Raadsvoorstel 'Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) U16' - Bijlage 4 (Toetsing aan beoordelingskader).pdf
Tekst van het document
U16 Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader september 2021, Versie 1.0
Colofon Auteurs: Decisio
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
Inhoud Samenvatting: beoordeling IRP............................................................................................................... 1 Beoordeling IRP ............................................................................................................................... 1 Beoordelingskader als hulpmiddel voor politiek-bestuurlijk gesprek............................................. 2 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 4 1.2 Werkwijze ............................................................................................................................... 4 1.3 Leeswijzer................................................................................................................................ 5
2
Beoordelingskader .......................................................................................................................... 6 2.1 Basis voor het beoordelingskader........................................................................................... 6 2.2 Beoordelingskader .................................................................................................................. 7
3
Beoordeling IRP ............................................................................................................................... 9 3.1 Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio ................................................ 9 3.2 Economie versterken: aanjagen economische groei van de regio ....................................... 12 3.3 Verstedelijkingsopgave faciliteren ........................................................................................ 14 3.4 Ruimtelijke kwaliteit verhogen ............................................................................................. 17 3.5 Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren ................................................................... 20 3.6 Haalbaarheid ......................................................................................................................... 21 3.7 Kosten en opbrengsten (financieel) ...................................................................................... 23
Bijlage 1: Bijlage operationalisering kernindicatoren ........................................................................... 24
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
Samenvatting: beoordeling IRP Het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) (versie september 2021) is op hoofdlijnen beoordeeld aan de hand van een beoordelingskader dat door de regio Utrecht is opgesteld om integrale ruimtelijke keuzes te toetsen, bijvoorbeeld op het gebied van verstedelijking, mobiliteit, landschap en energie. Het beoordelingskader is uitgewerkt rondom het centrale motto van de U10 ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ en bestaat uit 7 hoofddoelen en per hoofddoel uit meerdere subdoelen. Aan de hand van kern- en subindicatoren is het beoordelingskader verder geoperationaliseerd. Beoordeling in verschillende stappen en fases Het IRP is in een aantal stappen in nauwe samenspraak met raden en colleges opgesteld (van contour tot integraal perspectief). Gedurende dit proces zijn conceptversies van de contour en het IRP reeds eerder beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader. Aandachtspunten vanuit de beoordeling zijn meegenomen in het definitieve voorliggende IRP (september 2021). Dit definitieve IRP is door ons wederom beoordeeld. De beoordeling vanuit het beoordelingskader is inhoudelijk en ziet toe op de te verwachten effecten die uitgaan van uitvoering van het IRP.
Beoordeling IRP Het totaalbeeld van de beoordeling is opgenomen in schema 1. Het IRP wordt over het algemeen positief beoordeeld. Voor de meeste doelstellingen (zowel hoofd, als subdoelen) is veel aandacht in het IRP. In het IRP wordt per thema het perspectief voor de regio benoemd, waaruit op een logische manier de opgave of ambitie voortvloeit. Aan de hand van 8 redeneerlijnen wordt vervolgens aangegeven op welke manier de opgave tegemoet wordt getreden. Daarbij is op onderdelen een nadere thematische verdieping gepleegd. De overwegend positieve beoordeling is logisch vanuit het gegeven dat het beoordelingskader zelf ook richting heeft gegeven aan de keuzes die in het IRP zijn gemaakt. Aanvullend hierop (geen specifiek onderdeel van het beoordelingskader) is het positief te zien dat het IRP in nauwe samenhang met alle 16 gemeenten tot stand is gekomen. Wanneer alle gemeenten het IRP als basis gebruiken om in de toekomst integraal ruimtelijk beleid te maken en uit te voeren, dan is dat een mooi uitgangspunt. Wanneer we verder inhoudelijk inzoomen op een aantal hoofddoelen en thema’s uit het IRP en deze langs de meetlat van het beoordelingskader leggen dan vallen daarin de volgende zaken op: •
•
•
Op de hoofddoelen ‘economie versterken’, ‘verstedelijkingsopgave faciliteren’, ‘ruimtelijke kwaliteit verhogen’ en ‘slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren’ wordt overwegend positief gescoord. Dat komt doordat het IRP de thema’s wonen, werken, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit behoorlijk concreet uitwerkt en zo inzicht biedt in welke mate aan de opgaven wordt voldaan en op welke manier bepaalde doelen gerealiseerd gaan worden. Bijvoorbeeld in termen van aantallen arbeidsplaatsen, woningen, waar en op welke OV-lijnen ingezet wordt en op welke manier de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt. De beoordeling op het hoofddoel ‘bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio’ is lastiger. Dat heeft te maken met het regionale niveau waarop het IRP is uitgewerkt. Voor bepaalde subdoelen en indicatoren is een nadere uitwerking op lokaal niveau nodig (bijvoorbeeld klimaatadaptatie); deze invulling biedt het IRP niet. Daarnaast is de inpassing van verschillende functies (wonen, werken, mobiliteit) binnen bestaand stedelijk gebied en het gezond maken / houden van dit gebied (met name kijkend naar het aspect geluid) een aandachtspunt. De specifieke ‘inpassing’ dient in vervolgstappen nader uitgewerkt te worden. In algemene zin geldt voor meer indicatoren uit het beoordelingskader dat het nog niet mogelijk is ze op basis van de uitwerking in het IRP te beoordelen.
In de fase van beleidsontwikkeling waar het IRP zich in bevindt is dat ook logisch: het IRP kan op onderdelen alleen randvoorwaarden of uitgangspunten meegeven, of aangeven dat nog ruimte wordt gezocht voor
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
1
•
bepaalde functies. De daadwerkelijke uitwerking in plannen en programmering komt later en is in sommige gevallen ook vooral iets waar gemeenten mee aan de slag moeten. De beoordeling op de hoofddoelen ‘Haalbaarheid’ en ‘Kosten en opbrengsten’ is ook nog niet goed mogelijk. Over deze aspecten is nog weinig concrete informatie voorhanden.
Dat maakt dat beoordeling van potentiële effecten op een aantal indicatoren in het perspectief neutraal (0, geen noemenswaardig effect verwacht) is. Bij een aantal doelen zijn de effecten in deze fase nog onbekend. Dat heeft te maken met het feit op een aantal onderliggende indicatoren bij nadere planuitwerking en programmering nog zowel positief als negatief gescoord kan worden. In dat geval is in de tabel in de kolom ‘programmering’ een makereing (●) ogenomen. Dat betekent dat de score op subdoelen waar dit aan de orde is nog naar boven of beneden kan worden bijgesteld als nadere planuitwerking daar aanleiding toe geeft. In de volgende fase (IRP Fase 4 Programmering) dient er dus aandacht te zijn voor mogelijke negatieve en potentieel positieve effecten op deze subdoelen. Deze beoordelingen zijn dus te lezen als aandachtspunten bij de verdere uitwerking van het IRP.
Beoordelingskader als hulpmiddel voor politiek-bestuurlijk gesprek Om te voorzien in de regionale opgaven en daarbij oog te houden voor de ambities en doelstellingen van de regio worden integrale ruimtelijke keuzes op verschillende schaalniveaus (regionaal, gemeentelijk, lokaal) gevraagd. Het beoordelingskader is opgesteld ter ondersteuning van het maken van deze keuzes. De beoordeling van het IRP is geen zuivere toets op de ‘maatschappelijke impact’, maar biedt wel inzicht in de (elementen uit) de vijf thema’s en 8 redeneerlijnen die in het IRP aandacht krijgen, en hoe deze bijdragen aan de hoofddoelstellingen uit het beoordelingskader. Beoordeling van doelstellingen is gebaseerd op het meten van onderliggende indicatoren. Aandachtspunt daarbij is dat verschillende indicatoren een verschillend karakter hebben. De meesten zijn kwantitatief meetbaar te maken, maar sommige indicatoren kunnen alleen kwalitatief worden gescoord op basis van ‘expert judgement’. Daarnaast geldt als aandachtpunt voor gebruik dat indicatoren soms met elkaar overlappen en/of containerbegrippen zijn. Elementen die nu nog niet zijn uitgewerkt (en waarvan de bijdrage aan doelen nog niet meetbaar is) verdienen dus in programmering in het vervolgproces aandacht. Daarbij geldt dus ook dat scores nog beter of slechter kunnen worden door een nadere uitwerking of inpassing.
