Raadsvoorstel 'Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) U16' - Bijlage 4 (Toetsing aan beoordelingskader).pdf
Tekst van het document
Dit maakt veel woongebieden aantrekkelijker doordat de toegang tot recreatieve mogelijkheden in het buitengebied wordt verbeterd, maar de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijke gebied zelf verandert er niet of nauwelijks door. De overkoepelende score is licht positief (0/+)
Verhogen ruimtelijke kwaliteit landelijk gebied Dit subdoel heeft als kernindicatoren Kansen verhoging ruimtelijke kwaliteit landelijk gebied, de bijdrage (of afbreuk) aan de kernkwaliteiten van de Utrechtse Landschappen, de bijdrage (of afbreuk) aan cultuurhistorische waarden (landschapselementen / bouwwerken / artefacten), de impact op landbouw, het aandeel landbouw in regionale voedselvoorziening en de kansen voor natuur-/landschapinclusieve/circulaire landbouw. Het IRP heeft veel aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied. De groei van het groene en blauwe netwerk wordt als randvoorwaardelijk genoemd voor de ontwikkelingen, het Utrechts landschap de ‘kwaliteitsdrager voor de hele U16’. Er zijn vier algemene en zeven gebiedsopgaven benoemd (Blauwe krans Stelling van Amsterdam, Polderscheg Lange Linschoten – REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
17
Woerden – Breukelen, Hollandsche IJsselscheg / Rijnenburg / A12zone, Waterliniescheg, Groene zoom Vijfheerenlanden, Groen raamwerk Heuvelrug-Lek, Agrarisch groenblauw netwerk. Er zijn concrete (kwantitatieve) opgaven voor deze gebieden benoemd voor natuur, recreatie, landschapselementen, inclusief meekoppelkansen. Het IRP levert daarmee een positieve bijdrage aan de kansen voor ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, inclusief de kernkwaliteiten en de cultuurhistorische waarden. Daarnaast wordt verduurzaming van de landbouw en de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale landbouw veelvuldig genoemd en wordt aansluiting bij lopende initiatieven bepleit. Het perspectief van de agrarische sector wordt echter ook als uitvoeringsvraagstuk benoemd waarbij economisch rendabele landbouw als uitgangspunt is benoemd. Hoewel niet expliciet benoemd, staat het areaal aan landbouwgrond onder druk en daarmee mogelijk ook de bijdrage aan regionale voedselvoorziening. Een ander aandachtspunt is de ruimtelijke inpassing van bronnen voor duurzame energie, zoals zonnepanelen en windmolens. Het IRP zoekt op dit aspect samenhang met de RES U16 van waaruit lokale zoekprocessen worden georganiseerd om te zorgen dat de energieopgave niet (teveel) ten koste gaat van ruimtelijke kwaliteit.
Expliciet wordt potentieel benoemd rondom infrastructuur, bij bedrijventerreinen en in agrarische gebieden om op die manier de ruimtelijke kernkwaliteiten van de regio niet teveel te verstoren. Alles bijeengenomen is de score op het subdoel ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied positief (+), de consequenties voor de landbouw zijn een aandachtpunt, dat geldt ook voor de inpassing van duurzame energiebronnen in de regio.
Intrinsieke natuurwaarden Het subdoel behouden en versterken van de intrinsieke natuurwaarden wordt beoordeeld met behulp van de kernindicatoren kansen voor natuur en het borgen van biodiversiteit. In het IRP is veel aandacht voor het behoud en herstel van natuurwaarden. Er is een forse kwantitatieve opgave opgenomen in het IRP in het areaal natuur (zie volgende kernindicator) en ook verbindingen tussen ecologisch waardevolle gebieden worden gelegd. Daarmee wordt gewerkt aan de robuustheid van de natuur en het Natuur Netwerk Nederland wordt gecompleteerd met de benoeming van 7 natuurkernen. Het streven is ook naar natuurinclusieve woon-werklocaties, natuurinclusieve steden en landbouw, wat nieuwe kansen voor de natuur biedt en ruimte moet geven aan biodiversiteit. De kwalitatieve ontwikkeling is beperkt uitgewerkt. Het IRP zet wel in op completering van het Natuur Netwerk Nederland, maar verder is er geen uitwerking in bijvoorbeeld in natuurdoeltypen. Dit in combinatie met de forse toename van wonen en werken, en de veelvuldig genoemde combinatie van natuur met recreatieve doeleinden, maakt de effectieve invloed op de biodiversiteit ongewis. Uiteindelijk verwachten we een licht positief effect (0/+).
Areaal natuur Het subdoel areaal natuur wordt gescoord op de kernindicatoren ruimtebeslag/nieuwe natuur (exclusief reeds geplande NNN) en verbondenheid natuurgebieden (in ha) - aantasting en nieuwe verbindingen. Er wordt ruim 4.000 ha. natuur (gemengd met recreatie) toegevoegd en er wordt gewerkt aan een groot aantal verbindingen: 38 natuurschakels en 13 recreatieve verbindingen. Voorts worden 19 fietsducten, 3 ecoducten en 16 kleinere faunapassages benoemd. Er wordt ingezet op het vergroten en robuuster maken van het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. Per saldo neemt het areaal natuur naar verwachting toe en ook de verbondenheid van natuurgebieden verbeterd. Overigens is het realiseren van de NNN een ‘zelfstandige opgave van de provincie’. Per saldo is er naar verwachting REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
18
een positieve bijdrage van het IRP aan het areaal natuur, maar de exacte omvang (bovenop reeds geplande ontwikkelingen) is onduidelijk (score + en ●) .
