CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 'Vaststellen bestemmingsplan Kerkwetering 13 - 14' - Bijlage 2 (Bestemmingsplan).pdf

Forum Samenleving 25 oktober 2021, gemeente OudewaterBij agendapunt: 4.: Raadsvoorstel ‘Vaststellen bestemmingsplan Kerkwetering 13 – 14’32.106 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

19087 Nieuwbouw woningen Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater i.o.v A.C. de Boer

BESTEMMINGSPLAN

Status Concept

Datum 27-08-2020 20-11-2020 11-01-2021 21-01-2021 01-02-2021

Arco Architecten BNA Donkere Gaard 1-4 3421 AS OudewaterTel: 0348-561607

Opmerkingen

Nieuwe situatie tekeningen aangepast Onderdelen bodem en duurzaamheid aangepast Onderdeel bodem en planregels t.a.v. geluidscherm (pag. 57)

Inhoudsopgave 1

INLEIDING 1.1 1.2 1.3 1.4

2

AANLEIDING LIGGING PLANGEBIED GELDENDE PLANOLOGISCHE SITUATIE LEESWIJZER

3 3 5 6

PLANBESCHRIJVING / INITIATIEF

7

2.1 2.2

3

BESCHRIJVING BESTAANDE TOESTAND BESCHRIJVING NIEUWE SITUATIE

BELEID 3.2 RIJKSBELEID 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) 3.1.2 Barro 3.3 PROVINCIAAL BELEID 3.3.1 Provinciale structuurvisie 2013 - 2028 3.4 GEMEENTELIJK BELEID 3.4.1 Structuurvisie gemeente Oudewater 2005 3.4.2 Bestemmingsplan Kern Oudewater 3.4.3 Welstandsbeleid

4

3

OMGEVINGSASPECTEN 4.1 MILIEU 4.1.1 Milieueffectrapportage (m.e.r.) 4.1.2 Bodem 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Geluid 4.1.5 Bedrijven en milieuzonering 4.1.6 Externe veiligheid 4.2 WATER 4.3 VERKEER EN PARKEREN 4.4 ECOLOGIE 4.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.5.1 Wettelijk kader archeologie 4.6 CULTUUR HISTORISCHE WAARDEN 4.6 OVERIGE REALISERINGS- EN UITVOERINGSASPECTEN 4.7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7 9

11 11 11 11 12 12 14 14 14 15

16 16 16 16 19 21 25 27 33 35 36 40 40 42 43 44

5

DUURZAAMHEID

45

6

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

46

5.1 5.2 5.3

OVERLEG ZIENSWIJZEN CONCLUSIE

46 46 46

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 1

REGELS HOOFDSTUK 1: INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 1: Begripsbepalingen Artikel 2: Wijze van meten HOOFDSTUK 2: BESTEMMINGEN EN GEBRUIK Artikel 3: Woondoeleinden (W) Artikel 4: Erven (E) Artikel 5: Tuinen (T) Artikel 24: Gebruik van gronden en bouwwerken HOOFDSTUK 3: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 25: Percentages en dubbeltelbepaling Artikel 26: Bestaande afstanden en maten Artikel 27: Hoogteaanduidingen Artikel 28: Overschrijding bouwgrenzen Artikel 29: Algemene vrijstellings-en wijzigingsbevoegdheden Artikel 31: Algemene procedurevoorschriften Artikel 32: Aanvullende werking Bouwverordening HOOFDSTUK 4: OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 33: Overgangsbepalingen Artikel 34: Strafbepaling Artikel 35: Titel BIJLAGEN REGELS Bijlage 1. Staat van Bedrijfsactiviteiten Bijlage 1. Bedrijfsinventarisatie d.d. juli 2004

BIJLAGEN

47 47 47 50 51 51 52 53 54 55 55 55 55 56 56 57 57 58 58 58 59 60 60 61

62

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 2

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op het perceel aan de Kerkwetering 13 te Oudewater zijn meerdere bestemmingen waaronder de enkelbestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’, de enkelbestemming ‘Woondoeleinden’, de enkelbestemming ‘Tuin’ en de enkelbestemming ‘Erven’ van toepassing. De huidige bebouwing op het perceel bestaat uit een woning en een loods/schuur. Verder wordt het pand niet bestempeld als gemeentelijk of rijksmonument. De wens is ontstaan om het bestaande bebouwing te slopen en op het perceel twee grondgebonden woningen (twee onder één kap woning) te realiseren. Middels het dicteren van een nieuw bouwvlak worden het bestaande ritme van bouwblokken verder aangevuld, passend in de reeds aanwezige stedenbouwkundige opzet zoals bij Kerkwetering 15 t/m 16. Het voorliggende bestemmingsplan heeft tot doel om deze bestemmingswijziging te motiveren.

1.2

Ligging plangebied De planlocatie ligt in het ‘Bestemmingsplan Kern Oudewater’ (vastgesteld op 8 juni 2006) aan de Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater. Het plangebied is aangegeven in figuur 1.1 en 1.2. In onderstaande plankaart (figuur 1.1) is het plangebied met een ronde stip aangeduid.

Figuur 1.1: Plankaart plangebied met omgeving (bron Google Maps, 18-08-2020)

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 3

Figuur 1.2: Luchtfoto plangebied met omgeving (bron kadastrale kaart, 18-08-2020)

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 4

1.3

Geldende planologische situatie Voor het plangebied geldt het volgende, door de gemeenteraad van Oudewater vastgestelde, bestemmingsplan: Bestemmingsplan : ‘Kern Oudewater’ Raadsbesluit : 8 juni 2006 Kerkwetering 13 en 14 bestaat uit de perceelnummers 6365, 6366 en 7174. Op deze percelen zijn meerdere bestemmingen van toepassing: de enkelbestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’, de enkelbestemming ‘Woondoeleinden’, de enkelbestemming ‘Tuin’ en de enkelbestemming ‘Erven’. Daarnaast zijn de bestemmingen ‘Bedrijfsdoeleinden’ aangeduid met een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I’. Dit betekend dat de het is toegestaan om de aangeduide bestemmingen op de bestemmingsplan kaart te wijzigen in de bestemmingen ‘Woondoeleinden’ of ‘Erven en tuinen’, mits bepaalde voorwaarden in artikel 30.1 in acht worden genomen.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘Bestemmingsplan Kern Oudewater’, met in rood de desbetreffende percelen.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 5

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de ontstaansgeschiedenis van de desbetreffende locatie uiteengezet. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader verwoord. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 4 omvat de omgevingsaspecten, waaronder verschillende aspecten zoals milieu, water en archeologie. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de uitvoerbaarheid. Hier wordt ingegaan op de uitkomsten van de inspraak. Hoofdstuk 6 geeft een motivatie van het voorgestelde plan voor de locatie.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 6

2

Planbeschrijving / Initiatief

2.1

Beschrijving bestaande toestand De percelen waarop het plan betrekking heeft, staan kadastraal bekend als gemeente Oudewater, sectie B, nummer 6365, 6366 en 7174 (figuur 2.2). De bebouwing op de percelen bestaan uit een woning (bestemming: woondoeleinden), een schuur (bedrijfsbestemming) en de bestemming erven. Het vigerende bestemmingsplan schrijft voor woningdoeleinden, een maximum goothoogte van drie meter.

