aantal bedrijventerreinen met een hoge ‘next economy’ potentie. Die potentie relateert aan bijvoorbeeld eigenschappen op het gebied van logistiek, ligging aan weg- en vaarwegen en ruimte voor wat zwaardere milieucontouren. We handhaven deze terreinen voor de circulaire economie. De komende tijd willen we het netwerk tussen deze terreinen voor mensen en goederen en de afnemers in stedelijke gebieden verder versterken.
Uitgangspunten en randvoorwaarden voor regionale terreinen In 2040 zijn onze bedrijventerreinen regionaal complementair. We ontwikkelen een select aantal regionale terreinen voor functionele grootschalige bedrijvigheid, waarop grotere bedrijven met regionale binding worden geaccommodeerd. Deze terreinen dienen tegelijk als schuifruimte voor de intensiveringsopgave van lokale terreinen. Bovendien landen op deze terreinen de bedrijven die we graag voor de regio willen behouden maar te groot zijn geworden voor lokale bedrijventerreinen. Regionale terreinen landen op de best mogelijke plekken. Ze zijn gelegen langs de assen van onze regio, zoals de A2 of de A12. Daarnaast liggen deze terreinen zoveel mogelijk nabij de stad Utrecht omdat het merendeel van de vraag daar vandaan komt. We zoeken regionale terreinen langs de vier windrichtingen, omdat ze voor personeel en toeleverende bedrijven op korte afstand van de woongebieden moeten liggen en zo reisafstanden beperkt blijven. Op de IRP kaart hebben we een aantal zoekgebieden hiervoor aangewezen. Regionale terreinen hebben een zodanige omvang en kavelgrootte dat ze niet concurrerend zijn met lokale terreinen. Nieuwe plannen stemmen we regionaal af en die afspraak leggen we vast in een regionaal uitgifteprotocol. Hoe breed en bindend die afstemming wordt gaan we jaarlijks evalueren.
Aan regionale terreinen hechten we een hoog ambitieniveau toe op een integrale benadering van landschappelijke inpassing, mobiliteit en intensief ruimtegebruik. Bandbreedte als inzet regionaal programmeren als basis voor jaarlijkse herijking De bandbreedte (alle cijfers zijn orde van grootte in hectares) die we aanhouden voor het accommoderen van de vraag naar terreinen is als volgt: Intensivering en menging 40-70 ha Uitbreiding 43 ha via PRS locaties (bestaande harde afspraken) 60 hectare regionale terreinen + lokale terreinen (huidige wensen opgenomen als zachte plannen in regionaal programma) Niet accommoderen 29 ha xxl logistiek
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
89
Winkelgebieden in de regio Utrecht
Winkelgebieden De hoofdwinkelstructuur U16 bestaat uit de volgende hiërarchie: • Binnenstad: de binnenstad van Utrecht heeft de grootste reikwijdte in U16, met een sterk bovenregionale/landelijke aantrekkingskracht. Zij heeft daarmee een unieke positie. • Regionale centra: de reikwijdte van deze winkelgebieden overstijgen de gemeentegrenzen en hebben daarmee een regionale aantrekkingskracht. Deze groep winkelgebieden is zeer divers in functioneren en hebben een omvang van circa 10.000 tot 45.000 m² benut winkelvloeroppervlak. • Stadsdeelcentra: deze winkelgebieden bedienen de stadsdelen van gemeente Utrecht en hebben naast dagelijks aanbod een sterk profiel op mode- en vrijetijdswinkels. • Bovenlokale boodschappencentra: deze winkelgebieden zijn doorgaans de belangrijkste aankooplocaties binnen de kleinere gemeenten. Ze onderscheiden zich ten opzichte van kleinere dorpscentra en wijkcentra door functiemix met naast een dagelijks profiel ook beperkt recreatief winkelen, horeca en maatschappelijke voorzieningen. De winkelgebieden hebben bovendien vaak een toeristisch profiel. De reikwijdte is bovenlokaal (kernoverstijgend en soms gemeente-overstijgend). De omvang varieert van circa 2.000 tot 10.000 m² wvo. • Perifere concentraties: deze winkelgebieden richten zich op doelgerichte aankopen.