Behouden en versterken cultuurhistorische waarden Voor het behoud en de versterking van de cultuurhistorische waarden is in het aangepast beoordelingskader de kernindicator kansen voor landschap benoemd. Behoud van cultuurhistorische waarden en de combinatie met recreatiemogelijkheden zijn hiervoor relevant (NB: dit subdoel en de uitwerking ervan kent overlap met het subdoel ‘Kansen verhoging ruimtelijke kwaliteit landelijk gebied’). In het IRP worden cultuurhistorische waarden niet aangetast en wordt juist ingezet op de landschappelijke kracht en diversiteit als drager van ontwikkelingen in de regio. De score op dit subdoel is daarmee positief (+).
Leefbaarheid en vitaliteit kernen De leefbaarheid en de vitaliteit van kernen kan worden geborgd door het inwonertal op peil te houden en door te zorgen voor een goede bereikbaarheid naar de knopen. Hiermee blijft er draagvlak voor lokale voorzieningen en zijn regionale voorzieningen voor iedereen bereikbaar, ook vanuit de kleinere kernen. Het IRP voorziet in de behoefte van de kleinere en middelgrote kernen. Om draagvlak voor voorzieningen en gewenste woonmilieus te houden worden veel kernen een ‘stapje stedelijker’. Bijbouwen voor de eigen vitaliteit en marktdynamiek is voorzien. In totaal landt 15% (15.000 tot 20.000) woningen in de kleinere en middelgrote kernen. Daarbij is ook aandacht voor het behouden van voldoende werkgelegenheid. Dit draagt bij aan de zogeheten ‘zelfstandige vitaliteit’. Daarnaast komt het begrip ‘verbonden vitaliteit’ aan de orde: de bereikbaarheid van (regionale) voorzieningen vanuit de kleinere kernen draagt ook bij aan de vitaliteit. De verdere ontwikkeling van knopen draagt bij aan een toename van voorzieningen buiten de grootstedelijke agglomeratie. Deze voorzieningen komen ook binnen bereik van veel kleinere kernen, ook in combinatie met de verbeteringen in de lokale bereikbaarheid van vooral OV en langzaam verkeer.
Het IRP geeft aan dat er geen eenduidig antwoord is op het vitaliteitsvraagstuk, maar dat per kern gekeken moet worden naar zelfstandige en verbonden vitaliteit. Om die reden is in het IRP bij toelichting op de uitvoeringstrategie expliciet aandacht voor ‘Uitwerking van Vitaliteit waarbij de programmering van de kernen centraal staat’. Daarin wordt gezocht naar ‘de beste balans tussen vitaliteit en ruimtelijke randvoorwaarden’, waaronder ook bereikbaarheid wordt bedoeld. Het IRP draagt daarmee positief bij aan de vitaliteit van de kernen (+). De autobereikbaarheid is mogelijk wel een aandachtspunt.
Recreatieve voorzieningen De kernindicator is bij dit subdoel is ruimte, kwaliteit en bereikbaarheid recreatieve voorzieningen. De score op deze kernindicator kan worden bepaald door de effecten in beeld te brengen op het areaal aan recreatiegebied, het recreatieve netwerk, de kwaliteit en capaciteit van recreatieterreinen en landschappen en de bereikbaarheid hiervan. De inzet in het IRP op recreatieve mogelijkheden uit zich onder meer in de inzet op ‘poorten’ het toevoegen van recreatienatuur en fietsroutes. Er zijn 13 recreatieve verbindingen benoemd, en 400 km aan recreatieve en ecologische verbindingen, versterking van het groen blauwe netwerk voor recreatieve doeleinden en stations die zich ontwikkelen tot recreatie-transferia. Ook Rijnenburg wordt gezien als mogelijke locatie voor sport en recreatie in combinatie met een energielandschap. Verder wordt nog nader onderzocht of en zo ja welke recreatieve functie gegeven kan worden aan REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
19
de aangewezen regionale natuurkerngebieden. We verwachten daarom een positieve score op de recreatieve mogelijkheden (+).
3.5
Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren
In schema 3.5 is de beoordeling op de subdoelen die vallen onder het hoofddoel ‘Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren’ samengevat weergegeven. Schema 3.5: beoordeling op hoofddoel ‘Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren’
Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Slimme en Toekomstvaste mobiliteit faciliteren
Voldoende capaciteit infrastructuurnetwerken en oplossing urgente (systeem) knelpunten (Fiets, Spoor, Stedelijk OV, Transfer, Weg)
Perspectief +
Versterken robuustheid infrastructuurnetwerken
0/+
Vergroten van reizigerscomfort, betrouwbaarheid en beleving
0
Vergroten toegankelijkheid van het verkeer- en vervoersysteem
+
Programmering
●
Capaciteit infra Het subdoel dat beoogd voldoende capaciteit op de infrastructuurnetwerken te bewerkstelligen heeft als kernindicatoren: bereikbaarheid in reistijdsom totaal per modaliteit, lokaal, regionaal en doorgaand verkeer, het aantal woningen nabij bestaande OV-knopen (met restcapaciteit), de bereikbaarheid van arbeidsplaatsen per modaliteit (fiets/ov, auto), de Impact op NMCA knelpunten, het Ontlasten van Utrecht Centraal en het bewerkstelligen van slim, veilig en duurzaam goederenvervoer. Om de effecten aan de hand van de deze indicatoren te kunnen meten is het eigenlijk nodig verkeersmodelberekeningen te doen. Aan de hand van de inzet van het IRP kan hier echter ook kwalitatief het een en ander over worden gezegd. Door de ontwikkeling van knopen en de inzet op gemengde woon-werkmilieus worden banen en werknemers dicht bij elkaar ontwikkeld, wat in potentie zorgt voor korte reistijden. Er is veel aandacht voor langzaam verkeer en OV-maatregelen. Een schaalsprong is de inzet, met realisatie van het “wiel met spaken”, waarmee betere verbindingen worden gerealiseerd, juist ook op andere relaties dan die met het Centraal Station. Deze matregelen maken dat in de regio betere verbindingen met naar verwachting kortere reistijden tot stand komen. Door de inzet op meerdere knopen en het Wiel met Spaken zou ook de ontlasting van Utrecht Centraal haalbaar moeten zijn.