Figuur 2.1: situatie tekening bestaande toestand De planlocatie ligt in de straat Kerkwetering, een bebouwingstrook aan de noordelijke entree van Oudewater. Deze bebouwingsstrook kenmerkt zich door zeer diverse bebouwing, zowel in functie, oriëntatie als omvang. Woningen met bijbehorende erfbebouwing in verschillende omvang en hoogte worden hier afgewisseld door kleine en grote bedrijfsgebouwen waarin uiteenlopende activiteiten plaatsvinden. De woningen worden ontsloten vanaf de Kerkwetering die in het noorden aansluit op de Joh. J. Vierbergenweg en zijn georiënteerd op het open veenweidegebied in het westen. De bedrijven oriënteren zich meer op de Joh. J. Vierbergenweg. De bebouwingszone wordt aan de oostzijde door een sloot gescheiden van de Joh. J. Vierbergenweg.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 7

Figuur 2.2: Foto’s bestaande situatie – Bron: Google streetview maart 2009

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 8

2.2

Beschrijving nieuwe situatie De bestaande bebouwing op de percelen bestaande uit een woning en een hal met bedrijfsbestemming zullen worden geamoveerd. In de nieuwe situatie zal er een nieuwe twee onder één kap woning worden gerealiseerd met bijbehorende bouwvlak wonen. De bedrijfsbestemming op desbetreffende percelen zal te komen vervallen. De vorm, positionering en grootte van het volume van de twee woningen zal gelijkwaardig zijn met die van de Kerkwetering 15 t/m 16. Beide woningen zullen een bebouwd oppervlak krijgen van 125m2. Afstanden tot de zijdelingse erfgrens bedraagt 2,1 meter en 1,8 meter. De maximum goothoogte zal zes meter bedragen. Deze nieuwe opzet voor het bestemmingsplan is gelijkwaardig aan de opzet van de woningen op Kerkwetering 15 t/m 16. Voor het ontwerp zijn de voorwaarden uit het ‘Bestemmingsplan Kern Oudewater’ in acht genomen: - behoud van enige openheid in het bebouwingslint; - de bebouwingsstructuur dient te zijn opgebouwd uit losse bouwvolumes met een individuele uitstraling; - een strakke voorgevelrooilijn ten behoeve van een duidelijke structuur en een evenwichtig straatbeeld; - nieuwe erfbebouwing aan de zijde van de Joh. J. Vierbergenweg dient een kleinschalig karakter te hebben; het groene beeld aan de Joh. J. Vierbergenweg kan zodoende worden versterkt.

W

W

4

Figuur 2.3: Nieuwe situatie tekening met aanduiding van de twee nieuwe grondgebonden woningen (twee onder één kap woningen). Stedenbouwkundige opzet vergelijkbaar met Kerkwetering 15 t/m 16.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 9

E

E

W

W

E

E

T

T

E

E

T

Figuur 2.4: Nieuwe situatie tekening met nieuwe voorgestelde bestemmingsvlakken. Voorzijde: tuinbestemming en achterzijde woningen: erven bestemming.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 10

3

Beleid

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van Rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

De stedelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt het omzetten van een perceel met bedrijfsdoeleinden en een perceel met woondoeleinden in een dorpsgebied naar twee woonpercelen, elk met een zelfstandige woning. Deze passende vervolgfunctie sluit aan bij de bestaande dorpsstructuur en is van een dusdanig schaalniveau dat hieruit geen concrete rijksbelangen voortkomen. Het rijksbeleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

3.1.2

Barro De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het planinitiatief raakt geen rijksbelangen als genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Vanuit rijksbeleid zijn er derhalve geen beperkingen aan deze planontwikkeling.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 11

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Provinciale structuurvisie 2013 - 2028 De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) is door PS vastgesteld op 12 december 2016. Dit is een herijkte versie van de PRS zoals die door PS was vastgesteld op 4 februari 2013. De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De PRS geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) die tegelijk met de PRS is vastgesteld en herijkt. De PRS is een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Wro heeft de PRS alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De PRV zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten. In het ruimtelijke beleid van de provincie Utrecht heeft ruimtelijke kwaliteit een centrale plek. Volgens de provincie Utrecht heeft ruimtelijke kwaliteit betrekking op zowel het behoud van het bestaande als het creëren van nieuwe kwaliteit.

De afweging of een ruimtelijke ontwikkeling een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit legt de provincie Utrecht bij de gemeenten. De provincie Utrecht heeft in haar beleid wel geprobeerd aan te geven wat het voor haar om gaat bij ruimtelijke kwaliteit. Zij vindt bij ruimtelijke kwaliteit de volgende thema’s belangrijk: -

behouden van bestaande kwaliteiten en het versterken ervan; samenhang en continuïteit herstellen, ontbrekende schakels toevoegen, versnipperde onderdelen samenvoegen; diversiteit vergroten; robuustheid vergroten; beleefbaar en toegankelijk maken.