Deze groep is zeer divers met enkele winkelgebieden met een sterk regionale aantrekkingskracht zoals Woonboulevard Utrecht, Ravenswade en The Wall tot winkelgebieden met een bovenlokale aantrekkingskracht zoals de Nijverheidsweg Maarsen en winkelcentrum De Maat (Houten). Voor deze groep winkelgebieden gelden branchebeperkingen ter behoud van toekomstperspectief van reguliere winkelgebieden. Uitgangspunten bij de hoofdwinkelstructuur U16 We stellen voor de volgende uitgangspunten te hanteren bij de hoofdwinkelstructuur: 1. Inzet op een vitale, compacte winkelstructuur met naast winkels ook publieksgerichte functies, zoals horeca, cultuur, sport en maatschappelijke functies. Concentratie van winkels in een beperkt aantal compacte gebieden is noodzakelijk. 2. Alle toekomstige winkelinitiatieven in de U16 dienen bij te dragen aan het versterken van de regionale hoofdwinkelstructuur. Lokaal maatwerk buiten de hoofdwinkelstructuur is mogelijk voor kwantitatieve
toevoeging van dagelijkse winkelmeters als gevolg van forse woningbouw, kwalitatieve versterking van het dagelijks aanbod en zeer kleinschalige lokale winkels. 3. Bij afweging van winkelinitiatieven en eventuele uitbreidingsplannen houden we rekening met de positie en functie van winkelgebieden in de hiërarchische hoofdwinkelstructuur. Opschalen binnen de hoofdwinkelstructuur (bijvoorbeeld van lokaal boodschappencentrum naar regionaal centrum) is onwenselijk. Voor diverse winkelgebieden kan dit het bijstellen van de ambitie betekenen. 4. Solitaire winkelvestigingen zijn geen onderdeel van de regionale hoofdwinkelstructuur, met uitzondering van kleine winkels, van belang voor kleine kernen en het buitengebied omdat ze de leefbaarheid stimuleren, zoals landwinkels. Onze inzet is erop gericht om deze solitaire winkelvestigingen te verleiden tot verplaatsing naar winkelgebieden binnen de regionale hoofdwinkelstructuur en bij leegstand de winkelbestemming te verwijderen (door transformatie). Wij bepalen onze acties door winkelgebieden in te delen in concentratiegebieden, balansgebieden en transitiegebieden: •
•
•
Concentratiegebied: afgebakend thematisch of kern/ hoofdwinkelgebied binnen de hoofdstructuur waar de sterkste winkelactiviteiten plaatsvinden en de toekomstpotentie het grootst is. Doel is het kwalitatief en kwantitatief versterken van deze gebieden. Nieuwe (innovatieve) uitbreidingsinitiatieven dienen te landen in deze gebieden. Balansgebied: afgebakend winkelgebied binnen de hoofdwinkelstructuur waar sprake is van behoud van de huidige voorraad aan meters, al dan niet door middel van actieve sturing. Doel is het behouden van deze gebieden en kwalitatief versterken (niet in winkelmeters). Voor behoud van de winkelfunctie is doorgaans de uitdaging om het kernwinkelgebied compacter te maken. Transitiegebied: (winkel)gebied/locatie waar de winkelvoorraad mogelijk (grotendeels) wordt onttrokken. Het kan gaan om actieve sturing of passieve sturing. Transitiegebieden kunnen onderdeel zijn van de hoofdwinkelstructuur, maar ook daarbuiten vallen.
Uitwerking vervolgstrategie Met deze vervolgstrategie wordt zowel ingezet op goede afstemming van nieuwe initiatieven als het toekomstbestendig maken van bestaande winkelgebieden.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
91
Foto: Nieuwegein A27, bron onbekend 92
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
THEMA ENERGIE NB Zoekgebieden elektriciteitsopwek worden nog toegevoegd. Parallel aan de ontwikkeling van het IRP ontwikkelt de U16 samen met de provincie en de waterschappen de Regionale Energiestrategie U16. De RES is ook een pijler van het REP. De besluitvorming over de RES 1.0 is verruimd tot oktober. In deze versie van het IRP is het onderdeel Energie nog niet volledig ingevuld. Bij de besluitvorming over het IRP zullen wij een memo ‘samenhang voorstel RES 1.0 – voorstel IRP’ voegen. In dit memo beschrijven wij waar de energieopgave andere opgaven aanvult en waar mogelijk sprake is van botsende belangen. In het Nationaal Klimaatakkoord (2019) is afgesproken de CO2-uitstoot in 2050 met 95% gereduceerd te hebben ten opzichte van 1990. Voor 2030 is 49% als tussendoel gesteld. Dit is ook vastgelegd in de Klimaatwet (2019). In het Klimaatakkoord zijn daarbij doelen gesteld en afspraken gemaakt over elektriciteit, (verwarming van) de gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik en mobiliteit. Wij nemen de landelijke doelstellingen als gezamenlijk uitgangspunt. Natuurlijk kunnen gemeenten zelf aanvullende ambitieuzere doelstellingen vastleggen. Meerdere gemeenten hebben dit gedaan. Participatie is onontbeerlijk om bovenstaande doelen te kunnen halen.