Daarbij past overigens wel de kanttekening dat niet op alle doelstellingen maximaal kan worden gescoord: de ruimte is immers schaars, zodat het noodzakelijk is keuzes te maken. De beoordeling aan de hand van het beoordelingskader is daarmee geen scherprechter, maar vooral een hulpmiddel voor het politiekbestuurlijk gesprek over te maken keuzes en de mogelijke consequenties daarvan.
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
2
Schema 1: totaalbeeld beoordeling Integraal Ruimtelijk Perspectief U16 Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio
Bevorderen gezonde leefstijl
+
Bevorderen gezonde leefomgeving (o.a. terugdringen hinder geluid en emissies)
+/-
Kansen voor klimaatadaptatie; o.a. beperken wateroverlast, waterveiligheid en hittestress
0/+
Voldoende schoon en gezond water
0/+
Kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie Agglomeratiekracht vergroten Versterken van het vestigingsklimaat Bevorderen circulariteit in de economie Bevorderen innovatie in de economie
0/+
Economie versterken: Aanjagen economische groei van de regio
Verstedelijkingsopgave faciliteren
Ruimtelijke kwaliteit verhogen
Slimme en Toekomstvaste mobiliteit faciliteren
Haalbaarheid
Kosten en opbrengsten (financieel)
REP U16
Perspectief
Programmering
●
+ + 0/+ +
● ●
Stimuleren betekenisvolle werkgelegenheid met gezonde en veilige arbeidsomstandigheden
0
●
Zicht op voldoende plancapaciteit (kwantiteit)
+
Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus (kwaliteit)
0/+
●
Bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt
0
●
Stimuleren levensloopbestendige wijken
0
●
Toegang tot voorzieningen verbeteren vanuit woongebieden
+
Toegang tot werk vergroten vanuit woongebieden
+
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied
0/+
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied
+
Behouden versterken van de intrinsieke natuurwaarden
0/+
Vergroten van het areaal (land- en water) natuur
+
Behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden
+
Leefbaarheid en vitaliteit kernen
+
Recreatieve voorzieningen
+
Voldoende capaciteit infrastructuurnetwerken en oplossing urgente (systeem) knelpunten (Fiets, Spoor, Stedelijk OV, Transfer, Weg)
+
Versterken robuustheid infrastructuurnetwerken
0/+
Vergroten van reizigerscomfort, betrouwbaarheid en beleving
0
Vergroten toegankelijkheid van het verkeer- en vervoersysteem
+
Zicht op uitvoering (technische complexiteit, draagvlak, fysieke inpassing, juridisch)
0
Mate van adaptiviteit en toekomstvastheid
+
Beheer en exploitatiekosten , incl. opbrengsten
-
●
Investeringskosten
-
●
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
●
●
●
3
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
De regio Utrecht staat voor de opgave om de komende jaren een grote vraag naar ruimte op te vangen en op een duurzame, leefbare en gezonde manier in te passen in de bestaande leefomgeving. De vraag naar ruimte komt onder meer voort vanuit de groeiende economie en een toenemend aantal mensen dat in de regio wil wonen, de benodigde verduurzaming van het energiegebruik, klimaatopgaven en de grote verkeersstromen die door de regio zullen blijven lopen. Het op een gezonde en leefbare manier inpassen van deze opgaven vraagt ook om voldoende ruimte voor rust en recreatie, bijvoorbeeld in de vorm van natuur en landschap. Om de groei in goede banen te leiden werkt de regio Utrecht nauw samen. Daartoe is in 2018 een Ruimtelijk Economische Koers (REK) en later een Ruimtelijk Economisch Programma (REP) opgesteld. Daarin is vanuit de U10 ‘een integrale en breed gedragen visie en strategie op de toekomst (tot 2040) van de metropoolregio Utrecht opgenomen’. De visie en strategie zijn ruimtelijk vertaald in het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP). Het IRP is ‘geen eindbeeld, maar bevat een strategie en adaptief ontwikkelpad’. Om die reden worden in de volgende stap vanuit het REP nog gezamenlijk afspraken gemaakt over regionaal programmeren en een uitvoeringsstrategie. In het ruimtelijk economisch programma REP is een integraal afwegingskader en beoordelingskader opgesteld.
Doel van voorliggende notitie is het IRP langs de meetlat van het beoordelingskader (BOK) te leggen.
1.2
Werkwijze
In de eerste helft van 2019 is door het MIRT Onderzoek Metropoolregio Utrecht in samenwerking met het REP een aantal verstedelijkingsmodellen geschetst die getoetst zijn aan een beoordelingskader. De uitgangspunten voor de verstedelijkingsmodellen en het uitgewerkte beoordelingskader zijn door Provinciale Staten en de gemeenteraden vastgesteld. Daarbij zijn verschillende zienswijzen, moties en amendementen ingediend die oproepen om het eerder gebruikte beoordelingskader verder uit werken. Daarnaast is vanuit bestuurstafels (Gezondheid en Inclusiviteit, Wonen, Werken, Groen en Landschap, Mobiliteit en Energie) en de waterschappen (vertegenwoordigd via Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden - HDSR) input aangedragen voor het beoordelingskader. Dit is in het voorjaar van 2020 verwerkt in het aangepast beoordelingskader. Voorliggend rapport gaat in op de wijze waarop het Integraal Ruimtelijk Perspectief scoort op de verschillende doelen, subdoelen en indicatoren in het beoordelingskader. Voor deze toetsing is geen specifiek (kwantitatief) onderzoek gedaan naar de impact van bepaalde onderdelen uit het IRP op de indicatoren uit het beoordelingskader. Het oordeel over en de scores van het IRP op de verschillende indicatoren is kwalitatief gedaan aan de hand van een expertmatige beoordeling.
Beoordeling van het IRP in verschillende stappen en fasen Het IRP is, zoals geschetst, in een aantal stappen en fasen in nauwe samenspraak met raden en colleges opgesteld. Gedurende dit proces zijn conceptversies van het IRP reeds eerder beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader. Meest recent is dat in maart 2021 gedaan. Toen is een integrale conceptversie van het IRP door Decisio beoordeeld. Onder meer vanuit deze beoordeling en de verschillende zienswijzen vanuit gemeenteraden is het IRP definitief gemaakt (september 2021). Dit definitieve IRP is door ons wederom beoordeeld. Daarbij is de beoordeling van het concept IRP als basis gebruikt en is gefocust op de verschillende wijzigingen en aanvullingen die in het definitieve IRP zijn gedaan om de beoordeling bij te stellen, aan te scherpen en aan te vullen. De belangrijkste wijzigingen in het definitieve IRP zijn het integreren van de RES U16, het vraagstuk omtrent regionale bedrijventerreinen en de uitvoeringsstrategie en haalbaarheid van het IRP.