Het instrument van de zogenoemde rode (bebouwings)contouren is neergelegd in hoofdstuk 6.3 (rode contouren) van de PRS. Hierin is vastgelegd dat de verstedelijkingsambities moeten plaatsvinden binnen de rode contouren (stedelijk gebied). In de PRV is dit provinciale belang uitgewerkt in artikel 4.1 (Landelijk gebied). Het plangebied is gelegen binnen de rode contour van het ‘Bestemmingsplan Kern Oudewater’, zie de aanduiding op figuur 3.1, en daarmee binnen het stedelijke gebied. Met het toevoegen van een woning verdicht lokaal het stedelijke gebied, hetgeen passend is binnen de rode contour en daarmee het realiseren van de binnenstedelijke ambities ondersteunt.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 12

Figuur 3.1: Rode contour Oudewater – de project locatie wordt aangegeven met een rode punt. Bron: PRS 2013-2028 Provincie Utrecht)

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 13

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie gemeente Oudewater 2005 De structuurvisie geeft de koers aan voor de ruimtelijke ontwikkeling op de korte en middellange termijn en op de lange termijn (2015-2025). Hoewel deze visie inmiddels al enigszins is gedateerd, biedt deze visie nog steeds het ruimtelijk kader voor de gewenste gebiedsgerichte uitwerkingen op gemeentelijk schaalniveau. Lopende projecten worden met elkaar in verband gebracht en nieuwe projecten worden ingezet. De structuurvisie heeft de volgende functies: • de visie biedt een integraal en samenhangend ontwikkelingskader voor de ruimtelijke en programmatische ontwikkeling van Oudewater; • het is een toetsingskader voor de ontwikkeling van deelprojecten; • het zorgt voor communicatie, overleg en afstemming van het beleid op verschillende schaalniveaus, tussen zowel rijk, provincie en de gemeente, als de communicatie tussen het gemeentebestuur en de bevolking. Plan specifiek Het toevoegen van een extra woon bestemming, gepaard gaande met amovering van voormalige bedrijfsbebouwing en verhardingen voorziet in een verbetering van landschappelijke kwaliteiten. Er vindt geen verdere verdichting van de bebouwing plaats. De planontwikkeling is in overeenstemming met de Structuurvisie.

3.4.2

Bestemmingsplan Kern Oudewater Ter plaatse van de plangebieden geldt het ‘Bestemmingsplan Kern Oudewater’. Dit plan is vastgesteld door de gemeenteraad van Oudewater op 8 juni 2006. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder artikel 30, hierbij wordt de Kerkwetering (plan locatie) specifiek benoemd. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden die op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "Wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I" te wijzigen in de bestemmingen Woondoeleinden, Erven en Tuinen met inachtneming van de volgende voorwaarden benoemd in artikel 30.1, lid a t/m i: De ruimtelijk-visuele uitstraling van de achterkanten van de bedrijven en woningen naar de Joh. J. Vierbergenweg houdt te wensen over en dient waar mogelijk te worden verbeterd. Reeds in het vigerende bestemmingsplan was voorzien in de mogelijkheid om in deze zone zowel woningen als bedrijven te realiseren. Op basis van deze mogelijkheid zijn ter plaatse van de locatie Kerkwetering 18-20, 6 nieuwe woningen gerealiseerd. Voor de verdere invulling van deze zone met woningen, ter vervanging van uit te plaatsen bedrijven, zijn stedenbouwkundige randvoorwaarden geformuleerd in het vigerende ‘Bestemmingsplan Kern Oudewater’.

De belangrijkste randvoorwaarden zijn: - behoud van enige openheid in het bebouwingslint; - de bebouwingsstructuur dient te zijn opgebouwd uit losse bouwvolumes met een individuele uitstraling; - een strakke voorgevelrooilijn ten behoeve van een duidelijke structuur en een evenwichtig straatbeeld; - nieuwe erfbebouwing aan de zijde van de Joh. J. Vierbergenweg dient een kleinschalig karakter te hebben; het groene beeld aan de Joh. J. Vierbergenweg kan zodoende worden versterkt.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 14

3.4.3

Welstandsbeleid Aanvragen omgevingsvergunning dienen te worden getoetst aan eisen van welstand. Deze eisen hebben betrekking op het uiterlijk van bouwwerken en de situering van deze bouwwerken in hun omgeving. Gekeken wordt of het bouwwerk dat men wenst te plaatsen op zichzelf of in verhouding tot de omgeving voldoende passend is. De gemeenteraad van Oudewater heeft in 2004 een welstandsnota vastgesteld. Hierin staan criteria omtrent de redelijke eisen van welstand. Het gaat daarbij om de volgende aspecten: • • • • • •

karakteristiek van de bestaande bebouwing; openbare ruimte; landschap; stedenbouwkundige context; massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling; samenhang in het bouwwerk (de onderlinge relatie tussen samenstellende delen).

De criteria kunnen afhankelijk van de specifieke ruimtelijke kwaliteiten en uiterlijke kenmerken van de omgeving per dorp, wijk, buurt of deelgebied verschillen. Daartoe zijn in de welstandsnota specifieke gebiedscriteria opgesteld. Het plangebied is in de gebiedsgerichte criteria aangemerkt als ‘Stroomruglint (H5.3)’. Het welstandsniveau is hier 'plus'. De stroomruglinten van de Lange Linschoten hebben in het buitengebied van oudsher een open karakter. Het landelijke stroomruglint kent een diversiteit aan lintbebouwing welke geregeld is afgewisseld met doorzichten naar het achterliggende landschap en hoofdzakelijk opgebouwd is uit langwerpige boerderijachtige hoofdbouwmassa's met een van oorsprong agrarische functie. Bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen dient een logische breedte-lengte verhouding in acht te worden genomen. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen dient verder afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Na uitwerking van de te realiseren bebouwing zal de welstandscommissie onder MooiSticht de uitgewerkte ontwerpen beoordelen. Eventuele door de commissie gemaakte opmerkingen zullen worden overgenomen.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 15

4

Omgevingsaspecten De uitvoerbaarheid van een plan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden. Daaronder valt zowel de onderzoekverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1

Milieu

4.1.1

Milieueffectrapportage (m.e.r.) Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage oftewel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.‐ beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde D‐lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De splitsing van een woonperceel, en het realiseren van een extra woning kan worden aangemerkt als “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (D11.2)”. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de drempelwaarden van kolom 2 voor een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen m.e.r.‐beoordeling noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. • Kenmerken van het project; • Plaats van het project; • Kenmerken van het potentiële effect.

In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven‐ en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora‐ en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.‐beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.‐beoordeling niet zinvol wordt geacht. Het besluit om op basis van deze vormvrije m.e.r.‐beoordeling geen verder onderzoek te doen in het kader van het Besluit m.e.r. is een afzonderlijk collegebesluit dat voorafgaand aan of gelijktijdig met de aanvraag omgevingsvergunning zal worden genomen.