Het doorgaande verkeer, dat geen herkomst of bestemming heeft in de regio, wordt van groot belang geacht voor de ruimtelijk economische ontwikkeling van de regio, maar krijgt verder weinig aandacht. De gevolgen van ontwikkelingen in het IRP op knelpunten die in de Nationale Markt en Capaciteitsanalyses (NMCA) zijn voorzien is ongewis. De inzet voor weginfrastructuur is gericht op het wegnemen van knelpunten. Uitgangspunt voor ontwikkelingen is ook dat deze niet leiden tot meer verkeer in de spits. Mocht dat onverhoopt niet lukken dan wordt de mogelijkheid open gehouden om zwaarder in te zetten op vraagbeïnvloeding en andere modaliteiten. Als laatste optie wordt ook de mogelijkheid geschetst om alsnog grootschaliger weginframaatregelen te nemen (een parallelweg bij de A12 wordt als voorbeeld genoemd).
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
20
Ten aanzien van goederenvervoer wordt de keuze gemaakt om niet meer XXL logistiek in de regio te accommoderen. Dit gebeurt overigens niet alleen vanuit bereikbaarheidsperspectief, landschap en ruimte spelen hierbij zeker ook een rol. Naar verwachting heeft deze keuze een dempend effect op de toename van het vrachtverkeer. Maar hoe de toename van de vraag naar stadsdistributie wordt geaccommodeerd of wat de inzet op circulariteit doet met goederenstromen komt niet aan bod. Alles overziend verwachten we een positief effect (+) op de indicator capaciteit infrastructuur. Voor OV en langzaam verkeer is dit door capaciteitsuitbreidingen, voor automobiliteit zit het vooral in vraagbeïnvloeding; door RO-keuzes, maar ook door bijvoorbeeld beprijzen. Door rekening te houden met eventuele uitbreidingen van weginfrastructuur op termijn wordt flexibiliteit en adaptiviteit ingebouwd.
Robuustheid infra Onder de robuustheid van de infrastructuur wordt het vermogen verstaan om te blijven functioneren, ook als er problemen zijn. Deze kernindicator kent als subindicator ‘uitwijkmogelijkheden bij incidenten’. In zijn algemeenheid geldt dat extra schakels in een netwerk een verbetering met zich meebrengen voor de robuustheid. Er zijn immers andere routes of lijnen beschikbaar als er een schakel uitvalt. Ook ruime capaciteit draagt bij aan robuustheid. Door realisatie van het Wiel met Spaken en het ontwikkelen van nieuwe knopen wordt het OVsysteem naar verwachting robuuster. Het wegsysteem blijft naar verwachting echter kwetsbaar. We beoordelen de score op het subdoel ‘robuustheid infra’ als licht positief (0/+).
Comfort, betrouwbaarheid, beleving Comfort, betrouwbaarheid en beleving van vooral OV en fietsroutes dragen bij aan een aantrekkelijk vervoersysteem dat een beter alternatief voor de auto vormt. Hier wordt in het IRP alleen in de opgaven aandacht aan besteed. Het toevoegen van routes, hubs etc moet hieraan bijdragen. Afgezien van deze (kwantitatieve) opgave wordt niet specifiek ingegaan op het comfort, de betrouwbaarheid of de beleving van verplaatsingen of de voorwaarden die hiermee aan routes, voertuigen of overstappunten worden gesteld. Ook wordt niet ingegaan op wanneer bijvoorbeeld capaciteit voldoende is om comfortabel te zijn. We beoordelen de score daarom als onbekend/niet te beoordelen (●).
Toegankelijkheid Het vergroten van de toegankelijkheid van het verkeer- en vervoersysteem maakt dat het bereik van personen die afhankelijk zijn van het OV toeneemt. Dat vergroot hun sociale mobiliteit, brengt voorzieningen naderbij en kan ook de kans op een baan beïnvloeden (als het bereik toeneemt zijn er meer potentiële banen binnen een acceptabele reistijd). Het IRP kent geen specifieke opgaven of elementen die de toegankelijkheid van verkeer en vervoerssysteem beïnvloeden, anders dan het toevoegen van knopen en het bereikbaar maken ervan. Door de schaalsprong van het OV, de uitbreiding van het aantal knopen en de verbetering van toeleidende infrastructuur voor langzaam verkeer wordt OV naar verwachting een realistische optie voor een grotere groep. Deze structurele aanpassingen zorgen daarom voor een licht positieve score op ‘toegankelijkheid’ (0/+).
3.6
Haalbaarheid
In schema 3.6 is de beoordeling op de subdoelen die vallen onder het hoofddoel ‘Haalbaarheid’ samengevat weergegeven. Schema 3.6: beoordeling op hoofddoel ‘Haalbaarheid’
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
21
Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Haalbaarheid
Perspectief
Programmering
Zicht op uitvoering (technische complexiteit, draagvlak, fysieke inpassing, juridisch)
0
●
Mate van adaptiviteit en toekomstvastheid
+
Zicht op uitvoering Het subdoel ‘zicht op uitvoering’ gaat over de mate waarin zich technische en juridische knelpunten voor kunnen doen en de mogelijkheden om alle maatregelen fysiek te kunnen inpassen. Er is een kernindicator gedefinieerd die eveneens uitvoerbaarheid heet. Subindicatoren die iets zeggen over de mate van complexiteit van de opgaven zijn: het aantal eigenaren op wiens grondgebied de verstedelijking plaatsvindt en de aanwezige bestaande bebouwing. In meer algemene zin is in het IRP ruim aandacht voor de uitvoeringsstrategie. Daarin worden verschillende knelpunten, aandachtspunten, maar ook kansen benoemd die raken aan de uitvoering van de gestelde ambities en doelstellingen. De uitvoeringsstrategie benoemd een aantal elementen die cruciaal zijn bij het verder uitrollen van de strategie. Zo gaat het over het integrale karakter van het ruimtelijke en programmatische perspectief, het gezamenlijke perspectief waarbij gemeenten ook voor elkaars opgaven staan en dat het IRP inzet is in gesprekken met andere bestuurslagen en stakeholders. Door vanuit deze principes in het vervolg de uitwerking op te pakken wordt getracht de haalbaarheid te vergroten. Aanvullend hierop geldt het feit dat het IRP is opgesteld door en in nauwe samenhang met alle 16 gemeenten uit de regio. Dat maakt dat er een goede basis ligt om straks (ruimtelijke) keuzes te maken.