In deze notitie is een score gegeven op het niveau van de subdoelen. Hierbij is gekeken naar de onderliggende kernindicatoren en (indien die er zijn) subindicatoren. Scores die zijn gegeven zijn: negatief (-), geen/verwaarloosbaar effect (0), of positief (+). Op sommige aspecten is nog geen REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
4
oordeel mogelijk, bijvoorbeeld omdat de uitwerking in een concreet ontwikkelingsplan bepalend is, niet de (ruimtelijke) keuzes op hoofdlijnen die in het IRP worden gemaakt. Waar dit het geval is, is dit aangegeven met een vraagteken (●) onder de kolom ‘Programmering’. Het REP zal in de volgende fase op deze indicatoren meer duidelijkheid gaan geven. Voorbeelduitwerking om de methodiek toe te lichten We lichten deze werkwijze kort toe aan de hand van een voorbeelduitwerking. We maken daarbij gebruik van het subdoel ‘Versterken van het vestigingsklimaat’. Dit subdoel valt onder het hoofddoel ‘Economie versterken: aanjagen economische groei van de regio’. De beoordeling van het subdoel is gedaan aan de hand van de kernindicator ‘Versterking vestigingsklimaat’ en met name de subindicatoren die deze kernindicator verder geoperationaliseerd hebben, een korte toelichting: -
-
-
-
‘Aantal potentiële werknemers binnen bereik van de 3 economische hotspots’. Binnen deze sub-indicator worden met de economische hotspots in de regio USP/Rijnsweerd, stationsgebied Utrecht en de A12 Zone / Merwedekanaalzone bedoeld. In het IRP is expliciet aandacht voor de ruimtelijke uitwerking van deze drie locaties, in termen van aantallen woningen en arbeidsplaatsen en er is aandacht voor de ontsluiting van deze gebieden (o.a. via specifieke onderdelen van het OV-systeem ‘Wiel met Spaken’). Op die manier wordt, deels kwalitatief (verbetering bereikbaarheid) en deels kwantitatief (aantal woningen dat in de nabijheid van deze locaties wordt toegevoegd), inzichtelijk gemaakt dat het aantal werknemers dat binnen bereik van de 3 hotspots woont in potentie toeneemt. Dat motiveert de positieve beoordeling (+) op deze sub-indicator. ‘Kwalitatieve ontwikkeling economische hotspots en aanwezigheid van een aantrekkelijk en gezond woonmilieu’. Deze sub-indicator ligt in het verlengde van de vorige en, zoals de sub-indicator zelf al noemt, meer kwalitatief van aard. In het IRP is expliciet aandacht voor de ontwikkeling van de economische hotspots. Ook in kwalitatieve zin, zo wordt bij het stationsgebied / Groot Merwede aangegeven dat ‘Gezond leven het uitgangspunt [is] […], waarbij het groen een essentiële rol speelt in de ontwikkeling’.
Bij de A12 zone wordt aangegeven dat de ruimtelijke kwaliteit ‘gedragen [wordt] door de kanalen die door het gebied lopen en de groene verbindingen die er vanuit dit gebied zijn’. Bij ontwikkeling van het USP is aandacht voor ‘een gezonde en duurzame leefomgeving’ en een plek waar ‘inspiratie, ontmoeting en samenwerking centraal staan’. Deze concrete uitwerkingen motiveren de positieve beoordeling (+) op deze sub-indicator. ‘Aantal m2 kantoren op multifunctionele knooppuntlocaties’. Het IRP is in algemene zin zo opgebouwd dat eerst de opgave / ambitie voor de regio wordt toegelicht (perspectieven) en dat vervolgens via een aantal redeneerlijnen en thematische verdiepingen aan wordt gegeven hoe en in welke mate aan de opgaven tegemoet wordt gekomen. Zo wordt duidelijk dat er tot 2040 behoefte is aan maximaal 853.000 m2 kantoorruimte in de stad Utrecht op plekken die goed bereikbaar zijn met het OV. Bij de verdere thematische uitwerking van kantooromgevingen wordt aangegeven dat het IRP inzet op toekomstbestendige plekken die multifunctioneel zijn, in een groene omgeving en met een optimale ov-bereikbaarheid. Het aantal m2 kantoren dat op dit type locaties wordt gerealiseerd wordt niet concreet benoemd. Het is om die reden nog niet te beoordelen of aan deze sub-indicator wordt voldaan (●). ‘Aantal ha toegevoegde bedrijventerreinen’.
Voor deze sub-indicator geldt min of meer hetzelfde als de vorige. De opgave wordt met 216 ha bedrijventerrein extra concreet benoemd. Daarbij worden verschillende mogelijkheden genoemd om deze opgave in te vullen (bijvoorbeeld binnen de gemengde stedelijke gebieden en door intensivering van de huidige bedrijventerreinen), maar wordt tegelijkertijd aangegeven dat verschillende locaties nog in studie zijn om op die manier voor een resterend deel van de opgave ruimte te zoeken. Daaruit concluderen we dat nog niet volledig aan de opgave wordt voldaan en is de sub-indicator nog niet volledig te beoordelen, om die reden resteert een ● als beoordeling.
Al met al worden twee van de vier subindicatoren onder de kernindicator en het subdoel ‘versterken van het vestigingsklimaat’ positief (+) beoordeeld en is voor twee subindicatoren nog geen beoordeling mogelijk ( ●). De totaalscore op het subdoel is om die reden een combinatie van beide beoordelingen: (+) voor het perspectief en (●) voor programmering.
1.3
Leeswijzer
In het vervolg van dit rapport komen achtereenvolgens aan bod: • Hoofdstuk 2 Introductie beoordelingskader • Hoofdstuk 3 Beoordeling IRP • Hoofdstuk 4 Conclusies en algemeen oordeel IRP • Bijlage 1 Operationalisering kernindicatoren beoordelingskader.
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
5
2
Beoordelingskader
2.1
Basis voor het beoordelingskader
Het overkoepelende en samenbindende thema van het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP), ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ is eveneens het integraal verbindend element in het beoordelingskader. De U16 hanteert een brede definitie van het begrip gezondheid. Daarvoor zijn de volgende waarden van belang: • • •
Gericht op het algeheel welbevinden (geluk) Uitgaan van positieve gezondheid, breder dan alleen de aan- of afwezigheid van ziekte, maar focus op preventie Gericht op iedereen, dus inclusief.
Om gezondheid voor iedereen op een goede manier te verwerken in het ruimtelijke perspectief voor de regio wordt een aantal ruimtelijke hoofdprincipes meegegeven die zorgen dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving: 1. Realiseer voldoende, kwalitatief hoogwaardige, groenblauwe ruimte, die voor iedereen toegankelijk is. 2. Geef prioriteit aan lopen, fietsen en openbaar vervoer, stimuleer bewegen en beperk het vervuilende goederen- en personenvervoer 3. Pas inrichting en gebruik van de ruimte aan op de eisen vanuit klimaatverandering en borg gezondheid en veiligheid daarbij. Verminder door de inrichting de milieubelasting op gevoelige bestemmingen 4. Zet in op een landbouwtransitie met minder negatieve en meer positieve effecten op gezondheid 5. Zorg voor een ruimtelijke inrichting waarin iedereen mee kan doen en ontwikkel nieuwe woonconcepten gericht op bevorderen van sociale cohesie 6. Zet ook bij circulaire economie en in de bouw/bouwconcepten gezondheid centraal.
Gezondheid is daarom in het beoordelingskader geïntegreerd als uitgangspunt voor alle sectorale pijlers en hoofddoelen van het REP. De hoofddoelstellingen van het beoordelingskader zijn: • • • • • • •
Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio Economie versterken: Aanjagen economische groei van de regio Verstedelijkingsopgave faciliteren Ruimtelijke kwaliteit verhogen Slimme en toekomstvaste mobiliteit faciliteren Haalbaarheid Kosten en opbrengsten (financieel)
De beoordeling is geen zuivere toets op de ‘maatschappelijke impact’, maar geeft vooral inzicht in de bijdrage van (elementen uit) de acht redeneerlijnen uit het IRP en de thematische verdieping die daarop is uitgewerkt (Mobiliteit, Groen en Landschap, Woonmilieus en kwalitatieve woningbehoefte, Werkmilieus en Energie) aan de verschillende hoofddoelstellingen uit het beoordelingskader. Bovendien geldt dat indicatoren soms overlap bevatten en/of containerbegrippen zijn. Niet alle indicatoren zijn concreet meetbaar: sommige kunnen alleen kwalitatief worden gescoord op basis van ‘expert judgment’.