4.1.2

Bodem In het kader van een wijzigingsplan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij herinrichtingsituaties is doorgaans een bodemonderzoek noodzakelijk in het kader van de Woningwet. De bestemming van het perceel 7174 betreft reeds de bestemming wonen en is dus reeds geschikt voor bewoning. De wens is ontstaan om het bouwvlak te verplaatsen en te vergroten. En tevens een bouwvlak wonen te realiseren op de huidige bestemming bedrijfsdoeleinden. De herinrichtingsituatie vraagt om een verkennend bodemonderzoek. Er is bekend dat de grond vervuild is. Milon bv heeft derhalve een verkennend bodemonderzoek uitgevoegd, zie bijlagen rapportage nummer 20201863 voor het gehele onderzoek.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 16

Vooronderzoek Uit het historisch onderzoek blijkt dat, voor zover bekend, op of nabij de onderzoekslocatie geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest en zijn er geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt 205 m 2. Op basis van het vooronderzoek wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging verwacht. Derhalve is conform NEN 5740 de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie. Op basis van het bodemonderzoek zijn er zintuigelijk antropogene bijmengingen waargenomen en wordt de locatie als asbestverdacht beschouwd. Derhalve is de locatie in afspraak met de opdrachtgever conform de NEN 5707 onderzocht op asbest met de onderzoeksstrategie voor een “verdachte locatie, heterogeen verdeelt”.

Figuur 4.1, Onderzoeksresultaten grond en grondwater. Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond structureel bijmengingen waargenomen aan bakstenen, slakken en glas. Voor het overige zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Asbestverdacht materiaal is niet aangetroffen. Echter zijn de aangetroffen structureel voorkomende antropogene bijmengingen aanleiding om de locatie als asbest verdacht te beschouwen. In figuur 4.1 zijn de analyseresultaten samengevat. Verkennend asbestonderzoek Tijdens het verkennend asbest onderzoek is in proefgat A01 een asbestgehalte boven de norm voor naderonderzoek waargenomen. Het aangetroffen asbestgehalte is aan asbesthoudend plaatmateriaal te relateren, in de fijne fractie is geen asbest aangetroffen. Door het aangetroffen asbestgehalte boven de norm is nader asbestonderzoek noodzakelijk. PAK (aanvullend onderzoek) Het in mmbg1 gemeten sterk verhoogde gehalte PAK is aanleiding om de in het mengmonster gebruikte monsters individueel te analyseren. Hierbij is een sterk verhoogd gehalte PAK rond boring 01 waargenomen. Er zijn 7 aanvullende boringen rond boring 01 verricht om de omvang van de aangetroffen verontreiniging te bepalen. Van deze boringen zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen vier grondmonsters op PAK en minerale olie onderzocht.

In boring 101, 103 en 105 wordt de interventiewaarde voor PAK overschreden. In boring 105 is minerale olie boven de interventiewaarde is aangetroffen en in boring 102 een minimale overschrijding van de PAK achtergrondgehalte gemeten. Op basis van de analyseresultaten en de zintuiglijke waarnemingen wordt het waarschijnlijk geacht dat de aangetroffen PAK verontreiniging gerelateerd is aan bijmengingen met sintels in de bodem. Deze zijn mogelijk als funderings- of ophogingsmateriaal op de locatie aanwezige loods in de bodem geraakt. Geconcludeerd wordt dat op de locatie een PAK verontreiniging met onbekende omvang rond boring 01 aanwezig is. Geadviseerd wordt om de locatie rond boring 01 en onder de aanwezige loods na de voorgenomen sloop van de loods nader te onderzoeken op een mogelijke PAK verontreiniging, aangezien dan beter zicht ontstaat op de mogelijke sintellaag. Daar de schuur vóór 1987 is gebouwd en tijdens deze bouw de sintellaag is aangebracht, wordt uitgegaan van een historische bodemverontreiniging.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 17

Figuur 4.2, situatie boringen veldonderzoek Milon. Conclusies en aanbevelingen Uit het onderzoek blijkt dat op de locatie in de bovengrond bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen welke tot een verontreiniging met PAK en mogelijk met asbest hebben geleid. Deze verontreinigingen zijn gerelateerd aan de bodemvreemde bijmengingen, die waarschijnlijk zijn aangebracht vóór 1987 (tijdens de bouw van de loods in 1970). Hiermee betreffen het historische gevallen van bodemverontreiniging. Gelet op de geplande werkzaamheden, waarbij de loods gesloopt wordt, wordt geadviseerd om het nader onderzoek na sloop uit te voeren. Op basis van de visuele waarnemingen kan het onderzoek efficiënter uitgevoerd worden. Gelet op de toekomstige ontwikkelingen waarbij ook in de grond geroerd worden, moet rekening worden gehouden met een sanering van de bovengrond. Saneringskosten vormen geen risico voor de financiële haalbaarheid van het plan. Om de bodem geschikt te maken dient bij de omgevingsvergunning bouwen een saneringsplan of een melding Besluit Uniforme Saneringen (BUS) bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb) te worden ingediend. Ten behoeve van de BUS-melding dient verontreiniging met PAK (en minerale olie) naar de tuin verder af te perken binnen de perceelsgrenzen i.v.m. mogelijke humane risico’s.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 18

4.1.3

Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, zoals in onderhavig geval, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Plan specifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2.

Het onderhevige plan voldoet aan het NIBM-criterium omdat het slechts twee woningen betreft.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 19

Fijnstof (PM10) De fijnstof (PM10) waarden op de plan locatie bedragen 19-20 microgram/m3 (2018). Naar verwachting zullen PM10 waarden afnemen tot 17-18 microgram/m3 in 2030. De WHO hanteert advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub. De huidige fijnstof waarde en de verwachtte waarde op de plan locatie hebben een lagere waarde dan de advieswaarde van de WHO.

Figuur 4.3: Uitsnede Geoloket kaart - fijnstof PM10 2018 – 16-18 microgram/m3. Zeer fijnstof (PM2,5) De zeer fijnstof (PM2,5) waarden op de plan locatie bedragen 12-12,5 microgram/m3 (2018). Naar verwachting zullen PM2,5 waarden afnemen tot 9,5-10 microgram/m3 in 2030. De WHO hanteert advieswaarden voor fijn stof (PM2,5) van 10 microgram per kuub. De huidige PM2,5 waarde overschrijd de advieswaarde van het WHO. Daarentegen zal de PM2,5 waarde afnemen in 2030 tot de gestelde advieswaarde. Men kan dan spreken over een goede toekomstige lucht kwaliteit ten behoeve van te realiseren woningen.