Het regionaal uitwerken van de visie zorgt er bovendien voor dat de verschillende opgaven meer concreet inzichtelijk zijn dan wanneer iedere gemeente dit voor zich had moeten doen, daar waar de opgaven hetzelfde blijven. Bij uitwerking van het IRP is bovendien rekening gehouden met of aangesloten bij uitkomsten van het MIRT-onderzoek UNED en bij provinciale plannen. Daarmee is getracht te zorgen voor meer draagvlak onder het IRP, wat een goed uitgangspunt zou moeten zijn voor uitvoering ervan. Wanneer we meer inhoudelijk en specifiek kijken naar de benoemde subindicatoren in het BOK dan constateren we het volgende. De binnenstedelijke locaties en transformatieopgaven zijn relatief complex. Hier zijn veel verschillende eigenaren en bestaande gebouwen, waarmee rekening moet worden gehouden. Inpassing brengt daarnaast mogelijk forse kosten met zich mee. Haalbaarheid is daarmee complex, maar (reserve)plancapaciteit en de mogelijkheden tot fasering (zie volgende punt) dragen wel positief bij. Overigens is veel afhankelijk van de nadere planuitwerking en programmering in vervolgfasen. De score op de indicator is daarom voor nu 0 (vanwege de complexiteit) en deels nog niet te beoordelen (●), vanwege de afhankelijkheid van nadere planuitwerking en programmering in vervolgfasen.
Adaptiviteit en toekomstvastheid Voor adaptiviteit en toekomstvastheid is als kernindicator adaptiviteit/flexibiliteit benoemd. De mate waarin in de toekomst nog andere keuzes open liggen en er flexibel kan worden omgegaan met deelgebieden maakt het IRP flexibel. Het belang hiervan neemt toe naarmate eindbeelden verder in de toekomst liggen. Dit wordt nadrukkelijk in het IRP onderkend en de aanbeveling wordt gedaan om ontwikkelingen te blijven monitoren en zo nodig bij te sturen. Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat bijsturen eventueel nodig kan zijn en een aantal opties hiertoe wordt opengehouden. Zo lopen voor verschillende opgaven nog verkenningen naar concretere ruimtelijke invulling, de zoekgebieden in studie zijn nu nog breed en daarmee adaptief. Het gaat bijvoorbeeld om de thema’s energie, natuur en landschap, kantoren en bedrijventerreinen. Daarbij worden REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
22
enkele concrete alternatieve woningbouwlocaties benoemd evenals een mogelijke verdere uitbreiding van weg (en andere) infrastructuur. Ook het ‘overprogrammeren’ met 30% meer woningen dan de voorziene opgave draagt bij aan de flexibiliteit en adaptiviteit. Het IRP scoort daarmee positief (+) op deze indicator.
3.7
Kosten en opbrengsten (financieel)
In schema 3.7 is de beoordeling op de subdoelen die vallen onder het hoofddoel ‘Kosten en opbrengsten’ samengevat. Schema 3.7: beoordeling op hoofddoel ‘kosten en opbrengsten (financieel)’ Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Kosten en opbrengsten (financieel)
Perspectief
Programmering
Beheer en exploitatiekosten , incl. opbrengsten
-
●
Investeringskosten
-
●
Beheer en exploitatie Kosten van beheer en exploitatie waarmee rekening dient te worden gehouden gaan over de gebiedsontwikkeling (grondexploitatie, GREX) en over de OV-exploitatie. De ontwikkelingen in het IRP zijn nog onvoldoende gedetailleerd om deze berekeningen te kunnen maken. Wel is op voorhand bekend dat binnenstedelijke locaties (vanwege de complexiteit van de ontwikkeling) over het algemeen een negatief financieel saldo hebben. Voor buitenstedelijke locaties wordt een neutrale grondexploitatie verondersteld. Ten aanzien van de OV-exploitatie geldt dat verdichting op knopen zorgt voor ‘dikkere’ reizigersstromen. Dit kan een gunstig effect hebben op de exploitatie van onderbenutte lijnen. In het IRP wordt ook benoemd dat er in de verdere uitwerking oog is voor een rendabele exploitatie van OV-lijnen. Dit zal naar verwachting echter niet voor alle lijnen mogelijk zijn en bovendien vragen om flinke investeringen (zie hieronder). We beoordelen de score voor beheer en exploitatie als negatief en deels nog niet te beoordelen (- en ●)
Investeringen Kernindicator bij het subdoel investeringen is investeringen in infrastructuur. Net als bij beheer en exploitatie is er nog geen uitgewerkte raming van alle maatregelen. Wel is bekend en benoemd dat de investeringen in met name de schaalsprong van het OV zeer fors zullen zijn. We beoordelen de score net als bij exploitatie als negatief en deels nog niet te beoordelen (- en ●).