Niet alleen is het succes afhankelijk van heel veel individuele keuzes van inwoners en bedrijven over de verduurzaming van onder andere hun huis en bedrijf, ook wordt de transitie voor een ieder zichtbaar in haar omgeving. Om de doelen te bereiken werken we samen met vele maatschappelijke partners. Van energiecoöperaties tot bedrijven die energiemaatregelen nemen, van huiseigenaren die hun woning isoleren en uiteindelijk aardgasloos maken tot woningcorporaties die gestaag hun hele woningvoorraad verduurzamen, van Stedin (netbeheerder) tot boeren die het dak op hun stallen benutten voor zonnepanelen. Als U16 gemeenten werken we met provincie Utrecht en de waterschappen in de Regionale Energiestrategie U16 (RES) samen aan de energietransitie. De RES U16 is onderdeel van het Nationaal Programma en richt zich hoofdzakelijk op het realiseren van duurzame elektriciteitsopwek en het verduurzamen van de gebouwde omgeving.
Onze strategie om aan deze doelen bij te dragen is: 1. energie besparen 2. omschakelen naar duurzame technieken, en daarbij 3. benutten van duurzame energiebronnen in de regio. Dit werkt door in alle pijlers. 1. Besparen De meest duurzame energie is energie die niet hoeft te worden opgewekt. Besparen is daarom een belangrijke pijler van de strategie. Dat wil zeggen isolatie van gebouwen, energiezuinigere productieprocessen en apparaten en energiezuiniger vervoer. Energiebesparing komt dicht bij bewoners en bedrijven. Het ligt voor de hand dat gemeenten hier een belangrijke rol in spelen richting bewoners en bedrijven. Bijvoorbeeld door ze kennis en ondersteuning aan te bieden via Het Regionaal Energieloket en Jouwhuisslimmer, lokale acties op te zetten en actief toezicht te houden op de bedrijven. Bijvoorbeeld door ze kennis en ondersteuning aan te bieden via het regionale energieloket Jouwhuisslimmer, lokale acties op te zetten en actief toezicht te houden op de bedrijven. 2-3. Omschakelen naar duurzame technieken en benutten regionale duurzame energiebronnen Wanneer we spreken over energie dan hebben we het over elektriciteit en warmte. Het verwachte totale energieverbruik van bijvoorbeeld het verwarmen van gebouwen, het gebruik van elektrische apparaten en mobiliteit in de U16 in 2050 is 27,4 TWh.
Wanneer we maximaal isoleren en elektrificeren (denk aan elektrisch vervoer en verwarming van woningen met warmtepompen) dan kunnen we dat terugbrengen tot 13,5 TWh waarvan 10,8 TWh elektriciteit. Elektriciteit In uitwerking van de landelijke doelstelling en in relatie tot onze eigen elektriciteitsbehoefte gaan we ten minste 1,8 TWh duurzame opwek realiseren in 2030. Daar maken we ruimte voor. Dat kan bijvoorbeeld met 15% benutting van grote dakoppervlakten + 45 grote windmolens + 800 hectare zonneveld. 1,8 TWh is 1/6 van de verwachte elektriciteitsbehoefte in 2050. Ook na 2030 is er een substantiële opgave. De omvang daarvan is nog niet duidelijk (zie paragraaf ‘extra opgave na 2030’ hieronder). (Energieanalyse U16, 2018)
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
93
De RES U16 plannen voor duurzame elektriciteitsopwek worden landelijk beoordeeld op: kwantiteit, ruimtelijke kwaliteit, net efficiëntie en maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Bij het bepalen van locaties voor elektriciteitsopwek zijn onze leidende principes: 1. We zetten maximaal in op zon-op-dak, daarmee kunnen we de opgave gedeeltelijk realiseren 2. Er is potentieel voor windmolens: і vooral langs infrastructuur і bij bedrijventerreinen і in agrarische gebied en in combinatie met de groene scheggen 3. Vanuit net efficiëntie en maatschappelijke kosten is clustering van elektriciteitsopwekking wenselijk 4. Vanuit net efficiëntie en maatschappelijke kosten is de juiste mix van zonnevelden en windmolens van belang. De noodzakelijke elektriciteitsinfrastructuur voor windmolens is goedkoper dan voor zonnevelden (factor 3). Op het huidige netwerk is meer ruimte om clusters van windmolens aan te sluiten (grotere projecten kunnen namelijk op andere stations worden aangesloten) 5. Voor zonnevelden ligt de focus op meervoudig ruimtegebruik 6. Wij streven naar een goede samenhang van lusten en lasten en naar wederkerigheid in de interbestuurlijke verhoudingen. Waar de opgave voor duurzame opwek ruimtelijk zal landen en hoe de verdeling tussen zon-op-dak, zonnevelden en windmolens exact zal zijn wordt parallel en in verbinding met het IRP uitgewerkt in de RES.