Figuur 4.4: Uitsnede Geoloket kaart - fijnstof PM2,5 2018 – 12-12,5 microgram/m3.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 20

4.1.4

Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh | per 01-04-2012): - woningen; - geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); - andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. LBP Sight heeft derhalve akoestisch onderzoek verricht, zie bijlagen R072396ab.209slcy.fwi_01_001_akoestisch onderzoek wegverkeer.pdf. Plan specifiek De kortste afstand van de nieuwbouw woningen tot de Johan J. Vierbergenweg bedraagt circa 30 meter. Het plan ligt binnen de van toepassing zijnde geluidzone volgens de Wet geluidhinder (zie bijlage I Wettelijk kader). Daarom wordt de geluidbelasting bepaald.

Kerkwetering De nieuwbouw ligt direct aan de Kerkwetering. De Kerkwetering is een weg met een snelheidsregime van 30 km/u. Om deze rede valt deze weg niet onder de Wet geluidhinder. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten 30 km/u-wegen wel worden meegenomen in het onderzoek. Gezien de aard van de Kerkwetering, de weg is doodlopend, zal deze weg akoestisch niet relevant zijn. Derhalve is de weg in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Johan J. Vierenbergenweg In de zin van de Wet geluidhinder geldt voor de nieuwbouw met betrekking tot de Johan J. Vierbergenweg dat er sprake is van nog niet geprojecteerde woningen in stedelijk gebied binnen de bebouwde kom langs een bestaande weg. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels van de woningen bedraagt 48 dB. Op grond van artikel 83 lid 2 Wet geluidhinder bedraagt de maximale ontheffingswaarde 63 dB. Toetsing aan de Wet geluidhinder – Johan J. Vierenbergenweg Figuur 4.5 geeft de geluidbelasting weer vanwege de Johan J. Vierbergenweg inclusief wettelijke aftrek van 5 dB. De geluidbelasting is maximaal 54 dB inclusief wettelijke aftrek van 5 dB op de noordoostgevel. De voorkeursgrenswaarde wordt dus met maximaal 6 dB overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 21

Figuur 4.5 Geluidbelasting van verkeer Johan J. Vierbergen op gevels nieuwe situatie, LBP Insight Geluidbeperkende maatregelen Om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde moeten geluidbeperkende maatregelen getroffen worden. Om de geluidbelasting te reduceren zou een geluidreducerend wegdek kunnen worden aangebracht of een geluidscherm kunnen worden gerealiseerd. ▪ Geluidreducerend wegdek Het aanbrengen van bijvoorbeeld een dunne geluidreducerende deklaag geeft bij een snelheid van 50 km/u een afname van de geluidbelasting van circa 3 dB. Deze afname is onvoldoende om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Er zijn extra maatregelen nodig. ▪ Verkeersmaatregelen Door het verlagen van de maximumsnelheid van 50 naar 30 km/u is de weg niet gezoneerd in de zin van de Wet geluidhinder. Geluidgevoelige objecten die langs een niet-gezoneerde weg zijn gelegen, hoeven niet in een akoestisch onderzoek betrokken te worden. De Johan J. Vierbergenweg betreft een (doorgaande) ontsluitingsweg waar een goede doorstroming van het verkeer gewenst is. Om deze in te richten als een 30 km/u-weg, zouden snelheidsbeperkende voorzieningen gerealiseerd moeten worden die de doorstroming van het verkeer juist zouden belemmeren. Het verlagen van de intensiteit is niet mogelijk vanwege praktische bezwaren.

▪ Geluidscherm Uit aanvullende berekeningen met een akoestisch gesloten L-vormig (tuin)scherm ten noordoosten van de nieuwbouw van 2,3 meter hoog en 25 meter breed blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de begane grond nagenoeg overal gelijk of lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De lengte van het korte deel van het scherm moet circa 2,5 meter zijn. Figuur 4.5 geeft de positie van het scherm en de berekende geluidbelasting weer inclusief wettelijke aftrek van 5 dB.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 22

Conclusie geluidbeperkende maatregelen Door het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm op de perceelgrens ten noordoosten van de nieuwbouw, wordt de geluidbelasting op de begane grond grotendeels teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op vooral de hogere bouwlagen wordt de voorkeursgrenswaarde, ook inclusief akoestisch gesloten (tuin)scherm, overschreden. De gemeente Oudewater kan een hogere waarde voor de geluidbelasting vaststellen. Daar zijn wel voorwaarden aan verbonden. We adviseren wel om een akoestisch gesloten (tuin)scherm te plaatsen, zoals aangegeven in figuur 4.6. Hiermee worden de toekomstige bewoners op de begane grond en in hun tuin beter beschermd tegen het wegverkeerslawaai afkomstig van de Johan J. Vierbergenweg. Echter, er moet een afweging plaatsvinden of het financieel haalbaar is om een (tuin)scherm te realiseren.

Figuur 4.6 Geluidbelasting vanwege de Johan J. Vierbergenweg bij toepassing geluidscherm, LBP Insight Toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid Met de geprojecteerde verkaveling wordt aan de geluideisen volgens het beleid van de gemeente voldaan, ook zonder toepassing van het akoestisch gesloten (tuin)scherm. De zuidwest, noordwest en zuidoostgevels op de begane grond en eerste verdieping zijn geluidluw. Het geluidniveau ter plaatse van een buitenruimte mag niet meer dan 5 dB hoger zijn dan de ten hoogste toelaatbare waarde of de als geluidluw aangemerkte gevel. Dit betekent dat de geluidbelasting ter plaatse van de buitenruimte (48+5 dB=) 53 dB inclusief wettelijke aftrek moet zijn. Figuur 4.5 geeft weer dat de geluidbelasting op de begane grond ten hoogste 53 dB is inclusief wettelijke aftrek. Hieraan wordt, ook zonder akoestisch gesloten (tuin)scherm, aan voldaan. Gezamenlijke geluidbelasting t.b.v. de geluidwering van de gevel Figuur 4.6 geeft de (gecumuleerde) geluidbelasting vanwege de Johan J. Vierbergenweg zonder wettelijke aftrek weer. De geluidbelasting op de noordoostgevel bedraagt maximaal 59 dB exclusief de wettelijke aftrek van 5 dB op de eerste en tweede verdieping.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 23