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
23
Bijlage 1: Bijlage operationalisering kernindicatoren De beoordeling van diverse kernindicatoren is opgebouwd aan de hand van meerdere subindicatoren. In deze paragraaf zijn deze sub-indicatoren per kernindicator kort toegelicht. De paragraaf is gestructureerd aan de hand van de hoofd- en subdoelen.
Hoofddoel Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio Het hoofddoel bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio is opgebouwd uit een vijftal subdoelen en 18 kernindicatoren. Een deel van deze indicatoren spreekt voor zich, een ander deel is opgebouwd uit meerdere sub-indicatoren. In figuur B1 is de relatie tussen en opbouw van het beoordelingskader voor dit hoofddoel nader uitgewerkt, in het blauw zijn sub-indicatoren opgenomen. Figuur B1 Beoordelingskader REP contour hoofddoel bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio
Subdoelen
Kernindicatoren
Sub-indicatoren
Fietsgebruik Voor iedereen zijn er – dichtbij en toegankelijkaantrekkelijke plekken Leefomgeving draagt bij aan gezond gewicht Wonen en druk verkeer zijn gescheiden Bevorderen gezonde leefstijl
Functies (Wonen, werken, voorzieningen) zijn goed gemengd, overlastgevende bedrijven staan op afstand Actief vervoer (lopen en fietsen) is in beleid, ontwerp en gebruik de standaard Tussen kernen zijn goede fiets- en OV verbindingen. Ruimtelijke ontwikkeling op locaties waar verschillende niveaus van geluidbelasting bestaan (binnen wettelijke normen) Geluid
Bevorderen gezonde leefomgeving (o.a. terugdringen hinder geluid en emissies)
Nieuwe infrastructuur Ruimtelijke ontwikkelingen genereren nieuwe verplaatsingen
Emissies luchtverontreiniging Verkeersveiligheid Veiligheid in de brede zin Waterkwaliteit Wateroverlast Kansen voor klimaatadaptatie; o.a. beperken wateroverlast, waterveiligheid en hittestress
Kansen voor klimaatadaptatie
Overstroming Hittestress Droogte
Robuust Watersysteem Voldoende schoon en gezond water
Ruimte voor het hoofdwatersysteem Strategische grondwatervoorraden CO2-emissies verkeer Energievraag woningen Energieneutrale woningen
Kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie
Kansen en bijdragen aan de energietransitie in termen van energieproductie en -besparing (in TWh en PJ)
Ruimte voor elektriciteit buitengebied Nabijheid (laag temperatuur) warmtebronnen Impuls bedrijven Energiegebruik en -levering werklocaties
De verdere operationalisering van kernindicatoren naar sub-indicatoren vergt op enkele onderdelen nog een nadere duiding, welke is overgenomen uit het beoordelingskader van het MIRT Onderzoek.
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
24
Geluid De effecten van de verstedelijking hebben op verschillende manieren een uitwerking op geluidhinder: • •
•
Ruimtelijke ontwikkeling op geluidbelaste locaties (binnen wettelijke normen). De categorie is in beeld te brengen op basis van de huidige geluidshindercontouren. Nieuwe infrastructuur leidt tot nieuwe plaatsen waar geluidbelasting ontstaat. Deze categorie is eerder kwalitatief beoordeeld, waarbij ook is meegewogen dat deze geluidsbeleving meer impact heeft dan geluidhinder rondom bestaande infrastructuur, omdat een geluidsluwe situatie nu een geluidgehinderde situatie wordt. Ruimtelijke ontwikkelingen genereren nieuwe verplaatsingen; hierdoor kunnen bestaande woningen of andere kwetsbare functies met meer geluid te maken krijgen.
Klimaatadaptatie Klimaatadaptatie gaat over het kunnen inspelen op de gevolgen van klimaatverandering op thema’s als wateroverlast (voldoende waterberging), hittestress, waterveiligheid, bodemdaling, verzilting/verdroging, zoetwatervoorziening etc. Bij beoordeling van de kernindicator kansen voor klimaatadaptatie is rekening gehouden met de volgende sub-indicatoren: • • • •
Wateroverlast Overstroming Hittestress Droogte
Aan de hand van verdeling over woonmilieus, bodemopbouw, reliëf, type bouw en nabijheid van rivieren is een inschatting te maken van de bijdrage aan het subdoel. Gehanteerde globale regels hierbij zijn: •
•
•
•
•
Hoe meer er hoogstedelijk wordt gebouwd, hoe lastiger het wordt om de gevolgen van klimaatverandering te verzachten. Er zijn overigens goede voorbeelden dat dit wel kan, alleen vraagt dit wel extra inspanningen. Veengronden in west Utrecht zijn bodemdalingsgevoelig gedurende droge periodes. Als grondwaterstanden dalen zakt het veen extra in. Waarbij kleigronden hemelwater moeilijk infiltreren en zandgronden houden relatief weinig water vast. Richting de Utrechtse Heuvelrug is relatief veel reliëf en het gebied ondervindt de meeste neerslag in de regio. Lucht aangevoerd vanuit het westen stijgt langs de heuvelrug op, koelt af, verdampt en neerslagwolken worden gevormd. Water stroomt naar de voet van de heuvelrug wat tot lokale wateroverlast leidt. Tegelijkertijd is wateraanvoer naar de hogere gronden gedurende droogteperiodes lastig. Bij nieuwbouw is het relatief makkelijker om direct te kiezen voor een volledig klimaatbestendige inrichting. Bij binnenstedelijke verdichting en transformatie is dit aanzienlijk gecompliceerder, deze gebieden ondervinden minder kansen voor klimaatadaptatie. Nabij het rivierengebied zijn de grootste overstromingsrisico’s. Langs de Lek en richting de westelijke polders is de maximale waterdiepte het hoogst. Het gebied rondom de Utrechtse Heuvelrug is veiliggesteld dankzij haar hoge(re) ligging.