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
6
2.2
Beoordelingskader
Figuur 2.1 Beoordelingskader REP Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio
Kernindicatoren Fietsgebruik Voor iedereen zijn er – dichtbij en toegankelijkaantrekkelijke plekken Leefomgeving draagt bij aan gezond gewicht
Bevorderen gezonde leefstijl
Wonen en druk verkeer zijn gescheiden Functies (Wonen, werken, voorzieningen) zijn goed gemengd, overlastgevende bedrijven staan op afstand Actief vervoer (lopen en fietsen) is in beleid, ontwerp en gebruik de standaard Tussen kernen zijn goede fiets- en OV-verbindingen. Geluid Emissies luchtverontreiniging
Bevorderen gezonde leefomgeving (o.a. terugdringen hinder geluid en emissies)
Verkeersveiligheid Veiligheid in de brede zin Waterkwaliteit
Kansen voor klimaatadaptatie; o.a. beperken wateroverlast, waterveiligheid en hittestress
Kansen voor klimaatadaptatie Robuust Watersysteem
Voldoende schoon en gezond water
Ruimte voor het hoofdwatersysteem Strategische grondwatervoorraden
Kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie
Economie versterken: Aanjagen economische groei van de regio
CO2-emissies verkeer Kansen en bijdragen aan de energietransitie in termen van energieproductie en -besparing (in TWh en PJ) Bruto Regionaal Product (BRP) Aantal arbeidsplaatsen (economische opgave)
Agglomeratiekracht vergroten
Hoeveelheid ha toegevoegde gemengde functies wonen en werken Ruimte-intensivering werklocaties en voorzieningen
Versterken van het vestigingsklimaat
Versterking vestigingsklimaat
Bevorderen circulariteit in de economie
Behoud werklocaties (niet mengen met wonen) met een bovengemiddelde Next Economy Potentie (NEER) Complementariteit van werklocaties om circulaire ketens te kunnen sluiten
Bevorderen innovatie in de economie
Kansen voor innovatieve economie
Stimuleren betekenisvolle werkgelegenheid met gezonde en veilige arbeidsomstandigheden
Aandeel gezonde en veilige arbeidsplaatsen op het totaal
Verstedelijkingsopgave faciliteren
Gerealiseerde woningen binnen de regio Zicht op voldoende plancapaciteit (kwantiteit) Reserve-plancapaciteit
REP U16
Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus (kwaliteit)
Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus
Bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt
Voldoende geschikt en betaalbaar aanbod voor iedereen
Stimuleren levensloopbestendige wijken
Aandeel levensloopbestendige wijken op het totaal
Toegang tot voorzieningen verbeteren vanuit woongebieden
Nabijheid stedelijke centra (% woningen binnen 3km van centra)
Toegang tot werk vergroten vanuit woongebieden
Gemiddelde woon-werk reistijd per modaliteit
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
7
Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Kernindicatoren
Ruimtelijke kwaliteit verhogen
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied
Kansen verhoging ruimtelijke kwaliteit stedelijk gebied Kansen verhoging ruimtelijke kwaliteit landelijk gebied Bijdrage (of afbreuk) aan de kernkwaliteiten van de Utrechtse Landschappen
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied
Bijdrage (of afbreuk) aan cultuurhistorische waarden (landschapselementen/ bouwwerken/ artefacten) Impact op landbouw (ruimtebeslag bestaand areaal, met onderscheid primaire en secondaire landbouw) Aandeel landbouw in regionale voedselvoorziening Kansen voor natuur/landschapinclusieve/circulaire landbouw
Behouden versterken van de intrinsieke natuurwaarden
Vergroten van het areaal (land- en water) natuur
Behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden
Kansen voor natuur Biodiversiteit Ruimtebeslag/nieuwe natuur (exclusief reeds geplande NNN) Verbondenheid natuurgebieden (in ha) - aantasting en nieuwe verbindingen Kansen voor landschap Inwonertal op peil
Leefbaarheid en vitaliteit kernen Bereikbaarheid knopen Recreatieve voorzieningen Slimme en Toekomstvaste mobiliteit faciliteren
Ruimte, kwaliteit en bereikbaarheid recreatieve voorzieningen Bereikbaarheid in reistijdsom totaal per modaliteit, lokaal, regionaal en doorgaand verkeer
Voldoende capaciteit infrastructuurnetwerken en oplossing urgente (systeem) knelpunten (Fiets, Spoor, Stedelijk OV, Transfer, Weg)
Aantal woningen nabij bestaande OV-knopen (met restcapaciteit) Bereikbaarheid van arbeidsplaatsen per modaliteit (fiets/ov, auto) Impact op NMCA-knelpunten Ontlasten Utrecht Centraal Bewerkstelligen slim, veilig en duurzaam goederenvervoer
Haalbaarheid
Versterken robuustheid infrastructuurnetwerken
Versterken robuustheid infrastructuurnetwerken
Vergroten van reizigerscomfort, betrouwbaarheid en beleving
Vergroten van reizigerscomfort, betrouwbaarheid en beleving
Vergroten toegankelijkheid van het verkeer- en vervoersysteem
Vergroten toegankelijkheid van het verkeer- en vervoersysteem
Zicht op uitvoering (technische complexiteit, draagvlak, fysieke inpassing, juridisch)
Uitvoerbaarheid
Mate van adaptiviteit en toekomstvastheid
Adaptiviteit/flexibiliteit
Kosten en opbrengsten (financieel)
GREX-saldo (mln Euro) Beheer en exploitatiekosten, incl. opbrengsten OV-exploitatie (Euro of kwalitatief) Investeringskosten
Investeringen infrastructuur (Euro)
Bij sommige kernindicatoren is de bijdrage van een plan, ontwikkeling of maatregel duidelijk aan te wijzen en de score eenduidig. Vaak is dit ook niet het geval en is een verdere verdieping of operationalisering nodig. Om deze reden zijn er voor veel kernindicatoren nog subindicatoren uitgewerkt die gezamenlijk de score op de kernindicator bepalen. Zie bijlage 1 voor de verdere operationalisering van de kernindicatoren.
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
8
3
Beoordeling IRP
In dit hoofdstuk is de beoordeling van het IRP aan de hand van de hoofddoelen en subdoelen opgenomen.
3.1
Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio
In schema 3.1 is de beoordeling op het hoofddoel ‘Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio’ opgenomen. De beoordeling heeft op de verschillende subdoelen plaatsgevonden. Die beoordeling staat hierna toegelicht. Schema 3.1: beoordeling op hoofddoel ‘Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio’ Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Bevorderen van een gezonde, duurzame en energieke regio
Bevorderen gezonde leefstijl
Perspectief +
Bevorderen gezonde leefomgeving (o.a. terugdringen hinder geluid en emissies)
+/-
Kansen voor klimaatadaptatie; o.a. beperken wateroverlast, waterveiligheid en hittestress
0/+
Voldoende schoon en gezond water
0/+
Kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie
0/+
Programmering
●
Per subdoel liggen een of meerdere kernindicatoren en subindicatoren ten grondslag aan de beoordeling. Per subdoel lichten we toe hoe de beoordeling tot stand is gekomen / waar deze op is gebaseerd.