Figuur 4.7 Geluidbelasting vanwege de Johan J. Vierbergenweg exclusief wettelijke aftrek, LBP Insight Om te bepalen of er voldaan wordt aan artikel 3.1 uit het Bouwbesluit 2012 moeten de minimale geluidwerende voorzieningen bepaald worden. Hiermee kan aangetoond worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor toekomstige bewoners. Conclusie Voor het plan ‘Nieuwbouw van twee-onder-één-kap woningen | Kerkwetering 13 en 14’ heeft LBP Insight akoestisch onderzoek verricht. Hierbij hebben we getoetst aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Uit het onderzoek blijkt het volgende: ▪ Johan J. Vierbergenweg: de geluidbelasting is maximaal 54 dB inclusief wettelijke aftrek van 6 dB. De overschrijding vindt plaats op de oostgevel op de eerste en tweede verdieping. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. ▪ Door het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm op de perceelgrens ten noordoosten van de nieuwbouw, wordt de geluidbelasting op de begane grond grotendeels teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op de overige bouwlagen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Er moet een hogere waarde worden aangevraagd bij de gemeente Oudewater. Daar zijn voorwaarden aan verbonden.

▪ Met de geprojecteerde verkaveling wordt aan de geluideisen volgens het beleid van de gemeente Oudewater voldaan, ook zonder toepassing van het akoestisch gesloten (tuin)scherm. ▪ We adviseren wel om een akoestisch gesloten (tuin)scherm te plaatsen. Echter, er moet een afweging plaatsvinden of het financieel haalbaar is om een (tuin)scherm te realiseren. ▪ Geluidwering van de gevel: de geluidbelasting vanwege de Johan J. Vierbergenweg is ten hoogste 59 dB zonder wettelijke aftrek. Om te bepalen of er voldaan wordt aan artikel 3.1 uit het Bouwbesluit 2012 moeten de minimale geluidwerende voorzieningen bepaald worden. Hiermee kan aangetoond worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor toekomstige bewoners.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 24

4.1.5

Bedrijven en milieuzonering De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid moet erop toe zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimte-gebruik. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en veiligheid. De publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor.

De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de tabel 4.8 zijn de richtafstanden weergegeven. Tabel 4.8: Richtafstanden en omgevingstype VNG publicatie Richtafstand tot Milieucategorie omgevingstype ‘rustig woonwijk’ 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

De bovengenoemde richtafstanden voor een rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden waar functiemenging is, bijvoorbeeld in een centrumgebied met veel winkels en voorzieningen, is er sprake van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstanden van elkaar gesitueerd zijn. De richtafstanden uit tabel 4.8 zijn dan niet meer toepasbaar. In dat geval wordt er door categorieën aangegeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn: - Categorie A activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen. - Categorie B activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen wanneer ze bouwkundig van elkaar afgescheiden zijn. - Categorie C activiteiten zijn alleen toegestaan wanneer ze gesitueerd zijn aan een hoofdweg. Planspecifiek - omgevingstype Bij de percelen van de Kerkwetering 13 en 14 is er sprake van een 'gemengd gebied met wonen’, omdat er naast wonen zich in de directe omgeving ook gronden bevinden met de aanduiding ‘bedrijfsdoeleinden’. Zoals het vigerende bestemmingsplan aangeeft: “Woningen met bijbehorende erfbebouwing in verschillende omvang en hoogte worden hier afgewisseld door kleine en grote bedrijfsgebouwen waarin uiteenlopende activiteiten plaatsvinden. De woningen worden ontsloten vanaf de Kerkwetering die in het noorden aansluit op de Joh. J.

Vierbergenweg.” Gemengde gebieden betreffen gebieden, die langs een hoofdinfrastructuur liggen. Voor de projectlocatie is dit het geval. De nabij gelegen Joh. J. Vierenbergenweg is onderdeel van de hoofdontsluiting van Oudewater aan de noordzijde van de stad.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 25

Bedrijfsactiviteiten in de omgeving De overige bedrijfsactiviteiten in de omgeving zorgen niet voor belemmeringen voor het plan: - Het Avia Xpress tankstation aan de Wilgenweg 4 behoort tot milieucategorie 3.1 en 2 (smalle bestemmingsplan strook evenwijdig aan Joh. J. Vierbergenweg). Het tankstation levert geen LPG. De vereiste richtafstand in ‘gemengd gebied’ betreft 30m. voor milieucategorie 3.1. De vereiste richtafstand voor milieucategorie 2 betreft 10m. De werkelijke afstand tussen nieuw bouwvlak en de bestemming van het tankstation wordt gemeten op 68m. - Het bedrijfspand aan de Populierenweg 17 staat op het moment leeg (2020), er vinden nu geen bedrijfsactiviteiten plaats. Het bestemmingsplan geeft aan dat op de locatie een RO categorie van 2 en 3.2 is toegestaan. De richtafstand voor de desbetreffende categorie, vereist een afstand van 30m voor de milieucategorie 3.2 en een afstand van 10m. voor de milieucategorie 2. De werkelijke afstand voldoet ruimschoots met 60m. - Garagebedrijf P.J. Boere & zn, autoherstelinrichting, benzineservicestation aan de Kerkwetering 56 behoort tot milieucategorie 2. De vereiste richtafstand in ‘gemengd gebied’ betreft 30m. De werkelijke afstand tussen het nieuwe bouwvlak en de bestemming van het tankstation wordt gemeten op 200m. - Schoonmaak service R. de Jong aan de Kerkwetering 12a behoort tot de categorie 2.

De vereiste richtafstand in ‘gemengd gebied’ betreft 10m. De werkelijke afstand tussen het nieuwe bouwvlak en de bestemming van het tankstation wordt gemeten op 13m. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 4.7 en tabel 4.8 vermeld. Bedrijf

Adres

Feitelijke afstand gemengd buitengebied 200 m.

Garagebedrijf P.J. Boere & zn, autoherstelinrichting, benzineservicestation Autofood

Kerkwetering 5-6

Schoonmaak service R. de Jong

Kerkwetering 12a

13 m.

Wout Verweij Auto’s BV.

Kerkwetering 9

120 m.

Geen bedrijfsvoering (leegstand)

Populierenweg 17

60 m.

Tankstation Avia Xpress

Wilgenweg 4

68 m.