Kansen voor energietransitie De kernindicator kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie in termen van energieproductie en -opwek gaat over voldoende ruimte voor de opwekking van duurzame energie en besparing van energiegebruik. Dit wordt beoordeeld aan de hand van zes elementen:
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
25
•
•
•
•
•
Aan de hand van het energiegebruik per woningtype (elektriciteit en warmte) is berekend wat de energievraag van de 37.000 woningen is die worden toegevoegd. Een lager totaal energiegebruik is daarbij als positief beoordeeld. Energieneutrale woningen. In steden is het complexer om zelfvoorzienende woningen te maken (hoogbouw heeft bijvoorbeeld te weinig vierkante meters dak om met zonnepanelen in de energievraag van alle gestapelde woningen te voorzien). In de toekomst is ook geveloppervlakte mogelijk te gebruiken voor energiewinning en zal de verbeterde isolatie ertoe bijdragen dat juist woningen in het buitengebied makkelijker energieneutraal zijn te maken. Een hoger aantal gestapelde woningen in een model is als negatief beoordeeld. De ruimte die beschikbaar is voor het opwekken van energie is een belangrijke indicator. Het vrijhouden van het buitengebied biedt kansen om dit (deels ook) in te zetten voor energieopwekking. Het subcriterium Ruimte voor elektriciteit buitengebied pleit daarom voor hoogstedelijke milieus en niet voor geen uitleg. Meer ruimtegebruik in het buitengebied scoort dus negatief.
Ook meegewogen is het gebruik van bedrijventerreinen: wanneer bedrijventerreinen worden getransformeerd, zullen bedrijven in de regel een impuls hebben om oude processen en technieken (die deels zijn afgeschreven) eerder te vervangen door nieuwe schone technologie, dan als ze op de bestaande locatie zouden blijven. Aanvullend is op suggestie van de Bestuurstafel Energie een sub-indicator energiegebruik en – levering werklocaties toegevoegd.
Hoofddoel Economie versterken: aanjagen economische groei van de regio Het hoofddoel economie versterken is opgebouwd uit 4 subdoelen en 9 kernindicatoren. Een deel van deze indicatoren spreekt voor zich, een ander deel is opgebouwd uit meerdere sub-indicatoren. In figuur B2 is de relatie tussen en opbouw van het beoordelingskader voor dit hoofddoel nader uitgewerkt, in het blauw zijn sub-indicatoren opgenomen. Figuur B2 Beoordelingskader REP contour hoofddoel economie versterken
Subdoelen
Kernindicatoren
Sub-indicatoren
Bruto Regionaal Product (BRP) Aantal arbeidsplaatsen (economische opgave) Agglomeratiekracht vergroten
Hoeveelheid ha toegevoegde gemengde functies wonen en werken Aantal banen per hectare werklocatie Ruimte-intensivering werklocaties en voorzieningen Aantal m2 winkelvloeroppervlakte Aantal potentiele werknemers binnen bereik van de 3 economische hotspots
Versterken van het vestigingsklimaat
Versterking vestigingsklimaat
Bevorderen circulariteit in de economie
Behoud werklocaties (niet mengen met wonen) met een bovengemiddelde Next Economy Potentie (NEER)
kwalitatieve ontwikkeling economische hotspots en aanwezigheid van een aantrekkelijk en gezond woonmilieu Aantal m2 kantoren op multifunctionele knooppuntlocaties Aantal ha toegevoegde bedrijventerreinen
Complementariteit van werklocaties om circulaire ketens te kunnen sluiten Bevorderen innovatie in de economie
Kansen voor innovatieve economie
Stimuleren betekenisvolle werkgelegenheid met gezonde en veilige arbeidsomstandigheden
Aandeel betekenisvolle gezonde en veilige arbeidsplaatsen op het totaal
In het MIRT Onderzoek is een nadere uitwerking gegeven aan de kernindicator ‘Versterking vestigingsklimaat’. Daarin spelen drie economische hotspots een rol, dat zijn: (1) USP/Rijnsweerd, (2) Stationsgebied Utrecht en (3) A12zone/Merwedekanaalzone. In U16 verband is naar aanleiding van REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
26
de moties en amendementen ook gesproken over enkele andere sectoren en hotspots die van belang zijn. Daarvoor is ruimte in de kwalitatieve duiding, waarbij meespeelt dat in iedere regio/ gemeente andere economische sectoren van meer of minder groot belang zijn.