Bevorderen gezonde leefstijl Binnen het subdoel ‘bevorderen gezonde leefstijl’ wordt gekeken naar verschillende kernindicatoren die met name gaan over het stimuleren van actief vervoer, zoals fietsgebruik, een aantrekkelijke leefomgeving om in te sporten en goede fiets- en OV verbindingen tussen kernen, en over het mengen (wonen, werken, voorzieningen) en scheiden van functies (overlast gevende bedrijven, wonen en druk verkeer). Het eerste perspectief staat in het teken van leven in een groene gezonde omgeving. Het IRP draagt dan ook op meerdere manieren positief bij aan een gezonde leefstijl in de regio. Zo wordt ingezet op het verbinden van stad en land, door groenblauwe verbindingen, scheggen en recreatiepoorten. Daarnaast wordt nabijheid georganiseerd door het mengen van functies als wonen, werken en voorzieningen, zodat alle benodigde dagelijkse functies op wandel- en fietsafstand aanwezig zijn. Het IRP benoemt dat daar hogere dichtheden bij horen en dat de wandel- en fietsinfrastructuur versterkt worden. Kernen komen meer met elkaar in verbinding te staan door een schaalsprong in OV en een uitgebreid regionaal netwerk van fietsinfrastructuur. Tot slot wordt specifiek ruimte gezocht voor of rekening gehouden met bedrijventerreinen die niet mengbaar zijn, zodat hier bedrijven met een hogere milieucategorie en hindercirkels gevestigd kunnen blijven (of worden).
Dat draagt bij aan het scheiden van functies.
Bevorderen gezonde leefomgeving De kernindicatoren waarop de beoordeling ‘bevorderen gezonde leefomgeving’ zich baseert zien toe op de aspecten geluid, emissies luchtverontreiniging, verkeersveiligheid, veiligheid ‘in brede zin’ en waterkwaliteit. Door ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk te concentreren binnen bestaand stedelijk gebied en uit te breiden rondom (OV)-knopen wordt vanuit het IRP ingezet op het beperken of zelfs terugdringen van het autoverkeer. Het beperken van drukte in de spits wordt als instrument aangedragen om benodigd nieuw asfalt te kunnen beperken. Deze punten dragen positief bij aan het reduceren van geluid en emissies, bovendien neemt de autoverkeersveiligheid daardoor mogelijk toe. Fietsen wordt gestimuleerd, wat dan mogelijk weer tot meer verkeersonveiligheid kan leiden. REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
9
Een discussie over wat het perspectief tot gevolg heeft voor verkeersveiligheid ontbreekt. Geschat wordt dat een concentratie van functies op bepaalde plekken juist zorgt voor meer drukte en daarmee mogelijk voor geluidsoverlast en verkeersonveilige situaties. Aspecten met betrekking tot veiligheid ‘in brede zin’ komen niet terug in het IRP. Voor waterkwaliteit is wel aandacht. Het IRP geeft aan te kiezen voor ‘een waterrobuuste en klimaatbestendige regio’. Door aanleg van wadi’s en waterpleinen moet een robuust watersysteem ‘met voldoende verversing’ ontstaan, zodat ook bij hoge temperaturen een goede waterkwaliteit geborgd is. Zo wordt de Utrechtse Heuvelrug als voorbeeld aangehaald waar een landelijk gebied drinkwaterwinning kan verbinden met het tegengaan van verdroging. Verder wordt aangegeven dat ‘waterinclusief bouwen een voorwaarde is voor de stedelijke ontwikkeling van de regio’. Het wordt niet concreet waar wadi’s en waterpleinen komen en op welke manier waterinclusief bouwen geborgd wordt. Uiteindelijk geeft het IRP op een aantal kernindicatoren een positieve invulling, is op een aantal aspecten zorg of mogelijk zelfs sprake van negatieve effecten en wordt op een aantal indicatoren niet of beperkt uitgewerkt hoe daar invulling aan wordt gegeven. Om die reden is de beoordeling op het subdoel ‘bevorderen gezonde leefomgeving’ zowel positief als negatief (+/-).
Kansen voor klimaatadaptie Het subdoel ‘kansen voor klimaatadaptatie’ wordt beoordeeld op basis van de mate waarin wordt ingezet op het beperken van (kans op) wateroverlast, overstroming, hittestress en droogte. In het IRP is bij het uitwerken van perspectief 7 voldoende aandacht voor klimaatadaptatie (en ook waterrobuustheid). Verwezen wordt naar de ‘regionale adaptatiestrategie’ die voorschrijft dat ‘in 2040 nieuwbouw en herstructurering klimaatadaptief gebeurt’. Er moet voldoende ruimte zijn voor water, met minder verstening ontwikkeld worden en gewerkt worden met ‘het juiste groen’. Bij het uitwerken van de redeneerlijnen die leiden tot ruimtelijke keuzes is onder meer aandacht voor ‘landschap, water en groen-inclusief ontwikkelen’. Daarbij wordt echter vooral benadrukt dat er ‘programmatische keuzes’ zijn te maken die sturing geven aan het uitvoeren van de ontwikkeling van groen en landschap. Aangegeven wordt dat nieuwe verstedelijking natuurinclusief en klimaatadaptief ontworpen wordt en dat de openbare ruimte moet gaan bijdragen aan het verminderen van hittestress. Verder wordt benoemd dat er ruimte moet zijn ‘voor en/of integreren van de wateropgave en klimaatadaptatie’. In de uitwerking naar deelgebieden wordt een prioritering gegeven aan landschap, water en groen.
In relatie tot kansen voor klimaatadaptie worden daarin onder andere verdroging tegengaan, realiseren wateropgave en bodemdaling tegengaan genoemd. De opgaven en keuzes worden echter niet expliciet en ruimtelijk uitgewerkt. Daarnaast wordt aangegeven dat voor het bestaande stedelijke gebied geen aparte gebiedsopgave omschreven is. Het IRP benoemt wel dat daar ‘ook nadrukkelijk opgaven voor landschap, groen en klimaatadaptatie’ liggen. Al met al wordt er voldoende aandacht besteed aan klimaatadaptatie, maar worden de kansen en met name ruimtelijke keuzes hiervoor niet concreet uitgewerkt. Om die reden is dit subdoel als licht positief beoordeeld (0/+) beoordeeld. Voor een deel is dit echter ook (nog) niet te beoordelen (●).
Voldoende schoon en gezond water Het subdoel ‘voldoende schoon en gezond water’ wordt beoordeeld aan de hand van 3 kernindicatoren: -
Robuust watersysteem Ruimte voor het hoofdwatersysteem Strategische grondwatervoorraden
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
10
Het IRP heeft onder de redeneerlijn ‘De Utrechtse trots als basis’ veel aandacht voor het behoud en versterken van landschap, water en groen in de regio. Daarbij wordt als één van de keuzes expliciet benoemd dat ‘ruimte voor groen, natuur, cultuurhistorie en water in kwantitatieve zin’ vergroot wordt. Daarnaast is aandacht voor een waterrobuuste regio waarin wordt ingezet op onder meer aspecten als waterretentie en infiltratie. Dat moet zorgen dat de druk op het watersysteem niet toeneemt. Voor het thema landschap, water en groen zijn ook specifieke gebiedsgerichte opgaven geschetst. Bij elk van deze gebiedsopgaven is aandacht voor water. In veel van die gebieden is aandacht voor waterberging, het tegengaan van bodemdaling, het voorkomen van watertekorten in veenweidegebieden en zorgdragen voor overstromingsveiligheid in het rivierengebied. In tegenstelling tot de opgaven op het gebied van groene contour, extra landschap, extra natuur en recreatieve verbindingen is de wateropgave nog niet gekwantificeerd in bijvoorbeeld aantal hectaren. Daarover wordt aangegeven dat de wateropgave ‘veelal meegekoppeld kan worden in het oppervlak van andere opgaven’. Zo wordt in de uitwerking van zoeklocaties energie bijvoorbeeld de kans benoemt om zonnevelden te combineren met natuur en waterberging.
Verder wordt benoemd dat de grondwaterstand in de regio verhoogt zal moeten worden om verzilting door de zeespiegelstijging het hoofd te bieden, echter is hier geen aanpak bij opgenomen. Voor strategische grondwatervoorraden is in het IRP geen aandacht. Alles overziendis er voldoende aandacht voor voldoende water, maar wordt deze opgave beperkt ruimtelijk specifiek en kwantitatief gemaakt. In potentie wordt dus positief op dit subdoel gescoord, maar het vraagt nog wel verdere uitwerking. Om die reden is het subdoel als 0/+ beoordeeld.
Kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie Binnen het subdoel ‘kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie’ wordt gekeken naar de kernindicatoren CO2-emissies van verkeer en naar kansen en bijdragen aan de energietransitie in termen van energieproductie en -besparing. Deze laatste indicator is verder uitgewerkt naar subindicatoren op het gebied van wonen (energievraag en energieneutraliteit), ruimte voor elektriciteit buitengebied, nabijheid van warmtebronnen, een impuls aan bedrijven en het energiegebruik en de energielevering op werklocaties. Voor het hoofddoel energietransitie is met name de redeneerlijn ‘duurzame energie is een gezamenlijke opgave’ van belang. Daarin wordt benoemd dat de regio ruimte gaat maken voor 1,8 TWh duurzame opwek in 2030. Dat gebeurt met zon-op-dak, zonnevelden en windmolens. In het thema ‘Energie’ zijn zoekgebieden opgenomen waar de duurzame energie opwek gerealiseerd kan worden. Daarbij zijn kaarten overgenomen uit de Regionale Energie Strategie U16 (RES) die gemeentelijk beleid ten aanzien van beschikbare zones voor wind of zon gebieden grafisch weergeven. Een vertaling van de zoekgebieden naar daadwerkelijke locaties is echter nog niet gedaan. Dit zal gebeuren vanuit het parallel lopende traject van de RES, waar ter ondersteuning voor het vinden van locaties handreikingen opgenomen zijn voor windturbines en zonneparken.
Vanuit de RES zullen concrete plannen naar voren komen, die mogelijk ook op de ruimtelijke ontwikkeling in de regio invloed zullen hebben. Een aandachtspunt met betrekking tot de concrete invulling van de RES plannen is dat dit kan snijden met de haalbaarheid van het IRP, het aanwijzen van RES gebieden kan bijvoorbeeld haaks staan op ruimtelijke, landschappelijke en economische doelstellingen uit het IRP. De inzet op duurzame vormen van mobiliteit (openbaar vervoer, fietsen, lopen) en concrete uitwerking daarvan (zoals het ‘Wiel met Spaken’, ontwikkeling rondom knooppunten en in stedelijke kernen) maakt dat op de kernindicator CO2-emissies positief gescoord wordt. Het is aannemelijk dat
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
11
met de ruimtelijke uitwerking van het IRP getracht wordt het autoverkeer zoveel als mogelijk in te perken. Het subdoel ‘kansen en bijdragen aan realisatie energietransitie’ wordt, alles bij elkaar genomen, beoordeeld met 0/+. Er is een positieve bijdrage o.a. op het gebied van verkeer en de uitgesproken ambities om in te zetten op de energietransitie, maar tegelijkertijd is de ruimtelijke uitwerking van de energietransitie nog niet voldoende uitgewerkt. Het opnemen van zoekgebieden voor duurzame opwek beoordelen wij als licht positief (0/+), hiermee is namelijk de eerste stap voor de realisatie van de energietransitie gezet.
3.2
Economie versterken: aanjagen economische groei van de regio
In schema 3.2 is de beoordeling op het hoofddoel ‘Economie versterken: aanjagen economische groei van de regio’ opgenomen. De beoordeling heeft op de verschillende subdoelen plaatsgevonden. Die beoordeling staat hierna toegelicht. Schema 3.2: beoordeling op hoofddoel ‘Economie versterken: aanjagen economische groei van de regio’
Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Perspectief
Programmering
Economie versterken: Aanjagen economische groei van de regio
Agglomeratiekracht vergroten Versterken van het vestigingsklimaat Bevorderen circulariteit in de economie Bevorderen innovatie in de economie
+ + 0/+ +
● ●
Stimuleren betekenisvolle werkgelegenheid met gezonde en veilige arbeidsomstandigheden
0
●
Agglomeratiekracht vergroten Binnen het subdoel agglomeratiekracht vergroten wordt beoordeeld op de kernindicatoren BRP, aantal arbeidsplaatsen, hoeveelheid hectare toegevoegde gemengde functies wonen en werken en de ruimte-intensivering van werklocaties en voorzieningen. Vanuit het IRP wordt onder meer ingezet op het versterken van de stad Utrecht ‘als vliegwiel van de groei van de regio’, op het ontwikkelen van nieuwe hoogstedelijke centra rondom de zogeheten ‘metropoolpoorten’ en op het intensiveren van regiopoorten. Concreet betekent dit dat op diverse plekken getransformeerd wordt en gemengde woon-werkmilieus ontstaan. De (stedelijke) verdichting en vermenging van wonen, werken en voorzieningen gaat gepaard met een inzet op de (OV) bereikbaarheid van deze gebieden. Die twee elementen zorgen ervoor dat de ‘nabijheid’ van wonen, werken en voorzieningen toeneemt. Om die reden wordt het IRP op het subdoel ‘agglomeratiekracht vergroten’ positief beoordeeld (+). Wanneer het gaat om agglomeratiekracht wordt namelijk gesproken van begrippen als ‘matching, sharing en learning’, die allen versterkt worden als de nabijheid en dichtheid in (met name stedelijke) gebieden toeneemt. Vanuit die theorie wordt een positieve bijdrage aan het Bruto Regionaal Product verwacht.
Verder wordt in ieder geval voldoende ruimte voor arbeidsplaatsen vanuit de economische opgave geborgd, onder meer vanuit een ruimte-intensivering van bedrijventerreinen en door concreet een aantal regiopoorten en ontwikkellocaties in de stad Utrecht te benoemen waar wordt geïntensiveerd, niet alleen in wonen, maar ook in termen van aantal arbeidsplaatsen.
Versterken van het vestigingsklimaat Het subdoel ‘versterken van het vestigingsklimaat’ is nader geoperationaliseerd aan de hand van een aantal subindicatoren. Het gaat onder meer over het potentiële bereik van het aantal werknemers van de 3 economische hotspots, de kwalitatieve ontwikkeling van de economische hotspots, het REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
12
aantal vierkante meters kantoren op multifunctionele knooppuntlocaties en het aantal hectares toegevoegde bedrijventerreinen. De opgave op de twee laatste aspecten is in het IRP concreet gemaakt. Er is tot 2040 behoefte aan maximaal 853.000 m2 VVE kantoorruimte in de stad Utrecht, dat wordt met name ingevuld op plekken die goed bereikbaar zijn met het OV. Op plekken buiten de stad wordt gefaseerd gestart met het transformeren van kantoren naar wonen. Daarbij wordt begonnen met kantoren die niet op een OV-locatie liggen. Tot 2040 is er daarnaast nog de opgave om 216 ha bedrijventerrein te programmeren. Het IRP geeft aan dat deze opgave gedeeltelijk terecht kan komen in de gemengde stedelijke gebieden, maar dat voor een groot deel van de opgave nog geen ruimte is gevonden. Concreet wordt gemaakt dat er regionaal nog planaanbod is dat wordt benut, dat er ruimte is om te intensiveren op bestaande bedrijventerreinen en dat daarnaast ruimte wordt gezocht voor één of meerdere regionale bedrijventerreinen waar de regionale groei opgevangen kan worden. Die laatste locatie(s) zijn in studie, waarbij gezocht wordt naar korte termijn beschikbaarheid, koppelkansen met ontwikkeling regiopoorten en andere koppelkansen zoals landschapsontwikkeling, energieopwekking en infrastructuur. Vooralsnog wordt gezocht nabij de stad Utrecht langs de A12 en A2.