Opmerking

RO categorie

gemeten tussen bouwblokgrens en geurgevoelig/geluidgevoelig object bestemming

2

gemeten tussen bouwblokgrens en geurgevoelig/geluidgevoelig object bestemming gemeten tussen bouwblokgrens en geurgevoelig/geluidsgevoelig object bestemming gemeten tussen bouwblok grens geurgevoelig/geluidgevoelig object bestemming gemeten tussen bouwblok grens en geurgevoelig/geluidgevoelig object bestemming

2

2

3.1 en 2

3.1 en 2

Tabel 4.9, hindercategorieën en afstanden bedrijven tot bestemming wonen Kerkwetering 13 en 14

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 26

1. Garagebedrijf P.J. Boere & zn, autoherstelinrichting, benzineservicestation Autofood, Kerkwetering 5-6 RO- categorie: 2 Bestemming: Autobedrijf en benzineservicestation Richtafstand ‘gemengd gebied’: 30m. (Bijlage 1. Bedrijfsinventarisatie d.d. juli 2004) 2. Wout Verweij Auto’s BV. Kerkwetering 10 RO categorie 2 Bestemming: Autobedrijf Richtafstand ‘gemengd gebied’: 10m. 3. Geen bedrijfsvoering, Populierenweg 17 RO categorie 3.1 en 2 (volgens bestemmingsplankaart ‘Bedrijvenpark Tappersheul’) Bestemming: bedrijven, geen activiteit. Richtafstand ‘gemengd gebied’: 30m. en 10m. 4. Tankstation Avia Xpress, Wilgenweg 4 RO categorie 3.1 Bestemming: Benzineservicestation zonder LPG Richtafstand ‘gemengd gebied’: 30m. 5. Schoonmaakservice R. de Jong, Wilgenweg 4 RO categorie 2 Bestemming: Bedrijf in reiniging van gebouwen en installaties (aanduiding B(2)re volgens bestemmingsplan kaart, ten behoeve van milieucategorie 1 en 2) Richtafstand ‘gemengd gebied’: 10m. Alle relevante bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving van het plan aan de Kerkwetering 13 en 14 zijn in kaart gebracht. Er kan worden geconcludeerd dat aan de vereiste richtafstanden wordt voldaan. Er kan daarom van uitgegaan worden dat ter plaatse, reeds sprake is van een goed woonen leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt in theorie geen belemmeringen voor het plan.

4.1.6

Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedgebied van een inrichting die valt onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd. In opdracht van Arco Architecten heeft LBP Insight, het aspect externe veiligheid voor de Kerkwetering 13-14 beoordeeld. Voor de volledige notitie, zie rapportage nr. V072396ab.20FIH6J.jst in de bijlagen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van de PR: Rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; Langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico’s verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen.

In het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is opgenomen, dat voor iedere toename van het GR een verantwoordelijkheidsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Risicokaart Utrecht De risicokaart Utrecht geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 4.8) is vermeld dat in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gevestigd.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 27

Ontwikkeling in relatie tot de omgeving De bestaande loods en een bestaande woning worden gesloopt aan de Kerkwetering 13 en 14 in Oudewater. In plaats daarvan wordt een dubbel woonhuis gerealiseerd op de planlocatie. De populatiedichtheid van het plangebied zal door de sloop van de huidige woning en bedrijfsloods, en nieuwbouw van twee woningen nagenoeg gelijk blijven. In de huidige situatie zullen in de loods met industriefunctie van circa 300 m2 drie personen aanwezig zijn. In de woning zullen gemiddeld twee/vier personen aanwezig zijn. Dit kan op basis van kengetallen worden afgeleid. In de plansituatie worden twee woningen gerealiseerd waar in totaal gemiddeld ook vijf personen aanwezig zullen zijn. In totaal (over een etmaal beschouwd) is er netto geen sprake van toename van personen in het plangebied. Woningen zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen als kwetsbaar object aangemerkt. Er moet daarom rekening gehouden worden bij de bouw van woningen met de grenswaarde voor het risico en risicoafstanden tot een risicovolle inrichting of transportroute van gevaarlijke stoffen. Ontwikkeling in relatie tot de omgeving Een woning is geen risicovolle inrichting. Ook wordt er geen transportroute voor gevaarlijke stoffen of een brandstofleiding mogelijk gemaakt. De ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de veiligheid in het gebied.

Risicovolle inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Het onderzoeksgebied (interessegebied) van de ontwikkeling is ongeveer 1 km rondom de locatie. Op basis van dat onderzoeksgebied hebben we de volgende relevante risicobronnen geïnventariseerd met behulp van de landelijke risicokaart. Er zijn in de directe nabijheid van het plangebied twee risicovolle bedrijven gevestigd. Omdat het plangebied op meer dan 200m. ligt van beiden inrichtingen kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een risicovolle inrichting aan de Ruige weide 4 met een bovengrondse propaantank (inhoud 8000 liter / 8m3). ‘ Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een risicovolle inrichting aan de Elzenweg 15. ‘Bijlage 1 Regeling externe veiligheid inrichting, tabel 6’ geeft aan dat voor een ammoniak installatie van 1200kg, de desbetreffende installatie kleiner is dan 10–6 per jaar en dat geen afstand tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in acht genomen behoeft te worden.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 28

2.

1.

Figuur 4.10: Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied met blauwe stippellijn aangeduid). Er bevinden zich twee inrichtingen met een risicovolle installatie binnen het onderzoeksgebied: 1. Maatschap P.C. en A.M. Bongers-van Vliet Ruige weide 4 Opmerkingen: - Inrichting overig - Bovengrondse tank met propaan of ander vloeibaar gemaakt gas (8000 liter) risico contour PR10-6, risico afstand 17 meter. 2. Lunenberg Vlees B.V. Elzenweg 15 Opmerkingen: - Inrichting met ammoniak installatie (1200 kg) - Machinekamer type 1 met risico contour PR10-6, risico afstand 15 meter. De planlocatie valt met 200 tot 300 meter afstand tot beide installaties ruim voldoende buiten de risicocontour. Gedurende een etmaal is er geen toename van populatie. Er is daarom niet aannemelijk dat de planvorming bijdraagt aan het groepsrisico als gevolg van de inrichtingen. Wel kan er sprake zijn van het scenario ‘toxische wolk’ van de installaties (effectafstand tot 325 meter).