Hoofddoel Verstedelijkingsopgave faciliteren Het hoofddoel verstedelijkingsopgave faciliteren is opgebouwd uit een viertal subdoelen en 5 kernindicatoren. Een deel van deze indicatoren spreekt voor zich, een ander deel is opgebouwd uit meerdere sub-indicatoren. In figuur B3 is de relatie tussen en opbouw van het beoordelingskader voor dit hoofddoel nader uitgewerkt, in het blauw zijn sub-indicatoren opgenomen. Figuur B3 Beoordelingskader REP contour hoofddoel verstedelijkingsopgave faciliteren
Subdoelen
Kernindicatoren
Sub-indicatoren
Gerealiseerde woningen binnen de regio Zicht op voldoende plancapaciteit (kwantiteit) Reserve-plancapaciteit Aantal woningen hoogstedelijk Aantal woningen Centrum stedelijk Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus (kwaliteit)
Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus
Aantal woningen Stedelijk buitencentrum Aantal woningen Groen stedelijk Aantal woningen Dorps Aantal woningen Landelijk
Bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt
Voldoende geschikt en betaalbaar aanbod voor iedereen
Stimuleren levensloopbestendige wijken
Aandeel levensloopbestendige wijken op het totaal
Toegang tot voorzieningen verbeteren vanuit woongebieden
Nabijheid stedelijke centra (% woningen binnen 3km van centra)
Toegang tot werk vergroten vanuit woongebieden
Gemiddelde woon-werk reistijd per modaliteit
Nieuw onderzoek dat is uitgevoerd voor het REP (Companen 2019) brengt de verschillen tussen vraag en aanbod in beeld voor de periode tot 2040 voor 5 deelgebieden: •
• • •
•
Utrecht: hier is vooral vraag naar en een tekort aan Centrum Stedelijk wonen. Buiten-centrum milieus zijn er voldoende. Om daarmee aan de Centrum-stedelijke vraag tegemoet te komen dienen deze milieus voldoende stedelijke uitgaansfuncties te krijgen. Rondom Utrecht: hier ontstaat een tekort in vrijwel alle woonmilieus; het grootste tekort is aan Centrum-stedelijk. Tekorten buiten centrum ontstaan pas op langere termijn. Noord: hier is vooral behoefte aan buiten-centrummilieus. Er is vooral behoefte aan appartementen en zeer betaalbare grondgebonden woningen. Zuidoost: met uitzondering van het buiten-centrummilieu is er in alle woonmilieus een tekort. Er is hier in sterkere mate dan in andere regio’s vraag naar grondgebonden koopwoningen, ook in duurdere segmenten. Zuidwest: hier is waarschijnlijk vooral behoefte aan buiten-centrummilieus, maar dit zou ook ingeruild kunnen worden meer dorps/ groenstedelijke milieus.
Bij beoordeling van de woningbouwprogrammering in de contour zal rekening worden gehouden met de uitkomsten uit het onderzoek van Companen.
Hoofddoel Ruimtelijke kwaliteit verhogen Het hoofddoel Ruimtelijke kwaliteit verhogen is opgebouwd uit 7 subdoelen en 14 kernindicatoren. Een deel van deze indicatoren spreekt voor zich, een ander deel is opgebouwd uit meerdere subindicatoren. In figuur B4 is de relatie tussen en opbouw van het beoordelingskader voor dit hoofddoel nader uitgewerkt, in het blauw zijn sub-indicatoren opgenomen.
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
27
Figuur B4 Beoordelingskader REP contour hoofddoel Ruimtelijke kwaliteit verhogen
Subdoelen
Kernindicatoren
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied
Sub-indicatoren Toevoeging complementaire woon- en werkmilieus
Kansen verhoging ruimtelijke kwaliteit stedelijk gebied
Kansen verhoging ruimtelijke kwaliteit landelijk gebied
Realisatie voldoende kritische massa om draagvlak te creëren voor voorzieningen Spreiding van deze kwaliteiten over de gehele regio, zodat iedereen ervan profiteert Koppelkansen ontwikkeling en structuurverbetering landelijk gebied Bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van stads- en dorpsranden Impact op ruimtebeslag landbouwareaal (zie ook volgende kernindicator
Bijdrage (of afbreuk) aan de kernkwaliteiten van de Utrechtse Landschappen Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied
Bijdrage (of afbreuk) aan cultuurhistorische waarden (landschapselementen / bouwwerken / artefacten) Impact op landbouw (ruimtebeslag bestaand areaal, met onderscheid primaire en secondaire landbouw)
Ruimtebeslag aaneengesloten primaire landbouw (kernlandbouwgebied) Ruimtebeslag aaneengesloten secundaire landbouw (combinatie met andere functies)
Aandeel landbouw in regionale voedselvoorziening Kansen voor natuur/landschapinclusieve/circulaire landbouw
Kansen voor natuur
Aantasting en ontwikkeling in of direct langs beschermde natuurgebieden en ecologische structuren Effecten ondergrondse waterstructuren Toename / vergroten biodiversiteit
Behouden versterken van de intrinsieke natuurwaarden Borgen biodiversiteit
Nieuwe habitats of uitbreiding van natuurareaal voor specifieke doelsoorten (land en water) Aaneengeslotenheid / robuustheid van gebieden en verbindingen M ate van robuustheid van ecologische verbindingen (stijging natuurwaarden door goede verbindingen) Aantal ha bos
Vergroten van het areaal (land- en water) natuur
Ruimtebeslag/nieuwe natuur (exclusief reeds geplande NNN)
Aantal ha landbouw Aantal ha recreatie Aantal ha natuur
Verbondenheid natuurgebieden (in ha) - aantasting en nieuwe verbindingen
Behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden
Kansen voor landschap
M ogelijkheden ontwikkeling landschappelijke kwaliteit M ogelijkheden ontwikkeling recreatiemogelijkheden in aangrenzende gebieden gebiedsontwikkeling
Inwonertal op peil Leefbaarheid en vitaliteit kernen Bereikbaarheid knopen Aantal hectare nieuw recreatiegebied
Recreatieve voorzieningen
Aantal meters nieuw of verbeterd recreatief netwerk Ruimte, kwaliteit en bereikbaarheid recreatieve voorzieningen Kwaliteit en capaciteit van recreatieterreinen en reacreatielandschappen M ate van bereikbaarheid recreatieterreinen en recreatielandschappen
Naar aanleiding van de moties en amendementen en suggesties vanuit de bestuurstafel Groen en Landschap zijn enkele subdoelen en kernindicatoren toegevoegd. In nadere toelichting en operationalisering op een aantal daarvan wordt verwezen naar het ‘Pijlerrapport Groen en Landschap’1. Op enkele kern- en sub-indicatoren is om die reden nog enige verduidelijking gegeven: •
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Bij dit subdoel zijn onder andere de kernkwaliteiten van het Utrechtse Landschap en de cultuurhistorische
1 Ontwikkelbeeld Groen & Landschap – Vijfde pijler Groen en Landschap: het aanbod van en aan U16. 31 juli 2019. Hier geraadpleegd:
https://www.utrecht10.nl/media/filer_public/07/1d/071de2c9-fa04-4cb2-801863522db77890/190801_bvr_u16_groene_pijler_ontwikkelbeeld_xs.pdf
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
28
•
landschapselementen, bouwwerken en artefacten. Bij dit laatste aspect gaat het onder andere om de Limes, Waterlinies, Grebbelinie, Lustwarande en de Stelling van Amsterdam. Op het aspect landbouw in relatie tot ruimtelijke kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen kernlandbouwgebieden (dat zijn een vijftal aaneengesloten landbouwgebieden in Utrecht) en secundaire landbouwgebieden (in deze gebieden is sprake van meer functiemenging: landbouw met wonen en werken). Behouden en versterken van de intrinsieke natuurwaarden. Op deze subdoelstelling wordt meegegeven dat natuurwaarden op diverse manieren kunnen worden gerealiseerd. Naast primaire natuurgebieden, die in ha zijn uit te drukken, kan een bijdrage aan natuurwaarden worden gerealiseerd in combinatie met andere functies als wonen, werken, recreatie en landbouw (in overlap met anders pijlers). Voor het meten van de biodiversiteit is het van belang om uit te gaan van doelsoorten met passende habitatgebieden, die kenmerkend zijn voor het beoogd type natuur en dat daarbij beoordeelt kan worden op het feit of geschikte leefomstandigheden voor deze doelsoorten worden geborgd of gerealiseerd.