De drie economische hotspots in de regio zijn USP/Rijnsweerd, het Stationsgebied Utrecht en de A12 zone / Merwedekanaalzone. Voor alle drie de locaties is aandacht in het IRP. Over het USP wordt specifiek aangegeven dat het profiel daarvan versterkt wordt en dat de ruimtevraag om als cluster verder te kunnen groeien tegemoet wordt getreden. Ook de gebieden Groot Merwede en A12-zone worden als specifieke ontwikkelgebieden aangewezen en uitgewerkt. Daar hoort het stationsgebied van Utrecht ook bij, daarover wordt bovendien aangegeven dat dit gebied verder door zal groeien als één van de belangrijkste werklocaties van Nederland. Er wordt ruimte gemaakt voor nog eens 20.000 arbeidsplaatsen. Voor alle kernindicatoren onder het subdoel ‘versterken van het vestigingsklimaat’ is aandacht in het IRP, de score is daarom positief (+) . Echter, een deel van de concreet benoemde opgave voor bedrijventerreinen en kantoren moet nog worden ingevuld (deze zijn nog in studie), deze aspecten zijn nog niet te beoordelen (●).
Bevorderen circulariteit in de economie Onder het subdoel ‘bevorderen circulariteit in de economie’ vallen kernindicatoren die gaan over het behoud van werklocaties (locaties waar niet gemengd wordt met wonen) en complementariteit van werklocaties om op die manier circulaire ketens te kunnen sluiten. Het IRP beschrijft concreet dat een deel van de opgave aan extra bedrijventerreinen zich ‘niet laat mengen of bescherming nodig’ heeft. In totaal is behoefte aan 216 ha bedrijventerrein extra tot 2040. Een deel van deze behoefte kan wel op gemengde woon/werkgebieden gerealiseerd worden, maar het IRP beschrijft dat gezocht gaat worden naar ruimte voor 60 ha bedrijventerrein dat zich niet laat mengen en wordt geïntensiveerd op bestaande bedrijventerreinen. Verder wordt concreet aangegeven dat op deze niet-mengbare bedrijventerreinen ruimte wordt geboden voor de circulaire economie. Het IRP gaat daarbij zelfs iets verder door aan te geven dat hoge eisen worden gesteld aan de bedrijven die zich gaan vestigen op de niet-mengbare bedrijventerreinen. Onder andere op het gebied van circulariteit: ‘bedrijven die hier landen leveren een aantoonbare bijdrage aan de missie van circulair neutraal in 2050’. Het begrip complementariteit wordt niet specifiek in relatie tot werklocaties en circulaire ketens benoemd, enkel op het gebied van economie en vitale kernen.
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
13
Voor circulariteit en behoud van werklocaties is in het IRP veel aandacht. Het beschrijft daartoe ook concrete ingrepen en randvoorwaarden. Om die reden wordt het subdoel ‘bevorderen circulariteit in de economie’ licht positief beoordeeld (0/+), een deel is echter nog niet ingevuld (●).
Bevorderen van innovatieve economie Binnen het subdoel ‘bevorderen van innovatieve economie’ wordt gekeken naar de kernindicator ‘kansen voor innovatieve economie’. Op verschillende plekken is daar aandacht voor in het IRP. Zo wordt het belicht vanuit de opgave om een circulaire economie te worden, dat zou ook een ‘motor voor innovatie’ kunnen zijn. Ingezet wordt op het beschermen van innovatieve werkmilieus, via de niet-mengbare bedrijventerreinen. Verder wordt de posities van de economische hotspots, waarbinnen met name de positie van het Utrecht Science Park wordt belicht, versterkt. Op het USP wordt het wetenschapsmilieu ondersteund en versterkt. Daarachter zit ook als motief dat het USP een ‘broedplaats is voor innovatie’, dat wordt dus verder gestimuleerd, onder andere door de bereikbaarheid van het gebied te verbeteren. Om deze redenen wordt vanuit het IRP voldoende ingezet op het vergroten van de kansen voor de innovatieve economie en het subdoel positief beoordeeld (+).
Betekenisvolle werkgelegenheid Het subdoel ‘stimuleren betekenisvolle werkgelegenheid met gezonde en veilige arbeidsplaatsen’ is verder geoperationaliseerd door te kijken naar het aandeel betekenisvolle gezonde en veilige arbeidsplaatsen op het totaal. Het IRP benoemt niet concreet dat dit type arbeidsplaatsen wordt gerealiseerd. Wel is aandacht voor gezonde werkomgevingen en werkmilieus, maar dat zegt nog niet iets over het type werkgelegenheid. Datzelfde geldt voor veilige arbeidsplaatsen. Om die reden kan dit subdoel niet specifiek beoordeeld worden en resulteert een 0 en ● als beoordeling.
3.3
Verstedelijkingsopgave faciliteren
In schema 3.3 is uitgewerkt welke subdoelen er vallen onder het hoofddoel ‘verstedelijkingsopgave faciliteren’. Schema 3.3: beoordeling op hoofddoel ‘Verstedelijkingsopgave faciliteren’
Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Verstedelijkingsopgave faciliteren
Perspectief
Programmering
Zicht op voldoende plancapaciteit (kwantiteit)
+
Zicht op voldoende diversiteit woonmilieus (kwaliteit)
0/+
●
Bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt
0
●
Stimuleren levensloopbestendige wijken
0
●
Toegang tot voorzieningen verbeteren vanuit woongebieden
+
Toegang tot werk vergroten vanuit woongebieden
+
Voldoende plancapaciteit Onder het subdoel ‘zicht op voldoende plancapaciteit (kwantiteit)’ vallen kernindicatoren die gericht zijn op het aantal gerealiseerde woningen binnen de regio en de het in beeld hebben van reserveplancapaciteit. De totale woningbouwopgave in de U16 is 104.000 tot 125.000 woningen tot 2040. In samenspraak met het Rijk wordt daarbij gestuurd op 30% overprogrammering, dat komt neer op een REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
14
planbehoefte van 124.000 tot 147.500 woningen. Het IRP schetst het perspectief dat er in 2040 ruimte is voor alle nieuwe bewoners. Deze opgave wordt vervolgens concreet inzichtelijk gemaakt door een aantal ontwikkellocaties te benoemen. In de vitale kernen wordt ruimte gemaakt voor 15.000 tot 22.000 nieuwe woningen, in de stad Utrecht en het Nieuwegeinse deel van de A12-zone gaat het om 74.000 tot 82.000 nieuwe woningen en in de regiopoorten om 35.000 tot 40.000 woningen. In totaal is er daarmee een plancapaciteit van 124.000 tot 144.000 woningen. Daarmee wordt dus voldaan aan het minimaal aantal te realiseren woningen. Het IRP benoemd vervolgens ook een aantal nieuwe uitleglocaties die een optie worden wanneer OV aanwezig is en het landschap wordt versterkt. Deze uitleglocaties hebben niet de voorkeur, maar het IRP geeft aan dat op locaties in Bunnik Stationsgebied-Zuid en Rijnenburg woningbouw op de langere termijn mogelijk is. Daarmee is voorzien in reserve-plancapaciteit. Aan beide kernindicatoren onder het subdoel ‘zicht op voldoende plancapaciteit’ wordt voldaan. Om die reden wordt op dit subdoel positief gescoord (+).
Diversiteit woonmilieus Het subdoel ‘zicht op voldoende diversiteit woonmilieus’ richt zich meer op de kwalitatieve kant van de woningbouwopgave. Deze kwalitatieve vraag naar woonwensen is in het IRP ook benoemd. Deze vraag wordt inzichtelijk vanuit een onderzoek van bureau Companen. Daaruit volgt dat de regio sterker moet inzetten op het realiseren van stedelijke woonmilieus, met gemengde woonwerklocaties, voorzieningen in de woonomgeving en een mobiliteitsprofiel gericht op OV en fiets. Daarnaast is behoefte aan groenstedelijke milieus aan de randen van de stedelijke agglomeratie. Het subdoel is verder geoperationaliseerd door concreet door te vragen naar het aantal woningen in bepaalde woonmilieus. Het IRP beschrijft dat het grootste deel van de regionale woningbouwopgave zich in of in de directe nabijheid van de stad Utrecht (60 procent) concentreert en dat daarnaast wordt ingezet op regiopoorten waar rondom OV-knooppunten wordt ontwikkeld. Die ontwikkelingen hebben vaak plaats in gemengde woon-werkmilieus. Buiten de stedelijke agglomeratie worden woonmilieus afgestemd op de lokale behoefte, hier gaat het om doorstroming van senioren en het toevoegen van woningen voor starters. Uit de geschetste plannen voor woningbouw in het IRP komt naar voren dat tegemoet wordt getreden aan de woonwensen die door Companen in de regio zijn onderzocht.