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 29

Advies VRU De Veiligheidsregio Utrecht (VRU) is gevraagd te adviseren ten aanzien van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid, conform artikel 9 van het Bevt. Het advies van 29-10-2020 is bijgevoegd als bijlage II. Zij adviseren het volgende: 1. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico op te nemen in de ruimtelijke onderbouwing van het wijzigingsplan. 2. Als voorschrift in de omgevingsvergunning activiteit bouw op te nemen dat de gebouwen waar mensen (kunnen) verblijven, indien uitgerust met een mechanisch ventilatiesysteem, dit eenvoudig uit te schakelen is. Door deze maatregel kunnen personen die verblijven in dit object zich tijdelijk onttrekken aan een toxische wolk en veilig schuilen. 3. De toekomstige bewoners van de woningen in het plangebied in een vroeg stadium te betrekken in de risico’s die het plangebied loopt ten opzichte van omgevingsveiligheid en hen een handelingsperspectief te bieden bij het voordoen van een in mijn advies genoemd ongevalsscenario. U kunt voor het afstemmen van dit handelingsperspectief advies inwinnen bij de beleidsadviseur risicocommunicatie van de Veiligheidsregio Utrecht. 4. De zuidelijke ontsluiting van de Kerkwetering voor hulpdiensten toegankelijker maken, als dit nog niet mogelijk is. Uit onderzoek kan niet geconcludeerd worden dat de paal op het fietspad inklapbaar is.

De zuidelijke aanrijroute betreft het fietspad, gelegen aan de Johan J. Vierbergenweg aan de Kerkwetering.

Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 30

Plaatsgebonden risico Uit artikel 4 van het Bevt volgt dat het plaatsgebonden risico voor een nieuw toe te laten kwetsbaar object, zoals een woning, niet hoger dan 10-6 per jaar mag zijn. In de plansituatie is het plaatsgebonden risico niet gewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. In de huidige situatie ligt het plaatsgebonden risico niet buiten het wegdek, waardoor het geen belemmering vormt voor de bouw van woningen aan de Kerkwetering. Groepsrisico In artikel 8, lid 1, van het Bevt is bepaald dat het groepsrisico verantwoord moet worden als een ontwikkeling geheel of gedeeltelijk binnen 200 meter van een transportroute ligt. In artikel 8, lid 2, van het Bevt is bepaald dat de groepsverantwoording achterwege kan blijven als: - het groepsrisico niet hoger is dan 10% van de oriëntatiewaarde, of - het groepsrisico niet met meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Transport gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend.

Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). Planspecifiek In het onderzoeksgebied bevindt zich een lokale transportroute voor gevaarlijke stoffen. De aangrenzende Kerkwetering en de Johan J. Vierbergenweg is aangewezen volgens de gemeentelijke routering als lokale route van gevaarlijke stoffen. Deze transportroute ligt binnen 200 meter van de ontwikkeling.

Er moet daarom worden ingegaan op het groepsrisico volgens artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het precieze aantal transportbewegingen over de routes is onbekend bij de VRU, ODRU en de gemeente. Wel is aangegeven door de VRU en ODRU dat het aantal transporten over deze routes verwaarloosbaar klein is. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) staan vuistregels voor de beoordeling van het groepsrisico: met de vuistregels wordt bepaald wanneer 10% van de oriëntatiewaarde wordt overschreden. De ontwikkeling vindt plaats binnen 10 meter van de as van de weg en de personendichtheid is dermate laag dat er minstens honderden GF3 transporten nodig zijn om tot een toename van 10% van de oriëntatiewaarde te komen. Over Kerkwetering en de Johan J. Vierbergenweg vinden zulke hoeveelheden niet plaats (zoals aangegeven door de VRU en ODRU). Daarnaast is er geen sprake van een populatietoename in het plangebied. Het is niet aannemelijk dat 10% van de oriënterende waarde wordt overschreden of het groepsrisico met 10% toeneemt. Een verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven (conform artikel 8, lid 1 van het Bevt). Binnen het invloedsgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen moet wel ingegaan worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Deze verplichting volgt uit artikel 7 van het Bevt.

Bij het bestrijden van een incident zijn de bereikbaarheid, de bluswatervoorziening en de opkomsttijd van de brandweer belangrijk. Bij een calamiteit zullen de hulpverleningsdiensten zich voornamelijk richten op het redden van mensen, het ontruimen en afschermen van de omgeving met behulp van waterschermen en het blussen van branden. Om dit mogelijk te maken moet het plangebied en de omgeving goed bereikbaar zijn en zijn voorzien van voldoende blusmiddelen en opstelplaatsen. Er wordt van uitgegaan dat dit voor het plangebied het geval is, gezien de directe ontsluiting vanaf de Kerkwetering en de Johan J. Vierbergenweg en de open ruimte rondom het plangebied. In het water Bestemmingsplan - perceel Kerkwetering 13 en 14 te Oudewater 31

de Kerkwetering is daarnaast oppervlaktewater aanwezig dat gebruikt kan worden voor het blussen van branden. Zelfredzaamheid is het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij de dreiging van, óf het bestaan van, een gevaarlijke situatie. Zelfredzaamheid is een factor om rekening mee te houden bij de weging van het groepsrisico. Er is echter geen normstelling vastgelegd. Bij het bepalen van de zelfredzaamheid spelen de volgende afwegingscriteria een rol: - fysieke gesteldheid van de bewoners (kunnen ze zichzelf in veiligheid brengen); - zelfstandigheid bewoners (kunnen de bewoners zelfstandig het gevaar inschatten en zich zelfstandig in veiligheid brengen); - alarmeringsmogelijkheden (kunnen de bewoners tijdig gealarmeerd worden); - vluchtmogelijkheden in gebouwen of omgeving (heeft het gebouw waarin de personen zich bevinden voldoende vluchtmogelijkheden en zijn er voldoende mogelijkheden om het gebied te ontvluchten); en - mogelijkheden tot gevaarinschatting van scenario (kondigt het ongeval zich tijdig aan en is dreiging herkenbaar). Voor de ontwikkeling aan de Kerkwetering kan worden uitgegaan dat de aanwezige personen voldoende zelfredzaam zijn. De doelgroep van beide woningen bestaat uit personen die in goede fysieke gesteldheid en zelfstandig zijn. Vanuit de woningen kan van de transportroutes af worden gevlucht (richting het noorden of zuiden).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/421/documents/13054