Naarmate zoekgebieden meer zijn uitgekristalliseerd worden koppelingen met andere opgaven mogelijk. Zo kan invulling gegeven worden aan een goede samenhang van lusten en lasten en wederkerigheid in de bestuurlijke verhoudingen. In fase 4 (programmeren) is ruimte om dat verder in te vullen.
94
Aanvullende opgave na 2030 De RES-opgave stopt niet in 2030; tot 2050 zal de ontwikkeling naar duurzame opwek én gebruik van duurzame warmtebronnen doorgaan. De verwachte elektriciteitsbehoefte in 2050 is 10,8 TWh (met maximaal isoleren en elektrificeren). Er ligt dus nog een aanvullende opgave na 2030. Het is van belang daarmee ruimtelijk al rekening te houden. In de Ontwerp RES U16 is opgenomen dat voor de periode 2030-2040 onderzocht wordt hoe invulling gegeven kan worden aan nogmaals eenzelfde deel van de opgave (1,8 TWh). De uiteindelijke omvang van de aanvullende opgave tot 2040 en 2050 is nog niet te bepalen. Dat heeft een aantal redenen: • Er is landelijk een kwantitatief doel gesteld voor 2030, maar nog niet voor 2040 en 2050. • Een deel van de U16-gemeenten heeft vastgesteld eerder dan in 2050 klimaat- of energieneutraal te willen zijn. Dat kan leiden tot een opgave groter dan 1,8 TWh. • Het is nog niet duidelijk welke technieken we na 2030 kunnen toepassen. Voor de periode tot 2030 wordt gewerkt met bewezen technieken (zon-op-dak, zonnevelden en windmolens). Voor de periode na 2030 moet er nog veel uitkristalliseren: і Hoe gaan we regionaal voorzien in de warmtevraag? Meer elektrificatie betekent meer elektriciteitsbehoefte.
і Hoe ontwikkelt (duurzame) mobiliteit zich? Er zal sowieso geëlektrificeerd worden, in hoeverre gaat waterstof (van buiten de regio) een rol vervullen? і Mogelijke landelijke ontwikkelingen in de elektriciteitsproductie. і Mogelijke technieken voor duurzame opwek aanvullend op zon-op-dak, zonnevelden en windmolens.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Duurzame warmte Ook voor onze warmtebehoefte gaan we gebruik maken van duurzame bronnen. In de U16 zijn hiervoor de eerste stappen gemaakt. Alle gemeenten leggen in 2021 in hun Transitievisies Warmte (TVW) vast hoe zij dit willen gaan doen, in welk tempo en welke warmteoplossingen in welke wijken/buurten/gebieden het meest voor de hand liggen. Regionaal werken we samen waar nodig en gewenst. In de warmteparagraaf van RES, de Regionale Structuur Warmte (RSW), maken we afspraken over hoe we omgaan met ontwikkeling en gebruik van bovengemeentelijke warmtebronnen. We hebben ten behoeve van de Transitievisies warmte en de RSW onderzoek gedaan naar de potentiële warmtebronnen en de warmtevraag in de regio U16. Op deze manier is er veel informatie beschikbaar gekomen over warmtebronnen die zich in de regio bevinden. We maken een onderscheid tussen warmtebronnen die beter lokaal ingezet kunnen worden en warmtebronnen die een bovengemeentelijke potentie hebben. De bronnen met bovengemeentelijke potentie zijn de bronnen waar regionale afstemming nodig is. Ook is gekeken op welke warmtethema’s regionale samenwerking wenselijk is. Daarbij gaat het om onderwerpen waar meerdere gemeenten mee te maken krijgen in de warmtetransitie, zoals het isoleren van woningen of het opstellen van een businesscase voor een lokale warmtebron. Ook bedrijven maken de omschakeling naar andere warmtebronnen.