Hoofddoel Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren Het hoofddoel Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren is opgebouwd uit 4 subdoelen en 9 kernindicatoren, welke voornamelijk kwantitatief zijn uitgewerkt. Een deel van deze indicatoren spreekt voor zich, een ander deel is opgebouwd uit meerdere sub-indicatoren. In figuur B5 is de relatie tussen en opbouw van het beoordelingskader voor dit hoofddoel nader uitgewerkt, in het blauw zijn sub-indicatoren opgenomen. Figuur B5 Beoordelingskader REP contour hoofddoel Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren
Subdoelen
Kernindicatoren
Sub-indicatoren
Bereikbaarheid in reistijdsom totaal per modaliteit, lokaal, regionaal en doorgaand verkeer
Ritten 's ochtends onderweg naar 12 werklocaties Ritten die vertrekken vanuit alle locaties
Aantal woningen nabij bestaande OV-knopen (met restcapaciteit) Voldoende capaciteit infrastructuurnetwerken en oplossing urgente (systeem) knelpunten (Fiets, Spoor, Stedelijk OV, Transfer, Weg)
M odaliteit fiets / OV Bereikbaarheid van arbeidsplaatsen per modaliteit
M odaliteit auto Goed bereikbare woon- en werkmilieus
Impact op NM CA knelpunten Ontlasten Utrecht Centraal Bewerkstelligen slim en duurzaam goederenvervoer Versterken robuustheid infrastructuurnetwerken
Versterken robuustheid infrastructuurnetwerken
Vergroten van reizigerscomfort, betrouwbaarheid en beleving
Vergroten van reizigerscomfort, betrouwbaarheid en beleving
Vergroten toegankelijkheid van het verkeer- en vervoersysteem
Vergroten toegankelijkheid van het verkeer- en vervoersysteem
Uitwijkmogelijkheden bij incidenten
Ten behoeve van de beoordeling van de verstedelijkingsmodellen op het hoofddoel Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren zijn de verstedelijkingsmodellen doorgerekend in een verkeersmodel. Vanuit die doorrekening worden de gevolgen voor de keuze voor fiets, OV en auto inzichtelijk. Uit die analyses bleek dat de verstedelijkingsmodellen beperkt onderscheidend zijn. Ten behoeve van de beoordeling van de contour zijn (nog) geen verkeersmodel doorrekeningen gedaan, de beoordeling zal om die reden kwalitatief zijn.
Hoofddoel Haalbaarheid Het hoofddoel Haalbaarheid is opgebouwd uit 2 subdoelen en kernindicatoren. In figuur B6 zijn voor de twee kernindicatoren ook sub-indicatoren en operationalisering van kernindicatoren opgenomen (in het blauw). REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
29
Figuur B6 Beoordelingskader REP contour hoofddoel Haalbaarheid
Subdoelen
Kernindicatoren
Sub-indicatoren
Zicht op uitvoering (technische complexiteit, draagvlak, fysieke inpassing, juridisch)
Uitvoerbaarheid
Aantal eigenaren op wiens grondgebied verstedelijking plaatsvindt
M ate van adaptiviteit en toekomstvastheid
Adaptiviteit/flexibiliteit
Aanwezige bebouwing op te ontwikkelen locaties Zwaarte van infrastructurele ingrepen
Hoofddoel Kosten en opbrengsten (financieel) Het hoofddoel Kosten en opbrengsten is opgebouwd uit 2 subdoelen en 3 kernindicatoren, welke voornamelijk kwantitatief zijn uitgewerkt. Een deel van deze indicatoren spreekt voor zich, een ander deel is opgebouwd uit meerdere sub-indicatoren en deelberekeningen. In figuur B7 is de relatie tussen en opbouw van het beoordelingskader voor dit hoofddoel nader uitgewerkt, in het blauw zijn sub-indicatoren opgenomen. Figuur B7 Beoordelingskader REP contour hoofddoel Kosten en opbrengsten (financieel)
Subdoelen
Kernindicatoren
Sub-indicatoren
GREX saldo (mln Euro)
Resultaat van kosten en opbrengsten woningbouwprogramma (37.000 woningen)
Beheer en exploitatiekosten , incl. opbrengsten OV-exploitatie (Euro of kwalitatief) Investeringskosten
REP U16
Investeringen infrastructuur (Euro)
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
30