Het wordt echter niet duidelijk in welke mate alle woonwensen worden gehonoreerd. Om die reden wordt het IRP op het subdoel ‘zicht op voldoende diversiteit woonmilieus’ licht positief beoordeeld (0/+), waarbij er nog vragen zijn over de uitwerking (●).
Bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt Het subdoel ‘bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt’ is geoperationaliseerd aan de hand van de kernindicator ‘voldoende geschikt en betaalbaar aanbod voor iedereen’. Het begrip inclusiviteit van de woningmarkt zelf komt niet terug in het IRP. Dat geldt ook beperkt voor het begrip ‘betaalbaar’ en geschikt aanbod voor iedereen. Eerder onder de subdoelen diversiteit woonmilieus en voldoende plancapaciteit is wel naar voren gekomen dat de regio volgens het IRP voldoende woningen in diverse milieus gaat realiseren. Het IRP beschrijft vervolgens wel dat in de regio afspraken worden gemaakt over woningbouwprogrammering, met daarbij het uitgangspunt dat alle gemeenten in de regio hun verantwoordelijkheid nemen om te zorgen voor voldoende betaalbare woningen. De streefnorm 25% sociale huur en 25% middensegment wordt door de provincie Utrecht gehanteerd. De verantwoordelijkheid voor huisvesting van kwetsbare
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
15
doelgroepen wordt regionaal gedeeld en uitgewerkt in het Regionaal Programmeren. Hoe dat concreet wordt ingevuld is nog niet duidelijk. De verantwoordelijkheid van de inclusiviteit van de woningmarkt in het IRP wordt opgeschoven naar vervolgstappen waar nog nadere afspraken moeten worden gemaakt over de verantwoordelijkheid voor sociale en kwetsbare doelgroepen wordt het IRP op dit aspect neutraal / nog niet te scoren (0 en ●) beoordeeld.
Stimuleren levensloopbestendige wijken Voor het subdoel ‘stimuleren levensloopbestendige wijken’ geldt in zekere zin hetzelfde als voor het subdoel ‘bevorderen inclusiviteit van de woningmarkt’. Voor de begrippen die in de kernindicator ‘aandeel levensloopbestendige wijken op het totaal’ worden genoemd is in het IRP geen aandacht. Om die reden resulteert ook hier een score neutraal / nog niet te scoren (0 en ●).
Toegankelijkheid voorzieningen Binnen het subdoel ‘toegang tot voorzieningen verbeteren vanuit woongebieden’ wordt naar de kernindicator ‘nabijheid stedelijke centra’ gekeken. Dat wordt verder geoperationaliseerd door te kijken naar het aandeel woningen dat binnen 3 kilometer van centra is gelegen. Het IRP zet met verschillende ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit, wonen en werken in op de ontwikkeling van knopen en (hoog)stedelijke gebiedsontwikkeling. Op die manier is de verwachting dat een fors deel van de woningen in de nabijheid zal worden gerealiseerd van voorzieningen. Het kan daarbij gaan om de toegankelijkheid van vervoer (OV), groen (door de groene scheggen), werk en winkels. Zeker deze laatste twee concentreren zich ook in de stedelijke centra of rondom de regionale OV-knooppunten. In het IRP is specifiek aandacht voor winkelgebieden waarbij drie categorieën worden geschetst (concentratie-, balans- en transitiegebieden). Doel is kwaliteit en voldoende aanbod in de regio te borgen. Dat draagt bij aan het voorzieningenniveau, ook voor de nieuwe ontwikkelingen. Al met al is te verwachten dat het aandeel woningen dat binnen 3 kilometer van centra is gelegen toe zal nemen wanneer de ruimtelijke ontwikkelingen uit het IRP worden gerealiseerd. dat gebeurt door inzet op verdichting binnen bestaand stedelijk gebied en versterking van de OV-knopen.
Om die reden is het subdoel ‘toegankelijkheid voorzieningen’ positief (+) beoordeeld.
Toegang tot werk vergroten vanuit woongebieden Het subdoel ‘toegang tot werk vergroten vanuit woongebieden’ is geoperationaliseerd door te kijken naar de kernindicator ‘gemiddelde woon-werk reistijd per modaliteit’. Dit specifieke aspect is niet onderzocht in het IRP. Wel wordt duidelijk dat het IRP inzet op het toevoegen van meer gemengde woon-werkmilieus, verdichting binnen bestaand stedelijk gebied, ontwikkeling rondom OVknooppunten en versterking van deze knopen (ook in de regio). Op die manier is het aannemelijk dat de gemiddelde reistijd voor woon-werkverkeer in potentie af zal nemen, niet alleen voor de nieuwe bewoners en werknemers, maar ook voor de bestaande bewoners en gebruikers van het mobiliteitssysteem in de U16. Zo wordt het OV versterkt door inzet op het ‘Wiel met Spaken’ en worden op diverse plekken fietsverbindingen verbeterd. Dat zal er ook toe leiden dat het rustiger wordt op de weg, waardoor ook automobilisten in potentie sneller op hun werk kunnen komen. Om bovenstaande redenen wordt het subdoel ‘toegang tot werk vergroten vanuit woongebieden’ positief beoordeeld (+).
REP U16
Toetsing Integraal Ruimtelijk Perspectief aan het aangepast beoordelingskader
16
3.4
Ruimtelijke kwaliteit verhogen
In schema 3.4 is de beoordeling op de subdoelen die vallen onder het hoofddoel ‘ruimtelijke kwaliteit verhogen’ samengevat weergegeven. Schema 3.4: beoordeling op hoofddoel ‘Ruimtelijke kwaliteit verhogen’
Centraal motto U16: ‘Gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen’ Hoofddoel
Subdoelen
Ruimtelijke kwaliteit verhogen
Perspectief
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied
0/+
Verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied
+
Behouden versterken van de intrinsieke natuurwaarden
0/+
Vergroten van het areaal (land- en water) natuur
+
Behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden
+
Leefbaarheid en vitaliteit kernen
+
Recreatieve voorzieningen
+
Programmering
●
Verhogen ruimtelijke kwaliteit stedelijk gebied Dit subdoel heeft als kernindicator Kansen verhoging ruimtelijke kwaliteit stedelijk gebied. Voor de score op deze kernindicator wordt gekeken naar het toevoegen van complementaire woon- en werkmilieus, de realisatie van voldoende kritische massa om draagvlak te creëren voor voorzieningen en de spreiding van deze kwaliteiten over de gehele regio, zodat iedereen ervan profiteert. In het IRP wordt het mengen van wonen, werken en voorzieningen nadrukkelijk genoemd als een belangrijke opgave voor de regio. De inzet op OV-knopen zorgt ervoor dat de omgeving hier een stapje meer stedelijk wordt en het zorgt voor menging van functies en draagvlak voor (meer) voorzieningen. Met meer stedelijke milieus neemt de bereikbaarheid van voorzieningen voor de gehele regio toe en ook de inzet op de vitale kernen draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Met deze inzet zijn er voldoende kansen om de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied te vergroten. Specifieke inzet om deze ruimtelijke kwaliteit te bevorderen (welke voorzieningen, waar●) wordt echter niet uitgewerkt. Wel wordt in de regiopoorten de verbinding met de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied gezocht en ook de verbindingen via de scheggen dragen bij.